Bijlage 19 Notitie milieuafweging Bosweg 3a -Z
Tekst van het document
Verzocht is om inzichtelijk te maken wat de planologische mogelijkheden zijn om de panden aan de NOTITIE Espoortstraat 165/Lipperkerkstraat 4-6 te Enschede te mogen aanwenden ten behoeve van twee Onderwerp: HetMilieuafweging Bosweg 3a-Z is het bestemmingsplan “De Bothoven 2006”. Dit supermarkten. geldend bestemmingsplan bestemmingsplan isJeffrey bij raadsbesluit Auteur: Langejans vastgesteld op 27 november 2006 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 29 januari 2007. Hierna is een uitsnede van de planverbeelding opgenomen. Datum: 23 mei 2019
BJZ.NU
TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO
1. Aanleiding In het buitengebied van de gemeente Haaksbergen zijn acht recreatiewoningen aanwezig. Deze woningen worden al vanaf tenminste 2003 onafgebroken permanent bewoond. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaksbergen’ is aan deze woningen een reguliere woonbestemming toegekend. Echter is de provincie Overijssel hiertegen in beroep gegaan, waardoor het bestemmingsplan op dit onderdeel is vernietigd. Dit houdt in dat de toegekende woonbestemming geen juridische rechtskracht heeft verkregen en dat, op basis van het geldende bestemmingsplan, permanente bewoning niet is toegestaan. Wel zijn persoonsgebonden beschikkingen afgegeven waarmee de huidige bewoners van de recreatiewoningen hierin mogen blijven wonen. Op 1 mei 2017 heeft Provinciale Staten de Omgevingsvisie Overijssel 2017 en de Omgevingsverordening 2017 vastgesteld. Hierbij is door Provinciale Staten een amendement aangenomen op het provinciale omgevingsbeleid voor verblijfsrecreatie. Het gewijzigde beleid leidt tot meer afwegingsruimte voor gemeenten om te bepalen of een als zodanig bestemde recreatiewoning in aanmerking komt voor een woonbestemming. Hiervoor gelden onder andere de volgende randvoorwaarden: • • • •
de recreatiewoning werd vóór of op 31 oktober 2003 permanent bewoond en deze permanente bewoning is sindsdien onafgebroken voortgezet; er kan worden voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit 2012 voor (bestaande) reguliere woningen; er kan worden voldaan aan de relevante milieuregelgeving; en de bouwmogelijkheden binnen de te realiseren woonbestemming zijn niet ruimer dan nodig is voor de invulling van de huidige woonfunctie.
De gemeenteraad van Haaksbergen heeft besloten medewerking te verlenen aan het toekennen van een woonbestemming aan de volgende recreatiewoningen: Bosweg 2a -Z (voorheen Broekheurnerweg 96 Z), Bosweg 3a -Z, Broekheurnerweg 27a –Z, Broekheurnerweg 29 –Z, Meijersgaardenweg 23 –Z, Porikweg 13a –Z, Stendermolenweg 3 –Z, Eibergsestraat 260 (voorheen Vloedsteegweg Z – 1) en Hambree 13 –Z, onder voorwaarde dat: • • •
•
aan alle voorwaarden voldaan wordt en uit milieutechnisch onderzoek is gebleken dat er tegen deze ontwikkeling geen bezwaren bestaan; in het kader van KGO-beleid voldaan wordt aan de basisinspanning ruimtelijke kwaliteit; er een anterieure overeenkomst met de eigenaren van de recreatiewoningen wordt gesloten waarin afspraken worden gemaakt over de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling en de afwenteling van eventuele planschade; er een partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen wordt doorlopen waarin de woonbestemmingen planologisch worden geregeld.
Naast de hiervoor genoemde recreatiewoningen moet de recreatiewoning aan de Porikweg 13 -Z worden meegenomen en voorzien worden van een bestemming 'Recreatie - Recreatiewoning. Deze recreatiewoning valt onder het overgangsrecht.
1
BJZ.NU
TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO
De gemeente neemt hierbij het initiatief en zal de herziening van het bestemmingsplan verzorgen. Hiervoor dienen de eigenaren van de reeds genoemde recreatiewoningen enkele stukken bij de gemeente aan te leveren, waaronder voorliggende notitie. Hieruit blijkt dat het voorzien van de bestemming 'Wonen' voldoet aan de relevante milieuregelgeving en geen belemmering vormt voor omliggende (agrarische) functies. Voorliggende notitie heeft betrekking tot het perceel Bosweg 3a -Z te Haaksbergen.
2
2.
