APV oud nieuw 2021
Tekst van het document
APV raadsbesluit d.d. 4 juli 2018
APV 2021
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1:1 Begripsbepalingen − bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;
Artikel 1:1 Begripsbepalingen Definities - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;
−
-
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, eerste lid, onder a van de Bouwverordening daaronder wordt verstaan;
-
bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder 2, van de Wegenverkeerswet 1994;
-
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan ;
-
motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
-
openbare plaats: plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. Onder openbare plaats wordt niet begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestatie;
-
parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
-
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht een zakelijk of persoonlijk recht;
bouwwerk: hetgeen in artikel 1, lid 1, onder a van de Bouwverordening daaronder wordt verstaan;
-
−
gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan;
−
−
openbare plaats: plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. Onder openbare plaats wordt niet begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet;
−
-
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
-
voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen;
Artikel 1:2 Beslistermijn
Artikel 1:2 Beslistermijn Lid 4: Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste 18 weken.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:
a. b.
c.
d. e.
indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt; of indien de houder dit verzoekt.
a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt; of e. indien de houder dit verzoekt.
Artikel 1:7 Termijnen Lid 2: De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:7 Termijnen Lid 2: De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden Lid 3: Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste 18 weken.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden Lid 3: Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste 18 weken.
Hoofdstuk 2. Openbare orde
Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling 1. Voorkomen of bestrijding bestrijden van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden Lid 3: Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden Lid 3: Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
Lid 4: De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod;
Lid 4: De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod, bedoeld in het derde lid;
Lid 5: Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Lid 5: Het bepaalde in de voorgaande leden Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Lid 6: Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve/fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen niet van toepassing.
Lid 6: Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve/fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen niet van toepassing.
Afdeling 2. Betoging
Vervallen
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op
openbare plaatsen
openbare plaatsen
Lid 2: De kennisgeving bevat:
Lid 2: De kennisgeving bevat:
a. b.
naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging;
a. b.
naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging;
c.
d.
e. f.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor van toepassing, de wijze van samenstelling; en maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
Lid 4: Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
c.
d.
e. f.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
Lid 4: Indien Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken
Vervallen
Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de weg
Vervallen
Artikel 2:9 Straatartiest en dergelijke
Artikel 2:9 Straatartiest en dergelijke Vertoningen op openbare plaatsen Lid 2: De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
Lid 2: De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. Lid 4: Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Lid 4: Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling 5 2. Bruikbaarheid, uiterlijk en aanzien en veilig gebruik van de weg openbare plaatsen
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of een openbare plaats Lid 1:
Lid 1:
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: a.
b.
het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
Het is verboden de weg of een weggedeelte of een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien als dat gebruik: a. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg of een openbare plaats, de bruikbaarheid van de weg of de openbare plaats belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg of de openbare plaats; of b. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;of
Lid 2: Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,50 m wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 m op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.
Lid 2: Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,50 m strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 m strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.
Lid 3: Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclameborden.
Lid 3: Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van voor terrassen, uitstallingen en reclameborden.
Lid 4: Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
Lid 4: Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
Lid 5: In afwijking van het vierde lid kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Lid 5: In afwijking van het vierde lid kan het bevoegd gezag een De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunnng verlenen voor door het college als het in het eerste lid bedoelde gebruik, voorzover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Lid 6: Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
Lid 6: Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. bouwmaterialen, steigerwerken, stortkokers, mobiele toiletten, containers of bouwketen, daaronder begrepen zaken en
d.
materialen in verband met genoemde voorwerpen, mits: - geplaatst op verharding en tot een maximum van 15 m2; - voor een maximale duur van 14 dagen; - voorzien van goede verkeersmaatregelen/ markering zoals schildjes of verlichting eventueel aangevuld met reflecterende linten (lint alleen is onvoldoende) - geen wegafsluiting nodig is; - het object zodanig wordt geplaatst dat het geen belemmering of gevaar oplevert voor gebruikers van de weg, er blijft tenminste een vrije doorgang van 1,50 strekkende meter op voetpaden en 3,50 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer; - de bruikbaarheid van brandkranen niet wordt belemmerd; - uiterlijk 15 dagen van tevoren melding aan het college is gedaan; - de bruikbaarheid van brandkranen niet wordt belemmerd. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
Lid 7: Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken , artikel 5 van de Wegenverkeerswet 199 of de Provinciale wegenverordening.
