Advies Commissie bezwaarschriften geanonimiseerd
Tekst van het document
*Z0237139CEB*
Commissie bezwaarschriften
De raad van de gemeente Haaksbergen
Uw kenmerk : Uw datum : Behandeld door : L.G. Hartman Telefoonnummer : (053) 573 45 67
Zaaknummer Kenmerk Kenmerk Commissie Bijlagen Datum
: Z/20/016674 : D-100504 : 20/33 : 4 :
Onderwerp: advies over bezwaarschrift de heer en mevrouw B.
Geachte raad, Op 26 juni 2020 per mailbericht en op 29 juni 2020 schriftelijk, hebben wij een bezwaarschrift ontvangen van heer en mevrouw B. Het bezwaarschrift is gericht tegen uw besluit van 21 april 2020 (verzonden op 14 mei 2020) om geen medewerking te verlenen aan hun verzoek tot het wijzigen van de bestemming van de overzijde van Molenveldweg 6 naar een woonbestemming. In deze brief geven wij u ons advies over dat bezwaarschrift. Ons advies Wij adviseren u: 1. het bezwaar van de heer B. niet-ontvankelijk te verklaren; 2. het bezwaar van mevrouw B. ontvankelijk te verklaren; 3. het besluit van 21 april 2020 (verzonden op 14 mei 2020) om geen medewerking te verlenen aan het verzoek tot het wijzigen van de bestemming van de overzijde van Molenveldweg 6 naar een woonbestemming te handhaven, met dien verstande dat de motivering wordt aangevuld overeenkomstig dit advies. Voorgeschiedenis 9 januari 2019
De heer en mevrouw B. dienen een verzoek in om medewerking te verlenen aan het wijzigen van de bestemming van de overzijde van Molenveldweg 6 naar een woonbestemming.
5 maart 2020
De heer en mevrouw B. sturen een mailbericht aan u.
21 april 2020
U besluit om geen medewerking te verlenen aan het verzoek van de heer en mevrouw B. tot het wijzigen van de bestemming van de overzijde van Molenveldweg 6 naar een woonbestemming.
14 mei 2020
U verstuurt het besluit om geen medewerking te verlenen aan het verzoek tot het wijzigen van de bestemming van de overzijde van
Gemeentehuis Haaksbergen Postbus 102 7480 AC, Blankenburgerstraat 28 7481 EB Haaksbergen, Tel: (053) 573 45 67, Fax: (053) 572 80 75 www.haaksbergen.nl gemeente@haaksbergen.nl Kijk voor openingstijden en het maken van een afspraak op www.haaksbergen.nl IBAN NL56 BNGH 028.50.03.194
Molenveldweg 6 naar een woonbestemming, aan de heer en mevrouw B. 26 juni 2020
De heer en mevrouw B. dienen per mailbericht een bezwaarschrift in. Een afschrift van dit bezwaarschrift treft u als bijlage 1 bij dit advies aan.
29 juni 2020
U ontvangt het schriftelijke bezwaarschrift van de heer en mevrouw B. Een afschrift van het schriftelijke bezwaarschrift treft u als bijlage 2 bij dit advies aan.
1 juli 2020
De voorzitter van onze commissie stelt de bezwaarmakers tot vier weken na 1 juli 2020 in de gelegenheid aan te geven wie het bezwaarschrift heeft ondertekend en het bezwaarschrift alsnog te laten ondertekenen door degene die het bezwaarschrift nog niet heeft ondertekend. Daarnaast stelt de voorzitter van onze commissie de bezwaarmakers in de gelegenheid om binnen vier weken na 1 juli 2020 aan te geven waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend.
9 juli 2020
De bezwaarmakers reageren op de brief van de voorzitter van onze commissie en sturen het ondertekende bezwaarschrift toe. Een afschrift van deze brief treft u als bijlage 3 bij dit advies aan.
24 augustus 2020
U verdaagt de beslissing op het bezwaarschrift van de heer en mevrouw B. tot en met 5 november 2020.
25 augustus 2020
De voorzitter van onze commissie nodigt de bezwaarmakers en u uit voor de hoorzitting van maandag 21 september 2020 om 15:45 uur.
10 september 2020
Het college dient een verweerschrift in.
14 september 2020
De voorzitter van onze commissie stuurt een afschrift van de processtukken aan de bezwaarmakers en aan uw raad.
17 september 2020
De bezwaarmakers verzoeken onze commissie om de hoorzitting uit te stellen en gaan akkoord met een eventuele termijnoverschrijding.
