CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagenboek koersdocument RES Twente 1.0

Gemeenteraad 17 juni 2021, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Vaststellen van de Regionale Energiestrategie Twente 1.031.716 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

BIJLAGE 5. SYSTEEMEFFICIENTIE

7

Regionale Energie Strategie Twente 1.0 - Bijlage 6. Ruimtelijke kwaliteit-

BIJLAGE 6. RUIMTELIJKE KWALITEIT

1

1.

Ruimtelijke kwaliteit in het afwegingskader

Ruimtelijke kwaliteit is de mate waarin bij ontwikkelingen tegemoet wordt gekomen aan de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van gebouwen en/of gronden. De ruimtelijke implicaties van de energietransitie kunnen groot zijn. Het meest zichtbare onderdeel vormt de opwekking van elektriciteit met wind en zon. We houden rekening met de mogelijkheden van het landschap en leggen verbinding met andere verduurzamingsopgaven en opgaven die invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit (integrale aanpak). Aangezien energieprojecten effect hebben op de omgeving en meestal gemeentegrensoverschrijdend zijn, kiezen we regionaal voor een aantal uitgangspunten voor ruimtelijke kwaliteit, die in lokaal beleid worden vertaald. In het koersdocument van de RES Twente 1.0 zijn de regionale ruimtelijke uitgangspunten opgenomen die in elk geval worden aangehouden bij de uitwerking van de plannen voor zonne- en windenergie ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit van onze leefomgeving. Ook is benadrukt dat we binnen de RES Twente subregionaal en gebiedsgericht gaan samenwerken. Hier betrekken we een vertegenwoordiging van verschillende regionale belanghebbenden en de Twentse samenleving bij. Zo geven we verschillende perspectieven ruimte om mee te denken.

Aan de hand van visualisaties brengen we grensoverschrijdend in beeld wat de energieprojecten betekenen voor onze omgeving en hoe ze zich tot elkaar verhouden. Een gezamenlijk regionaal kader voor ruimtelijke kwaliteit wordt geborgd in de provinciale omgevingsvisie, waar de RES Twente als bouwsteen aan bijdraagt. Kleinschalige landschappen Ten aanzien van zoekgebieden worden kwetsbare kleinschalige landschappen gemeentegrensoverschrijdend ontzien. Aan de randen van het Nationaal Landschap Noordoost Twente worden wel windturbines voorzien. Het gaat daarbij om locaties waar de specifieke landschappelijke kenmerken van het Nationaal Landschap Noordoost Twente minder nadrukkelijk zichtbaar zijn. Vooral de grootschalige landschappen, zoals de veenontginningsgebieden, bieden vanuit landschappelijk oogpunt mogelijkheden voor windenergie, volgens de landschapsdeskundigen van HNS. Opwekken van energie langs Rijkswegen met wind en zon De hoofdinfrastructuur A1 en A35, N35, N36 en de N18 loopt door het karakteristieke landschap. Langs (A35 en A1) en op verschillende bedrijventerreinen zijn zoekgebieden aangedragen. Hierdoor ontstaat een ruimtelijk beeld van bakens die aansluit op het landschappelijke patroon en de bestaande infrastructuur. Die bakens markeren verschillende kernen en hebben onderling voldoende afstand waardoor ze herkenbaar zijn als markeringspunt.

De opwekking van windenergie wordt grotendeels in clusters van twee à drie turbines gerealiseerd. Dit voorkomt ruimtelijke versnippering en verrommeling. Bij zoeklocaties nabij gemeentegrenzen wordt rekening gehouden met behoud van de ruimtelijke kwaliteit door samenwerking tussen de betreffende gemeenten. Met het Rijksprogramma OER (Opwekking Energie Rijksgronden) streeft het Rijk naar optimale inzet van Rijksgronden voor het opwekken van energie via zon en wind. Eén van de huidige pilotprojecten is de Duurzaamheidsroute A35.

De A35 pilot is genoemd in de bouwsteen opwek langs Rijkswegen in de concept-RES en bevindt zich in de verkenningsfase. In deze fase onderzoeken we of het haalbaar is de rijksgronden langs het traject A35/N35 beschikbaar te stellen voor opwekken van duurzame elektriciteit door zonne-energie. Er wordt onder andere gekeken naar de financiële haalbaarheid, de verkeersveiligheid, landschappelijke inpassing, ecologie en de impact op het elektriciteitsnetwerk. Inbreng van de omgeving speelt hierbij een belangrijke rol. Elke partij binnen dit pilotproject levert de nodige expertise. Combinatie van zon en wind wordt niet uitgesloten. De initiatiefnemers van het project Duurzaamheidsroute A35 zijn Rijkswaterstaat, Rijksvastgoedbedrijf, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de gemeenten Almelo, Borne, Enschede, Hellendoorn, Hengelo en Wierden, provincie Overijssel, Enexis en waterschap Vechtstromen. Na de verkenning hopen we op een goed beeld van de mogelijkheden voor het opwekken van zonne-energie langs en in de midden- en/of zijbermen en/of op- en afritten van de A35 en de N35. Deze gronden zijn in bezit van de Rijksoverheid. Ook zal worden gekeken naar de mogelijkheden om percelen die direct grenzen aan de A35 of de N35 voor energie-opwek te ontwikkelen. Dit kunnen gronden in eigendom van de gemeente zijn, maar ook van particulieren.

De leerervaringen van de verkenning kunnen ook bij andere locaties in het hele land worden toegepast. Want dit pilotproject is één van de tien projecten van het pilotprogramma Hernieuwbare energie op Rijksgrond.

BIJLAGE 6. RUIMTELIJKE KWALITEIT

2

Er liggen ook voor energie-opwek via zon en wind kansen langs de overige Rijkswegen, alleen valt dit buiten de scoop van het pilotproject. Daarvoor is al een ruimtelijke visie uitgewerkt in de concept-RES. Vanuit subregionale samenwerking verkennen gemeenten de mogelijkheden. ONTWERPPRINCIPES VOOR OVERIJSSEL Het rapport ‘Energie-opwekking in de landschappen van Overijssel’ beschrijft energieconcepten voor zonnevelden en windturbines voor de landschappen die in Overijssel voorkomen. Volgens HNS landschapsarchitecten zijn er in Overijsel 4 windconcepten denkbaar, namelijk:

Eén tot maximaal drie windturbines om een locatie te markeren die het waard is gemarkeerd te worden. Toe te passen bij: ➢ bedrijventerreinen en stadsranden ➢ knooppunten van infrastructuur

minimaal 5, maar idealiter minimaal 6 windturbines in een strakke lijnopstelling. Toe te passen in: ➢ grootschalige jonge heide- en broekontginningen ➢ hoogveenontginning en veenkoloniaallandschap

Minimaal 8 en maximaal 16 windturbines in strak grid of versprongen gridopstelling. Toe te passen in: ➢ grootschalige jonge heide- en broekontginningen ➢ hoogveenontginning en veenkoloniaallandschap

Een zwerm van enkele windmolens (minimaal 5 en maximaal 16 turbines) verspreid en random geplaatst in een bosgebied (minimaal 100 ha) waarbij de turbines onderdeel zijn van bosomvorming en verjonging. Toe te passen in grote bosgebieden die vernieuwd worden, weinig natuurwaarde kennen of aanplant van grote stukken nieuw bos. De windturbines zijn onderdeel van het boslandschap.

BIJLAGE 6. RUIMTELIJKE KWALITEIT

3

Het rapport beschrijft verder enkele algemene ontwerpregels voor de plaatsing van windturbines, te weten: 1. De turbines binnen een ruimtelijk concept zijn identiek. 2. Stuur per gebied op één windconcept en voorkom interferentie van concepten. Stelregel is dat tussen elk windconcept een ruimte van 8 kilometer ‘open’ gehouden moet worden voordat het volgende windconcept wordt ingezet. 3. De inpassing en ruimtebeleving van een windconcept en relatie met andere windconcepten in de omgeving dienen altijd 3D getest te worden. Ontwikkeling van energielandschappen Het advies van HNS geeft naast de aanbevelingen voor windlocaties ook aanbevelingen mee voor de eventuele ontwikkeling van energielandschappen. Een energielandschap betreft een grootschalige transformatie van een gebied om daar energie op te wekken. Dit bestaat uit zon- en windenergie. Daarnaast wordt er geïnvesteerd in andere maatschappelijke doelen bijvoorbeeld het ontwikkeling van grootschalige nieuwe groenstructuren, natuurontwikkeling, waterdoelen of verduurzaming van landbouw. Omdat hier sprake is van een transformatie van het landschap is een uitgebreid gebiedsproces noodzakelijk. Er zijn twee soorten ontwikkelingen denkbaar. De transformatie van een gebied of de transformatie langs een lijnvormige structuur in een gebied (denk aan een watergang, lint of groenstructuur). Beide worden hieronder toegelicht.

