CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 15 Notitie milieuafweging Eibergsestraat 260 -Z

commissie Ruimte 11 januari 2023, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaksbergen, correctieve herziening diverse recreatiewoningen’4.618 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verzocht is om inzichtelijk te maken wat de planologische mogelijkheden zijn om de panden aan de NOTITIE Espoortstraat 165/Lipperkerkstraat 4-6 te Enschede te mogen aanwenden ten behoeve van twee Onderwerp: HetMilieuafweging Eibergsestraat supermarkten. geldend bestemmingsplan is 260 het bestemmingsplan “De Bothoven 2006”. Dit bestemmingsplan is bij raadsbesluit vastgesteld op 27 november 2006 en goedgekeurd door Gedeputeerde Auteur: Simone van Capelle en Niels Broekhuis Staten op 29 januari 2007. Hierna is een uitsnede van de planverbeelding opgenomen. Datum: 23 mei 2019

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

1. Aanleiding In het buitengebied van de gemeente Haaksbergen zijn acht recreatiewoningen aanwezig. Deze woningen worden minstens al vanaf 2003 onafgebroken permanent bewoond. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaksbergen’ is aan deze woningen een reguliere woonbestemming toegekend. Echter is de provincie Overijssel hiertegen in beroep gegaan, waardoor het bestemmingsplan op dit onderdeel is vernietigd. Dit houdt in dat de toegekende woonbestemming geen juridische rechtskracht heeft verkregen en dat, op basis van het geldende bestemmingsplan, permanente bewoning niet is toegestaan. Wel zijn persoonsgebonden beschikkingen afgegeven waarmee de huidige bewoners van de recreatiewoningen hierin mogen blijven wonen. Op 12 april 2017 heeft Provinciale Staten de Omgevingsvisie Overijssel 2017 en de Omgevingsverordening 2017 vastgesteld. Hierbij is door Provinciale Staten een amendement aangenomen op het provinciale omgevingsbeleid voor verblijfsrecreatie. Het gewijzigde beleid leidt tot meer afwegingsruimte voor gemeenten om te bepalen of een als zodanig bestemde recreatiewoning in aanmerking komt voor een woonbestemming. Hiervoor gelden onder andere de volgende randvoorwaarden:    

de recreatiewoning werd vóór of op 31 oktober 2003 permanent bewoond en deze permanente bewoning is sindsdien onafgebroken voortgezet; er kan worden voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit 2012 voor (bestaande) reguliere woningen; er kan worden voldaan aan de relevante milieuregelgeving; en de bouwmogelijkheden binnen de te realiseren woonbestemming zijn niet ruimer dan nodig is voor de invulling van de huidige woonfunctie.

De gemeenteraad van Haaksbergen heeft besloten medewerking te verlenen aan het toekennen van een woonbestemming aan de volgende recreatiewoningen: Bosweg 2a –Z (voorheen Broekheurner 96 –Z), Bosweg 3a -Z, Broekheurnerweg 27a –Z, Broekheurnerweg 29 –Z, Meijersgaardenweg 23 –Z, Porikweg 13a –Z, Stendermolenweg 3 –Z, Eibergsestraat 260 (voorheen Vloedsteegweg Z – 1) en Hambree 13 –Z, onder voorwaarde dat:   

aan alle voorwaarden voldaan wordt en uit milieutechnisch onderzoek is gebleken dat er tegen deze ontwikkeling geen bezwaren bestaan; in het kader van KGO-beleid voldaan wordt aan de basisinspanning ruimtelijke kwaliteit; er een anterieure overeenkomst met de eigenaren van de recreatiewoningen wordt gesloten waarin afspraken worden gemaakt over de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling en de afwenteling van eventuele planschade; er een partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen wordt doorlopen waarin de woonbestemmingen planologisch worden geregeld.

De gemeente neemt hierbij het initiatief en zal de herziening van het bestemmingsplan verzorgen. Hiervoor dienen de eigenaren van de reeds genoemde recreatiewoningen enkele stukken bij de gemeente aan te leveren, waaronder voorliggende notitie waaruit blijkt dat het omzetten van de bestemming van recreatie naar wonen voldoet aan de relevante milieuregelgeving en geen belemmering vormt voor omliggende (agrarische) functies. Voorliggende notitie heeft betrekking tot het perceel Eibergsestraat 260 te Haaksbergen.

1

2.

