CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Afstemmingsverordening (datum raadsvergadering 21 april 2021)

Gemeenteraad 21 april 2021, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Vaststellen van de Afstemmingsverordening2.315 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Afstemmmingsverordening Haaksbergen (4.1d) Samenvatting

Deze verordening geeft aan wanneer op grond van de Participatiewet, de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), maatregelen worden opgelegd. De gemeenteraad van Haaksbergen;

Voorstel van het college van: 9 maart 2021 Wettelijke basis:

Bepaling van bepalingen van de Participatiewet (artikel 8, eerste lid,

aanhef en onderdelen a en e), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (artikel 35) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk

arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (artikel 35), de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht. Besluit: Vast te stellen de Afstemmingsverordening Haaksbergen.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepaling

1. Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2. Deze verordening verstaat onder: a. uitkering: de uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 2 en 3 en hoofdstuk 4, paragraaf 1 en de bijzondere bijstand bedoeld in artikel 12 van de Participatiewet inclusief vakantiegeld en zonderaftrek van 1

inkomsten of de uitkering (bruto grondslag) als bedoeld in artikel 5, eerste lid IOAW of de IOAZ; b. uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm dan wel de grondslag als bedoeld in artikel 5, lid 3 tot en met 5 IOAW/IOAZ; c. plan van aanpak: het plan, zoals bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; d. uitkeringsgerechtigde: degene die een uitkering ontvangt of heeft ontvangen in de periode waarop de maatregelenwaardige gedraging betrekking heeft; e. benadelingsbedrag: netto–uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Artikel 2 Het besluit tot opleggen van een verlaging

In het besluit tot het opleggen van een verlaging worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging; b. de duur van de verlaging; c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd; en d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. Artikel 3 Horen van belanghebbende

1. Voordat het college een maatregel oplegt, stelt het college belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid; d. de belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. 2

Artikel 4 Afzien van verlaging

1. Het college ziet af van een verlaging als de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden. 2. Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, stelt het college belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte.

Artikel 5 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1. Het college past een verlaging toe op de uitkering over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij gaat het college uit van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid kan het college de verlaging met terugwerkende kracht toepassen, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald. Artikel 6 Berekeningsgrondslag Het college berekent de verlaging over de voor belanghebbende(n) van toepassing zijnde uitkering.

Hoofdstuk 2 Niet nakomen van overige verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling (de niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen)

Artikel 7 Gedragingen Participatiewet

Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55, van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. Eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. b. Tweede categorie: 1. het niet naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;

3

2. het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen. c. Derde categorie: 1. het niet of niet voldoende meewerken waarbij het re-integratie- of integratietraject wordt geschaad; 2. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet; 3. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; 4. het onvoldoende nakomen van de verplichtingen voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende de zoektijd van vier weken; 5. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laat blijken niet mee te willen werken aan de aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet als alleenstaande ouder; d. Vierde categorie: het weigeren van of het door eigen toedoen niet behouden van een werkstage die leidt tot een reguliere dienstbetrekking. Artikel 7a Niet meewerken aan taaltoets

Als een belanghebbende niet meewerkt aan het afleggen van de taaltoets als bedoeld in artikel 18b, tweede lid, van de Participatiewet, legt het college een verlaging op van: a. 20 procent van de uitkering gedurende 1 maand; b. 40 procent van de uitkering gedurende 1 maand als belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege het niet meewerken aan het afleggen van de taaltoets opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging; c. telkens 100 procent van de uitkering gedurende 1 maand als belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit in de zin van artikel 4

7a, onderdeel b, van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging. Artikel 8 Gedragingen IOAW en IOAZ

Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. Eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; b. Tweede categorie: het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; c. Derde categorie: 1. gedragingen van belanghebbende die de inschakeling in arbeid belemmeren; 2. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38, eerste lid, van de IOAZ; 3. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAZ; d.

Vierde categorie: het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en artikelen 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 5

e. Vijfde categorie: als de uitkeringsgerechtigde is ontslagen en hiermee heeft ingestemd of hiertegen geen verweer heeft gevoerd. Artikel 8a Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering 1. Het college weigert een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ tijdelijk naar de mate waarin belanghebbende inkomen op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als belanghebbende: a. op staande voet is ontslagen; of b. zelf ontslag heeft genomen. 2. Het college kan een uitkering op grond van de IOAW- of IOAZ blijvend verlagen naar de mate waarin belanghebbende inkomen op grond van artikel 8 van IOAW of de IOAZ zou hebben kennen verwerven, als belanghebbende: a. nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of b. door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. Artikel 9 Hoogte en duur van een verlaging

Het college stelt de verlaging bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8 van deze verordening, vast op: a. 5% van de uitkering gedurende 1 maand bij gedragingen uit de eerste categorie; b. 10% van de uitkering gedurende 1 maand bij gedragingen uit de tweede categorie; c. 20% van de uitkering gedurende 1 maand bij gedragingen uit de derde categorie; d. 50% van de uitkering gedurende 1 maand bij gedragingen uit de vierde categorie; e. 100% van de uitkering gedurende 1 maand bij een gedraging uit de vijfde categorie.

