BOPA Bartokstraat
Tekst van het document
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief Voorliggend initiatief voorziet door de sociale huur/koop appartementen, de betaalbare midden huur/koop appartementen en de duurdere koopappartementen in het toevoegen van 35 appartementen. Het aantal en het soort appartementen past binnen de geraamde kwantitatieve en kwalitatieve behoefte van de gemeente Haaksbergen. Geconcludeerd wordt dat het voornemen aansluit bij de gemeentelijke woonvisie. 5.3.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Het initiatief is in overeenstemming met de uitgangspunten uit het relevante gemeentelijk beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
HOOFDSTUK 6 6.1
OMGEVINGSVEILIGHEID
Algemeen
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) 6.2
Situatie in en bij het projectgebied
Aan de hand van de EV-signaleringskaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de signaleringskaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 6.1 is een uitsnede weergegeven. Het projectgebied is met een rode ster aangeduid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
Afbeelding 6.1:
Uitsnede Signaleringskaart EV (Bron: EV signaleringskaart)
Uit de inventarisatie blijkt dat op een afstand van circa 730 meter ten zuidoosten van het projectgebied een tankstation is gelegen. Daarbij geldt een brandaandachtsgebied en een explosieaandachtsgebied. Dit tankstation is al geruime tijd buiten gebruik en zal op korte termijn worden vervangen door een minder belastende functie. Verder ligt ten zuidwesten een buisleiding op een afstand van circa 1,15 km. Gezien de ruime afstand van de risicobronnen tot de projectlocatie is echter geen sprake van een onaanvaardbaar risico op de projectlocatie. 6.3
Conclusie
Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
HOOFDSTUK 7
BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
7.1
Vigerend beleid
7.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 7.1.2
Rijksbeleid
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 7.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 7.1.4
Beleid Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief Watervisie. Daarbij kan het gaan om zowel nieuw beleid als bestaand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.
7.2
Wateraspecten
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.
7.3
Watertoetsproces en waterhuishouding projectgebied
Waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de normale procedure van toepassing is. Het watertoetsresultaat is opgenomen als bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Met het waterschap Vechtstromen zijn meerdere overleggen geweest. Onderstaand is hier een uitwerking van Wateroverlast Het projectgebied ligt in stedelijk gebied. Ter plaatse neemt het verhard oppervlakte af. Echter dient het water tijdens piekmomenten wel goed opgenomen worden. Daarom wordt waterberging gerealiseerd. Ter plaatse worden de parkeerplaatsen voorzien van halfverharding. Ten aanzien van de waterberging wordt een wadi aan de zijkant van het appartementengebouw gerealiseerd. De beoogde wadi heeft een diepte van 50 cm waarvan 30 cm waterhoogte. In totaal wordt een wadi van 25 m bij 3,5 m, voor een opvangcapaciteit van 55 mm/m2, aangelegd. Het hemelwater wordt afgevoerd naar de wadi die voor overstort wordt aangesloten op de beek welke langs de Wiedenbroeksingel loopt. De situering en een doorsnede van de wadi zijn opgenomen in het erfinrichtingsplan (bijlage 1) bij deze toelichting. Waterkwaliteit Voorliggende woningbouwontwikkeling heeft geen gevolgen voor de waterkwaliteit. Riolering en Afvalwaterketen De woningen worden aangesloten op het bestaande rioolstelstel.
Hiervoor is voldoende capaciteit aanwezig. Grondwaterbeheer Bij het bouwplan zal rekening worden gehouden met voldoende ontwateringsdiepte zodat de kans op grondwateroverlast kleiner wordt. Oppervlaktewater In het plangebied zijn geen (hoofd)watergangen aanwezig. Er wordt tevens geen oppervlaktewater toegevoegd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
7.4
Conclusie
Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
HOOFDSTUK 8
BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU
Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties houdt het bevoegd gezag op basis van afdeling 5.1.4 van het Bkl rekening met het beschermen van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • •
geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ behandeld.
8.1
Geluid door activiteiten
8.1.1
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •
activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).
Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 8.1.2
Situatie projectgebied
Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. 8.1.2.1 Wegverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: • • •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
Het projectgebied ligt binnen het aandachtsgebied van de gemeentelijke weg Wiedenbroeksingel (50 km/uur). Daarom is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierin is ook een deel van de Wagnerstraat meegenomen omdat de beoogde woningen hier direct aan grenzen. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is bijgevoegd als bijlage 3 bij deze onderbouwing. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten. Onderzoeksresultaten De geluidbelasting als gevolg van de gemeentelijke weg ‘Weidenbroeksingel’ bedraagt hoogstens 55 dB. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl. Er wordt wel voldaan aan de grenswaarde van 70 uit het Bkl. De geluidbelasting als gevolg van de ‘Wagnerstraat’ voldoet aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl. De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de standaardwaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige of financiële aard. Ten tijde van de vergunningaanvraag dient een bouwakoestisch onderzoek te worden bijgevoegd waarin wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de vereiste binnenwaarde. Gezien de hiervoor benodigde gevelwering wordt verwacht dat dit relatief eenvoudig te realiseren is. Dit betekent dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat haalbaar is ter plaatse van de te realiseren woningen.
Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect geluid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 8.1.2.2 Railverkeerslawaai Het projectgebied bevindt zich op circa 270 meter afstand van de dichtstbijzijnde spoorweg. Op basis van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling dient de afstand van een geluidsgevoelig object in stedelijk gebied tot de dichtstbijzijnde spoorweg ten minste 200 meter te bedragen. In voorliggend geval wordt aan deze afstand voldaan. Tevens zorgen omliggende gebouwen voor een afschermende werking. Een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai is daardoor niet noodzakelijk. 8.1.2.3 Industrielawaai In de omgeving van het projectgebied is geen gezoneerd bedrijventerrein aanwezig. Wat betreft de invloed van de in de omgeving aanwezige individuele bedrijvigheid/voorzieningen voor de voorgenomen ontwikkeling wordt verwezen naar onderstaande alinea’s. 8.1.2.4 Solitaire bedrijvigheid Algemeen Indien door een ontwikkeling nieuwe gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende (milieubelastende) functies. Anderzijds mogen omliggende functies niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNGpublicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Situatie projectgebied Met de aanwezigheid van voornamelijk woningen in de omgeving van het projectgebied is deze te typeren als ‘rustige woonwijk’.
De beoogde woningen betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Nabij het plangebied zijn twee maatschappelijke bestemmingen (basisscholen) gevestigd. Hiervoor geldt een richtafstand (geluid) van 30 meter. Ten aanzien van de beoogde appartementengebouwen tot aan de maatschappelijke bestemmingen kan worden voldaan aan de gestelde richtafstand. Gesteld wordt dat er geen sprake is van enige beperking van omliggende functies. 8.1.3
Conclusie
De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid.
8.2
Bodemkwaliteit
8.2.1
Algemeen
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: •
Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief • • •
Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 8.2.2
Situatie projectgebied
Door Dumea Milieu B.V. is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als bijlage 4 bij deze onderbouwing. Onderstaand wordt nader ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten. Onderzoeksresultaten Ter plaatse van de onderzoekslocatie bodemonderzoek conform de NEN5740.
zijn
boringen
uitgevoerd
ten
behoeve
van
een
Gehele locatie In het bovengrondmengmonster BM1 is een lichte verhoging PAK10 VROM aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM2 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het ondergrondmengmonster OM1 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1 wm1 is een lichte verhoging naftaleen aangetroffen. Vetafscheider In het ondergrondmengmonster OM2, ter plaatse van de vetafscheider, is geen verhoogd gehalte oliën en vetten aangetoond ten opzichte van het referentiemonster OM1. In het grondwatermonster Pb13wm1 zijn geen verhogingen oliën en vetten ten opzichte van de detectiegrens aangetroffen. Voor oliën en vetten zijn geen achtergrondwaarde en interventiewaarde gedefinieerd in de Wet Bodembescherming. Algemeen Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 8.2.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8.3
Luchtkwaliteit
8.3.1
Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 8.3.2
Situatie projectgebied
De ontwikkeling ziet toe op de realisatie van 35 woningen. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl) gesteld kan worden dat het project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. 8.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8.4
Geur
8.4.1
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 8.4.2
Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Situatie projectgebied
Voorliggend voornemen ziet toe op de realisatie van 35 appartementen in de bebouwde kom van Haaksbergen. Deze woningen worden aangemerkt als ‘geurgevoelig object’. Binnen een straal van 1 km zijn geen agrarische bedrijven aanwezig. Gelet op deze afstand wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens wordt omgekeerd de agrarische bedrijvigheid niet in de bedrijfsvoering belemmerd als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. 8.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8.5
Trillingshinder
8.5.1
Algemeen
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.
Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 8.5.2
Situatie projectgebied
Het projectgebied ligt op een afstand van circa 270 meter vanaf de dichtstbijzijnde spoorweg. Met het oog op het aspect trillingshinder kan worden voldaan aan de gewenste afstand van 250 meter. Er hoeven geen extra maatregelen worden genomen. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief 8.5.3
Conclusie
Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8.6
Gezondheid
8.6.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • •
het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. 8.6.2
Situatie projectgebied
Het voornemen ziet toe op de realisatie van 35 appartementen. De activiteit wonen heeft geen ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid. In dit hoofdstuk wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van negatieve milieueffecten als gevolg van dit projectvoornemen. Verder wordt door deze ontwikkeling leegstand en verpaupering voorkomen. Leegstand en verpaupering kan leiden tot onveilig en ongewenst gebruik van het terrein. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een gezond woon- en leefklimaat en dat de toe te voegen woningen geen negatief effect heeft op het leefklimaat in de omgeving. 8.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
HOOFDSTUK 9
BESCHERMING VAN DE NATUUR
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.