Ontwerpprincipes: In een groter gebied (minimaal 100 ha) wordt via gebiedsvernieuwing een energielandschap ontwikkeld met eigen kwaliteiten. De ontwikkeling van zon en wind gaat gepaard met grootschalige gebiedsvernieuwing: grootschalige nieuwe landschapsstructuren (recreatief en ecologisch) worden toegevoegd en lokale opgaves zoals waterberging of biodiversiteit worden meegekoppeld. De windturbines kennen een helder ruimtelijk concept van lijnen of cluster (zie windlijn of windcluster). Zonnevelden worden grootschalig opgezet. Monofunctionaliteit moet worden voorkomen. Alle bewoners van het gebied profiteren maximaal, ook financieel. Mogelijk worden bewoners uitgekocht. Een uitgebreid gebiedsproces is een voorwaarde. Toe te passen in grootschalige jonge veldontginningen en in grootschalige hoogveenontginningen en veenkoloniaal landschap.

BIJLAGE 6. RUIMTELIJKE KWALITEIT

Ontwerpprincipes: Er wordt via gebiedsvernieuwing een energielandschap langs een grootschalige (nieuwe) landschapsstructuur ontwikkeld. De nieuwe landschapssstructuur heeft hoge ecologische, landschappelijke, hydrologische of recreatieve waarden, zowel tijdens als na opheffen van de energieproductiefunctie. Hiermee worden meerdere gebiedsdoelen gerealiseerd. Via een gebiedsproces wordt de structuur bepaald, via ruilverkaveling gerealiseerd. De windturbines kennen een heldere lijnstructuur (zie windlijn). Zonnevelden worden grootschalig opgezet. Monofunctionaliteit moet worden voorkomen: er is veel aandacht voor bodemkwaliteit om bodemdegradatie te voorkomen, alsmede focus op doelen voor biodiversiteit, waterdoelen als berging en kwaliteit, landschapsontwikkeling en recreatie. Zoveel mogelijk wordt landbouw rond de velden ingepast. Alle bewoners van het gebied profiteren maximaal. Mogelijk worden bewoners uitgekocht. Een uitgebreid gebiedsproces is een voorwaarde.

4

Regionale Energie Strategie Twente 1.0 - Bijlage 7. Duurzame opwek elektriciteit -

BIJLAGE 7. DUURZAME OPWEK ELEKTRICITEIT

1

1.

INLEIDING DUURZAME OPWEK ELEKTRICITEIT

In totaal is aan de regio’s in Nederland gevraagd om 35 TWh duurzaam op te wekken met wind en zonne-energie op land in 2030. Daarnaast wordt via andere initiatieven gewerkt aan zon op daken van woningen (7 TWh) en wind op zee (49 TWh). Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft berekend dat de optelsom van de concept RES-sen leidt tot een duurzame opwek van elektriciteit in 2030 met een bandbreedte van 31,2 tot 45,7 TWh. Of het doel van 35 TWh wordt gehaald, is nog geen gegeven gezien diverse onzekerheden. In het koersdocument van de RES Twente 1.0 zijn procesafspraken opgenomen over de gezamenlijke ambitie met 1,5 TWh als ondergrens, de verschuiving van de verhouding wind/zon richting 60/40 en het voorstel om de zoekgebieden op weg naar RES Twente 2.0 subregionaal af te stemmen. Daarnaast is aandacht besteed aan de reacties vanuit de omgeving en de voorkeursvolgorde die we gebruiken in het vervolgproces als uitgangspunt. Aanvullend op het koersdocument geven we in deze bijlage de aandachtspunten weer die zijn gewijzigd en geactualiseerd waar nodig: Uitgangspunten duurzame opwek elektriciteit Tussenstand duurzame opwek elektriciteit Twente o Stand van zaken lokaal beleid voor wind- en zonne-energie Gemeentegrensoverschrijdende samenwerking Aandachtspunten duurzame opwek elektriciteit

2. UITGANGSPUNTEN DUURZAME OPWEK ELEKTRICITEIT De gezamenlijke uitgangspunten voor duurzame opwek elektriciteit zijn: Het bod per gemeente in GWh is een zwaarwegende inspanningsverplichting. De opbrengst in GWh is leidend. Bij alternatieve invulling van het bod, is het dringende verzoek om rekening te houden met de gewenste verschuiving in de verhouding wind/zon van 40/60 naar 60/40 in verband met de maatschappelijke kosten. Zon op dak heeft de eerste voorkeur. Binnen de randvoorwaarden van het Nationaal Klimaatakkoord wordt zon op dak (> 300 vierkante meter/meer dan 15 KW opgesteld vermogen) meegerekend binnen de RES. Met alleen zon op dak kunnen we onze doelen niet halen. Volgens de analysekaarten 2.0 van de NP RES een maximum van 30% van het totaal aan daken wordt ingeschat als realistich voor opwek van zonne-energie. Als landelijk in 2030 meer dan 7 TWh aan energie wordt opgewekt uit kleinschalig zonne-installaties op daken (<15 KW opgesteld vermogen), kan dit worden meegerekend in het regionale bod. Vooralsnog nemen we dit niet mee in de RES 1.0. In de RES 2.0 en daaropvolgend zal een inschatting worden gegeven of en hoeveel dit kan bijdragen aan het bod. Het waait in Nederland vaker dan dat de zon schijnt. De effectieve (jaar)opbrengst van een windturbine is daarom groter dan die van zonnepanelen.

Windturbines zijn veel zichtbaarder in het landschap (ook van ver) en dat roept reacties op in de omgeving. Wij houden rekening met behoud van de landschappelijke kwaliteit. In het proces is veel aandacht voor landschappelijke inpassing, zowel bij zonnevelden als windturbines. Spreiding van kleinschalige opweklocaties voor zonne- en windenergie is niet wenselijk als we de kwaliteiten van het Twentse landschap zoveel mogelijk willen behouden, maar ook niet voor een haalbaar en betaalbaar energienetwerk. Als een bestaand netwerkstation nog over aansluit- en transportcapaciteit beschikt, dan is het wenselijk in de nabijheid van dat station zoekgebieden voor zonne- en windenergie aan te wijzen. Dat is niet alleen goed voor de rentabiliteit van energieprojecten die daar kunnen worden gerealiseerd, omdat de aansluitkosten laag kunnen blijven, maar het voorkomt ook dat de netbeheerder onnodig in een verzwaring van het elektriciteitsnet hoeft te investeren. Bij het vinden van de zoeklocaties voor windturbines houden we rekening met de afstand tot kwetsbare objecten, zoals woningen. Hiervoor volgen we de nationale normen en wet- en regelgeving. Buurgemeenten betrekken we vroegtijdig bij planvorming in zoekgebieden nabij gemeentegrenzen. In dat geval pakken we financiële participatie ook gemeentegrensoverschrijdend op.

BIJLAGE 7. DUURZAME OPWEK ELEKTRICITEIT

2

3. TUSSENSTAND DUURZAME OPWEK ELEKTRICITEIT TWENTE We hebben gezamenlijk afgesproken dat we in Twente 1,5 TWh in 2030 duurzaam willen opwekken. In totaal gaat het om: In het huidige bod is de duurzame opwek elektriciteit als volgt verdeeld: 382 ha zon op dak (> 15 KWp) 688 ha zonnevelden 39 windturbines De mix kan na oplevering van de RES Twente 1.0 nog schuiven. Op dit moment zijn er geen ambities om dorpsprojecten te realiseren. Dat was in de concept RES Twente nog wel het geval. Dorpsprojecten blijven een mogelijkheid, als dit lokaal wordt opgenomen in het beleid. De gemeenten dragen ieder bij aan de totale opgave van 1,5 TWh. Om aan 1500 GWh te voldoen zal nog 142 GWh gevonden moeten worden. 142 GWh komt overeen met circa 14 windturbines van 3 MW. Op weg naar de RES Twente 2.0 is het wenselijk voor besparing van maatschappelijke kosten en ruimte (grondbeslag) om de verhouding te verschuiven richting 60% wind en 40% zonne-energie. Twence draagt op dit moment met zonneprojecten bij aan de doelstelling (42 GWh). In de toekomst gaat Twence mogelijk inzetten op windprojecten. In 2030 gaan de gemeenten in totaal 1358 GWh (=1,358 TWh) aan duurzame energie opwekken. Dat is inclusief de bijdrage van Twence. Om minimaal 1,5 TWh te kunnen realiseren, is overprogrammering van plannen nodig, zodat we rekening houden met mogelijke uitval van projecten in de planning.