Locatie
Figuur 2.1 Ligging plandeel ten opzichte van de kern Buurse (Bron: ArcGIS)
De functionele structuur van de omgeving van het plandeel bestaat voornamelijk uit bosgebied, (recreatie)woningen, natuur en agrarische bedrijven. Het plandeel omsloten door agrarische- en bosgronden. In het plandeel bevinden zich een reguliere woning en één vrijstaand bijgebouw. De grond rondom de woning is voornamelijk in gebruik als tuin of verhard. In figuur 2.2 is een luchtfoto met daarin de huidige situatie op het perceel opgenomen. Het plandeel is hierbij indicatief aangegeven middels de rode omlijning.
BJZ.NU
TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO
Het plandeel is gelegen aan de Bosweg 3a -Z, in het buitengebied van Haaksbergen. Het perceel bevindt zich nabij de Buurser Beek, op korte afstand van de kern Buurse en staat kadastraal bekend als gemeente Haaksbergen, sectie R, nummer 1419. In figuur 2.1 is de ligging van het plandeel indicatief ten opzichte van de kern Buurse en de directe omgeving weergegeven middels de rode omlijning.
Figuur 2.2 Ligging perceel ten opzichte van de directe omgeving (Bron: Provincie Overijssel)
3
3.
Milieutoets
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.
BJZ.NU
TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie en archeologie & cultuurhistorie.
3.1
Geluid
3.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 3.1.2
Situatie projectgebied
Voorliggend initiatief voorziet in een bestemmingswijziging van een recreatiewoning naar een reguliere woning, waardoor permanente bewoning is toegestaan. Een reguliere woning is in tegenstelling tot een recreatiewoning altijd aan te merken als een geluidsgevoelig object op grond van de Wgh. 3.1.2.1 Wegverkeerslawaai Ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh) hebben alle wegen een zone, uitgezonderd een aantal situaties waaronder wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. De zone is een gebied waarbinnen in beginsel een nadere beoordeling verplicht is. Het plandeel ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Bosweg (80 km/ uur) en de Reinksweg (80 km/uur). Deze wegen zijn beiden gelegen in het buitengebied. Voor deze wegen geldt een wettelijke geluidszone van 250 meter. De woning is gelegen op een afstand van circa 100 en 140 meter uit de as van respectievelijk de Bosweg en Reinksweg. Deze wegen worden echter vrijwel uitsluitend door bestemmingsverkeer gebruikt. De verkeersintensiteit op deze wegen is dan ook beperkt. Gezien de beperkte verkeersintensiteit en de afstand tot de weg wordt de geluidsbelasting ter plaatse van de woning aanvaardbaar geacht. 3.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op ruime afstand van het plandeel is gelegen.
3.1.2.3 Industrielawaai In de omgeving van het plandeel is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de woning wordt verwezen naar paragraaf 3.5 (milieuzonering). 3.1.3
Conclusie
4
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de voorgenomen functiewijziging.
3.2
Bodemkwaliteit
3.2.1
Algemeen
TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan en het nemen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijhorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoeksplicht: 1. als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; 2. als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uur gehanteerd; 3. als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud) en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). 3.2.2
Voorliggend initiatief voorziet in een bestemmingswijziging van recreatiewoning naar reguliere woning, waarbij permanente bewoning is toegestaan. Hierbij wordt voldaan aan uitzonderingsregel 1. Het niet-wederrechtelijk gebruik (verblijf al dan niet permanent) wordt namelijk niet gewijzigd. Geconcludeerd wordt dat een bodemonderzoek achterwege kan blijven. 3.2.3
BJZ.NU
Situatie plandeel
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect bodemkwaliteit geen belemmering oplevert ten aanzien van voorliggend initiatief.
3.3
Luchtkwaliteit
3.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 3.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om
5
stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 3.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 3.3.2
Situatie plandeel
Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling binnen dit plandeel, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 3.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend initiatief 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Een woning is niet aan te merken als een gevoelige functie in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 3.3.3
Conclusie
BJZ.NU
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de functiewijziging. 3.4
Externe veiligheid
3.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
6
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 3.4.2
Situatie plandeel
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plandeel. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In figuur 3.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plandeel (rode omlijning) en omgeving weergegeven.
BJZ.NU
TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Figuur 3.1 Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plandeel: • • • • 3.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie
7
BJZ.NU
TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO
Een en ander brengt met zich mee dat de functiewijziging in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. 3.5
Milieuzonering
3.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 3.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woonen leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plandeel is gelegen in het buitengebied waar geen sterke menging van functies aanwezig is. Er wordt in dit geval dan ook uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.