21 september 2020
De voorzitter van onze commissie deelt de bezwaarmakers en uw raad mee dat de hoorzitting verplaatst is naar maandag 2 november 2020 om 16:30 uur.
2 november 2020
Onze commissie hoort de bezwaarmakers en het college. Het verslag van de hoorzitting treft u als bijlage 4 bij dit advies aan.
2
Onze argumenten Ons advies baseren wij op de volgende argumenten: a. de heer B. is geen belanghebbende bij het verzoek om medewerking te verlenen aan het wijzigen van de bestemming van de overzijde van het perceel Molenveldweg 6 en het bestreden besluit; b. mevrouw B. heeft tijdig bezwaar gemaakt, is belanghebbende bij het verzoek om medewerking te verlenen aan het wijzigen van de bestemming van de overzijde van het perceel Molenveldweg 6 en het bestreden besluit en haar bezwaarschrift voldoet aan de vereisten van de Algemene wet bestuursrecht; c. u hebt het verzoek om een bestemmingsplanwijziging terecht afgewezen; d. de motivering van het bestreden besluit dient te worden aangevuld omdat in het bestreden besluit niet in is gegaan op het mailbericht van 5 maart 2020 en omdat mevrouw B. er zelf voor heeft gekozen de koppeling tussen het gemeentelijk monument en de woning los te laten.
Toelichting op onze argumenten a. De heer B. is geen belanghebbende bij het verzoek om medewerking te verlenen aan het wijzigen van de bestemming van de overzijde van het perceel Molenveldweg 6 en het bestreden besluit Volgens artikel 8:1 en artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een bezwaarschrift uitsluitend worden ingediend door een belanghebbende bij een bepaald besluit. In de Awb wordt onder ‘belanghebbende’ verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (artikel 1:2, eerste lid, van de Awb). Uit kadastrale informatie is onze commissie gebleken dat alleen mevrouw B. eigenaresse is van het perceel waarop het verzoek om bestemmingsplanwijziging betrekking heeft. Tijdens de hoorzitting heeft de gemachtigde van de heer B. aangegeven dat de heer B. in gemeenschap van goederen is gehuwd met mevrouw B. Onze commissie is echter niet gebleken dat de heer B. – nu hij gelet op de kadastrale informatie geen eigenaar van het perceel is – een rechtstreeks belang heeft bij het verzoek om medewerking te verlenen aan het wijzigen van de bestemming van de overzijde van het perceel Molenveldweg 6 en het bestreden besluit. Wij adviseren uw raad dan ook het bezwaar van de heer B. niet-ontvankelijk te verklaren. b.
Mevrouw B. heeft tijdig bezwaar gemaakt, is belanghebbende bij het verzoek om medewerking te verlenen aan het wijzigen van de bestemming van de overzijde van het perceel Molenveldweg 6 en het bestreden besluit en haar bezwaarschrift voldoet aan de vereisten van de Awb
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Awb). De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (artikel 6:8, eerste lid, van de Awb). In het geval van mevrouw B. is de termijn begonnen op 15 mei 2020 en is de laatste dag waarop nog bezwaar kon worden gemaakt 25 juni 2020. Het bezwaarschrift van mevrouw B. is per mailbericht ontvangen op 26 juni 2020 en schriftelijk ontvangen op 29 juni 2020, zodat haar bezwaarschrift buiten de termijn is ingediend. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan
3
worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 Awb). Bij brief van 1 juli 2020 heeft de voorzitter van onze commissie mevrouw B. tot uiterlijk vier weken na 9 juli 2020 in de gelegenheid gesteld om schriftelijk aan te geven waarom haar bezwaarschrift te laat is ingediend. Uit de reactie van mevrouw B. van 9 juli 2020 op de brief van de voorzitter van onze commissie van 1 juli 2020, blijkt echter dat het besluit van uw raad dat 14 mei 2020 verzonden is, niet de juiste bijlage bevatte en dat die juiste bijlage (het raadsbesluit van 21 april 2020) pas rond 21 mei 2020 verzonden is. Om deze reden is onze commissie van oordeel dat het bezwaarschrift van mevrouw B. dat op 26 juni 2020 per mailbericht en op 29 juni 2020 schriftelijk is ontvangen, wel tijdig is ingediend. Als uit wordt gegaan van de verzenddatum van 21 mei 2020, had mevrouw B. namelijk tot en met 2 juli 2020 de tijd om bezwaar te maken. Onze commissie is daarnaast gebleken dat mevrouw B. belanghebbende is bij het verzoek om medewerking te verlenen aan het wijzigen van de bestemming van de overzijde van het perceel Molenveldweg 6 en het bestreden besluit, want uit kadastrale informatie blijkt dat zij eigenaresse is van het perceel waarop het verzoek om bestemmingsplanwijziging betrekking heeft. Verder is onze commissie gebleken dat het bezwaarschrift van mevrouw B.
ondertekend is en aan de overige vereisten van de Awb voldoet. c.