Ervaring leert dat circa 30% van geplande projecten komen te vervallen. Stand van zaken lokaal beleid voor wind- en zonne-energie Voor de meeste gemeenten geldt dat er inmiddels ruimtelijk beleid voor het opwekken van zonne-energie is vastgesteld, in concept beschikbaar is, of wordt geactualiseerd. Uit de verschillende beleidsvisies blijkt dat de Twentse gemeenten de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving serieus nemen. Zo is de ruimtelijke kwaliteit van het landschap vrijwel altijd in belangrijke mate bepalend of een aanvraag kan worden gehonoreerd. Ook voor windenergie geldt dat de meeste gemeenten al ruimtelijk beleid bestuurlijk hebben vastgesteld, in concept beschikbaar hebben, of aan het voorbereiden zijn. In vrijwel geen enkel geval staat de beoogde bouwlocatie van de windturbines vast, maar is sprake van de aanwijzing van zoekgebieden, uitsluitingsgebieden of de intentie om projectlocaties vast te stellen. Bij het vaststellen van deze locaties wordt rekening gehouden met criteria, zoals laagvliegroutes, afstand tot de bebouwde kom en kwaliteiten van het landschap.

BIJLAGE 7. DUURZAME OPWEK ELEKTRICITEIT

3

Gemeentegrensoverschrijdende samenwerking We zetten in Twente ‘samen de stap’ om bij te dragen aan het Nationaal Klimaatakkoord. We kunnen de ambities alleen halen door samen te werken vanuit één totaalbeeld en één Twentse gedachte. We zien dat in Twente verschillende samenwerkingsverbanden zijn ontstaan tussen gemeenten die gemeentegrensoverschrijdend werken aan deze opgave. Voorbeelden van deze grensoverschrijdende samenwerkingen en clustergebieden van verschillende gemeenten zijn: Samenwerking Energie van Noordoost Twente (Oldenzaal, Tubbergen, Dinkelland, Losser). Hier is een gebiedsregisseur aan de slag gegaan. In het grensgebied met Duitsland werken de gemeenten Dinkelland en Losser samen met de inzet van een gebiedsregisseur. Daarnaast is de Duitse buurgemeente Bad Bentheim via de gemeente Losser betrokken om de mogelijkheden van een grensoverschrijdend energiepark te onderzoeken. Uitwerking zoekgebied gemeenten Almelo, Tubbergen en Twenterand (Vriezenveen Zuidoost). Daar is een gebiedsregisseur inmiddels aan de slag gegaan. Gesprekken tussen gemeenten over eventuele samenwerking, al dan niet op projectniveau binnen clustergebieden zijn gestart. Voor de samenwerking tussen gemeenten in Zuidoost Twente is een bestuurlijke samenwerking gestart (Enschede, Hengelo, Borne, Hof van Twente, Haaksbergen) is daarin het meest concreet.

RES Twente is deelnemer in de landelijke werkgroep zon op dak waarin experts van diverse overheden (landelijk en regio’s) en relevante belanghebbenden knelpunten formuleren op basis van meldingen uit de RES-regio’s en daarvoor oplossingsrichtingen aangeven met fasering en de voor de benodigde oplossing benodigde actoren. Afstemming buurgemeenten Meerwaarde van de RES is interbestuurlijk samenwerken aan de energietransitie en zo komen tot afstemming op regionale schaal over gemeentegrenzen heen. Zo’n regionale samenwerking vraagt van gemeenten dat zij buurgemeenten vroegtijdig betrekken en informeren over potentiele zoeklocaties en de uiteindelijke invulling. Deze samenwerkingsafspraken horen een plek te krijgen in de RES. Dit ontbreekt nu nog.

4.

AANDACHTSPUNTEN DUURZAME OPWEK ELEKTRICITEIT

In hoeverre hebben alle gemeenten (zoek)gebieden aangewezen voor zon en wind of maken we procesafspraken voor de juiste balans tussen het bod, ruimtelijke kwaliteit, systeemefficiëntie en maatschappelijke acceptatie? In dit proces zijn de volgende aandachtspunten van belang: De gezamenlijke ambities voor duurzame opwek elektriciteit (1,5 TWh) worden op basis van de huidige tussenstand nog niet geheel gehaald. Vanuit rendement en kosteneffectiviteit: de verhouding zon/wind in het bod kan knelpunten veroorzaken voor de beschikbare netcapaciteit: o Door meer opwek via windenergie zijn de investeringskosten lager. Grotere windturbines leveren meer rendement, waardoor we op minder locaties windturbines hoeven te plaatsen. Deze zijn dan wel groter. Sommige inwoners hebben voorkeur voor lagere windturbines. Opwekken van windenergie heeft ook invloed op de ruimtelijke kwaliteit en het (kleinschalig) landschap en beleving: o Windenergie is zichtbaarder aan de landschappelijke horizon. o Zoeklocaties voor wind moeten op gepaste afstand uiteen liggen om niet met elkaar te interfereren of juist in samenhang met elkaar gepositioneerd worden volgens het advies van HNS. o We realiseren een gezamenlijk regionaal bod, dat subregionaal is afgestemd. Investeringen in het net voor energie-opwek nabij een station is haalbaar en betaalbaar.

o Zoekgebieden op grotere afstand van een netwerkstation moeten robuust genoeg zijn om financieel haalbaar te zijn. We kiezen voor een bod dat haalbaar schaalbaar en betaalbaar is om inefficiënte keuzes na 2030 te voorkomen die duurder zijn. Tijdspad van investeringen in de vernieuwing van het netwerk is medebepalend voor het tempo en de mogelijkheden van de grootschalige opwek elektriciteit. Twente stelt als gezamenlijke ambitie om bij te dragen aan het Nationaal Klimaatakkoord om 95% CO₂ reductie in 2050 te realiseren. Een volledig energieneutraal Twente in 2050 is volgens de systeemstudie in opdracht van provincie Overijssel, Enexis en de RES Twente en West Overijssel (Berenschot en Quintel) niet haalbaar.

BIJLAGE 7. DUURZAME OPWEK ELEKTRICITEIT

4

Regionale Energie Strategie Twente 1.0 - Bijlage 8. Gebouwde omgeving (warmte) -

BIJLAGE 8. GEBOUWDE OMGEVING (WARMTEOPGAVE)

1

1. INLEIDING GEBOUWDE OMGEVING (WARMTEOPGAVE) Binnen de RES Twente 1.0 stellen we een Regionale Structuur Warmte op die inzicht geeft in de warmtevraag en het warmteaanbod en de (boven)lokale warmte-infrastructuur die nodig is om de beschikbare warmtebronnen te benutten. Onze ambitie is om steeds meer wijken duurzaam te verwarmen, zonder gebruik van fossiele brandstoffen. Belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat het haalbaar en betaalbaar is. Voor de warmteopgave verkennen we de mogelijkheid om een regionaal warmtenet te realiseren door bestaande warmtenetten te verbinden en uit te breiden met nieuwe warmtenetten voor het stedelijk gebied. Daarnaast onderzoeken we de mogelijkheden om de potentie van biogas/groengas voor het verwarmen van woningen en bedrijven in plattelandsgemeenten, het buitengebied en andere gebouwen die niet op een andere betaalbare wijze verwarmd kunnen worden. In het koersdocument van de RES Twente 1.0 zijn procesafspraken opgenomen over het optimaal benutten en efficient verdelen van warmtebronnen via de warmte-infrastructuur en de samenwerkingsverbanden die zich bezighouden met een regionaal warmtenet en de voorwaarden die nodig zijn voor het benutten van potentieel aan biogas/groengas. Daarnaast gaan we in op toekomstige warmtebronnen.