8
TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO BJZ.NU
Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
3.5.3
Situatie plandeel
3.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 3.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 3.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de woning hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. In de nabije omgeving van het perceel Bosweg 3a –Z bevinden zich enkele agrarische bedrijven waarvan het agrarisch bedrijf aan de Bosweg 1/3 (intensieve veehouderij, milieucategorie 4.1) de meest dichtstbijzijnde is op een afstand van circa 97 meter.
Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave “Bedrijven en milieuzonering”, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij veehouderijen zijn echter niet de richtafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. In deze paragraaf zullen de richtafstanden bij veehouderijen voor wat betreft het aspect geur dan ook buiten beschouwing worden gelaten. Wel worden de overige milieuaspecten behandeld. In paragraaf 3.6 wordt nader ingegaan op het aspect geur.
9
Voor de eerder genoemde categorie geldt op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid. Gezien de eerder al genoemde afstand van circa 97 meter, gemeten vanaf de bestemmingsvlakken van de functies tot het bestemmingsvlak van de woning, is het agrarische bedrijf op voldoende afstand gelegen. De voorgenoemde functie vormt dan ook geen belemmering voor het initiatief.
BJZ.NU
TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO
3.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt voor wat betreft de milieuaspecten (m.u.v. geur) geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 3.6
Geur
3.6.1
Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën, waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:
• •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor diercategorieën, waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Dit wordt ‘de omgekeerde werking’ genoemd. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.
10
3.6.2
Situatie plandeel
In het kader van de toetsing aan de Wgv dient beoordeeld te worden of er sprake is van geurhinder ten opzichte van een ‘geurgevoelig object’. In de Wet geurhinder en veehouderijen is een geurgevoelig object gedefinieerd als:
BJZ.NU
TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO
‘gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt'. Een recreatiewoning moet evenals een reguliere woning worden aangemerkt als een geurgevoelig object wanneer deze, juridisch-planologisch gezien, mag worden gebruikt voor langdurig menselijk wonen of verblijf. Het vigerende bestemmingsplan bestemd recreatiewoningen als uitsluitend bestemd voor recreatief verblijf. Strijdig met deze bestemming wordt geacht het permanent bewonen van recreatiewoningen. Het geldende bestemmingsplan sluit echter langdurig verblijf niet uit waardoor in dit geval moet worden uitgegaan van een geurgevoelig object (ABRS 18 februari 2015, no. 201400171/1/R1.) 3.6.2.1 Externe werking In dit geval is het van belang om te bezien of de ontwikkeling niet leidt tot een beperking van de (uitbreidings)mogelijkheden van de omliggende agrarische bedrijven. Op basis van het geldende bestemmingsplan is binnen het plandeel een recreatiewoning toegestaan, waarbij permanente bewoning is uitgesloten. Overeenkomstig de hiervoor genoemde uitspraak is ook in dit geval langdurig verblijf niet uitgesloten, waardoor de (recreatie)woning in de huidige situatie ook al wordt aangemerkt als geurgevoelig object.
Gelet op het feit dat er geen wijziging plaatsvindt qua geurgevoeligheid dient bij een uitbreiding van het agrarisch bedrijf in de bestaande en de nieuwe situatie aan dezelfde normen getoetst te worden. Een en ander houdt in dat de ontwikkeling niet leidt tot een beperking van de (uitbreidings)mogelijkheden van de omliggende agrarische bedrijven. 3.6.2.2 Interne werking Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling moet hier worden bezien of er ter plaatse van het plandeel sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de omgeving van het plandeel is het perceel Bosweg 3 (gemengde veehouderij, fokken en houden van melkvee en varkens) van belang. Hierna wordt puntsgewijs aan de van belang zijnde artikelen van de Wgv ingegaan. Artikel 3: Veehouderijen met dieren met geuremissiefactor Op basis van artikel 3 Wgv geldt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht. Zoals beschreven onder 3.6.2 is een recreatiewoning aan te merken als zijnde een ‘geurgevoelig object’. Inhoudende dat bij uitbreiding of wijziging van omliggende agrarische bedrijven in de bestaande en de nieuwe situatie dezelfde norm geldt voor de recreatiewoning.
