CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Wijzigingen op basis van lokale behoefte

Gemeenteraad 27 oktober 2021, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Vaststellen van de Algemene plaatselijke verordening3.609 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 2; Wijzigingen op basis van lokale behoefte De wijzigingen op de APV zijn: 1. In artikel 2:10, lid 6 onder c opgenomen dat specifiek benoemde materialen onder voorwaarden op de weg geplaatst mogen worden als hiervoor tijdig een melding bij het college is ingediend. 2. In artikel 2:24, lid 1 onder f opgenomen dat het om sportwedstrijden gaat in de daarvoor bedoelde overdekte sportaccommodaties en openlucht sportaccommodaties. 3. In artikel 2:25 zijn de zijn de weigeringsgronden in het oorspronkelijke lid 3 verwijderd. 4. In artikel 2:25a, lid 2 onder a opgenomen dat het in de definitie van een klein evenement om het gelijktijdig aantal aanwezige personen gaat. 5. In artikel 2:25a, lid 2 onder c opgenomen dat tussen 08:00 uur en 19:00 uur en tussen 19:00 uur en 23:00 uur achtergrondmuziek is toegestaan met een per tijdsblok maximaal toegestaan geluidsniveau. 6. In artikel 2:25a, lid 2 onder e opgenomen dat maximaal 2 objecten bij kleine evenementen geplaatst mogen worden met vermelding van de maximale oppervlakte per object en hoogte van het object. 7. In artikel 2:25a, lid 2 onder g, om als klein evenement aangemerkt te kunnen worden, de aanvullende voorwaarde opgenomen dat er geen verkeersmaatregelen getroffen hoeven te worden. 8. Aan artikel 2:27, lid 1 toegevoegd dat een internetcafé en een afhaalzaak ook als een openbare inrichting worden aangemerkt. 9.

In artikel 2:27, lid 3 is de definitie voor een leidinggevende opgenomen. 10. Aan artikel 2:28, lid 2 toegevoegd dat als de exploitatie van een openbare inrichting in strijd is met een omgevingsvergunning met het bestemmingsplanstrijdig gebruik dit ook een grondslag is voor de burgemeester om een exploitatievergunning te weigeren. 11. Aan artikel 2:28, lid 3 onder c een derde weigeringsgrond toegevoegd voor het verlenen van een exploitatievergunning als aangenomen moet worden dat de feitelijke situatie niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn. 12. Artikel 2:28, lid 5 aangepast waarin aangegeven staat op welke gronden de burgemeester op verzoek of ambtshalve vrijstelling kan geven van het verbod om zonder vergunning een openbare inrichting te exploiteren. 13. In artikel 2:28, lid 7 de voorwaarden opgenomen voor de te verlenen exploitatievergunning in het geval een terras onderdeel uitmaakt van de openbare inrichting. 14. In artikel 2:28, lid 8 opgenomen dat de burgemeester andere sluitingstijden voor een openbare inrichting en een daarbij behorend terras in de exploitatievergunning kan vaststellen dan aangegeven in artikel 2:29, lid 1 en 3. 15. In artikel 2:29, lid 1 onder b genoemde verplichting om een convenant te hebben ondertekend verwijderd wegens het ontbreken van een geactualiseerd convenant.

Veel van de huidige horecaondernemers hebben het uit 2003 daterende convenant niet ondertekend. 16. In artikel 2:29, lid 1 onder c opgenomen dat afhaalzaken onder de Winkeltijdenwet en de Winkeltijdenverordening Haaksbergen vallen. 17. Artikel 2:40a als uitwerking van artikel 174 Gemeentewet opgenomen. In situaties van een ordeverstoring, die concreet voorzienbaar is en een actuele dreiging vormt voorde ordelijke gang van zaken, biedt de Gemeentewet (artikel 174) uitkomst. Het doel van de sluitingsbevoegdheid zoals omschreven in artikel 2:40a is het herstel van de openbare orde, de veiligheid of zedelijkheid door het weren en terugdringen van criminaliteit in en vanuit voor publiek openstaande gebouwen, alsmede het beëindigen van aanhoudende en ontoelaatbare overlast die niet met andere middelen afdoende kan worden bestreden. 18. Artikel 2:73b en artikel 2:73c zijn aangepast naar aanleiding van de evaluatie van de aangescherpte carbidregels geldend in 2020 om de druk op de zorg in combinatie met corona niet te verhogen. De verscherping van de regels in 2020 hadden ook een ontmoedigingsaspect om onervaren carbidschieters te weren. 19. In artikel 2:79 de al in het verleden door de VNG geadviseerde bevoegdheid van de burgemeester opgenomen om bij ernstige en herhaaldelijke woonoverlast gedragsaanwijzingen op te leggen aan de overlastgever.