Aanvullend op het koersdocument geven we in deze bijlage de aandachtspunten weer die zijn gewijzigd en geactualiseerd waar nodig: Optimaal benutten en efficiënte verdeling warmtebronnen in samenhang met de warmtevraag Regionaal Warmtenet Twente Biogas/groengas Toekomstige warmtebronnen Gelijke warmteprijs en energieprijs in Twente Transitievisie Warmte en wijkuitvoeringsplannen Stimuleringsprogramma warmtenetten Gemeentegrensoverschrijdende samenwerking warmteprojecten Aandachtspunten warmteopgave

2. OPTIMAAL BENUTTEN EN EFFICIËNTE VERDELING WARMTEBRONNEN Om gebouwen aardgasvrij én betaalbaar te kunnen verwarmen, is afstemming nodig over de inzet van lokale en bovenlokale warmtebronnen op basis van de warmtevraag en de warmte-infrastructuur die daarvoor nodig is. Deze afstemming vindt plaats via de Regionale Structuur Warmte in wisselwerking met de Transitievisies Warmte wat gemeenten kan ondersteunen. Gemeenten stellen uiterlijk eind 2021 een Transitievisie Warmte vast. Hierin wordt een doorkijk gegeven naar welke wijken per gemeente in 2030 en in 2050 naar een alternatieve warmtevoorziening kunnen overstappen. In wijkuitvoeringsplannen wordt opgenomen hoe wijken aardgasvrij of ‘aardgasvrij-ready’ worden, welke duurzame warmtebron wordt ingezet en welke infrastructuur hiervoor wordt gebruikt. Aangezien alle alternatieven om gebouwen te verwarmen worden meegenomen in de wijkuitvoeringsplannen, is het van belang om de potentiële beschikbare bronnen en technieken en het energiesysteem als geheel op elkaar af te stemmen. Keuzes moeten in samenhang met elkaar worden gemaakt voor een optimale en kosteneffectieve verdeling. De RES Twente 2.0 en de RES-sen die daarop volgen, geven een steeds completer beeld. Warmtevraag Verreweg het grootste deel van de warmtevraag komt van woningen en gebouwen. Bovendien wordt deze in Twente grotendeels bijna volledig ingevuld met aardgas.

Het is dan ook extra belangrijk om de warmtevraag te verminderen door energiebesparende maatregelen en het isoleren van woningen en gebouwen. Daardoor kunnen we de warmtevraag in 2050 halveren en worden beschikbare warmtebronnen efficiënter benut. De warmtevraag in het stedelijk gebied van Twente kan in de toekomst ingevuld worden via collectieve oplossingen, zoals een warmtenet. In het landelijk gebied zijn er minder collectieve alternatieven voor aardgas beschikbaar.

Warmteaanbod Door de diversiteit aan warmtebronnen zijn er meerdere kansen voor het verduurzamen van de gebouwde omgeving met de inzet van warmtebronnen. In theorie kan 88% van de warmtevraag van woningen in Twente worden verduurzaamd met de beschikbare warmtebronnen. Geen van de bronnen afzonderlijk biedt voldoende potentieel om alle woningen in Twente te verwarmen. Voor Twente is dus een gecombineerde inzet van de warmtebronnen nodig. Om de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving betaalbaar te

BIJLAGE 8. GEBOUWDE OMGEVING (WARMTEOPGAVE)

2

houden, moeten alle beschikbare warmtebronnen zo effectief en efficiënt mogelijk worden ingezet. Als voor de warmtevraag elektriciteit wordt ingezet, moet nog meer elektriciteit worden opgewekt en is de opgave niet meer haalbaar. In het stedelijk gebied zijn veel restwarmtebronnen aanwezig die benut kunnen worden via een regionaal warmtenet. Op het platteland zijn naast het isoleren van woningen en hybride warmtepompen, biomassa en biogas/groengas duurzame warmtebronnen.

Transitievisie Warmte en wijkuitvoeringsplannen Gemeenten realiseren uiterlijk eind 2021 een Transitievisie Warmte. Hierin wordt een doorkijk gegeven naar welke wijken per gemeente in 2030 op een alternatieve warmtevoorziening kunnen overstappen.en welke duurzame warmtebronnen ze daarvoor willen inzetten, met een doorrkijk naar 2050 voor de oveerige wijken Vervolgens gaan de gemeenten samen met de omgeving, inwoners, ondernemers en andere stakeholders, aan de slag met de wijkuitvoeringsplannen. In de wijkuitvoeringsplannen wordt een definitieve keuze gemaakt voor het alternatief voor aardgas, zowel vanuit technisch als economisch oogpunt het meest haalbaar en wenselijk zijn voor de wijken binnen elke gemeente in combinatie met warmtebesparing. Hierin zijn een aantal alternatieven denkbaar, zoals; a) all-electric, b) warmtenetten, c) biogas/groengas, als dan niet via hybride systemen. Een belangrijk uitgangspunt is de haalbaar- en betaalbaarheid per wijk met de potentiële beschikbare bronnen en technieken en het energiesysteem als geheel. De impact van de warmteoplossing op het elektriciteitsnet moet in samenhang met elektrisch vervoer en (duurzame) elektriciteit in de wijk worden bekeken, zodat er vroegtijdig helderheid en zekerheid is waar gasleidingen kunnen blijven liggen en waar elektriciteitsnetten moeten worden verzwaard.

Om te zorgen dat de investeringen en werkzaamheden haalbaar en betaalbaar zijn. De wijkuitvoeringsplannen/-projecten worden gefaseerd opgesteld.

3. REGIONAAL WARMTENET TWENTE Voor het stedelijk gebied realiseren we een regionaal Warmtenet Twente door bestaande warmtenetten te verbinden en onderzoeken we de mogelijkheden voor uitbreiding met nieuwe warmtenetten. In de stedelijke gebieden van Twente is veel industriële (rest)warmte beschikbaar. Op dit moment is er via Twence additioneel 1800 Tj (Terajoule) beschikbaar die veel potentie biedt om in het stedelijk gebied van Almelo, Borne, Enschede, Hengelo, Oldenzaal en mogelijk ook Haaksbergen woningen en gebouwen van warmte te voorzien. Daarnaast zijn er andere voornamelijk laag- en midden-temperatuur restwarmtebronnen. Om al deze warmte optimaal te kunnen benutten is (regionale) warmte-infrastructuur nodig. Hoge Temperatuurwarmte (HT) Energie- en grondstoffenproducent Twence is ook de grootste producent van HT in Twente. Met deze restwarmte en de restwarmte van andere bedrijven in het stedelijk gebied van Twente kunnen meer dan 100.000 woningequivalenten in Twente worden verwarmd. De restwarmte van bedrijven, diverse houtgestookte installaties en biogasinstallaties kunnen stedelijke warmtenetten voeden. In de toekomst kunnen de regionale warmtebronnen mogelijk worden aangevuld met warmte van geothermie en waterstof. Op weg naar intentieovereenkomst Het antwoord op de vraag of en onder welke voorwaarden een regionaal warmtenet ontwikkeld kan worden, is niet eenvoudig.

Een coalitie van de zes genoemde gemeenten verkent onder begeleiding van de provincie onder welke voorwaarden de ontwikkeling van een regionaal warmtenet wenselijk en mogelijk is. Een consortium van drie regionale marktpartijen (Twence, Cogas en Ennatuurlijk) onderzoekt de technische en economische haalbaarheid van een regionaal stedelijk warmtenet. Gemeenten werken toe naar het sluiten van een intentieeovereenkomst met te onwikkelende partijen. Stimuleringsprogramma Warmtenetten De provincie wil via het ‘Stimuleringsprogramma warmtenetten’ de aanleg van warmtenetten versnellen die gevoed worden door duurzame bronnen, zoals geothermie, aquathermie, restwarmte en biomassa. Het Stimuleringsprogramma richt zich op projectideeën voor warmtenetten in verschillende fasen. In de haalbaarheidsfase worden projecten ondersteund door de uitwisseling van kennis, expertise en tools zoals een checklist voor warmtenetten om van ideeën tot kansrijke projecten te komen. Kansrijke projecten die maatschappelijk gewenst, maar financieel laag of laat renderen door een vollooprisico (onzekerheid dat er in de toekomst voldoende afnemers zijn om het project te laten renderen) of onrendabele top kunnen een beroep doen op de subsidieregeling voor investeringen in warmtenetten. Voor de maatregelen trekt de provincie zeven miljoen euro uit voor heel Overijssel.

