Bijlage 1 Wijzigingen APV en toelichting
Tekst van het document
Bijlage 1:
Wijzigingen conform model APV-VNG, wijzigingen op basis van de lokale behoefte en wijzigingen i.v.m. de inwerkingtreding van de Omgevingswet
De aanpassingen op de APV zijn gemaakt naar aanleiding van de door de VNG uitgevoerde actualisering van de model-APV en op basis van de lokale behoefte aan aanpassing (onderdeel I A en B). Ook is de APV technisch aangepast in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023 (onderdeel II). -
De aanpassingen aangebracht naar aanleiding van de door de VNG uitgevoerde actualisering van de model APV staan in de APV in het paars aangegeven (onderdeel I, onder A).
-
De aanpassingen aangebracht op basis van de lokale behoefte staan in de APV in het groen aangegeven (onderdeel I, onder B).
-
De aanpassingen aangebracht in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 staan in de APV in het blauw aangegeven (onderdeel II).
Onderdeel I: A.
Aanpassingen APV naar aanleiding van de actualisering model-APV door de VNG a.
Het tweede en derde lid van artikel 2:26 (ordeverstoring bij evenementen) en artikel 2:50a (verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties) zijn vervallen.
b.
Artikel 2:48a is overbodig geworden doordat lachgas op 1 januari 2023 op lijst II van de Opiumwet staat en daardoor wordt gekwalificeerd als een softdrug.
c.
Toevoeging aan het bedelverbod (artikel 2:65) van het motief ‘voorkoming of beëindiging van overlast’.
d.
Schrappen van artikel 5:10 over het verbod op bermparkeren.
e.
Redactionele aanpassingen van de artikelen 4:13 en 5:12 door het woord ‘opheffing’ te vervangen door ‘beëindiging’.
Toelichting: a.
Bij de in 2020 door de VNG voorgestelde wijzigingen van de APV is uitvoering gegeven aan de grote wens van het Openbaar Ministerie om het verbod op te nemen tot het dragen van uiterlijke kenmerken van verboden organisaties (motorclubs) in de publieke ruimte. Dit heeft geresulteerd in de toevoeging van artikel 2:26, lid 2 en 3 en artikel 2:50b van de APV. Artikel 2:26, lid 2 en 3 ziet op het dragen van deze uiterlijke kenmerken van verboden organisaties op evenementen en artikel 2:50b op het dragen van deze uiterlijke kenmerken op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. De Hoge Raad heeft echter op 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1946) geoordeeld dat artikel 2:50a APV, die meerdere gemeenten op advies van de VNG in hun APV hadden opgenomen, in strijd is met het grondrecht op vrijheid van meningsuiting (artikel 7, lid 3 van de Grondwet). Daarop kan 1
alleen bij wet in formele zin uitzondering worden gemaakt, niet in een wet in materiële zin, zoals de APV. De Hoge Raad verklaard artikel 2:50a APV daarmee onverbindend. De VNG adviseert nu dan ook deze artikelen weer te schrappen. Omdat deze artikelen ook in onze APV staan, worden zij middels deze wijziging er weer uitgehaald. b.
Het artikel 2:84a APV bevat 2 leden die zien op een verbod op het gebruik van lachgas op openbare plaatsen als dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde vestoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. Artikel 2:74a APV bevat een verbod op het gebruik van softdrugs op openbare plaatsen en in voor het publiek toegankelijke gebouwen. Hier ligt ook het overlast-/openbare orde-motief aan ten grondslag. De bepalingen uit artikel 2:74a APV inzake het gebruik zijn een aanvulling op de Opiumwet, waarin bepaald is dat het verboden is om stoffen die op lijst II staan binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren, aanwezig te hebben of te vervaardigen. Het verbod in de Opiumwet ziet op oneigenlijke toepassing van lachgas als (recreatieve) softdrug. Het doel van het verbod is om de brede beschikbaarheid van lachgas voor recreatief gebruik terug te dringen en daarbij het aanbod te beperken. Het (enkele) gebruik van lachgas (recreatief als roesmiddel) valt dus niet onder het verbod van de Opiumwet. Nu lachgas per 1 januari 2023 een softdrug is, wordt het verboden gebruik ervan duurzaam gereguleerd door artikel 2:74a APV. Daarmee wordt artikel 2:28a APV overbodig.