Locatie

Figuur 2.1 Ligging projectgebied ten opzichte van de kern Rietmolen (Bron: ArcGIS)

De functionele structuur van de omgeving van het projectgebied bestaat in hoofdzaak uit agrarische bedrijven, agrarische landschapsgronden, bos en een voormalige discotheek. Het projectgebied wordt in het noorden omsloten door onbebouwd terrein en de N315, in het oosten door agrarisch landschap en de N18, in het zuiden door bos en in het westen door de Vloedsteegweg en agrarische landschapsgronden. In het projectgebied bevindt zich een recreatiewoning. De grond rondom de recreatiewoning is voornamelijk in gebruik als tuin of verhard. In figuur 2.2 is een luchtfoto met daarin de huidige situatie op het perceel opgenomen. Het projectgebied is hierbij wederom indicatief aangegeven middels de rode omlijning.

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

Het projectgebied is gelegen aan de Eibergsestraat 260, in het buitengebied van Haaksbergen. Het perceel bevindt zich nabij de N18, op korte afstand van de kern Rietmolen en staat kadastraal bekend als gemeente Haaksbergen, sectie N, nummer 534. In figuur 2.1 is de ligging van het projectgebied indicatief ten opzichte van de kern Rietmolen en de directe omgeving weergegeven middels de rode omlijning.

Figuur 2.2 Ligging perceel ten opzichte van de directe omgeving (Bron: Provincie Overijssel)

2

3.

Milieutoets

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie en archeologie & cultuurhistorie.

3.1

Geluid

3.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 3.1.2

Situatie projectgebied

Voorliggend initiatief voorziet in een bestemmingswijziging van recreatiewoning naar reguliere woning, waarbij permanente bewoning is toegestaan. Een reguliere woning is in tegenstelling tot een recreatiewoning altijd aan te merken als een geluidsgevoelig object op grond van de Wgh.

BJZ.NU

3.1.2.1 Wegverkeerslawaai Ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh) hebben alle wegen een zone, uitgezonderd een aantal situaties, waaronder wegen zoals de Vloedsteegweg met een maximum snelheid van 30 km/uur. De zone van een weg is een gebied waarbinnen in beginsel een nadere beoordeling verplicht is. Op zowel de N315 als de N18 geldt een maximum snelheid van 80 km/uur en daardoor een wettelijke geluidszone van 250 meter. De voorkeurswaarde voor geluidsgevoelige bebouwing waaraan moet worden voldaan bedraagt 48 dB. De woning is gelegen op een afstand van circa 90 meter en 120 meter uit de as van de N315 en N18. Het projectgebied is daardoor gelegen binnen de zones van deze wegen. Uit de provinciale geluidskaart blijkt dat ter plaatse van het projectgebied de geluidsbelasting minder bedraagt dan 48 dB. Vanwege de aanleg van de nieuwe N18 zal de geluidsbelasting alleen nog maar verder afnemen. Van hinder in de vorm van wegverkeerslawaai is dan ook geen sprake. 3.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op ruime afstand van het projectgebied is gelegen. 3.1.2.3 Industrielawaai In de omgeving van het projectgebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing.

Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de woning wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering).

3

3.1.3

Conclusie

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de voorgenomen functiewijziging.

3.2

Bodemkwaliteit

3.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan en het nemen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijhorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoeksplicht: 1. als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; 2. als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uur gehanteerd; 3. als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud) en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). 3.2.2

Situatie projectgebied

Voorliggend initiatief voorziet in een bestemmingswijziging van recreatiewoning naar reguliere woning, waarbij permanente bewoning is toegestaan. Hierbij wordt voldaan aan uitzonderingsregel 1. Het niet-wederrechtelijk gebruik (verblijf al dan niet permanent) wordt namelijk niet gewijzigd. Geconcludeerd wordt dat een bodemonderzoek achterwege kan blijven. 3.2.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect bodemkwaliteit geen belemmering oplevert ten aanzien van voorliggend initiatief.

3.3

Luchtkwaliteit

3.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

4

3.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:   

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 3.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 3.3.2

Situatie projectgebied

Gelet op de aard en omvang van deze functiewijziging, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 3.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggende functiewijziging 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Een woning is niet aan te merken als een gevoelige functie in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 3.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de functiewijziging.

3.4

Externe veiligheid

3.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing.

5

Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:     

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

  

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 3.4.2

Situatie projectgebied

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In figuur 3.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het projectgebied (rode omlijning) en omgeving weergegeven.

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:

Figuur 3.1: Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Ter hoogte van de N18 bevindt zich het zogenoemde risico ‘Basisnet Weg’. Deze weg kent geen plasbrandaandachtsgebied (PAG) en geen minimale afstand, waardoor deze geen risico vormt voor het projectgebied.

6

Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied:    

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

3.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat de functiewijziging in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

3.5

Milieuzonering

3.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:  

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 3.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.

7

Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’.