De verplichting om hiervoor beleidsregels vast te stellen is in 2018 geschrapt. 20. In artikel 4:2 in lid 6 een norm opgenomen voor het toegestane equivalente geluidsniveau LAeQ veroorzaakt door een inrichting bij een collectieve festiviteit en in lid 7 opgenomen wat er in dit kader bij de meting aan muziek- en bedrijfsduurcorrectie kan worden toegepast.

21.

22.

23.

24. 25.

26. 27.

28.

29. 30.

31.

32.

In artikel 4:3, lid 1 opgenomen dat een inrichting het is toegestaan om zes dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden binnen de gebouwen van de inrichting. Zoals in lid 9 staat al staat aangegeven dienen bij het ten gehore brengen van muziekgeluid ramen en deuren gesloten te blijven, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. In artikel 4:3 in lid 6 een norm opgenomen voor het toegestane equivalente geluidsniveau LAeQ veroorzaakt door een inrichting bij een incidentele festiviteit en in lid 7 opgenomen wat er in dit kader bij de meting aan muziek- en bedrijfsduurcorrectie kan worden toegepast. Aan artikel 4.11, lid 3 toegevoegd dat het verbod zonder omgevingsvergunning of melding een houtopstand te vellen niet van toepassing is als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen. In artikel 4.11, lid 4 de tabel “Vergunningsplichtige en meldingsplichtige houtopstanden” gesplitst in een tabel voor “Binnen de bebouwde kom” en een tabel voor “Buiten de bebouwde kom”.

In artikel 4.11c opgenomen dat, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.23, lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbonden kan worden dat de omgevingsvergunning een geldigheidsduur van één jaar heeft na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning. In artikel 4:11d opgenomen dat de melding van het vellen van een houtopstand middels een door het college vastgesteld meldingsformulier moet worden ingediend. Artikelen 5:3, 5:4, 5:5 en 5:10 over te koop aanbieden van voertuigen, defecte voertuigen, voertuigwrakken en parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan zijn weer opgenomen. Aan artikel 5:17, lid 1 toegevoegd dat onder een standplaats ook wordt verstaan het anderszins aanbieden van goederen of diensten waarbij ook in het geval er geen gebruik gemaakt wordt van fysieke middelen sprake is van een standplaats. In artikel 5:23 de vergunningsplicht voor het organiseren van een snuffelmarkt omgezet naar een meldingsplicht. Lid 2 onder d van artikel 5:34 (het verbranden van snoeiafval mits de te verbanden hoeveelheid niet meer bedraagt dan 5 m3 en hiervan 7 werkdagen voorafgaand aan het branden melding is gedaan aan het college) verwijderd vanwege de strijd met artikel 10.2 van de Wet milieubeheer. Afdeling 10. Naamgeving, nummering en gedoogplicht gebouwen is vervallen.

De VNG heeft een aparte modelverordening opgesteld naar aanleiding van de per 1 juli 2018 gewijzigde Wet basisregistratie adressen en gebouwen. De artikelen 5:38, 5:39 en 5:40 zijn daarom uit de APV verwijderd en zijn verwerkt in een aparte Verordening naamgeving en nummering (adressen). In artikel 6:1 worden de overtredingen van alle verbodsbepalingen, gegeven voorschriften en beperkingen in de hoofdstukken 2 tot en met 5 niet meer voor alle artikelen afzonderlijk benoemd.