Lid 7: Het verbod in het eerste lid is ook niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken , artikel 5 van de Wegenverkeerswet 199 of de Provinciale wegenverordening.
Lid 8: Op de ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Lid 8: Op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg
Lid 1: Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg indien: a. degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of
Lid 1: Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg indien als: a. degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of
Lid 3: Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg indien:
Lid 3: Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg indien als:
Lid 4: De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden.
Lid 4: De uitweg kan worden aangelegd indien als het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden.
Lid 5: Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de provinciale wegenverordening
Lid 5: Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de provinciale wegenverordening
Afdeling 6. Veiligheid op de weg
Vervallen
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op een andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.
Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. en dergelijke
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen Lid 2: De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen Lid 2: De verbden in het eerste lid zijn Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3,
Wetboek van Strafrecht.
van het Wetboek van Strafrecht.
Lid 3: De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Lid 3: De verboden zijn Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts ook niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Afdeling 7. Evenementen
Afdeling 7 3. Evenementen
Artikel 2:24 Begripsbepaling
Artikel 2:24 Begripsbepaling Definities
Lid 1: In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
Lid 1: In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
a.
b. c.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; speelgelegenheden als bedoeld 2:39 van deze verordening evenementen die vallen binnen de reguliere activiteiten van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer;
a. b.
c.
d.
e.
f.
Lid 2: Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in de Wet openbare manifestaties ; c. wedstrijd op of aan de weg; d. een straatfeest of buurtbarbecue op de weg.
bioscoop- en theatervoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; speelgelegenheden als bedoeld 2:39 van deze verordening kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; evenementen die vallen binnen de reguliere activiteiten van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer het in de inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; sportwedstrijden in de daarvoor bedoelde overdekte sportaccommodaties en openlucht sportaccommodaties, niet zijnde vechtsportwedstrijden als bedoeld in het tweede lid, onder f.
Lid 2: Onder evenement wordt mede verstaan: a. b. c.
d. e. f.
een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in de Wet openbare manifestaties artikel 2:3; een wedstrijd op of aan de weg; een straatfeest, muziekvoorstelling of buurtbarbecue op de weg. een door de burgemeester
aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of –gala’s. Lid 3: Deze afdeling is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door: a. b. c. d.
Lid 3: Vervallen.
artikel 10 juncto artikel 148 van de wegenverkeerswet 1994 de Wet openbare manifestaties de Zondagswet de Wet op kansspelen
Artikel 2:25 Evenementenvergunning
Artikel 2:25 Evenementenvergunning
Lid 2: Het verbod is niet van toepassing op een klein evenement.
Lid 2: Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
Lid 3: Onverminderd artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel:
Lid 3: Het verbod is niet van toepassing op een klein evenement.
a.
b.
c.
d.
e.
f.
dit noodzakelijk is voor de openbare orde en veiligheid, voorkomen of beperken van overlast of de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het evenement; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen niet kan worden gewaarborgd; de zedelijkheid of gezondheid van bezoekers niet kan worden gewaarborgd; de bescherming van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt nodig is; de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politie- en betreffende hulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare bezetting doet; tegen de organisator in de afgelopen
drie jaar een bestuurlijke sanctie is genomen. Lid 4: Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het vijfde lid.
Lid 4: Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
Lid 5: Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning voor het vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Lid 6: Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het vijfde lid. Artikel 2:25a Kennisgeving klein
Artikel 2:25a Kennisgeving klein
evenement
evenement
Lid 2: Van een klein evenement is sprake indien
Lid 2: Van een klein evenement is sprake indien In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij:
a.
b. c. d.
e.
f.
het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan: - 250 bij fietstochten - 500 bij wandeltochten - 100 bij andersoortige evenementen; het evenement tussen 08.00 uur en 00.00 plaats vindt; geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 08.00 of na 23.00; het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 60 m2 per object; er een organisator is.
a. b. c.
het aantal gelijktijdig aanwezigen niet meer bedraagt dan: 250 personen bij fietstochten 500 personen bij wandeltochten 100 personen bij andersoortige evenementen; het evenement tussen 08.00 uur en 00.00 uur plaats vindt; geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 08.00 uur of na 23.00 uur, en tussen 08:00 uur en 19:00 uur alleen achtergrondmuziek hoorbaar mag zijn tot 55 d(B)A of 65 d(B)C en tussen 19:00 uur tot 23:00 uur 50d(B)A of 60 d(B)C, gemeten op 20 meter van de geluidsbron of op een geluidsgevoelig object dat op kortere afstand is gelegen;
d.