Hoofdstuk 3 Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling 6

Artikel 10 Duur verlaging bij schending wettelijke arbeidsverplichting

Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, verlaagt het college de uitkering met 100% gedurende: a. één maand, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdelen b, f en g, van de Participatiewet; b. twee maanden, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdelen a, c, d, e en h, van de Participatiewet. Artikel 11 Toepassen verlaging

1. Het college past de verlaging, bedoeld in artikel 10 van deze verordening, toe over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 2. Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel a, kan het college de verlaging toepassen over twee maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de verlaging wordt toebedeeld. 3. Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel b, van deze verordening kan het college de verlaging toepassen over drie maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden een derde van de verlaging wordt toebedeeld.

Hoofdstuk 4 Overige gedragingen die leiden tot een verlaging Artikel 12 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

1. Het college stemt een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet af op het benadelingsbedrag. 2. Het college stelt de verlaging vast op: 7

a. 10% van de uitkering gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,00; b. 20% van de uitkering gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000,00 tot € 2.000,00; c. 40% van de uitkering gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000,00 tot € 4.000,00; d. 100% van de uitkering gedurende tenminste één maand bij een benadelingsbedrag van € 4.000,00 of hoger. Artikel 13 Zeer ernstige misdragingen

Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren of personen onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ, legt het college een verlaging op van minimaal 50% en maximaal 100% van de uitkering gedurende één maand.

Hoofdstuk 5 Samenloop, recidive en volharding Artikel 14 Samenloop van gedragingen

Als een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen als genoemd in hoofdstuk 2, 3 en 4 gaat het college voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging uit van de gedraging waarvoor de hoogste verlaging geldt. Artikel 15 Recidive

Het college verdubbelt de duur van de verlaging als bedoeld in de hoofdstukken 2, 3 en 4 als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan dezelfde of ernstiger verwijtbare gedraging. Dit geldt ook als het college bij het eerste verwijtbare gedrag besloten heeft van een verlaging af te zien op grond van dringende redenen. Artikel 16 Volharding 1. Wanneer een uitkeringsgerechtigde, binnen een jaar, na de recidive, zoals genoemd in artikel 15 van deze verordening, volhardt in afstemmingswaardig 8

gedrag, zoals bedoeld in hoofdstuk 2,3 en 4 dan verlaagt het college de uitkering voor de duur van drie maanden. 2. Het college stemt de hoogte van het percentage af op het percentage dat past bij de afstemmingswaardige gedraging. Wanneer duidelijk is dat deze verlaging niet de gewenste gedragsverandering tot gevolg heeft, hanteert het college een hoger percentage. 3. Na het verlagen van de uitkering als bedoeld in het eerste lid van dit artikel voert het college elke drie maanden een herbeoordeling uit om te beoordelen of de uitkeringsgerechtigde voldoende activiteiten onderneemt om zo spoedig mogelijk aan het werk te gaan. Wanneer de uitkeringsgerechtigde geen, dan wel onvoldoende activiteiten onderneemt, dan verlaagt het college de uitkering met een hoger percentage voor de duur van drie maanden.

Hoofdstuk 6 Overige bepalingen Artikel 17 Maatregel bij verlies van een passende en toereikende voorliggende voorziening

1. Wanneer een uitkeringsgerechtigde een Werkloosheidswetuitkering blijvend en geheel wordt geweigerd, verlaagt het college de uitkering met 100% gedurende de eerste drie maanden vanaf de toekenning van de uitkering. 2. Wanneer een uitkeringsgerechtigde niet kan beschikken over een passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht, dan verlaagt het college de uitkering met 100% gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf de start van de verrekening.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen Artikel 18 Inwerkingtreding en intrekken oude verordening 1. Deze verordening treedt in werking op 7 mei 2021. 9

2. Op het moment dat deze verordening in werking treedt, wordt de op 17 december 2014 vastgestelde Afstemmingsverordening ingetrokken. Artikel 21 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening.

Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 21 april 2021

mr. G. Raaben griffier

mr. drs. R.G. Welten burgemeester

10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10004490/2