De toelichting op de wijzigingen zijn: Ad 1. Door voor een aantal specifiek aangegeven materialen het mogelijk te maken dat deze na het doen van een melding onder de aangegeven voorwaarden op de weg of een weggedeelte of een openbare plaats geplaatst mogen worden, hoeft geen ontheffing meer aangevraagd en verleend te worden met een administratieve lastenverlichting tot gevolg. Ad 2. Ter verduidelijking is opgenomen dat het sportwedstrijden betreffen in de daarvoor bedoelde overdekt sportaccommodaties en openlucht sportaccommodaties. In het geval sportwedstrijden buiten deze accommodaties plaats vinden is er namelijk wel sprake van een (klein) evenement. Ad 3. De weigeringsgronden staan al in artikel 1:8 opgenomen. Nogmaals benoemen in artikel 2:25 is niet nodig. Ad 4. Ter verduidelijking is opgenomen dat het om het gelijktijdig aanwezige aantal personen gaat. Dit om te voorkomen dat bijvoorbeeld bij een fietstocht met een deelname van meer dan 250 personen verspreid over de hele dag een evenementenvergunning aangevraagd moet worden. Ad 5. Bij een klein evenement wordt het toegestaan om tussen 08:00 uur en 19:00 uur en tussen 19:00 uur en 23:00 uur achtergrondmuziek te hebben als dit per tijdsblok voldoet aan het aangegeven maximaal geluidsniveau. Ad 6.

Het aantal te plaatsen objecten bij een klein evenement is gemaximeerd op 2 objecten met een maximale oppervlakte van 50 m2 per object. Daarbij is nu ook bepaald dat in het geval er sprake is van een podium of tribune, het podium niet hoger mag zijn dan 1 meter en de tribune niet hoger dan 2 meter.

Ad 7. Uit veiligheidsoverwegingen kan er geen sprake zijn van een klein evenement als er verkeersmaatregelen getroffen moeten worden. Ad 8. In artikel 2:27 en 2:28 staat geregeld welk soort bedrijven als openbare inrichting een exploitatievergunning behoeven. Internetcafés en afhaalzaken waren nog niet als openbare inrichting aangemerkt. Aangezien deze bedrijven in opkomst zijn, dienen in het kader van het voorkomen en bestrijden van overlast in de openbare ruimte en het voorkomen en afschrikken van ondermijning ook deze bedrijven een exploitatievergunning aan te vragen. Bij de aanvraag voor een exploitatievergunning vindt standaard de Bibob-toets plaats. Ad 9. Gezien de belangrijke positie van een leidinggevende binnen een openbare inrichting dient de definitie van een leidinggevende duidelijk omschreven te zijn. Ad 10. Volgens jurisprudentie dient onder een geldend bestemmingsplan ook een omgevingsvergunning met het bestemmingsplan strijdig gebruik te worden verstaan. Om discussie te voorkomen is de omgevingsvergunning met het bestemmingsplan strijdig gebruik toegevoegd. Ad 11. Als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat er niet gehandeld zal worden overeenkomstig de verleende vergunning is dit een grondslag om de vergunning te weigeren. Ad 12. De formulering van lid 5 bleek in de praktijk reden voor discussie. Daarom is gekozen voor een duidelijker formulering. Ad 13.

In het kader van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, de bescherming van het milieu en de leefbaarheid is het wenselijk dat de burgemeester voorwaarden verbindt aan een exploitatievergunning bestemd voor een openbare inrichting met een terras. Ad 14. In de exploitatievergunning dienen de openingstijden te worden aangegeven die door de exploitant in de aanvraag voor een exploitatievergunning worden aangegeven. Deze kunnen afwijken van de tijden zoals aangegeven in artikel 2:29. Ook kan in een concrete situatie, rekening houdende met alle belangen, een andere sluitingstijd wenselijk zijn. Ad 15. In 2003 hebben een aantal horecabedrijven in Haaksbergen het convenant Veilig uitgaan in Haaksbergen getekend. Het convenant is medeondertekend door het OM, de politie en de gemeente. In het convenant zijn afspraken en gedragsregels vastgesteld tussen de gemeente, horecaondernemers, justitie en politie met betrekking tot de verantwoordelijkheid voor een veilige uitgaanssituatie. De afspraken zien voornamelijk toe op de naleving van de sluitingstijden, verantwoord alcoholgebruik, drugsgebruik en openbare orde (piekmomenten)en de handhaving van de kwaliteit van de omgeving. De horecabedrijven die het convenant hebben ondertekend mogen in het weekend een uur langer open zijn, tot 03.00 uur in plaats van tot 02.00 uur.