BIJLAGE 8. GEBOUWDE OMGEVING (WARMTEOPGAVE)

3

4. BIOGAS/GROENGAS Vanuit de routekaart Groengas (30 maart 2020) blijkt dat gasvormige energiedragers, door hun unieke karakteristieken, een onvervangbare rol hebben in de verduurzamingsopgave van de Nederlandse samenleving. Om de toekomstige gasbehoefte duurzaam in te kunnen vullen, is de ontwikkeling van CO₂-vrije gassen als alternatief voor aardgas essentieel. Op dit moment is de productie van CO₂-vrije gassen, zoals groengas verkregen uit de vergisting of vergassing van biogene reststromen, echter nog beperkt. Een opschaling van de groengasproductie, binnen de kaders voor de duurzame inzet van biogene reststromen en circulariteit, wordt wenselijk geacht gezien de verduurzamingsopgave van het gassysteem. Gasvormige energiedragers blijven zelfs noodzakelijk om in 2050 tot een volledig duurzaam energiesysteem te komen. Twentse productie en inzet duurzaam gas Twente is een regio met veel verschillende landschapsstijlen en wijdverspreid liggende dorpen, dorpskernen en een groot stedelijk gebied. De afstanden tussen warmtevragers en warmtebronnen variëren sterk, waardoor duurzaam gas, gecombineerd met de al aanwezige gasinfrastructuur, kansen biedt voor verwarming van woningen en bedrijven in plattelandsgemeenten, het buitengebied en andere gebouwen die niet op een andere betaalbare wijze verwarmd kunnen worden, zoals de ‘oudere’ woningen (bouwjaar van voor 1992).

Momenteel wordt nog geen 5% van de mest ingezet voor biovergisting, waardoor er in potentie nog veel voor de warmtetransitie te winnen valt. Zelfs met de verduurzamingsopgave van de landbouw is er voldoende mest. Met de juiste randvoorwaarden kan de potentie voor het opwekken van biogas/groengas worden vergroot en organisatorisch en economisch haalbaar gemaakt. Wel is het van belang om duurzame gassen voor de warmtetransitie alleen toe te passen waar alternatieven niet haalbaar zijn, zoals woningen waar isoleren moeilijk is en warmtenetten geen oplossing zijn. Verhoging van de biogas/groengasproductie met zowel kleinschalige mestvergisters, als grootschalige bio-vergisters is hiervoor nodig. In Twente wordt vooral ingezet op mono-mestvergisting. Door vergisting van mest, zonder dat hier co-producten aan worden toegevoegd. Hierdoor is de kans zeer nihil dat vervuilende bijproducten worden toegevoegd. Verder werkt de bio-energiesector in Twente met een gedragscode waarbij alleen biomassa wordt ingezet dat van duurzame oorsprong is en waarvan de bron te traceren is. Duurzame energie Twence De gemeenten Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo, Hof van Twente, Losser, Tubbergen en Wierden kunnen in 2021 duurzame opgewekte energie afnemen van Twence voor de bedrijfsvoering van de gemeente zelf.

Daarbij is afgesproken dat Twence de helft van het aardgasverbruik in de toekomst duurzaam op gaat wekken via groengas. Met het sluiten van dit contract willen ze de productie van opgewekte duurzame energie in de Twentse regio aanjagen. Samenwerking biogas/groengas Om het potentieel voor biogas/groengas te benutten, werken zeven gemeenten samen met het Bio-energiecluster Oost Nederland (BEON), Twence en Cogas. Hiervoor wordt op weg naar de RES Twente 2.0 een coalitie opgericht. Bovendien zijn in de regio diverse samenwerkingsverbanden aan de slag met gebalanceerde oplossingen voor duurzame opwek van energie en stikstofreducties vanuit de kringlooplandbouw. Samen met netbeheerders, lokale initiatieven en andere belanghebbenden worden kansen verkend en vergoot middels de verbinding met de kringlooplandbouw. Samenwerking met programma’s en gebiedsontwikkelingen, zoals Mineral Valley Twente en de Gebiedsgerichte Aanpak Stikstof zijn daarbij van belang. Onderzoek duurzaam gas Twente verkent de kansen via onderzoeken in opdracht van de Noordoost Twentse gemeenten en vanuit het onderzoek van Cogas naar een werkbaar biogasconcept. Het onderzoek van de Noordoost Twentse gemeenten gaat in op de kansen voor het vergroten van de biogasproductie met ervaringscijfers vanuit de reeds gerealiseerde lokale vergistingsinstallaties.

Het onderzoek van Cogas verkent de mogelijkheden van een regionaal biogasnetwerk en de meest kansrijke strategie om hiertoe te komen. Beide onderzoeken zijn nodig om een goed beeld te krijgen van de kansen voor vergroting van de biogasproductie binnen de regio, maar mogelijk ook daarbuiten. Vergroting van de biogasproductie zal echter niet ontstaan zonder een rendabele businesscase voor alle partijen binnen de keten van mest tot duurzaam gas. Om die reden wordt vanuit het onderzoek van de Noordoost Twentse gemeenten gewerkt om de businesscases van bestaande installaties in beeld te brengen. De belangrijkste aandachtspunten en afwegingen uit dit onderzoek en het onderzoek van Cogas worden verderop onder de aandacht gebracht. Bevordering kringlooplandbouw Biovergisting kan door onze veehouderijen gezien worden als welkome activiteit binnen de kringlooplandbouw en circulaire economie en zo mogelijk een tweede inkomstenbron bieden of op zijn minst meer continuïteit geven aan hun bedrijf. De belangstelling voor vergisting zal toenemen als blijkt dat de businesscases voor hen een positief resultaat zullen geven, zowel economisch als qua verduurzaming. De productie van biogas/groengas in combinatie met kringlooplandbouw en stikstofreductie zijn elkaar versterkende processen in de verduurzaming van de leefomgeving, agrarische bedrijfsvoering en de productie van duurzaam gas.

Door toepassing van duurzame stallen met directe vergisting van mest kunnen stikstof- en methaanemissies sterk worden teruggedrongen en mesttransporten sterk gereduceerd. Daarnaast kan digestaat als reststof van het vergistingsproces weer worden opgewerkt tot kunstmestvervanger en op land worden gebracht, waarmee de gewassen beter op maat kunnen worden bemest.

BIJLAGE 8. GEBOUWDE OMGEVING (WARMTEOPGAVE)

4

Uit de figuur hierboven blijkt welke stikstofemissies er binnen de kringlooplandbouw gereduceerd kunnen worden. Hierbij wordt duidelijk dat de beperking van het kunstmestgebruik en de hieruit voortkomende afname van de productie van kunstmest een enorme verduurzaming betekent voor het milieu. Door deze kringloop ook toe te passen op boerderijschaal worden niet alleen mesttransporten van en naar de boerderij teruggebracht, maar ontstaat een sterke stimulans in optimalisatie van het gehele proces, omdat de agrariër zijn eigen producten in een kringloop houdt. Nog een ander bijkomend voordeel is dat dit proces eveneens bijdraagt in de beperking van de ziektedruk op de gewassen en het vee. Wat doen we al en wat is nog nodig? In Twente leven kansen voor de verduurzaming van onze energiebehoeften en verbetering van de landbouw en leefomgeving. Er ontstaan weer initiatieven en verbindingen die de kans op de productie van duurzaam gas ook voor de langere termijn vergroten. Hierbij speelt ook innovatie en verdere technologische ontwikkeling een belangrijke rol.

Om de potentie van duurzaam gas optimaal te kunnen benutten is er op zowel regionaal als nationaal niveau nog aandacht nodig op de volgende punten: Nationale aandachtspunten: Organiseren van een toereikende SDE++ voor de combinatie van hubs van kleinschalige boerderijvergisters met centrale opwaarderingsinstallaties voor groengas (huidige SDE++ is uitsluitend toereikend voor middelgrote tot grote boerderijvergisters met groengasproductie). Verduurzaming van de landbouw handen en voeten geven door stikstof en fosfaat te beprijzen (en niet alleen voor boeren die stoppen). 1 en 2 moeten ertoe leiden dat er een rendabele businesscase ontstaat voor verduurzaming van de landbouw, netbeheerders en leveranciers van biogas/groengas. Hierover moet duidelijkheid komen. Het lokaal opgewekte duurzaam gas ook lokaal inzetten voor de gebouwde omgeving en hierbij een keuze maken voor welke gebieden en eventuele woningtypen. Regionale aandachtspunten: Ruimtelijk toestaan van boerderijvergisters en grootschalige vergisters.

