Bijlage 4 Advies Participatieraad op de evaluatie van het armoedebeleidsplan 2016-2019
Tekst van het document
1
Bijdrage Participatieraad Haaksbergen aan de Evaluatie Armoedebeleidsplan 2016 – 2019 De Participatieraad is blij met de toegestuurde evaluatie van het Armoedebeleidsplan 2016 – 2019. Wij werken graag mee aan deze evaluatie. Een aantal leden heeft deze bijdrage voorbereid en voor commentaar aan de overige leden voorgelegd. Samenvattend zetten wij de belangrijkste op- en aanmerkingen op een rij: 1.
Wij adviseren het woord Armoede te schrappen en weer over te gaan op de term Minimabeleidsplan. Op armoede ligt al een begrijpelijk taboe en bovendien wordt in de nota steeds gesproken over minimaregelingen, minimabeleid, minimahuishoudens en sociaal minimum waarbij ook niet ‘armoede’ kan worden ingevuld voor ‘minima;
2.
Uit de evaluatie blijkt niet alleen het belang om de doelgroep goed in kaart te brengen, maar vooral ook contact te hebben met direct betrokkenen/gebruikers van de regelingen. Op grond van contacten met ervaringsdeskundigen kunnen regelingen worden geëvalueerd en eventueel bijgesteld. Te denken valt aan het werken met een klankbordgroep die meekijkt en zorgt voor bijsturing m.b.t. ideeën, communicatie, ogen en oren voor de beleidsmakers en –uitvoerders. In een nieuw beleidsplan Sociaal Domein Breed verwachten wij hiervoor concrete aanzetten;
3.
Zorg voor integraal beleid. Armoedebestrijding, Schuldhulpverlening, Activering en Participatie zijn complementair;
4.
Maak de regelingen voor de groep tot 115% van het sociaal minimum toegankelijk voor de groep tot 120%. De specifieke groep 115% van het sociaal minimum verdwijnt dan;.
5.
Maak vooral veel werk van het stimuleren van arbeidsparticipatie en scholing. Werk is de beste armoedebestrijder;
6.
Concretiseer de regiefunctie van de gemeente in dit beleid. Zie toe op afstemming tussen verschillende regelingen en organisaties zoals Jeugdfonds voor sport en cultuur, de Stichting Leergeld, voedselbank, budgetmaatjes etc.;
7.
Stel een heldere, simpele eenmalige inkomenstoets in, die een jaar geldig is. Voorkom hiermee dat mensen steeds weer. Op verschillende plekken dezelfde gegevens moeten aanleveren. Bovendien kan door zo’n inkomenstoets (men is dan bij de gemeente bekend) ook gebruikt worden om ambtshalve bepaalde toekenningen te realiseren . (Dat komt nu al voor bij het automatisch uitbetalen van de schoolkosten in augustus aan ouders met een maandelijkse bijstandsuitkering van de gemeente, pagina 14).
Hieronder onze uiteindelijke opmerkingen, vragen en ideeën. We behandelen de evaluatie paginagewijs: Vraag vooraf: Volgens het Armoedebeleidsplan 2016 – 2019 (pag. 19) dient het beleid tweejaarlijks geëvalueerd te worden. worden. Is dat nu dan ook inmiddels al minstens 1 keer eerder gebeurd? Pagina 3 1. We vragen ons af of het niet wat mager is als uitsluitend de Uitvoeringsorganisatie Sociale Zaken Midden Twente zelf deze evaluatie verzorgt? Het Armoedebeleidsplan is opgesteld door de Gemeente Haaksbergen. Zou de evaluatie niet sowieso door een bredere, meer onafhankelijk opererende groep moeten worden uitgevoerd? Waarom doen gemeenteraadsleden hier ook niet aan mee? Ligt hier ook niet een taak voor de Rekenkamer? 2.