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woonen leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het projectgebied is gelegen in het buitengebied waar geen sterke menging van functies aanwezig is. Derhalve wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied

1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

3.5.3

Situatie projectgebied

3.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 3.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 3.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de woning hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In de nabije omgeving van het perceel Eibergsestraat 260 bevinden zich een horecapand aan de Eibergsestraat 258 (milieucategorie 2), op circa 130 meter afstand, en twee agrarische bedrijven aan de Eibergsestraat 207 en 211 (milieucategorie 3.2 en 4.1), op circa 160 meter en 216 meter afstand.

8

Voor deze categorieën geldt op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ een richtafstand van 30 meter voor het horecapand (circa 130 meter afstand), 100 meter voor het grondgebonden agrarisch bedrijf aan de Eibergsestraat 211(160 meter afstand) en 200 meter voor de intensieve veehouderij aan de Eibergsestraat 211 (circa 216 meter afstand). Met deze afstanden, gemeten vanaf de bestemmingsvlakken van de functies tot het bestemmingsvlak van de woning, zijn alle functies op voldoende afstand gelegen. De vermelde functies vormen dan ook geen belemmering voor de functiewijziging.

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

3.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt voor wat betreft de milieuaspecten geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 3.6

Geur

3.6.1

Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën, waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:  

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën, waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Dit wordt ‘de omgekeerde werking’ genoemd. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 3.6.2

Situatie projectgebied

In het kader van de toetsing aan de Wgv dient beoordeeld te worden of er sprake is van geurhinder ten opzichte van een ‘geurgevoelig object’, in voorliggend geval een woning. Er is mogelijk sprake van ‘geurbelastende objecten’ in de vorm van een tweetal agrarische bedrijven in de nabije omgeving waaronder een intensieve veehouderij. Agrarische bedrijven dienen buiten de bebouwde kom op minimaal 50 meter afstand te zijn gelegen. Gebleken is in paragraaf 3.5 dat de woning op voldoende afstand, namelijk op 160 meter en 216 meter, is gelegen van deze objecten. De intensieve veehouderij is hiermee ten opzichte van de woning op zeer ruime afstand gelegen. Het vorenstaande brengt met zich mee dat ter plaatse van de Eibergsestraat 260, waar al

9

meer dan 25 jaar zonder milieuklachten permanent wordt gewoond, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden omliggende agrarische bedrijven niet belemmerd als gevolg van de voorgenomen functiewijziging, aangezien de mate van geurgevoeligheid niet toeneemt. 3.6.3

Conclusie

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

Op basis van de Wgv is er geen belemmering voor de realisatie van voorliggende functiewijziging.

3.7

Ecologie

3.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 3.7.2

Gebiedsbescherming

3.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het projectgebied bevindt zich op 4,4 kilometer van Natura 2000-gebied 'Buurserzand en Haaksbergerveen'. Gelet op de aard en omvang van voorliggend initiatief en de afstand tot het Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat het voornemen geen significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. 3.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op 'behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN' waarbij tevens zoveel mogelijk rekening gehouden dient te worden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust.

Voor ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het projectgebied is gelegen op 140 meter afstand van NNN-gebied. Gelet op de aard en omvang van voorliggend initiatief en de afstand tot het NNN-gebied wordt geconcludeerd dat het voornemen geen significant negatieve effecten (bijv. areaalvermindering) heeft op de doelstellingen van NNN-gebieden. 3.7.3

Soortenbescherming

3.7.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het

10

beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 3.7.2.2 Situatie projectgebied Voorliggende ontwikkeling betreft een herbestemming (functiewijziging). Van de sloop van gebouwen, realisatie van nieuwe bebouwing en het kappen van bomen of verwijderen van andere groenelementen is dan ook geen sprake. In voorliggend geval is geen sprake van een negatief effect op (beschermde) flora en fauna en is het uitvoeren van een (veld)onderzoek dan ook niet noodzakelijk.

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

3.7.4

Conclusie

De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering ten aanzien van de voorgenomen herbestemming een nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. De herbestemming heeft tevens geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of het NNN.

3.8

Archeologie & Cultuurhistorie

3.8.1

Archeologie

3.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 3.8.1.2 Situatie projectgebied In dit geval vinden er geen bodemingrepen plaats. Van het uitvoeren van een archeologisch onderzoek kan dan ook worden afgezien. 3.8.2

Cultuurhistorie

3.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan of wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 3.8.2.2 Situatie projectgebied Op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel bevinden zich in het projectgebied geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten. In de directe omgeving van het projectgebied is eveneens geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Derhalve wordt geconcludeerd dat het plan geen negatieve invloed heeft op de cultuurhistorische waarden. 3.8.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen nader archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van onaanvaardbare negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

11

4.

Eindconclusie

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

Gelet op de resultaten uit de milieukundige toets wordt geconcludeerd dat er geen bezwaren zijn tegen de herbestemming van het recreatieperceel Eibergsestraat 260 te Haaksbergen naar wonen.

12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12303574/1