U hebt het verzoek om bestemmingsplanwijziging terecht afgewezen
Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing (artikel 3.8, eerste lid, eerste volzin, van de Wet ruimtelijke ordening, hierna: Wro). Artikel 3.8 is niet van toepassing op de afwijzing van een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen (artikel 3.9, eerste lid van de Wro). Tot een afwijzing als bedoeld in het eerste lid besluit uw raad zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag (artikel 3.9, tweede lid, van de Wro). Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd: a. op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij, b. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en c. in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij, ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen (artikel 14, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij).
Uit jurisprudentie (onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, hierna: Afdeling bestuursrechtspraak, van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3529 en van 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:563) blijkt dat bij het besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan uw raad beleidsvrijheid toekomt. De Afdeling toetst dit besluit terughoudend. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of u in redelijkheid heeft kunnen afzien van de vaststelling van het plan en voorts of bij het nemen van dat besluit anderszins niet is gehandeld in
4
strijd met het recht. Bij de behandeling van het bezwaarschrift van mevrouw B. toetst onze commissie echter niet alleen de rechtmatigheid maar ook de doelmatigheid van het bestreden besluit. Bij brief van 9 januari 2019 heeft mevrouw B. – onder meer – verzocht om medewerking te verlenen aan een wijziging van het bestemmingsplan van “Agrarisch – Agrarisch bedrijf” naar “Wonen” voor het perceel gelegen tegenover Molenveldweg 6. In deze brief is – onder meer – het volgende aangegeven: -
-
Wij verzoeken u daarnaast opnieuw – zodra het kettingbeding is vervallen – medewerking te verlenen aan een wijziging van het bestemmingsplan van “Agrarisch – Agrarisch bedrijf” naar “Wonen” voor het perceel gelegen tegenover Molenveldweg 6. Het geldende bestemmingsplan laat op dit moment de bouw toe van een nieuwe bedrijfswoning binnen het bouwvlak, mits wordt aangetoond dat er sprake is van een reëel agrarisch bedrijf. Naast de woning is binnen het bouwvlak dan tevens de bouw mogelijk van allerlei andere gebouwen en bouwwerken ten dienste van de bestemming. Omwonenden van de locatie – die ook buurtgenoten zijn – hebben al aangegeven dat zij grote bezwaren hebben tegen een dergelijke bebouwing. Wij begrijpen deze bezwaren en willen daaraan tegemoetkomen door u te verzoeken het ten noordoosten van de Molenveldweg gelegen deel van de bestemming te wijzigen van “Agrarisch – Agrarisch bedrijf” naar “Wonen” en het ten zuidwesten gelegen deel te voorzien van de aanduiding “bedrijfswoning uitgesloten”. Aldus wordt de bouw van agrarische gebouwen en bouwwerken ten noordoosten van de Molenveldweg onmogelijk gemaakt. Ruimtelijke gezien is er geen reden medewerking te weigeren. In het gebied waarin de nieuw te bouwen woning zich bevindt, bevinden zich meerdere locaties waar de agrarische bestemming is omgezet in een woonbestemming.
Bovendien gaat het hier niet om het toevoegen van een woningbouwmogelijkheid, maar slechts om het anders bestemmen daarvan.