“De evaluatie geeft inzicht in de omvang en samenstelling van de doelgroep…..” Dit klopt volgens ons maar zeer ten dele, omdat verderop op pag.6 wordt aangegeven dat deze groep niet eenvoudig en tot op persoonsniveau in kaart te brengen is. De exacte omvang weten we niet, wordt dan ook terecht
2 vastgesteld. Het is de vraag of de beleidsmakers zich voldoende (willen / mogen?) inspannen om hoe dan ook de doelgroep wel zo exact mogelijk in kaart te brengen. We lezen wel over de wens om in het vervolg te proberen de doelgroep actief te gaan bevragen; 3.
We begrijpen niet wat er wordt bedoeld met de opmerking dat er besloten wordt niet opnieuw met een apart beleidskader voor armoedebeleid te komen, maar dit onderdeel te laten zijn van het Beleidsplan Sociaal Domein (breed) In de leeswijzer (pag. 6) wordt wel gesproken van een nieuw op te stellen beleidsplan;
Pagina 5 4. De inleiding “Algemeen” voegt informatie toe die niet een op een terug te vinden is als onderdeel van het Armoedebeleidsplan 2016 – 2019 dat wordt geëvalueerd. Is deze inleiding een tekst uit de miniscan Stimulansz? Welke rol speelt deze analyse in de evaluatie van het armoedebeleid en/ of in een nieuw beleidsplan? Mag dit worden gezien als leidraad voor taken vanuit de gemeente zoals: meer inzet voor interventies als arbeidsbemiddeling, schuldhulpverlening, meer oog voor alle onderdelen uit de zogenoemde cirkel van armoede, actievere ondersteuning etc.? Pagina 6 5. Kinderen die in armoede opgroeien, behoren tot de benoemde kwetsbare groep, waar volgens de speerpunten speciale aandacht aan zal worden besteed. Kijken we naar de aantallen, dan gaat het om 184 huishoudens (tot 120% Wsm). Dat is een verschil van slechts 14 huishoudens mbt tot 115% Wsm, de grens die steeds wordt aangehouden voor regelingen voor kinderen. Volgens tabel 1.4 op pag. 7 gaat het om een verschil van 19 kinderen. Onze vraag hierbij is: waarom zou niet ruimhartiger gekozen kunnen worden voor sowieso alle regelingen waar kinderen bij betrokken zijn uit te breiden tot 120% Wsm? Pagina 8 6.
Al bij het opstellen van het Armoedebeleidsplan heeft de Participatieraad erop gewezen dat er wel wordt gesproken van activeren van de (arbeids)participatie, maar dat nergens ook maar één opmerking wordt geplaatst over de werkelijke arbeidstoeleiding maatregelen. Destijds kregen we daar als antwoord op: “Omdat arbeidstoeleiding is geregeld in een aparte verordening en omdat arbeidsparticipatie in dit beleidsplan niet aan de orde is” Dit rijmt niet met de opmerking dat dit wel een speerpunt is van het Armoedebeleidsplan. Vandaar dat we nogmaals vragen op welke manier arbeidstoeleiding juist wel onderdeel van het armoedebeleid wordt? Dit is vooral relevant , omdat scholing en werkervaring stimuleren vaak de beste manier is om mensen uit klantgroep 2 en 3 zoals genoemd in het beleidsplan participatiewet 2015-2018 (pag. 12) duurzaam uit de bijstand te krijgen. Komt nog bij dat hier diverse mogelijkheden genoemd kunnen worden voor juist dit soort activering die ook nog eens leiden tot uitstroom uit de bijstand. Bijvoorbeeld voor jongeren (tot 30 jaar)die een beroep kunnen doen op studiefinanciering bij een full time beroepsopleiding. Het noemen van het Twents Fonds voor Vakmanschap is hier relevant. Als een stimuleringsmaatregel voor om/bijscholing in kansrijke en relevante beroepen. (5000 per kandidaat).
7.
Door onder het speerpunt “activeren van de (arbeids)participatie van minima” alleen de Verordening minimabeleid , Jeugdfonds Sport & Cultuur, Stichting Leergeld Haaksbergen te noemen vinden wij dan ook onvoldoende.