Faciliteren van opwaarderingsinstallaties om biogas naar groengas op te werken (in clusters van meerdere boerderijvergisters) en het vervolgens in te voeden op het bestaande aardgasnet (welke mogelijk uit te breiden is met onbenutte of nieuwe leidingen) Inzetten op grootschalige vergisting (varkens- en kippenmesttransport via de weg) of via boerderijvergisting van koemest of een mix van beide. Hierop moet het ruimtelijk beleid van gemeenten faciliterend zijn om de realiseerbaarheid te vergroten. Gemeenten moeten hierbij de afweging maken vanuit het afweegkader ruimtelijke kwaliteit. Er is niet voldoende duurzaam gas om alle woningen en gebouwen van warmte te voorzien, een zorgvuldige afweging over prioritering is dan ook essentieel. Het lokaal opgewekte duurzaam gas ook lokaal inzetten voor de gebouwde omgeving en hierbij een keuze maken voor welke gebieden en eventuele woningtypen. De rol van Lokale Energie Initiatieven voor maatschappelijk draagvlak en participatie om invoeding en lokaal eigenaarschap te stimuleren. Grote kansen om lokale initiatieven vanuit coöperatieve vorm mogelijk te maken. Gemeenten kunnen dit door middel van beleid verder faciliteren en stimuleren.

BIJLAGE 8. GEBOUWDE OMGEVING (WARMTEOPGAVE)

5

5. TOEKOMSTIGE WARMTEBRONNEN In de toekomst kunnen de regionale warmtebronnen mogelijk worden aangevuld met warmte van geothermie, waterstof, aquathermie en biomassa. Geothermie Geothermie is een duurzame warmtebron met een theoretische grote potentie. De aarde is op diepte van nature warm. Deze warmte kan uit watervoerende lagen in de ondergrond gewonnen worden. Geothermie is een relatief nieuwe techniek waarin nog volop innovatie plaatsvindt. Daarnaast is de ondergrond van Twente niet overal even goed bekend. Door de voormalige gaswinning in Noord Twente zijn de kansen in dit gebied relatief goed in beeld. In Zuid Twente is echter minder data beschikbaar waardoor er een grote onzekerheid bestaat over de potentie voor geothermie. Als gevolg van ontwikkelingen in de techniek, ervaring in de uitvoering en kennis over de Twentse ondergrond kan geothermie in de toekomst wel kansrijk worden. Geothermie is een duurzame warmtebron met een theoretische grote potentie. De aarde is op diepte van nature warm. Deze warmte kan uit watervoerende lagen in de ondergrond gewonnen worden. Onderzoeken vanuit provincie Overijssel en EBN laten zien dat de potentie in Twente matig is. Hierbij is vooral gekeken naar de traditionele aardlagen waar elders in Nederland geothermie plaatsvindt en met de huidig beschikbare technieken.

Daarmee is de economische haalbaarheid van geothermie als primaire warmtebron voor het eventuele regionale warmtetransportnet laag. Geothermie is een relatief nieuwe techniek waarin nog volop innovatie plaatsvindt. Zo richt het onderzoek RESULT zich op een innovatieve boortechniek om geothermie uit dunne aardlagen economisch haalbaar te maken. Daarnaast is de ondergrond van Twente niet overal even goed bekend. Door de voormalige gaswinning in Noord Twente zijn de kansen in dit gebied relatief goed in beeld. Echter is er van Zuid Twente minder data beschikbaar waardoor er een grote onzekerheid bestaat over de potentie voor geothermie. Ook ligt de focus bij de traditionele aardlagen. Mogelijk kunnen ook andere aardlagen voor Twente beter geschikt zijn voor de realisatie van geothermie. Over deze geschiktheid en haalbaarheid is nog weinig bekend. Binnen het onderzoeksprogramma Seismische Campagne Aardwarmte Nederland (SCAN) dat is gefinancierd door het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en wordt uitgevoerd door Energie Beheer Nederland (EBN) zijn onvoldoende middelen beschikbaar om heel Nederland in beeld te brengen. Twente heeft geen prioriteit gekregen en wordt niet onderzocht. Als gevolg van ontwikkelingen in de techniek, ervaring in de uitvoering en kennis over de Twentse ondergrond kan geothermie in de toekomst wel kansrijk worden.

Het is daarmee belangrijk om de ontwikkelingen te volgen en kennis over de Twentse ondergrond te vergroten. Op termijn kan dan mogelijk het regionale warmtetransportnet verder worden verduurzaamd met geothermie als duurzame warmtebron. Bij de realisatie van het regionale warmtetransportnet willen we aansluiting op toekomstige geothermie installatie(s) niet uitsluiten. Mogelijke vervolgstappen Lobby starten om in de toekomst een studie te laten uitvoeren van de ondergrond van zuid Twente om te onderzoeken of er voldoende warmteaanbod aanwezig is. Met een SCAN II project kan Twente wel worden meegenomen. Op interessante locaties mogelijkheden voor een warmtenet onderzoeken en een bronnenstrategie uitwerken, rekening houdend met de warmtevraag. Hierin samenwerking zoeken met partijen die willen investeren, bijvoorbeeld bij de regionale warmteketen om aardwarmte op te nemen in de bronnenstrategie als mogelijke toekomstige warmtebron. Volgen van de innovaties van geothermie. Waterstof Waterstof is een energiedrager (en dus geen energiebron) die ingezet kan worden voor de industrie, mobiliteit en als alternatief voor aardgas in het bestaande gasnet kan worden ingevoed en met beperkte aanpassingen benut kan worden voor de bestaande apparatuur. Anno 2021 wordt waterstof vooral gemaakt uit aardgas, dit noemen we grijze waterstof.

In de toekomst zal dit naar verwachting meer en meer gebeuren door elektrolyse met hernieuwbare stroom. Het opwekken en de transport van waterstof is nu nog inefficiënt en daarom is voor het gebruik van groene waterstof op grote schaal zeer veel duurzame elektriciteit nodig. Waterstof wordt naar verwachting in de periode na 2030 kansrijk. Waterstof is een schone brandstof, want bij verbranding komt alleen maar water(damp) vrij, en het kan gemaakt worden uit water en (duurzame) elektriciteit. Als energiedrager zou waterstof geschikt zijn om bijvoorbeeld aardgas voor verwarming of benzine in auto’s te vervangen. Met een relatief kleine aanpassing zouden de huidige gasleidingen ook geschikt kunnen zijn voor het transport van waterstof. Het is ook nog een duurzame grondstof, bijvoorbeeld voor plastics. Daarom kan waterstof in de toekomst een belangrijke rol gaan spelen.Waterstof is dus een energiedrager en geen alternatief voor duurzame opwekking. Sterker nog, waterstof is alleen duurzaam als het gemaakt wordt uit water en duurzaam opgewekte elektriciteit, en daar hebben we nog lang niet genoeg van. We moeten dus zorgen dat we voldoende duurzame energie kunnen opwekken om zelf te gebruiken en om ook waterstof te maken. Er lopen nu een aantal grotere en kleinere onderzoeks- en proefprojecten in Nederland om groene waterstof te maken.

Die zijn nodig om groene waterstof over een tijdje op grote schaal te kunnen gebruiken. Toepassen van groene waterstof op grote schaal zullen naar verwachting in de industrie plaatsvinden. Daarop zetten het kabinet en verschillende partijen actief in. Almelo is een waterstof hub die

BIJLAGE 8. GEBOUWDE OMGEVING (WARMTEOPGAVE)

6

bestaat uit een samenwerkingsverband tussen tientallen ondernemers, onderwijsinstellingen en de overheid die pilotprojecten wil starten om de mogelijkheden van waterstof te onderzoeken. Ook bij andere gemeenten is er interesse voor waterstof. Ondanks dat waterstof naar verwachting niet voor 2030 ingezet gaat worden om een essentiële bijdrage te leveren om woningen en gebouwen te verwarmen, is het wel belangrijk om nu alvast ervaringen op te doen en om mensen te leren werken met waterstof. Aquathermie In sommige steden en dorpskernen ontbreken substantiële industriële restwarmtebronnen, terwijl er bronnen van oppervlaktewater, zandwinplassen en RWZI’s aanwezig zijn. In deze gevallen kan aquathermie een duurzame oplossing bieden in de warmtevraag. Water is een betrouwbare en stabiele bron, die in de meeste gevallen voor lange periode beschikbaar is. Aquathermie kan worden ingezet als duurzame bron voor warmtevoorziening en koeling waar het regionale warmtenet geen kansen biedt. De bron kan middels een lokaal warmtenet of rechtstreeks in projecten worden toegepast ten behoeve van bestaande bouw, nieuwbouw, woningen, kantoren, scholen en ziekenhuizen. Binnen Twente worden inmiddels in Almelo, Hellendoorn, Losser en Oldenzaal nadere studies uitgevoerd voor het ontwikkelen van aquathermie projecten voor het verwarmen van de gebouwde omgeving.