Op grond van artikel 2:74a is het verboden op of aan de weg, op een openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, te gebruiken, toe te dienen dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dit gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.
c.
Op grond van artikel 2:65 is het verboden te bedelen op een openbare plaats om geld of andere zaken. Het motief ‘voorkoming of beëindiging van overlast’ wordt hieraan toegevoegd. Aanleiding hiervoor is een uitspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens, waarin hij oordeelt dat de menselijke waardigheid wordt aangetast als iemand niet beschikt over voldoende bestaansmiddelen en dat deze beschermd worden door artikel 8 EVRM (het recht op de eerbiediging van het privéleven). Dit recht kan op grond van artikel 8, tweede lid EVRM beperkt worden, mits deze beperking een legitiem doel dient, een wettelijke basis heeft en noodzakelijk is voor de democratische samenleving. De laatste voorwaarde vereist een afweging van de belangen van het individu en die van de maatschappij. Veiligheidshalve wordt daarom het motief ‘voorkomen of beëindiging van overlast’ opgenomen in artikel 2:65. De overlast kan bijvoorbeeld bestaan uit agressief en hinderlijk gedrag door het zich opdringen aan passanten, het aanklampen van passanten, passanten te intimideren, de doorgang van passanten te versperren of passanten te volgen. Hierdoor komt de openbare orde in het geding.
2
Het verbod heeft specifiek betrekking op het bedelen om geld of andere zaken. Dit verbod heeft geen betrekking op het voortbrengen van staatmuziek (verboden op grond van artikel 2:9 van de APV). d.
B.
Artikel 5:10 over het verbod om te parkeren anders dan op de rijbaan (‘bermparkeren’) vervalt. Zowel het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) als het ministerie van Verkeer en Waterstaat vinden dat de bepaling in strijd is met hogere regelgeving, namelijk artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV1990). In verband hiermee is de feitelijke handhaving/strafbaarstelling onmogelijk en is de bepaling een dode letter en kan deze dus vervallen.
Aanpassingen APV op basis van de lokale behoefte a.
In de artikelen 2:9, 2:57, 2:58, 2:73b, 4:8, 4:11 en 5:6 zijn verwijzingen naar de van toepassing zijnde bebouwde kom zoals aangegeven in de bijlagen 1 en 2 van deze verordening benoemd.
b.
In artikel 2:24, lid 3 is een definitieomschrijving voor slecht levensgedrag opgenomen.
c.
Aan artikel 2:27, lid 1 (definitiebepaling voor een openbare inrichting) toegevoegd dat een bezorgservice ook als een openbare inrichting wordt aangemerkt.
d.
In artikel 2:27, lid 3 wordt de definitieomschrijving voor een exploitant toegevoegd.
e.
In artikel 2:27, lid 4 is een definitieomschrijving voor slecht levensgedrag opgenomen.
f.
De titel van Afdeling 10a is gewijzigd van ‘Carbidschieten’ in ‘Carbidschieten en gebruik klaphamer, knalhamer of knalijzer’.
g.
In artikel 2:73a is de definitieomschrijving van een klaphamer, knalhamer of knalijzer opgenomen (Een mechaniek waarmee een harde knal kan worden gemaakt. Het apparaat bestaat uit een zware hamer en een metalen plaat waarop poedervormig magnesium of een mengsel van bijvoorbeeld zwavel en natriumchloraat, kaliumnitraat of kaliumcarbonaat wordt gelegd. Zodra de hamer het poeder raakt komt dit tot ontbranding en veroorzaakt het een knal).
h.
In artikel 2.73b is uitgebreid met een derde lid. Het is verboden om in de open lucht gebruik te maken van een klaphamer, knalhamer of knalijzer.
i.
In artikel 3:1, lid 3 onder i is een definitieomschrijving voor slecht levensgedrag opgenomen.
j.
In artikel 4:11 is in tabel 1 en tabel 2 de uitzonderingsbepaling geschrapt dat voor het vellen van een houtopstand op een erf dat kleiner is dan 500 m2 geen omgevingsvergunning of melding nodig is.
k.