Volgens ons moet duidelijker worden aangegeven dat zowel Jeugdfonds Sport & Cultuur en Stichting Leergeld Haaksbergen particuliere landelijke opererende fondsen zijn met regionale en plaatselijke uitvoeringsorganisaties die van de gemeente Haaksbergen jaarlijks een subsidie krijgen. Als zodanig zijn deze fondsen en stichting in principe geen onderdeel van het armoedebeleid van de gemeente Haaksbergen, maar zijn ze aanvullend.
3 Wat ons betreft dient in de evaluatie te worden genoemd dat bij het opstellen van het Armoedebeleidsplan Stichting Leergeld nog niet aanwezig was in Haaksbergen. 8.
Wij vinden het “Inzetten op preventie” wel een erg magere paragraaf. Het past ons inziens niet om in een evaluatie te lezen dat het een kwestie is van willen richten op preventie. We verwachten dat er In een evaluatie wordt weergegeven wat er aan gedaan is. Om preventie te beperken tot Schulddienstverlening en Collectieve zorgverlening lijkt ons dan ook niet terecht. Hierover kan meer worden gezegd met betrekking tot werkelijk preventieve maatregelen die wel of niet zijn ingezet.
9.
De Collectieve zorgverzekering wordt niet alleen als preventie maatregel gezien maar ook als onderdeel van Speciale aandacht voor kwetsbare groepen: kinderen, kwetsbare ouderen en chronisch zieken en gehandicapten. Ons valt dan op dat bij de uitwerking verder alleen maar wordt verwezen naar Kindpakket en de Collectieve zorgverzekering. Wij vragen ons af waarom in deze evaluatie niet duidelijk met kwalitatieve en kwantitatieve gegevens wordt ingegaan op wat de speciale aandacht voor kwetsbare ouderen, chronisch zieken en gehandicapten betekent. Of beperkt de speciale aandacht zich inderdaad alleen tot de collectieve zorgverzekering?
Pagina 9 10. Zoals al eerder opgemerkt zijn we van mening dat In het overzicht (tabel 3.1) bij het Jeugdfonds Sport & Cultuur en Stichting Leergeld Haaksbergen vermeld moeten worden dat deze particuliere organisaties alleen door de Gemeente jaarlijks worden gesubsidieerd en als zodanig geen deel uitmaken van het armoedebeleid. Voor de uitwerking van het minimabeleid vragen wij op dit punt aandacht voor de vraag naar het begrip voorliggende voorziening. Dit komt weliswaar niet voor in de evaluatie, maar speelt natuurlijk wel degelijk een rol in het wel of niet toewijzen van aanvragen. Hanteren deze fondsen het armoedebeleid als voorliggende voorziening of ziet de gemeente Haaksbergen deze fondsen en Stichting Leergeld als voorliggende voorziening? Pagina 10. 11. Bijzondere bijstand In de evaluatie wordt geconcludeerd dat de stijging van bewindvoeringskosten een flink deel van de uitgaven voor bijzondere bijstand opeist. Omdat deze bewindvoering door de rechtbank wordt opgelegd zijn deze kosten niet vermijdbaar. Wij ondersteunen de constatering dat de gemeente advies moet kunnen verstrekken om te beoordelen of de bewindvoering wel de meest geëigende vorm van hulp is.
Pagina 11 12. Het aantal huishoudens met een inkomen tot 120% Wsm (is ook de grens voor de collectieve zorgverzekering!) bedraagt 1.141 (tabel 1.2 pag.6) Volgens de evaluatie behoorden bij de totstandkoming van het Armoedebeleidsplan 1.800 inwoners tot de doelgroep, waarvan bij de start van het armoedebeleid 30% hiervan gebruikmaakte: 540 inwoners.. Bij de vaststelling van het Armoedebeleidsplan werd als doel gesteld het gebruik van deze regeling te vergroten. Om dit te bereiken staat In de evaluatie letterlijk: “..zouden wij intensiever gaan communiceren richting onze inwoners, zodat alle mensen die voldoen aan de voorwaarden ook daadwerkelijk op de hoogte zijn van de regeling en hiervan gebruik kunnen maken”. De inschatting was dat door meer inzet te plegen op communicatie het gebruik zou stijgen van 30% naar 50% . Hierbij hebben wij de volgende vragen: Kan worden uitgelegd waarop deze inschatting is gebaseerd? Verhoging met 20 %? Waarom niet meer?
