Bijlage II - Verslag overleg Rekenkamercommissie 27-05-2024
Tekst van het document
Verslag van het overleg met de rekenkamercommissie 27-05-2024
Datum Aanvang Locatie Voorzitter Griffier Vertrouwelijkheid
Woensdag 27 mei 2024 19:30 uur commissiekamer M3.02 (derde etage) dhr. R.G. Welten (digitaal) dhr. R. Meinen besloten
leden van de rekenkamercommissie dhr. A. Titsing / dhr. M.C. Ligtenbarg leden van de raad
mw. E.J. Diepenmaat-van den Hoff / mw. A. Mekking-Veenstra / dhr. F.M. Ebeling (digitaal) / dhr. T.J.H. Looman Actiepunten in rood
1
Opening en vaststelling agenda De voorzitter heet de aanwezigen welkom en in het bijzonder de leden van de rekenkamercommissie. Mevrouw Odenthal is met kennisgeving afwezig vanwege vakantie. De voorzitter licht de aanleiding van de bijeenkomst toe.
2
Bespreken brieven (vml.) rekenkamercommissie d.d. 15-01-2024 & 23-04-2024 De heer Titsing geeft aan dat de brieven voor zich spreken. De wetswijziging is per 1 januari 2024 definitief in werking getreden. Daar is verschillende malen bij de griffie op gewezen en ook een voorbeeldverordening (van de VNG) voor aangedragen. Het dringende advies van de commissieleden was om in ieder geval een (tijdelijke) verordening vast te stellen en op grond daarvan de huidige leden te (her)benoemen. Dan was er een functionerende rekenkamer geweest. In januari hebben de leden een brief gestuurd, dat de zij beschikbaar waren voor de invulling, in een tijd dat veel gemeenten vacatures hadden voor rekenkamerleden. Mevrouw Odenthal zou dan als regulier lid kunnen optreden, waarbij een ander lid benoemd zou kunnen worden als voorzitter. Meer dan een jaar geleden heeft de rekenkamercommissie het rapport “Onderzoek Rendement Rekenkamercommissierapporten 2014-2018” gepresenteerd. Daar zou de raad over in gesprek gaan met de rekenkamercommissie, maar dat is tot op heden niet gebeurd. Bij de commissieleden is er begrip voor het feit dat er in Haaksbergen een aantal zware politieke dossiers aan de orde zijn geweest. Er moet echter wel duidelijkheid komen over de situatie. De commissieleden willen immers wel een mandaat hebben om interviews te kunnen houden en andere taken te kunnen uitvoeren.
Er is teleurstelling over de situatie. De heer Welten geeft aan dat hij zich de teleurstelling goed kan indenken. Tegelijkertijd benoemt hij dat er inderdaad prioriteiten gesteld moesten worden. Als er tijdens de eerste wervingsronde een geschikte voorzitter was gevonden was, was er waarschijnlijk geen aanleiding geweest om een pas op de plaats te maken. Desalniettemin heeft e.e.a. inderdaad te lang geduurd. 1
De heer Ebeling geeft complimenten voor de brieven. Die zijn zakelijk en duidelijk over het ongerief. Ondanks de argumenten van de voorzitter neemt dat bij hem het gevoel niet weg dat hij zich medeverantwoordelijk voelt. Hij luistert tijdens dit overleg graag naar het vervolg. Dhr. Looman herkent de reflectie van de voorzitter. Hij vindt het wenselijk om te benadrukken dat wat hem betreft het begin van het inhoudelijke traject is dat het inhoudelijke gesprek over het rapport goed gevoerd moet worden. Er moet écht goed nagedacht worden over hoe de rapporten van de rekenkamer constructiever besproken kunnen worden. Dat verdient de rekenkamer ook. Hij erkent dat er meerdere malen over de situatie is gesproken in de agendacommissie. Het inhoudelijke gesprek moet echter nog steeds gevoerd worden. De verordening die vastgesteld moet worden kent echter wel een paar keuzes. Het traject dat ingezet wordt moet door de raad breed gedragen worden. Prioriteitstelling is wat hem betreft een aandachtspunt. Er moet formeels wel iets geregeld worden voor de bezetting van de rekenkamer. De heer Looman ambieert geen slapende rekenkamer. Hij waardeert het dat de commissieleden op de achtergrond doorgegaan zijn met de werkzaamheden. Mevrouw Mekking vindt dat er een vorm gevonden moet worden voor een raadsbreed gesprek.