9.1
Gebiedsbescherming
9.1.1
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •
9.1.2
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 9.1.3
Situatie projectgebied
Natura 2000-gebieden Het projectgebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Buursezand en Haaksbergerveen’ bevindt zich op circa 1,6 kilometer afstand van het projectgebied. Om de stikstofdepositie van het voornemen op Natura-2000 gebieden te bepalen is door BJZ.nu een AERIUS-berekening uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd in bijlage 5 bij deze onderbouwing. Onderstaand wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten. Onderzoeksresultaten Aanlegfase Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de aanlegfase blijkt dat in de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. (zie bijlage 1). Echter blijkt dat als gevolg van de aanwezige NOx emissie veroorzakende activiteit reeds sprake is BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief van stikstofdepositie. Deze depositie vervalt, zoals eerder vermeld, permanent als gevolg van het voornemen. Wanneer de (tijdelijke) depositie als gevolg van de aanlegfase tegenover de depositie als gevolg van de aanwezige activiteit wordt gezet (intern salderen) is per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr., waardoor als gevolg van de aanlegfase geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. NNN-gebieden Het projectgebied ligt niet binnen of nabij het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde NNN ligt op circa 1,5 kilometer afstand van het projectgebied. De bescherming van het NNN kent geen externe werking. Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.
9.2
Soortenbescherming
9.2.1
Algemeen
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 9.2.2
Situatie projectgebied
Onderhavig voornemen voorziet in de sloop van de huidige bebouwing en de realisatie van maximaal 35 appartementen. Om de gevolgen van het voornemen inzichtelijk te maken is een natuurtoets uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als bijlage 6 bij deze onderbouwing. Onderstaand zijn de onderzoeksresultaten opgenomen. 1. Natuurtoets Onderzoeksresultaten Uit de quickscan is gebleken dat er in het projectgebied geen beschermde planten of dieren of beschermde nesten, holen, vaste rust-, verblijf- en voortplantingsplaatsen of andere beschermde functies voorkomen. Uit de quickscan natuurwaardenonderzoek is gebleken dat de uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet leidt tot wettelijke consequenties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief Vleermuizen De aanwezigheid van verblijfsplaatsen van vleermuizen is aannemelijk. Een vaste rust- en voortplantingsplaats mag niet beschadigd en vernield worden. Er dient een nader onderzoek naar vleermuizen te worden uitgevoerd. 2. Nader onderzoek vleermuizen Door het ecologisch adviesbureau Ecofect is een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als bijlage 7 bij deze onderbouwing. Onderstaand zijn de onderzoeksresultaten opgenomen. Onderzoeksresultaten • • • • • •
Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in de (te slopen) bebouwing. Er zijn geen essentiële vliegroutes dan wel zwermlocaties van vleermuizen aangetroffen in en nabij de (te slopen) bebouwing. Er zijn geen paarroepjes en baltsgedrag waargenomen, waardoor er ook geen opnames zijn gemaakt. Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute: Het plangebied wordt in de toekomstige situatie niet veranderd waardoor er geen essentiële lijnelementen verloren gaan. Er gaan geen verblijfplaatsen verloren door of tijdens de geplande ingreep. Een vergunning schadelijke handelingen flora en fauna activiteit wordt niet noodzakelijk geacht.
Hierdoor is niet uitgesloten dat soorten en functies die tijdens de inventarisatie niet waargenomen zijn, op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is acceptabel omdat met het volgen van de inventarisatieprotocollen gedaan is ‘wat redelijkerwijs verwacht kan worden’. Hiermee is voldoende invulling gegeven aan de zorgplicht van de Omgevingswet.
9.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van de natuur.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
HOOFDSTUK 10
10.1
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
10.2
Archeologie
Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Situatie projectgebied De gemeente heeft het archeologisch beleid verwerkt in dubbelbestemmingen in haar bestemmingsplannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Voor het projectgebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Hoge archeologische verwachting’ opgenomen. Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek nodig is bij een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,4 m. Het oppervlakte van 2.500 m2 en dieper dan 0,4 m wordt niet overschreden. Voor deze gronden geldt daarom geen onderzoeksplicht. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.
10.3
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het projectgebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief Situatie projectgebied In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook is het projectgebied niet binnen de als ‘landschapstype’ aangeduide zones gesitueerd.
10.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische worden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
HOOFDSTUK 11
11.1
M.E.R.- BEOORDELING
Algemeen
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Bij de project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering, op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit). In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en 2. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: a. 1˚. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. 2˚. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1. het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; b.
de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; 2. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en 3. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.