4
Hoe en op welke manier is deze communicatie geïntensiveerd? Is de communicatiecampagne van BS&F en Menzis toereikend genoeg geweest? Is de schatting om van 30 naar 50% te gaan niet veel te laag als men alle mensen wilde bereiken?
Als er in de periode van 3 à 4 jaar 45% bereikt wordt (810 of te wel 270 inwoners erbij in 4 jaar, per jaar 67) met welke doelstelling wordt dan genoegen genomen? Er wordt geconstateerd: “De doelstelling het gebruik van deze regeling te vergroten is dan ook behaald”. De vraag is: is dat ook genoeg?
Zijn de genoemde 1800 inwoners wel of niet in beeld te krijgen?
Zijn er ook redenen bekend, waarom de meerderheid van deze doelgroep geen gebruik zou willen maken van de collectieve zorgverzekering?
Waarom zijn de gegevens per jaar naar gebruik en uitgaven in € over de collectieve zorgverzekering niet zoals wel bij de overige onderdelen in een tabel gevisualiseerd?
Vanuit de Participatieraad is al eerder gevraagd of mensen die wel voor deze collectieve zorgverzekering in aanmerking komen, maar niet verzekerd (willen) zijn bij Menzis als compensatie een bedrag kunnen krijgen gelijk aan dat van de kosten die nu worden betaald per persoon onder deze collectieve zorgverzekering. Is hier aandacht voor?
Wat is uiteindelijk het bedrag aan premie dat moet worden betaald als men gebruik maakt van de collectieve zorgverzekering?
Pagina 12 13. Vanaf het begin was al bekend dat er tussen de gemeenten Hengelo, Haaksbergen en Borne (duidelijke) verschillen bestaan in het armoedebeleid. Dus merkt men dit ook bij de uitvoering. Voor de uitvoerders is het dan ook goed opletten welke inwoner men voor zich heeft om te weten wie waar recht op heeft en wie niet. Ons is niet direct duidelijk wat wordt bepleit vanuit de uitvoeringsorganisatie als wordt gevraagd het beleid op elkaar te willen gaan afstemmen? Wordt met een eenduidige werkwijze bedoeld dat er een armoedebeleid moet komen dat gelijk is binnen de drie gemeenten? Gelijke monniken, gelijke kappen? In dat geval zouden dan eerst alle regelingen overzichtelijk in kaart gebracht moeten worden. Wordt deze eenduidigheid ook door de gemeenteraden nagestreefd? . Gezien de doelstelling van het armoedebeleid vinden wij het nogal treurig dat uitgerekend in deze evaluatie (door uitvoerders? Beleidsambtenaren?) de suggestie wordt gedaan dat het tijdelijk verlagen van de toeslagen als oplossing wordt gezien voor de slechte financiële situatie van de gemeente Haaksbergen. Nota bene nu het gaat om: de individuele inkomenstoeslag, bedoeld voor mensen die langdurig moeten rondkomen van een laag inkomen en geen zicht hebben op inkomensverbetering. De gemeente bepaalt de hoogte van de toeslag: € 345 voor een alleenstaande, € 440 (alleenstaande ouder) en € 490 (echtpaar).
Op dit onderdeel wordt dan niet gepleit voor eenduidigheid? Juist in deze bedragen lopen de drie gemeenten aardig gelijk op! Pagina 13 14. Minimabeleid. Het aanvragen voor lidmaatschap bibliotheek en gebruik en bereik contributie sport, scholing en vorming zijn opvallend laag. Het meest wordt gebruik gemaakt van de bijdrage in de vergoeding Gebruik en bereik internetabonnement. Vragen die wij hierbij hebben: Op welke manier wordt de hoogte van deze bijdrage vastgesteld? Bepaalt de gemeente dat zelf of zijn deze wettelijk vastgesteld?