e.
f. g. Lid 3: De aanvrager stelt de burgemeester minimaal 15 werkdagen voorafgaan aan het evenement schriftelijk in kennis van het evenement. Lid 4: De burgemeester kan binnen 7 dagen na ontvangst van de melding een klein evenement verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad, voetpad/trottoir of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; slechts 2 kleine objecten worden geplaatst, met een oppervlakte van minder dan 60 maximaal 50 m2 per object en in het geval één van de objecten een podium of tribune is, het podium niet hoger is dan 1 meter en de tribune niet hoger dan 2 meter; er een organisator is: er geen verkeersmaatregelen hoeven te worden getroffen.
Lid 3: Het tweede lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of gala’s. Lid 4: De aanvrager stelt de burgemeester minimaal 15 werkdagen voorafgaan aan het evenement schriftelijk in kennis van het evenement.
Lid 5: De burgemeester kan binnen 7 dagen na ontvangst van de melding een klein evenement verbieden, indien als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Artikel 2:26 Ordeverstoring Lid 1: Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Lid 2: Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. Lid 3: Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling 8 4 Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27 Begripsbepalingen
Artikel 2:27 Begripsbepalingen Definities
Lid 1: In deze afdeling wordt verstaan onder; a. openbare inrichting: 1. een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis; 2. elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden ter plaatse bereid of verstrekt. b. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.
Lid 1: In deze afdeling wordt verstaan onder a. openbare inrichting verstaan 1. een hotel, restaurant, pension, (internet)café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, afhaalzaak of clubhuis 2. of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden ter plaatse bereid of verstrekt.
Lid 2: Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.
Lid 2: Onder openbare inrichting wordt mede verstaan. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besluiten ruimte.
b. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.
Lid 3: In deze afdeling wordt onder leidinggevende verstaan: a. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend;
b. de natuurlijke persoon, die de algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin de openbare inrichting wordt uitgeoefend in een of meer inrichtingen; c. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van zodanig bedrijf in een inrichting. Artikel 2:28 Exploitatie openbare
Artikel 2:28 Exploitatie openbare
inrichting
inrichting
Lid 2: De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
Lid 2: De burgemeester weigert de vergunning indien als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of, voorbereidingsbesluit of een omgevingsvergunning met het bestemmingsplan strijdig gebruik;
Lid 3: In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
Lid 3: In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of: b. de exploitant of de leidinggevende(n) in enig opzicht van slecht levensgedrag is/zijn; c. de feitelijke situatie niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.
Lid 4: Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in:
Lid 4: Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:
a.
een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; een zorginstelling; een museum; of een bedrijfskantine of –restaurant.
a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum; of d. een bedrijfskantine of –restaurant.
Lid 5: De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld
Lid 5: De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld
b. c. d.
in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, indien: a.
b.
zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; dan wel de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid.
in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, als aan a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting, dan wel b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid. bestaande en nieuw te vestigen openbare inrichtingen die een horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als: a.
b.
c.
er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in tweede of derde lid; aan de exploitant een geldige vergunning op grond van de Alcoholwet is verleend; zich in de zes maanden voorafgaand aan het verzoek om vrijstelling of het besluit tot ambtshalve vrijstelling geen incidenten hebben voorgedaan gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en/of – handel in of bij de inrichting;
Lid 6: De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid onder a.
Lid 6: De burgemeester trekt de vrijstelling in wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid onder a d.
Lid 7: Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het vijfde lid.