De tijdsduur van het convenant is toentertijd bepaald op één jaar. Veel van de huidige horecaondernemers hebben het convenant niet ondertekend maar hanteren in de nacht van vrijdag op zaterdag en de nacht van zaterdag op zondag de hierboven genoemde sluitingstijd van 03:00 uur. Aangezien er geen signalen zijn dat door deze handelswijze overlast wordt ervaren, wordt de verplichting om het horecaconvenant te hebben ondertekend verwijderd waardoor voor alle horecaondernemers eenzelfde sluitingstijd gaat gelden. Ad 16. Een traiteur, pizzabakker of sushi- of shoarmazaak zijn voorbeelden van zaken waar etenswaren worden verkocht of bereid die voor directe consumptie geschikt zijn maar waar het niet mogelijk is om de etenswaren ter plekke te consumeren. Aangezien dergelijke zaken onder de Winkeltijdenwet en onder de Winkeltijdenverordening Haaksbergen vallen, zijn de in de Winkeltijdenwet en de Winkeltijdenverordening Haaksbergen genoemde openingstijden van toepassing. Ad 17. Doel van de sluiting is, naast het wegnemen van het gevaar voor de openbare orde, om de loop naar een pand voor criminele activiteiten (en het faciliteren daarvan) eruit te halen. De naamsbekendheid van een pand voor dergelijke activiteiten moet worden doorbroken. De activiteiten kunnen dan ook niet door een rechtsopvolger worden voortgezet. Door middel van een sluiting kan dit worden bereikt. Ad 18.

Er is in afgelopen jaren weinig overlast gemeld. In 2020 zijn tijdens bezoeken aan de carbidschieters ook weinig overtredingen geconstateerd door het vuurwerkverbod en de direct werkende coronaregels. Dit neemt niet weg dat er redenen zijn om een meerdere regels die sinds 2020 in de APV staan te handhaven. De argumenten om de in 2020 opgenomen regelgeving grotendeels in stand te laten zijn: - Het hebben van duidelijke regels en randvoorwaarden over hoe carbidschieten is toegestaan. Op deze wijze is duidelijk hoe we als gemeente vinden dat carbidschieten veilig kan worden uitgevoerd. Daarnaast geeft het een toezichthouder een kader om te kunnen optreden en dan met name bij excessen.

-

Geeft kaders hoe omwonenden en burgers kunnen worden beschermd tegen overlast en om letsel te voorkomen. - Geeft regels over de afstanden, zodat flora en fauna worden beschermd. - Door de meldplicht te handhaven is er inzicht in de mate waarin er wordt geschoten en de locaties waar er wordt geschoten en kan deze informatie worden gedeeld met de hulpdiensten. - Ontstaat er een betere afstemming met wat er in de regio Twente als regels wordt gehanteerd. Ad 19. Per 1 juli 2017 is de Wet aanpak woonoverlast in werking getreden. Die wet maakt het mogelijk dat de gemeenteraad de burgemeester de bevoegdheid toekent om bij ernstige en herhaaldelijke woonoverlast gedragsaanwijzingen op te leggen aan de overlastgever Het ligt voor de hand dat de gemeenteraad dit doet in de Algemene plaatselijke verordening (APV). Met de gedragsaanwijzing kan de burgemeester bewoners dwingen iets te doen of te laten. In art. 151d Gemeentewet krijgt de burgemeester een bevoegdheid om een gedragsaanwijzing te geven aan de hinderveroorzaker. Deze last onder bestuursdwang kan worden opgelegd aan zowel een huurder als een eigenaar van een woning. Tot nu toe kon de burgemeester burenoverlast slechts in hoogst uitzonderlijke situaties aanpakken. Op grond van art. 174a Gemeentewet kan de burgemeester een overlast gevende woning sluiten.