Daarnaast kan aquathermie ook positief bijdragen aan andere ruimtelijke thema’s, zoals het verlagen van de hittestress in stedelijk gebied en het verlagen van de watertemperatuur, waardoor algenbloei en botulisme kan worden voorkomen of beperkt (Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie). Er worden drie vormen van aquathermie onderscheiden: Warmte uit oppervlaktewater (TEO) Warmte uit afvalwater en riool (TEA) Warmte uit drinkwater (TED) Houtachtige biomassa Met relatief veel buitengebied in onze regio is er houtachtige biomassa beschikbaar via regulier onderhoud van bossen en groen. De biomassa-installaties in Twente gebruiken alleen duurzame biomassa die voldoet aan de landelijke duurzaamheidseisen en bestaat hoofdzakelijk uit snoei- en afvalhout uit de regio. Houtachtige biomassa wordt gezien als een mogelijke transitiebron in de overbruggingsfase voor de langere termijn, die in de toekomst kan worden afgebouwd. Vanwege de uitstoot van fijnstof en stikstofoxide is er veel discussie over de inzet van houtige biomassa voor de warmtetransitie. Dat vraagt om een zorgvuldige afweging hoe de beschikbare bron wordt ingezet. Daarbij moet rekening worden gehouden dat er ook CO₂ vrijkomt als gevolg van het rottingsproces van hout.

De verschillende biomassabronnen (hout en biogas/groengas) in Twente hebben een potentie om in 2050 in totaal 140.000 woningen en gebouwen van duurzame warmte te voorzien. Dat is in theorie, omdat de inzet van deze bronnen in de praktijk ook verdeeld kan worden over industrie en mobiliteit. Hiernaast is bij deze inschatting van het aantal woningen de aanname gedaan dat de gemiddelde gasvraag per woning in 2050 zal halveren ten opzichte van nu, bijvoorbeeld door isolerende maatregelen. Daarnaast is de bijdrage van Twence groot als het gaat om het opwekken van energie vanuit afvalstromen en biomassa die niet geschikt zijn voor materiaaltoepassingen.

6. GELIJKE WARMTEPRIJS EN ENERGIEPRIJS IN TWENTE Om een haalbare en betaalbare transitie mogelijk te maken naar aardgasvrije woningen, dringt Twente aan op één gelijke warmteprijs. Op dit moment verschillen de warmtetarieven voor particuliere afnemers. Dat komt doordat de kosten niet of nauwelijks gesocialiseerd zijn. Elk warmteproject moet een sluitende businesscase hebben en de kosten worden in rekening gebracht bij de afnemer. Hier kan het voorkomen dat twee identieke woningen die net aan de andere kant van het spoor staan een verschillende warmteprijs betalen en dat is onwenselijk. Er is daarnaast ook een financieel instrument nodig om het uitgangspunt van dezelfde warmteprijs voor alle particuliere afnemers waar te maken. Rondom dezelfde warmteprijs willen we één warmtetarief voor iedereen in Twente, ongeacht de techniek van verwarmen.

7. GEMEENTEGRENSOVERSCHRIJDENDE SAMENWERKING WARMTEPROJECTEN We zien verschillende samenwerkingsverbanden tussen gemeenten die gemeentegrensoverschrijdend werken aan deze opgave. Voorbeelden van gemeentegrensoverschrijdende samenwerkingen zijn: Zes gemeenten verkennen gezamenlijk onder welke voorwaarden de ontwikkeling van een regionaal warmtenet in Twente mogelijk en wenselijk is. Het consortium van Twence, Cogas en Ennatuurlijk verkent de technische en economische haalbaarheid en de randvoorwaarden van een regionaal warmtenet. Om het potentieel voor biogas/groengas te benutten, werken zeven gemeenten samen met het Bio-energiecluster Oost Nederland (BEON), Twence en Cogas. Om een regionaal warmtenet mogelijk te maken en de productie biogas/groengas te koppelen aan de kringlooplandbouw zoekt de RES Twente afstemming met andere RES-regio’s, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Interprovinciaal Overleg (IPO) en

BIJLAGE 8. GEBOUWDE OMGEVING (WARMTEOPGAVE)

7

het stedennetwerk G40 en P10-gemeenten. Ook zoekt de RES Twente afstemming tussen de processen om de RES-opgave en de Transitievisie Warmte te realiseren. Vanaf 2021 nemen de gemeenten Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo, Hof van Twente, Losser, Tubbergen en Wierden duurzame opgewekte energie af van Twence. Daarbij is afgesproken dat Twence de helft van het aardgasverbruik duurzaam in de toekomst op gaat wekken via groengas. Samen willen ze de productie van opgewekte duurzame energie in de Twentse regio aanjagen.

-

8.

AANDACHTSPUNTEN WARMTEOPGAVE: BESTUURLIJKE AFWEGINGEN VOOR WARMTE (GOVERNANCE)

Twente wil zich ontwikkelen tot een warmteregio door het grote aanbod aan warmte maximaal te benutten. Daarvoor worden de mogelijkheden verkend van een regionaal warmtenet dat de productie van biogas/groen gas bevordert. Hier wordt ook het ruimtelijke beleid op afgestemd. Om dit te realiseren zijn binnen de Regionale Structuur Warmte de volgende aandachtspunten van belang: Vanuit de wisselwerking tussen de ’Transitievisies Warmte met de Regionale Structuur Warmte maximaal inzetten op besparing van de warmtevraag en vervolgens het maximaal benutten van warmtebronnen om onnodige elektrificatie te voorkomen. Er wordt een integrale afweging gemaakt van de totale duurzame warmte-systeemefficiëntie. Verkenning om een regionaal warmtenet te realiseren om de beschikbare (rest)warmtebronnen te benutten: o Uitspraak over het verdeelvraagstuk vanuit maatschappelijke kostenefficiëntie als belangrijkste criterium. o Invulling regierol van gemeenten in het ontwikkeltraject. o Duidelijkheid over de partijen die de regionale warmte-infrastructuur mogen en willen ontwikkelen, rekening houdend met toekomstige regelgeving onder andere rond aanbesteding en marktordening. o Duidelijkheid over technische en economische haalbaarheid en ruimtelijke inpasbaarheid van een regionaal warmtenet.

Belangrijke afwegingen voor de inzet van biogas/groengas: o Organiseren van een toereikende SDE++ voor de combinatie van hubs van kleinschalige boerderijvergisters met centrale opwaarderingsinstallaties via hubs voor groen gas (huidige SDE++ is uitsluitend toereikend voor middelgrote tot grote boerderijvergisters met groen gas productie) o Verbinding leggen met de kringloop landbouw door verduurzaming van de landbouw handen en voeten te geven en stikstof en fosfaat te beprijzen (en niet alleen voor boeren die stoppen) o Er moet een rendabele businesscase ontstaan voor verduurzaming van de landbouw, netbeheerders en leveranciers van biogas/groengas. o Ruimtelijk beleid van gemeente moet faciliterend zijn t.o.v. kleinschalige en middelgrote boerderijvergisters en de bijbehorende distributie. o Faciliteren van opwaarderingsinstallaties om biogas naar groengas op te werken (in clusters van meerdere boerderijvergisters) en het vervolgens in te voeden op het bestaande aardgasnet (welke mogelijk uit te breiden is met onbenutte of nieuwe leidingen) o Afstemmen hoe en waar we duurzaam gas willen inzetten. Voor welke woningtypen / gebieden etc. Deze afstemming moet op systeemniveau plaatsvinden. Daarbij volgt de Provincie het SER-advies, duurzaam gas alleen maar inzetten waar echt geen andere bron beschikbaar is.