5
Als maatschappelijke participatie zo belangrijk wordt geacht, ligt hier dan niet juist het moment om na te gaan of niet alleen bijdragen verhoogd kunnen worden, maar ook om toe te staan dat mensen zowel het één als het ander vergoed krijgen dan wel sowieso als bijdrage ontvangen. Het maximum bedrag per jaar is nu € 150 (gehuwden en alleenstaande ouders / € 90 alleenstaanden.
Van de doelgroep (1000 huishoudens 115% Wsm) maakt dus ongeveer maar 12 % hiervan gebruik. Wordt geprobeerd het aantal gebruikers hiervan te vergroten ?
De ontvangers van deze bijdragen zijn allen in beeld en kunnen dus zeker bevraagd worden over de vraag of men meer gebruik zou hebben gemaakt van de mogelijkheden als vergoedingen hoger waren geweest.
Pagina 14 15. Kindpakket Dit moet wat ons betreft zeker goed worden geëvalueerd, omdat het bestrijden van kinderarmoede (is alleen maar toegenomen) meer prioriteit moet krijgen.
Zoals al over pag. 6 opgemerkt vinden wij zeker voor het Kindpakket de keuze voor 115% van de bijstandsnorm onnodig beperkend. Dit kan volgens ons zonder meer naar 120%. Voor de uitvoeringsorganisatie ook een vergemakkelijking omdat dit percentage altijd al werd toegepast voor het Kindpakket in Hengelo en Borne.
Het Kindpakket bestaat uit 3 onderdelen. In hoeverre kan daarvan in individuele gevallen van worden afgeweken, waardoor meer maatwerk kan worden geleverd? Bijvoorbeeld voor extra kleding en schoeisel.
Wat betreft de eenmalige kosten voor het zwemmen, wordt alleen de Superspetters zwemles genoemd. Duidelijk bedoeld voor jonge kinderen. Wat als een 16-jarige die niet eerder zwemles kreeg gebruik wil maken van het Kindpakket? Is dan ook kosteloos leren zwemmen mogelijk?
Hoe wordt de samenwerking tussen de Gemeente (Kindpakket), het Jeugdfonds Sport & Cultuur en Stichting Leergeld zodanig georganiseerd dat het voor de ouders zo laagdrempelig en overzichtelijk mogelijk wordt. De beide fondsen werken met intermediairs. Is het de betrokkenen goed duidelijk dat ook medewerkers van de Noaberpoort als intermediair voor het Jeugdfonds Sport & Cultuur kunnen optreden? Geldt dat ook voor Stichting Leergeld?
Is dit sowieso niet hét moment om te inventariseren welke voorzieningen er voor kinderen in armoede zijn dan wel er nog moeten komen en hoe dit op elkaar wordt afgestemd? Ons inziens is dit de taak voor de gemeente als regisseur op het gebied van armoedebestrijding.
Waarom zouden ook Jeugdfonds Sport & Cultuur en Stichting Leergeld Haaksbergen niet de grens van 115% naar 120 % willen optrekken? (Leergeld wijkt al indien nodig af van de grens van 115%) De gemeente ontvangt nog jaarlijks € 86.551 de zogenoemde Klijnsmagelden? T/m 2020 dus € 346.204. Geoormerkt geld? Ook hiervan ontbreekt een tabel over wat per jaar naar gebruik en uitgaven is gevisualiseerd. Klopt het dat aan de hand van de bestaande tabellen kan worden opgemaakt dat alleen al in 2020 nog € 12,600 resteert?
Pagina 20
Met betrekking tot het aantal kinderen bijvoorbeeld dat in 2019 gebruik maakte van Jeugdfonds Sport & Cultuur (76 in totaal) en Stichting Leergeld (83) werden er in ieder geval 159 kinderen met deze ondersteuning bereikt. Geen rekening houdend met mogelijk dubbeltellingen zou dit 62% kunnen zijn van de kinderen die ervoor in aanmerking komen. Desondanks nog de moeite om te onderzoeken of de doelgroep voldoende wordt bereikt?