Dit middel is zo ingrijpend dat aan zware voorwaarden moet zijn voldaan, waarbij de hinder een ernstig gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van omwonenden moet hebben veroorzaakt. Pas dan is op grond van artikel 174a Gemeentewet de sluiting van de woning van waaruit de openbare orde wordt verstoord proportioneel. Met een bevoegdheid van een gedragswijziging en een tijdelijke uithuisplaatsing van de overlastbezorger op grond van het nieuwe artikel 2:79 APV hoopt de wetgever de burgemeester genuanceerdere instrumenten te verschaffen die het mogelijk maken om overlast in een eerder stadium dan voorheen aan te pakken. Een gedragsaanwijzing kan inhouden dat een gebruiker of een in-gebruik-gever van een woning overlast gevende handelingen moet staken dan wel juist actie dient te ondernemen om overlast te beëindigen. Bij niet-naleving van de gedragsaanwijzing verbeurt de overlastgever een dwangsom, of gaat de burgemeester zelf over tot het uitvoeren van feitelijke handelingen ten einde de overlast te stoppen. Uit de wet volgt dat dit instrument is bedoeld als een ultimum remedium. Het tweede lid van artikel 151d Gemeentewet regelt dat het instrument van de bestuursdwang alleen wordt ingezet als er geen andere geschikte manier voorhanden is om de overlast aan te pakken. Ad 20.

Het Activiteitenbesluit milieubeheer biedt gemeenten de mogelijkheid om in de APV voorwaarden te stellen aan collectieve festiviteiten. Het gaat hierbij om voorwaarden ter voorkoming van geluidhinder. Door het maximale toegestane equivalente geluidsniveau veroorzaakt door een inrichting bij een collectieve festiviteit aan te geven, wordt het geluidsniveau en de mogelijke overlast voor de omgeving beperkt. Ad 21. Er bestond onduidelijkheid over het gegeven of een incidentele festiviteit zich alleen beperkt tot de binnenruimte of dat een incidentele festiviteit ook gegeven kan worden in de buitenruimte van de inrichting. Tot de inrichting behoort namelijk niet alleen de binnenruimte maar ook bijvoorbeeld het bij de inrichting behorend terras in de open lucht. Alhoewel lid 9 van dit artikel impliceert dat de incidentele festiviteiten enkel mogen plaatsvinden in de binnenruimte (bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten), is om discussie te voorkomen in lid 1 specifiek aangegeven dat een incidentele festiviteit zich beperkt tot de binnenruimte. Ad 22. Het Activiteitenbesluit milieubeheer biedt gemeenten de mogelijkheid om in de APV voorwaarden te stellen aan incidentele festiviteiten. Het gaat hierbij om voorwaarden ter voorkoming van geluidhinder.

Door het maximale toegestane equivalente geluidsniveau veroorzaakt door een inrichting bij een incidentele festiviteit aan te geven, wordt het geluidsniveau en de mogelijke overlast voor de omgeving beperkt. Ad 23. De toevoeging van dit lid geeft de burgemeester de bevoegdheid om bij onmiddellijk gevaar het verbod om een houtopstand te vellen buiten werking te stellen. Ad 24. Door afzonderlijke tabellen te hanteren voor binnen en buiten de bebouwde kom wordt voor de burgers duidelijker en inzichtelijker gemaakt in welke gevallen er sprake is van een vergunningsplicht en een meldingsplicht. Ad 25. In artikel 2.23, lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is geregeld dat een beperking in geldingsduur in de vergunning zelf geregeld moet worden. Omdat hogere