Duurzaam gas is bij uitstek geschikt voor HT-toepassingen en te schaars om als laagwaardige warmte te gebruiken. o Onderzoeken hoe biogas/groengas te bufferen en de afzetcapaciteit op het aardgasnet. o Vormen van een coalitie met de Noordoost Twentse gemeenten, Twenterand, Hof van Twente en ander gemeenten die interesse hebben om hierbij aan te sluiten, Cogas en Twence Aquathermie wordt op plaatsen waar alternatieve warmtebronnen ontbreken, als relevante warmtebron aangemerkt. Voor TEA, TEO en TED liggen in Twente versnellingsmogelijkheden voor bijdrage aan de realisatie van Twente als warmteregio. -

-

Potentie van Geothermie als bron voor de regionale warmtestructuur. o onderzoek naar geschiktheid ondergrond voor geothermie, in afstemming met het rijk. o Interessante locaties mogelijkheden voor een warmtenet onderzoeken en een bronnenstrategie uitwerken, rekening houdend met de warmtevraag. o bij gebleken potentie samenwerking zoeken met partijen die willen investeren, bijvoorbeeld bij de regionale warmteketen om aardwarmte op te nemen in de bronnenstrategie als mogelijke toekomstige warmtebron, bijvoorbeeld door partijen te interesseren in een proefboring. Lokale energie initiatieven o De LEIs kunnen een rol vervullen in de warmtetransitie. Gemeenten ondersteunen en faciliteren dit.

BIJLAGE 8. GEBOUWDE OMGEVING (WARMTEOPGAVE)

8

Regionale Energie Strategie Twente 1.0 - Bijlage 9. Twentse Energie Agenda -

BIJLAGE 9. TWENTSE ENERGIE AGENDA

1

1.

INLEIDING TWENTSE ENERGIE AGENDA

Op weg naar de RES Twente 2.0 is een nadere uitwerking nodig van een groot aantal van de procesafspraken die we hebben gemaakt. In de Twentse Energie Agenda besteden we aandacht aan de ontwikkelingen die nu in gang zijn of worden gezet, maar een langere doorlooptijd hebben. Hiermee willen we ook gehoor geven aan de signalen van vele volksvertegenwoordigers en belanghebbenden die we in de afgelopen periode hebben ontvangen om als RES organisatie open te staan voor nieuwe ontwikkelingen en effecten van de RES Twente. In het koersdocument hebben we de Twentse Energie Agenda opgenomen met een eerste opzet voor een programmeertafel en een onderzoekstafel. Beide vormen in de volgende fase richting RES 2.0 een dynamische netwerkorganisatie met (lokale) partners en belanghebbenden met wie we de samenwerking de komende jaren willen versterken. Zo willen we zorgen dat slimmere en efficiëntere oplossingen beschikbaar kunnen komen. Als de (technologische) ontwikkelingen aantoonbaar bij kunnen dragen aan de duurzame opwek elektriciteit en/of de warmteopgave, is inwisseling voor de huidige bronnen voor elektriciteit en warmte mogelijk. Bovendien willen we ook klaar zijn om onze ambities in uitvoering te brengen en daarvoor is onder meer kennis, capaciteit en mankracht nodig.

In aanvulling op de toelichting in het koersdocument op de diverse thema’s uit de programmeertafel en de onderzoekstafel is in het voorlopig ontwerp aandacht besteed aan de volgende onderwerpen: Rol van de waterschappen Rol van de woningcorporaties Innovatie en technologie Veiligheid Thema’s voor lobby Rol van de waterschappen De waterschappen voeren een duurzaam energiebeleid. Ze zijn altijd op zoek naar manieren om energie te besparen, terug te winnen, op te wekken en op een duurzame manier te produceren. De Unie van Waterschappen stimuleert de waterschappen in hun ambities voor duurzaamheid en heeft een klimaatbeleid voor waterschappen opgesteld. De inzet van de waterschappen wordt jaarlijks bijgehouden in de klimaatmonitor. Nu reeds produceren waterschappen minimaal 40% van het eigen energieverbruik zelf. In 2025 willen waterschappen volledig energieneutraal zijn. Daarin tellen zij ook de investeringen van derden op terreinen van waterschappen mee. Daarnaast zet het waterschap zich in om meer bij te dragen aan de maatschappelijke opgave. Er liggen veel kansen voor het terugwinnen van energie (en grondstoffen) uit afvalwater. Op de zuiveringen is vaak ook ruimte om windturbines of zonnevelden te plaatsen. Ook in het watersysteem liggen veel kansen voor energieopwekking. De grootste potentie (b)lijkt aquathermie te zijn.

Rol van woningcorporaties Woningcorporaties dragen de komende vier jaar bij aan de versnelling om woningen aardgasvrij maken. Daarvoor is het plan de Startmotor gemaakt samen met gemeenten en partijen uit de huur-, bouw- en energiesector. Om het plan mogelijk te maken heeft het kabinet extra middelen toegezegd. De woonlasten voor huurders worden niet hoger. De huur van gerenoveerde woningen kan eenmalig stijgen, maar dit wordt gecompenseerd door een lagere energierekening. Daarnaast zijn corporaties ook actief betrokken bij de ontwikkeling van onder andere riothermie, klimaatadaptatie en lokaal eigendom. Mobiliteit Op weg naar RES Twente 2.0 wordt meer afstemming gezocht met opgaven die raakvlakken hebben met de RES Twente. Door samen aan de slag te gaan met regionale partners die ook bijdragen aan het Klimaatakkoord en raakvlakken hebben met de RES, ontstaan mooie winwin-situaties en nieuwe oplossingen voor de ruimtelijke, duurzame, sociale en economische vraagstukken van vandaag en morgen. Mobiliteit is één van deze thema’s die verder wordt uitgewerkt en is toegelicht in het voorlopig ontwerp. Mobiliteit is verantwoordelijk voor circa 20% van de totale CO₂-uitstoot in Nederland (exclusief internationale lucht- en scheepvaart).

In het Nationaal Klimaatakkoord hebben bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden afspraken gemaakt over maatregelen om de CO₂-uitstoot van mobiliteit te reduceren. Voor 2050 is het streven dat de CO₂-uitstoot tot nagenoeg nul is teruggebracht. Elektrische auto’s kunnen bijdragen aan de CO₂-reductie. Elektrische mobiliteit is uiteraard afhankelijk van een hele nieuwe laadinfrastructuur. De fiets kan eenvoudig via het stopcontact in de schuur worden opgeladen. Voor de auto en bestelwagen zijn snelladers nodig en niet iedereen kan de auto op de eigen oprit stallen en laden. Vrachtvervoer via wagen en schip, trein en bus kijken naar waterstof als de ‘nieuwe diesel’. En wie is verantwoordelijk voor het net? De overheid? Dat is een nieuwe rol. Tot nu toe hoefde de overheid slechts de plek aan te wijzen voor tankstations. Nu zien we laadpalen in alle soorten en maten overal in het (stedelijk) landschap opduiken. Er is al sprake van wildgroei. Dus hoe nemen we de laadvoorziening op in ons stedenbouwkundig ontwerp? En hoe zorgen we dat de elektriciteitsinfrastructuur voorziet in de groeiende vraag naar laadpalen? Ook dat is een opgave die vraagt om een integrale aanpak.

BIJLAGE 9. TWENTSE ENERGIE AGENDA

2

De Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL) is een belangrijk onderdeel van mobiliteit en een bijlage van het Nationaal Klimaatakkoord. Doel van de NAL is om ervoor te zorgen dat de laadinfrastructuur geen drempel vormt voor de uitrol van elektrisch vervoer. De opgave is fors. Voor personenvervoer wordt in Nederland een laadbehoefte voorzien van 1,8 miljoen (semi-)publieke en private laadpunten in 2030. Voor de stadslogistiek voorziet een eerste doorrekening van TNO een maximale laadbehoefte voor bestelauto’s van 18.600 laadpunten in 2030 en voor vrachtauto’s 7.400 laadpunten. De vraag naar elektriciteit zal fors toenemen door het elektrisch rijden. Keuzes over laadinfrastructuur kunnen grote effecten hebben op de elektriciteitsinfrastructuur, zeker in de gebouwde omgeving. Als voor warmtevoorziening gekozen wordt voor elektrificatie, kan dat samen met de ontwikkelingen voor mobiliteit grote aanpassingen in de infrastructuur vragen. Voor het realiseren van schone en zorgeloze mobiliteit werkt Twente aan een regionale en integrale aanpak in het Regionale Mobiliteitsprogramma (RMP).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10194190/1