Feitelijk is van een verschil in de mate van geurgevoeligheid dan ook geen sprake en dat een omgevingsvergunning voor uitbreiding zowel nu als in de toekomst onder de bestemming recreatiewoning niet verleend kan worden als dit leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Overigens onderschrijft jurisprudentie dat indien voor de vergunningverlening de geldende norm wordt overschreden, dit niet betekent dat ter plaatse geen sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (ABRS 27 juli 2016, no. 201507647/1/R2 en ABRS 7 oktober 2009, no. 200900801/1/R3). De intensieve veehouderij Bosweg 1/3 is meer dan 97 meter van de
11
recreatiewoning gelegen, waarbij de emissiepunten op meer dan 130 meter zijn gelegen. Het vorenstaande brengt met zich mee dat ter plaatse van de Bosweg 3a –Z sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden de agrarische bedrijven niet belemmerd als gevolg van voorgenomen initiatief, aangezien de mate van geurgevoeligheid niet toeneemt.
TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO
Artikel 4: Veehouderijen met dieren met vaste afstand Op basis van artikel 4 Wgv geldt dat de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object ten minste 50 meter bedraagt indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Op basis van de bijbehorende memorie van toelichting moet hierbij ten aanzien van veehouderijen worden uitgegaan van het emissiepunt behorende bij de daadwerkelijke dierenverblijven. In voorliggend geval bedraagt de afstand tussen de woning en de emissiepunten van de nabijgelegen stallen van het agrarisch bedrijf ruim meer dan 50 meter. Het vorenstaande brengt met zich mee dat ter plaatse van de Bosweg 3a –Z sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Van een belemmering van omliggende agrarische bedrijven is in beginsel geen sprake, aangezien er geen sprake is van een toename van geurgevoeligheid. Zoals reeds beschreven is er in de bestaande en in de nieuwe situatie sprake van een woonfunctie. Artikel 5: Minimale afstand tussen geurgevoelig object en dierenverblijf Op basis van artikel 5 Wgv geldt dat de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minste 25 meter bedraagt, indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
In voorliggend geval bedraagt de afstand tussen de woning en omliggende agrarische bedrijfsgebouwen en bouwvlakken meer dan 25 meter. Aan dit artikel wordt dan ook voldaan. Conclusie Gelet op het vorenstaande kan gesteld worden dat ter plaatse van de bestaande woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
BJZ.NU
3.6.3
Conclusie
Op basis van de Wgv en een goede ruimtelijke ordening is er geen belemmering voor de uitvoering van voorliggende functiewijziging. 3.7
Ecologie
3.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 3.7.2
Gebiedsbescherming
3.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd.
12
BJZ.NU
TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO
Het plandeel bevindt zich op ruim 1,3 kilometer van Natura 2000-gebied 'Buurserzand en Haaksbergerveen'. Gelet op de aard en omvang van voorliggend initiatief en de afstand tot het Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat het voornemen geen significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. 3.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op 'behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN' waarbij tevens zoveel mogelijk rekening gehouden dient te worden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het plandeel grenst aan gronden welke behoren tot het NNN (bestaande natuur).
Gelet op de aard en omvang van voorliggend initiatief in verhouding tot de huidige situatie wordt geconcludeerd dat het voornemen geen significant negatieve effecten (bijv. areaalvermindering) heeft op de doelstellingen van NNN-gebieden. 3.7.3
Soortenbescherming
3.7.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 3.7.2.2 Situatie plandeel Voorliggende ontwikkeling betreft een herbestemming (geen functiewijziging). Van de sloop van gebouwen, realisatie van nieuwe bebouwing en het kappen van bomen of verwijderen van andere groenelementen is dan ook geen sprake. In voorliggend geval is geen sprake van een negatief effect op (beschermde) flora en fauna en is het uitvoeren van een (veld)onderzoek dan ook niet noodzakelijk. 3.7.4
Conclusie
De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering ten aanzien van de voorgenomen herbestemming. Een nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. De herbestemming heeft tevens geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of het NNN. 3.8
Archeologie & Cultuurhistorie
3.8.1
Archeologie
3.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plandeel behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 3.8.1.2 Situatie plandeel
13
In dit geval vinden er geen bodemingrepen plaats. Van het uitvoeren van een archeologisch onderzoek kan dan ook worden afgezien. 3.8.2
Cultuurhistorie
In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan of wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 3.8.2.2 Situatie plandeel Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plandeel geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten. In de directe omgeving van het plandeel is tevens geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Er wordt dan ook geconcludeerd dat het plan geen negatieve invloed heeft op de cultuurhistorische waarden. 3.8.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen nader archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van onaanvaardbare negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
BJZ.NU
TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO
3.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
14
4.
Eindconclusie
BJZ.NU
TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO
Gelet op de resultaten uit de milieukundige toets wordt geconcludeerd dat er geen bezwaren zijn tegen de bestemming van het recreatieperceel Bosweg 3a -Z te Haaksbergen naar 'Wonen'.
15