regelgeving (de Wabo) voor lagere regelgeving (de gemeentelijke verordening) gaat, is de bepaling in de APV dat de vergunning na één jaar vervalt van rechtswege ongeldig. Wel is toegestaan dat in de APV-bepalingen worden opgenomen over de voorschriften die aan een omgevingsvergunning verbonden kan worden (artikel 2.22, lid 4 Wabo). Ad 26. Door het melden middels een vastgesteld meldingsformulier te verplichten, wordt geborgd dat de benodigde informatie bij de melding wordt aangeleverd. Ad 27. Door de artikelen 5:3, 5:4 en 5:5 weer in de APV op te nemen kan het college eenvoudiger handhaven op voertuigen die te koop worden aangeboden op aan te wijzen plaatsen waar dat niet wenselijk is en kan zo nodig op grond van de APV de procedure inzake het afslepen van defecte voertuigen en voertuigwrakken worden opgestart. Door artikel 5:10 op te nemen kan het college als wegbeheerder door middel van een verkeersbesluit parkeer- of stopverboden laten instellen (artikel 18, eerste lid onder d, van de WVW 1994). Op grond van dit artikel is het verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. Specifiek gaat het dan om de tot de weg behorende paden, bermen, en zijkanten.

Als de gemeente dus (ook) een parkeer- of stopverbod wil instellen voor andere weggedeelten dan de rijbaan, zoals voor bermen, is een aanvullende grondslag bij gemeentelijke verordening nodig. Ad 28. Het eerste lid geeft nu aan dat onder een standplaats het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen, ook het anderszins aanbieden van goederen en diensten wordt verstaan. Daarbij ziet het eerste lid nu ook op het aanbieden van goederen en diensten vanaf een vaste plaats als er geen fysieke middelen worden gebruikt, zoals bijvoorbeeld veelal het geval is bij krantenverkopers op straat. Hierdoor wordt een onderscheidend criterium gevormd ten opzichte van het venten met goederen. Bij het venten wordt ervan uitgegaan, dat de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere plaats in de openbare ruimte moet aanbieden. Ad 29. Het gegeven dat een snuffelmarkt slechts incidenteel in onze gemeente gehouden wordt, maakt dat met een meldingsplicht kan worden volstaan. Voordeel is vermindering van administratieve lasten voor burgers en ondernemingen en het verminderen van bestuurlijke lasten voor de gemeente. Het nadeel is dat geen voorwaarden gesteld kunnen worden aan de organisator, bijvoorbeeld met betrekking tot het beperken van mogelijk overlast. Ad 30.

Artikel 5:34 APV heeft een aanvullende werking op artikel 10.63, eerste lid, Wet milieubeheer. In artikel 10.2 Wet milieubeheer staat aangegeven dat het verboden is om buiten een inrichting afvalstoffen te verbranden. Op grond van artikel 10:63 Wet milieubeheer kan ontheffing worden verleend van het verbod in artikel 10.2 Wet milieubeheer als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met andere woorden: er kan een Wet milieubeheerontheffing worden verleend of geweigerd op grond van milieuhygiënische overwegingen. Aan de APV-ontheffing ligt echter een ander motief ten grondslag, te weten het belang van de openbare orde en veiligheid. Artikel 10.63 Wet milieubeheer biedt geen mogelijkheid om een afweging te maken over de belangen waarop artikel 5:34 van de APV ziet, zoals het geval is bij openbare vreugdevuren, waaronder Paasvuren. In dergelijke situaties is zowel een Wet milieubeheerontheffing noodzakelijk als een evenementenvergunning op grond van de APV. Voor het verbranden van snoeiafval waarvoor alleen een Wet milieubeheer- ontheffing noodzakelijk is kunnen daarom in de APV geen aanvullende regels worden opgenomen, maar dienen aparte beleidsregels in het kader van milieu te worden opgesteld. Ad 31.

Het is de gemeente, in het kader van regeling en bestuur van de eigen huishouding, toegestaan om in een verordening inzake naamgeving en nummering bepalingen op te nemen over zaken waarin de Wet BAG in het geheel niet voorziet. Daaronder vallen bijvoorbeeld zaken als de afbakening en aanduiding van wijken, buurten en bouwblokken, alsmede het nummeren van woonhuizen, afgebakende terreinen en de naamgeving van gemeentelijke bouwwerken. Ad 32. Deze wijze van formuleren voorkomt dat bij een aanpassing van de APV vergeten kan worden dat het betreffende artikel ook opgenomen wordt in artikel 6:1, als gevolg waarvan bijvoorbeeld het opleggen van een boete niet meer mogelijk is. Het OM heeft aangegeven met de nieuwe formulering van artikel 6:1 akkoord te gaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10613173/1