Aan artikel 6:1 (strafbepaling) is lid 2 weer toegevoegd.
3
l.
In artikel 6:5 is de datum inwerkingtreding van de verordening op 30 december 2023 opgenomen, met daarbij de uitzondering dat de aanpassingen in het kader van de Omgevingswet in werking treden op het tijdstip dat de Omgevingswet in werking treedt.
Toelichting: a.
Door het opnemen van deze verwijzingen wordt mogelijke onduidelijkheid over de van toepassing zijnde bebouwde kom voorkomen.
b./e./i. Om een vergunning voor een vechtsportevenement, een vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting of een vergunning voor een seksinrichting of escortbedrijf te kunnen verlenen mag de organisator, aanvrager, exploitant, leidinggevende of beheerder niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Slecht levensgedrag is ook een reden om de vergunning in te kunnen trekken. Uit de Dienstenrichtlijn vloeit voort dat het voor betrokkene duidelijk moet zijn om zich vooraf op de hoogte te stellen van de wijze waarop dit criterium wordt ingevuld. Alhoewel de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het enkel stellen van deze vergunningsvoorwaarde niet in strijd acht met artikel 10 van de Dienstenrichtlijn en het bevoegd gezag beleidsvrijheid heeft bij de toepassing ervan, is ter verduidelijking een definitie opgenomen. Een afweging in ieder individueel geval blijft nodig. Er moet sprake zijn van consistente besluitvorming om willekeur te voorkomen. Bovendien moet de afweging goed worden gemotiveerd en inzichtelijk worden gemaakt. c.
In artikel 2:27 staat gedefinieerd welk soort bedrijven als openbare inrichting een exploitatievergunning behoeven. Alhoewel het geen limitatieve opsomming is, wordt in het verlengde van de al wel in de definitie genoemde afhaalzaak ook de bezorgservice opgenomen.
d.
De definitieomschrijving voor een leidinggevende was wel gegeven, terwijl de definitieomschrijving voor de exploitant ontbrak.
f./g./h. Het gebruik van een klaphamer, knalhamer of knalijzer is risicovol. Naast dat het flinke knallen en overlast kan veroorzaken kan het ook tot onveilige situaties leiden met mogelijk gevaar of schade voor personen in de omgeving. Het zijn door particulieren zelfgemaakte constructies. Ze worden niet fabrieksmatig geproduceerd. Er is geen CE-keuring en geen landelijke regelgeving. Door een verbod op het gebruik van een klaphamer, knalhamer of knalijzer wordt voorkomen dat dit een vervanger wordt voor consumentenvuurwerk of het carbidschieten. Door een algeheel verbod op te nemen voor een klaphamer, knalhamer of knalijzer wordt de veiligheid dienaangaande in de gehele gemeente te allen tijde gewaarborgd. Ten aanzien van de handhaving is dit ook eenduidig en derhalve het meest eenvoudig. j.
Alhoewel het schrappen van deze uitzonderingsbepaling niet direct noodzakelijk is, mede gezien de bescherming die in het bestemmingsplan geboden kan worden, kan het vooralsnog laten staan van deze bepaling in de APV tot veel onnodige discussie leiden. Bovendien hebben intussen ook natuurorganisaties de wens uitgesproken om deze bepaling uit de APV te verwijderen. 4
k.
Bij de actualisatie van de APV in 2021 is per abuis het tweede lid niet opgenomen. Dit is nu hersteld.
Onderdeel II: Aanpassingen in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet De wettelijke grondslagen en formele wijzigingen zijn geactualiseerd, zodat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 doorgewerkt kan worden met deze verordening. Het gaat tegen die achtergrond om een juridisch-technische omzetting: grondslagen en formele verwijzingen zijn aangepast aan het nieuwe kader van de Omgevingswet. Voorbeelden daarvan zijn: de aanpassingen in de definitiebepaling (artikel 1:1 APV) of het vervangen van namen en wetten of instrumenten die vervallen na inwerkingtreding van de Omgevingswet (zoals het bestemmingsplan) voor het dan geldende kader of begrip (zoals het omgevingsplan).
5