Zij merkt daarbij op dat niet elk onderwerp dat besproken wordt in de agendacommissie wordt doorgegeven aan de raad als geheel. Zij vindt dat de raad bij zichzelf te rade moet gaan over wat er gedaan wordt met de inhoud van rekenkamerrapporten. Zij ziet dit ook als een persoonlijke opdracht en verbeterpunt. Voor haar is helder dat meer gedaan moet worden met de werkzaamheden van de rekenkamer. Mevrouw Diepenmaat ziet graag geregeld dat de formele zaken op korte termijn in orde gemaakt worden zodat er in ieder geval een rekenkamer benoemd is. Ze wil daarbij niet verzanden in discussies over hoe die precies ingericht moet worden. Zij weet niet exact hoe een keuze voor een bepaald onderzoeksonderwerp tot stand komt. Heeft de raad daar zelf deze raadsperiode al een keuze in kunnen maken? De heer Looman respondeert dat de rekenkamer zelfstandig bevoegd is, maar de raad wel onderwerpen kan aandragen. Hij geeft aan dat de coronapandemie heeft bijgedragen aan de “contactdip”. Dat laat onverlet dat hij vindt dat er in de verordening wel een aantal fundamentele keuzes te maken zijn. Mevrouw Diepenmaat vindt dat de griffier hier een voorstel voor kan doen, zij is er op voorhand geen voorstander van om met de hele raad de te maken keuzes te bediscussiëren. De heer Ligtenbarg geeft aan dat de modelverordening vastgesteld kan worden.
Dan voldoe je als gemeente in ieder geval voor dat moment aan de wet. Daarna zou je dan eventueel gewenste aanpassingen kunnen doorvoeren. Mevrouw Diepenmaat vraagt welk onderzoek er op dit moment gaande is. De heer Titsing antwoordt dat de rekenkamer(commissie) op dit moment bezig is met een onderzoek naar het subsidiebeleid van de afgelopen jaren. De voorzitter kan zich herinneren dat de afgelopen jaren wel bij de raad is geïnformeerd over eventuele onderzoekswensen. Of die uitvraag formeel en uitgebreid genoeg gedaan is, weet hij zo niet. De raad kan suggesties doen voor onderzoeken. 2
De voorzitter vraagt wat er nu moet gebeuren. Is er tijd om eerst een fundamentelere discussie over de taak en inrichting van de rekenkamer te voeren? Kan er geworven worden voor een rekenkamerlid? Is er aanleiding om het gesprek breder te trekken zoals de vraag of er verder gegaan moet worden met een huidige model met een rekenkamer die louter voor Haaksbergen werkt? Hij vraagt zich af of het wenselijk is eerst een formele verordening vaststellen en daarna de fundamentele vraagstukken te adresseren. Hij zou die vragen graag vandaag beantwoord hebben, zodat er ook mandaat is om e.e.a. verder te organiseren. De heer Looman wil een compromis voorstellen inhoudende enerzijds het zo spoedig mogelijk vaststellen van de modelverordening maar anderzijds wel de ruimte behouden om de fundamentelere vragen te bespreken. Hij wil niet dat alles nog jaren kan doorgaan op de oude voet. Hij wil graag dat de raad het gesprek met de rekenkamer gaat voeren over de inrichting en het rendement van de rapporten, onder voorzitterschap van de burgemeester. Dat is destijds ook zo afgesproken. Mevrouw Diepenmaat vraagt zich af waarom dat met de hele raad moet, en of dat dan niet met afvaardiging kan zoals ook in dit overleg gedaan wordt. Desnoods met een uitvraag.