11.2
Situatie projectgebied
Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 35 appartementen. De voorgenomen activiteit betreft een stedelijke ontwikkelingsproject (J11). Om te onderzoeken of de voorgenomende activiteit een aanzienlijk milieuefect heeft, is een milieueffectrapport opgesteld. Of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben moet worden beoordeeld aan de hand van de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, dat wil zeggen: de kenmerken van het project, de plaats van het project en de potentiële effecten. Hiertoe is een m.e.r.-beoordeling opgesteld, deze is bijgevoegd als bijlage 8 van deze onderbouwing, hieruit blijkt dat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
11.3
Conclusie
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn mogelijk negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is daarom nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
HOOFDSTUK 12
12.1
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Algemeen
In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
12.2
Kostenverhaal
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
12.3
Situatie projectgebied
In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
HOOFDSTUK 13
13.1
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
Participatie
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Participatie inzake gebiedsvisie Voorliggend voornemen ziet toe op de herontwikkeling van een detailhandel naar wonen. Deze ontwikkeling is onderdeel geworden van de gebiedsvisie (locatie de Weert en Winkelcluster Brezan) en sinds 2021 is hierover afstemming met de gemeente geweest. Op 8 maart 2022 is ten behoeve van de (concept) gebiedsvisie participatie in de vorm van een inloopavond geweest. Er zijn 14 reacties kenbaar gemaakt. Deze reacties zijn uitgewerkt. Daarna heeft de ontwerp gebiedsvisie ter inzage gelgen. Op 22 februari 2023 is de gebiedsvisie locatie de Weert en Winkelcluster Brezan vastgesteld door de raad. Op 22 april 2024 zijn de omwonenden tijdens een informatieavond geïnformeerd over de wijzigingen in de gebiedsvisie. Tijdens deze avond was er gelegenheid om te reageren op de aangepaste gebiedsvisie. Zeven omwonenden hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om een reactie in te dienen. De ingediende reacties tijdens de informatieavond hebben voor het grootste deel betrekking op het onderdeel ‘parkeren’.
Naar aanleiding van die reacties is het plan nogmaals bekeken en aangepast. Voorliggende plan voorziet in 60 parkeerplaatsen wat voldoende is voor het te realiseren woningbouwprogramma. Deze parkeerplaatsen dienen wel als openbare parkeerplaatsen beschikbaar te blijven. Uit de vastgestelde stedenbouwkundige visie d.d. 10 juli 2024 zijn de uitgangspunten en richtlijnen voor een aantal locaties opgenomen ten aanzien van onderhavig plan is daarin opgenomen (20%) sociale huur/ koop, een gedeelte betaalbare huur/koop (50%) en een gedeelte duurdere koopappartementen (30%).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
HOOFDSTUK 14
JURIDISCHE KADERS
Voor de overgangsfase voor het omgevingsplan bevat artikel 12.27a Bkl een beoordelingsregel voor opvolgende BOPA-vergunningverlening. Dit artikel bepaalt dat bij het toepassen van artikel 8.0a, lid 2 Bkl, in ieder geval sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Dit maakt het mogelijk om eerst een 'planologisch' basisbesluit te nemen in de vorm van een omgevingsvergunning voor een BOPA. Het bevoegd gezag geeft bijvoorbeeld eerst toestemming voor de functie/ activiteit, de plaatsing van het bouwblok, de bouwhoogte en het bouwvolume. Met deze omgevingsvergunningaanvraag wordt toestemming gevraagd voor de onderdelen die in de volgende paragrafen worden benoemd. Dat betekent dat de omgevingsvergunning voor het ruimtelijke deel voor het bouwen (welstandstoets) en de technische vergunning voor het bouwen (indien nodig) op een later moment volgen (als de opvolgende omgevingsvergunning).
14.1 Toedeling van functies In afbeelding 14.1 is de plangrens van het projectgebied opgenomen. Ter plaatse van het projectgebied is een woonfunctie met maximaal 35 appartementen toegestaan. Ten aanzien van de beoogde bebouwing is een maximale bouwhoogte opgenomen. De bebouwing wordt gesitueerd binnen het bouwvlak en voorzien van een plat dak. De verbeelding is bijgevoegd als bijlage 8 bij deze onderbouwing.
Afbeelding 14.1 Verbeelding gewenste situatie (Bron: Bestm)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
Bijlage 1
Erfinrichtingsplan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
Bijlage 2
Watertoetsresultaat
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
Bijlage 4
Verkennend bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
Bijlage 5
AERIUS-berekening
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
54
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
Bijlage 6
Quickscan natuurwaardenonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
55
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
Bijlage 7
Nader onderzoek vleermuizen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
56
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
Bijlage 8
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
57
Haaksbergen, Bartokstraat Definitief
Bijlage 9
Verbeelding projectgebied
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
58