6 16. Conclusies en aanbevelingen Dat gemeenten m.b.t. armoedebestrijding niet verder mogen dan het plakken van pleisters, is duidelijk. Wat ons betreft komt het zowel de evaluatie als het opstellen van een nieuw armoedebeleid ten goede als duidelijk wordt gemaakt welke beleidsruimte de gemeente heeft en de keuzes die door onze gemeente daarin wordt gemaakt.
Is het nog steeds zo dat de doelgroep van het gemeentelijk armoedebeleid wettelijk beperkt is tot 110% van het bijstandsniveau?
Terecht wordt geconstateerd dat de doelgroep m.b.t. het activeren van de participatie van minima niet / onvoldoende wordt bereikt. Dit zou wat ons betreft aanleiding moeten zijn dat dit zo snel mogelijk verbetert. We wijzen erop dat de mensen die gebruik hebben gemaakt van de kwijtschelding gemeentelijke belastingen allen al wel bekend zijn bij de gemeente. Er moeten voldoende haalbare ideeën op te halen zijn om dit te gaan aanpakken.
Volgens ons heeft de conclusie “Het was om die reden interessant geweest om bij de doelgroep op te halen of de huidige regelingen voldoende aansluiten bij de behoefte” niets te maken met de algemene conclusie dat speerpunten destijds niet SMART genoeg zijn geformuleerd. Heeft het niet eerder te maken met de vraag hoe serieus de eigen speerpunten worden genomen?
Pagina 21 17. De conclusies over het Kindpakket zijn wat ons betreft niet geheel juist. De samenstelling van het Kindpakket is een keuze door de gemeente zelf te maken. Deze samenstelling bepaalt dan ook het bereik. Het is de keuze van de gemeente om alleen een fiets te verstrekken voor een bepaalde leeftijd en ook de inkomensgrens van 115% te hanteren.
De conclusie dat fondsen hun budget kunnen vergroten, suggereert op zijn minst dat hun budget in vergelijking tot dat van de gemeente (Het Kindpakket) groter zou zijn. In dat opzicht vragen wij ons af of de verstrekte subsidies aan de fondsen (2019 : totaal € 25.000 of te wel 29% van de Klijnsmagelden) vanuit de gemeente (vanuit het Kindpakket??) gerechtvaardigd is.
We herhalen op dit punt onze vraag: In hoeverre zijn de fondsen als voorliggende voorziening te beschouwen en zou daardoor een ander Kindpakket kunnen worden samengesteld, waardoor wel alle kinderen voor alle regelingen in aanmerking komen. En waarschijnlijk een veel breder palet dan nu mogelijk is?
17 In plaats van Aanbevelingen adviseren wij dit Acties te gaan noemen. Het doet wat ons betreft komisch aan om in een evaluatie aan jezelf in de vorm van aanbevelingen van alles en nog wat te gaan aanbevelen. Vandaar het voorstel: acties! Ter afsluiting de volgende opmerkingen: -
Maak bij de evaluatie zeker gebruik van de ervaringen en van dit beleid bij andere gemeenten, maar allereerst met dat van Hengelo en Borne;
-
Is het mogelijk om overzichten te leveren waarbij per gebruik van een regeling en doelgroep het bereik bepaald kan worden? Kan worden uitgesplitst op werkenden, uitkeringsgerechtigden, alleenstaanden, eenoudergezinnen, kinderen , ouderen, werkloosheid, schuldenproblematiek?
-
Tijd voor een leerbedrijf? Of bestaat dit al voor Haaksbergen? Leerbedrijf als plek voor de inzet van talenten door vrijwilligers, bewoners, mensen met een uitkering die daarvoor een tegenprestatie willen leveren, mensen die deelnemen aan een reintegratietraject. Kortom; een breed dienstenpakket met werkzaamheden in de
7 openbare ruimte, het leveren van zorg- en gemaksdiensten. Ondersteuning daarbinnen door professionals en vrijwilligers waardoor men zich kan ontwikkelen. Ook bijvoorbeeld door het volgen van een opleiding, omscholing, cursussen.