De heer Welten interpreteert het voorstel van de heer Looman zo dat hij dat ook bedoelt, en de verordening vastgesteld kan worden, maar dat het ook zijn oproep is om daarin zo min mogelijk voor te sorteren op discussiepunten die redelijkerwijs nog “open” gehouden kunnen worden; waar dus later nog een keuze gemaakt in kan worden. Dergelijke keuzes die later gemaakt moeten kunnen worden zijn in zijn optiek de invulling van de vacature, het al dan niet aansluiting zoeken bij rekenkamers in de nabije omgeving etc. De heer Looman vult aan dat hij met “de raad” bedoelt dat elke raadsfractie vertegenwoordigd moet kunnen zijn, en men zich niet geremd voelt om bijv. met twee raadsleden aanwezig te zijn. Dat moet dus niet limitatief zijn. Eén raadslid per fractie is prima als een fractie daar zelf voor kiest, maar meer moet ook mogen. Er moet dus een raadsbrede afspiegeling kunnen zijn. De voorzitter brengt in herinnering dat dit in zijn ogen al zo is. Alle fracties is immers eerder gevraagd om personen aan te dragen voor deze “werkgroep”. De fracties die nu afwezig zijn hebben hun vertrouwen uitgesproken in de raadsleden die wel aanwezig zijn. De heer Looman beaamt dat.
Hij onderscheidt echter het mandaat dat de huidige groep heeft om een verordening voor te stellen en rekenkamerleden voor te dragen van het mandaat om de langetermijnvisie op de rekenkamer Haaksbergen te ontwikkelen en voor te leggen. Hij vindt het belangrijk dat voor deze tweede opdracht nogmaals de uitvraag gedaan wordt, al blijkt dat dan achteraf misschien alleen maar pro forma te zijn geweest. De heer Ebeling vindt flexibiliteit wat waard. De verordening moet niet al te beperkend zijn, en dus kan dit aan de raad worden voorgelegd. Hij is van mening dat deze werkgroep prima een verordening kan opstellen en voorleggen aan de raad. De heer Titsing geeft aan dat dit zo’n beetje de lijn is die de rekenkamercommissieleden voorgesteld hadden. Het advies blijft om op zo kort mogelijk termijn een verordening vast te stellen en op basis daarvan ook de leden te benoemen. Hij zou dit graag voor de zomer vastgesteld zien. De griffier geeft aan dat de verordening en het bijbehorende voorstel al enige tijd gereed zijn, maar dat de raad er nog over moet besluiten (om het te agenderen).
3
De heer Titsing geeft aan dat in de brief stond dat de huidige leden bereid zijn de rekenkamer te bemensen. Mevrouw Odenthal heeft aangegeven het rekenkamerwerk voort te willen zetten voor zo lang zij nodig is. De leden van de commissie erkennen dat zij ervan bewust zijn dat de Haaksbergse rekenkamer er op termijn anders zou kunnen gaan uitzien, bijvoorbeeld door regionale samenwerking. De raad van Haaksbergen moet kiezen wat hij voor Haaksbergen het beste acht. Als er een keuze wordt gemaakt die niet past bij de huidige leden, accepteren zij dat. Het advies daarmee blijft om zo snel mogelijk te benoemen en om in ieder geval tijdelijk deel te nemen totdat de raad eventueel andere keuzes maakt. De heer Meinen merkt op dat “tijdelijke benoeming” niet mogelijk is. Leden van de rekenkamer worden voor zes jaar benoemd. Mevrouw Mekking merkt op dat leden wel tussentijds kunnen stoppen op eigen initiatief. De griffier beaamt dat. De heer Ligtenbarg geeft aan dat de rekenkamer graag zou werken met een schema van aan- en aftreden, omdat je anders over zes jaar weer in de situatie komt dat er ineens veel gemeenten tegelijkertijd op zoek zijn naar (schaarse) rekenkamerleden. De heer Looman vraagt of dit formeel vastgesteld kan worden, bijvoorbeeld door het geven van een zienswijze van de (beoogd) rekenkamerleden op een vast te stellen verordening.