Lid 7: De burgemeester verbindt in het geval een terras onderdeel uitmaakt van de openbare inrichting de volgende voorwaarden aan de exploitatievergunning: de door de politie, brandweer of de daartoe door het college aangewezen ambtenaren te geven aanwijzingen stipt en onmiddellijk worden opgevolgd; objecten op het terras blokkeren geen vluchtwegen of bluskranen, waardoor vluchtwegen en bluskranen altijd duidelijk zichtbaar
-
-
-
-
-
-
-
-
-
en voor de brandweer bereikbaar zijn; het gebruik van vuurkorven, haarden, houtkachels, barbecues, fakkels, gelbranders en andere open vuren is niet toegestaan; als het terras gesloten is kan het terras niet worden gebruikt en wordt voorkomen dat hinder voor het verkeer en de omgeving ontstaat. Bij gebleken misbruik en/of onveilige situaties worden er maatregelen getroffen door de exploitant; als het terras voor een langere periode gesloten is worden de terrasschermen opgeslagen; het terras is verzorgd en ordelijk van karakter en wordt door de exploitant schoongehouden; kabels en snoeren worden goed bevestigd of liggen vast, bijvoorbeeld met plak-strips vastgeplakt of met matten afgedekt, ter voorkoming van struikelen en/of vallen, letsel en beschadiging; er wordt geen gebruik gemaakt van de stroompunten van de gemeente voor de elektrische apparatuur op het terras; exploitatie van het terras geschiedt zodanig dat geen ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat ontstaat; de exploitant draagt er zorg voor dat de op het terras aanwezige bezoekers geen hinder of overlast veroorzaken; levende of mechanische muziek kan alleen ten gehore worden gebracht wanneer hiervoor een melding is ingediend of een ontheffing of vergunning is verleend.
Lid 8: De burgemeester kan in de exploitatievergunning voor een openbare inrichting en voor een daarbij behorend terras een andere sluitingstijd of sluitingstijden vaststellen dan bepaald in artikel 2:29, lid 1 en lid 3. Lid 9: Op de aanvraag om een vergunning of een
vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het vijfde lid. Artikel 2:29 Sluitingstijd
Artikel 2:29 Sluitingstijd
Lid 1: Openbare inrichtingen zijn gesloten op:
Lid 1: Openbare inrichtingen zijn gesloten op:
a.
b.
zondag tot en met zaterdag tussen 02.00 uur en 06.00 uur (sluitingstijd); zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 06.00 uur, mits de exploitant van de openbare inrichting hiertoe een convenant heeft ondertekend (sluitingstijd).
a.
b.
c.
van maandag tot en met vrijdag zondag tot en met zaterdag tussen 02.00 uur en 06.00 uur (sluitingstijd); zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 06.00 uur, mits de exploitant van de openbare inrichting hiertoe een convenant heeft ondertekend (sluitingstijd); met uitzondering van afhaalzaken die onder de Winkeltijdenwet en de Winkeltijdenverordening Haaksbergen vallen.
Lid 6: Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Lid 6: Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen
Artikel 2:31 Verboden gedragingen
b. zich te bevinden na sluitingstijd, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;
b. zich te bevinden na sluitingstijd gedurende de tijd dat de in, tenzij het personeel betreft, of richting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;
Artikel 2:32 Handel binnen openbare
Artikel 2:32 Handel binnen openbare
inrichtingen
inrichtingen
Lid 1: In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht .
Lid 1: In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht .
Lid 2:
Lid 2:
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd
Artikel 2:33 Het college als bevoegd
bestuursorgaan
bestuursorgaan
Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Indien Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Afdeling 8A. Bijzondere bepalingen over Afdeling 8A 5. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- horeacabedrijven als bedoeld in de en Horecawet Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit Alcoholwet Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling 9 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:38a Definities Lid 1: In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. Lid 2: In deze afdeling voorkomende begrippen die
in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel 2:39 Speelgelegenheden
Artikel 2:39 Speelgelegenheden
Lid 1: In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
Lid 1: In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. Lid 1: Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleen; a. speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en b. speegelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handelnig als in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.
Lid 2: Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; a. speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en b. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel
Lid 2: Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester weigert de vergunning als: a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. Lid 3: De burgemeester weigert de vergunning: a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
Lid 3: Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Lid 4: Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepasing. Artikel 2:40 Kansspelautomaten
Artikel 2:40 Kansspelautomaten
Lid 1: In dit artikel wordt verstaan onder:
Lid 1: In dit artikel wordt verstaan onder:
a. b.
c.
d.
Wet: de Wet op de kansspelen; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c. van de Wet ; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.
Lid 2: In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.
a. b.
Wet: de Wet op de kansspelen; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c. van de Wet ; c. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; d. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. Lid 2: In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Lid 3: In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast, en baldadigheid
Afdeling 11 8. Maatregelen ter voorkoming tegen van overlast en baldadigheid , gevaar of schade
Artikel 2:40a Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1.
2.