Het aftredingsschema zou dan toegevoegd kunnen worden aan het raadsvoorstel. Mevrouw Mekking zegt dat dat weinig zin heeft, omdat de raad benoemt voor zes jaar. De heer Looman vindt het op basis van vertrouwen wel wenselijk dat dit transparant gemaakt wordt. De heer Welten geeft aan dat er een discussie ontstond toen de vacature van voorzitter niet ingevuld kon worden. Zijn beeld is dat er nu twee zittende leden zijn, en één vacature. De voormalige voorzitter heeft echter aangegeven haar huidige rol c.q. een rol als lid nog voor zo lang als nodig is in te vullen. Dat aanbod mag de gemeente in dank aanvaarden. Dat betekent echter niet dat daarmee het gesprek over de toekomstige invulling niet gevoerd moet worden. Een alternatief kan daarmee ook zijn dat er nu gekeken wordt bij overige rekenkamers, waar mogelijk ook leden te vinden zijn die ook “de verbinding kunnen maken over wat samenwerking in de toekomst inhoudt”. De heer Titsing wil benadrukken dat de rekenkamer(commissie) graag verder wil met de onderzoeken, en dus een verordening en benoeming wenselijk acht. Daarbij heeft mevrouw Odenthal duidelijk te kennen gegeven niet als voorzitter verder te willen. Binnen redelijke grenzen maakt het voor haar niet veel uit hoe lang dit nog duurt. Zij wil graag de nieuwe rekenkamer verder helpen. Twee leden en een vacature vinden de commissieleden in ieder geval niet wenselijk.
De heer Looman vindt dat er voldoende is uitgewisseld om een voorstel (verordening en benoeming) aan de agendacommissie aan te bieden zodat er in de raad van juli over besloten kan worden. Tegelijkertijd moet er in de agendacommissie gesproken worden over de andere stappen in het proces. De griffier vraagt of deze werkgroep de beraadslaging indachtig daarmee aan de agendacommissie zal adviseren om het raadsvoorstel, de verordening en de benoeming aan de raad voor te leggen. De voorzitter constateert dat dat juist is. De voorzitter wil er wel voor waken dat er ruimte is in de agendacommissie voor een goede bespreking. De griffier geeft aan dat de stukken die voorlagen tijdens een eerdere presidiumvergadering nog niet tot grote discussie hebben geleid.
4
De griffier vraagt wat het advies m.b.t. het benoemen van een voorzitter gaat worden. Wil deze werkgroep dat dat gebeurt conform voorstel van de leden van de rekenkamercommissie, inhoudende dat de heer Titsing benoemd wordt als voorzitter. De heer Looman vindt dat wel het meest praktische om te doen. Mevrouw Mekking beaamt dat. Wel wil zij volledigheidshalve opmerken dat hoe je het ook wendt of keert, je als raad alle drie de leden wel voor de volle 6 jaar benoemt. Zij kan zich vinden in de besproken oplossing, maar realiseert zich dat een eventueel ontslag (stoppen met de werkzaamheden) alleen vanuit de leden van de rekenkamer zelf geïnitieerd kan worden, niet vanuit de raad. De heer Looman vindt dat dit “gentlemensagreement” wel ergens verankerd moet zijn. De heer Titsing en de heer Ligtenbarg geven nogmaals aan dat zij zich willen conformeren aan deze afspraak en dat ook mevrouw Odenthal daartoe bereid is. Als er voor een andere rekenkamervorm gekozen wordt die niet meer bij hen past, of waarvan de raad van oordeel is dat die nieuwe vorm niet bij de huidige leden past, dan zullen de huidige leden uit vrije wil opstappen. De heer Looman geeft aan voor de wat langere termijn nog steeds behoefte te hebben aan een gesprek van de raad (met de rekenkamer) over de toekomst van de rekenkamer. Dat gesprek moet wat hem betreft fysiek gehouden worden.
Afgesproken wordt om een bijeenkomst voor de eerste raadsvergadering van het nieuwe seizoen in te plannen. 3
Invulling vacature voorzitter/commissielid De griffier vraagt wat deze werkgroep wil met het al dan niet openstellen van de vacature van lid/voorzitter voor de rekenkamer als opvolger van mevrouw Odenthal. De heer Looman geeft aan dat er met hetgeen besproken voor de korte termijn een oplossing is. Wat hem betreft wordt eerst het gesprek gevoerd over de toekomst van de rekenkamer voordat er eventueel weer geworven wordt.
4
Vervolgproces Dit is niet separaat besproken.
5
Rondvraag Er zijn geen punten voor de rondvraag.
6
Sluiting De voorzitter dankt allen voor de constructieve houding en kijkt met vertrouwen naar de nabije toekomst.
5