De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde, de veiligheid of gezondheid, de tijdelijke sluiting bevelen van een voor publiek openstaand gebouw en bijbehorende erven als daar: a. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; b. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; c. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of d. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of gezondheid. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of
lokaal
lokaal
Lid 1: Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
Lid 1: Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
Lid 2: Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
Lid 2: Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
Lid 3: Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of
Lid 3: Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of
het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:42 Plakken en kladden
Artikel 2:42 Plakken en kladden
Lid 3: Het verbod in het tweede lid, is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
Lid 3: Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing indien voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
Lid 4: Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
Lid 4: De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een toezichthouder of een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
Lid 5: Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
Lid 5: Het college kan wijst aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
Lid 6: Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
Lid 6: Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
Lid 7: De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
Lid 7 Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan van de meningsuitingen en bekenmakingen. Lid 8: De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.
e.d.
en dergelijke
Lid 2: Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Lid 2: Dit Het verbod is niet van toepassing, indien als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
Lid 2: Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Lid 2: Dit Het verbod is niet van toepassing indien als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde
Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde
voorwerpen
voorwerpen
Lid 2: Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.
Lid 2: Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op
openbare plaatsen
openbare plaatsen
Lid 1: Het is verboden op een openbare plaats:
Lid 1: Het is verboden op een openbare plaats:
a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent.
a.
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b.
zich op te houden op een wijze die aan voor andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen omwonenden onnodig overlast of hinder berokkent veroorzaakt.
Lid 2: Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Lid 2: Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
Lid 2: Het verbod is niet van toepassing op:
Lid 2: Het verbod is niet van toepassing op:
a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en alcoholwet; b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en alcoholwet.
a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet Artikel 2:48a Lachgasverbod Lid 1: Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. Lid 2: Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. Lid 3: Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in
gebouwen
gebouwen
Lid 1: Het is verboden :
Lid 1: Het is verboden zonder redelijk doel:
a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het
publiek toegankelijke ruimten
publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen verstaan: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties Lid 1: Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. Lid 2: Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:52 Overlast van fiets of
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets
bromfiets op markt en kermisterrein e.d.
op markt en kermisterrein e.d en dergelijke
Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de burgemeester zijn aangewezen, zich op met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Het is verboden zich op uren en plaatsen die door het college of de burgemeester zijn aangewezen uren en plaatsen zich op met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:57 Loslopende honden
Artikel 2:57 Loslopende honden
Lid 1:
Lid 1:
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: b. binnen de bebouwde kom, welke is aangegeven op bijlage 2 bij deze verordening, op de weg of een openbare plaats zonder dat de hond is aangelijnd; c. op de weg of een openbare plaats als die hond geen halsband om heeft of een ander identificatiemerk heeft waaruit blijkt wie de eigenaar of houder van de hond is.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: b. binnen de bebouwde kom, welke die is aangegeven op bijlage 2 bij deze verordening, op de weg of een openbare plaats als zonder dat de hond niet is aangelijnd; c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd; d. op de weg of een openbare plaats als die hond geen halsband om heeft of een ander identificatiemerk heeft waaruit blijkt wie de eigenaar of houder van de hond is.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
Lid 3: Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen hondenuitlaatplaatsen (HUP).
Lid 3: Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen hondenuitlaatplaatsen (HUP).
Artikel 2:59 Gevaarlijke en hinderlijke
Artikel 2:59 Gevaarlijke en hinderlijke
(blaffende) honden
(blaffende) honden
Lid 1: Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats, weg of op het terrein van een ander.
Lid 1: Indien Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats, weg of op het terrein van een ander.
Lid 2: Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder is verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
Lid 2: Een De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, houdt in dat de eigenaar of houder is verplicht is de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
Lid 3: Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
Lid 3: Een De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd houdt in dat de eigenaar of houder is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
a.
b.
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is
a.
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
c.
aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Lid 4: Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, aanhef onder c moet een hond als bedoeld in het eerste lid altijd voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
b.
c.
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Lid 4: Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, aanhef onder c moet een hond als bedoeld in het eerste lid altijd voorzien te zijn van een door de bevoegde minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein Lid 1: Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid. Lid 2: Het verbod geldt niet als: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats en naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; c. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Afdeling 12. Bepalingen ter Bestrijding van heling van goederen
Afdeling 12 9. Bepalingen ter Bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66 Begripsbepaling
Artikel 2:66 Begripsbepaling Definitie
In deze afdeling wordt verstaan onder
In deze afdeling wordt verstaan onder
handelaar een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
handelaar verstaan de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67 Verplichtingen met