Mevrouw B. heeft in haar mailbericht van 5 maart 2020 gereageerd op het voorstel dat op de agenda van de gecombineerde commissievergadering van 11 maart 2020 staat. In uw raadsbesluit van 21 april 2020 is geen medewerking verleend aan het verzoek tot het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ tegenover de Molenveldweg 6 naar de bestemming ‘Wonen’. De argumenten hiervoor zijn: -
-
-
Het hernieuwde verzoek was aanleiding om uit te zoeken wat de mogelijkheden zijn voor de gewenste ontwikkeling van de initiatiefnemer. Hierbij is gekeken naar de mogelijkheden zoals het verplaatsen van de woonfunctie, Rood-voor-Rood en het realiseren van een nieuwe bedrijfswoning. Om de voorliggende situatie mogelijk te maken blijkt echter geen van de onderzochte methoden toepasbaar. Om die reden wordt hierbij geadviseerd om geen medewerking te verlenen aan het ingediende verzoek. Het realiseren van een woonbestemming tegenover een agrarische bedrijfsbestemming is niet mogelijk In het hernieuwde verzoek d.d. 9 januari 2019 verzoeken de initiatiefnemers om alleen de bestemming van het perceel aan de overkant van de weg te wijzigen naar een Woonbestemming. Voor het zuidwestelijke deel van het erf wordt verzocht om de aanduiding “Bedrijfswoning uitgesloten” op te nemen. Hiermee wordt de woonfunctie van de Molenveldweg 6 verplaatst. Het wijzigen van de bestemming aan de overzijde van de Molenveldweg 6 naar een woonbestemming is echter niet mogelijk. Ongeacht deze aanduiding zou de exploitatie van een agrarisch bedrijf in de toekomst op deze locatie nog steeds mogelijk zijn. Dit is strijdig met artikel 14 lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv).
Op basis van artikel 14 lid 2 van de Wgv dient een woning in het buitengebied namelijk minimaal 50 meter van een agrarische bedrijvenbestemming af te liggen. Voor de bestemmingen aan de Molenveldweg 6 is dit niet haalbaar. Het voorstel past niet binnen het Rood-voor-Rood beleid van de gemeente Haaksbergen Binnen de gemeente Haaksbergen worden regelmatig nieuwe woningen in het buitengebied gerealiseerd op basis van het Rood-voor-Rood beleid. Voor de ontwikkeling aan de
5
-
Molenveldweg 6 is onderzocht of Rood-voor-Rood ook hier een mogelijkheid was. Dit blijkt echter niet het geval. Binnen het Rood-voor-Rood beleid zijn een aantal voorwaarden opgenomen voor de realisatie van een nieuwe woning. Dit gaat onder andere in op het terugbouwen van de compensatiewoning op de slooplocatie, in één van de zoekgebieden, of aansluitend bij een bestaande bebouwingsconcentratie. Ter compensatie van de nieuw te bouwen woning dient er minimaal 1.000 m2 aan landschapsontsierende bebouwing in het buitengebied van Haaksbergen te worden gesloopt. De gewenste ontwikkeling voldoet niet aan de bovengenoemde voorwaarden en past daarmee niet binnen het Rood-voorRoodbeleid. Het realiseren van een vervangende bedrijfswoning is momenteel niet mogelijk De twee percelen hebben in het vigerende bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarisch – agrarisch bedrijf’. Onder normale omstandigheden is het mogelijk om een woning op het erf te verplaatsen. Op basis van deze redenering zou het mogelijk zijn om de bedrijfswoning naar de overkant van de weg te verplaatsen. Echter kan er alleen ten dienste van de bestemming op een perceel gebouwd worden. Voor deze locatie houdt dat in dat er enkel gebouwd mag worden ten dienste van een agrarisch bedrijf. Momenteel is er geen volwaardig agrarisch bedrijf op het perceel aanwezig.
Zodoende is het op dit moment niet mogelijk om binnen de huidige bestemming een woning aan de overkant van de weg te plaatsen. Indien er zodra er aangetoond wordt dat er wel een volwaardig agrarisch bedrijf op het erf aanwezig is, is het over het algemeen mogelijk om de woning wel aan de overkant van de weg binnen de huidige bestemming te realiseren. Dit gaat wel ten koste van het woonrecht wat momenteel op het monument zit.
In de brief van uw raad van 14 mei 2020 is daarnaast nog het volgende aangegeven: -
Op 21 april 2020 heeft de gemeenteraad van Haaksbergen unaniem het besluit genomen om geen medewerking te verlenen aan uw verzoek. Het wijzigen van de bestemming van de overzijde van de Molenveldweg 6 naar een woonbestemming is vanuit een ruimtelijk standpunt niet mogelijk. Ongeacht de gewenste aanduiding zou de exploitatie van een agrarisch bedrijf, waaronder een veehouderij, in de toekomst nog steeds mogelijk zijn op het perceel Molenveldweg 6. Dit is strijdig met artikel 14 lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Op basis van artikel 14 lid 2 van de Wgv dient een woning in het buitengebied namelijk minimaal 50 meter van een agrarisch bedrijvenbestemming af te liggen. Voor de bestemmingen aan de Molenveldweg 6 is dit niet haalbaar.
In het bezwaarschrift van mevrouw B. is – kort samengevat – aangegeven dat de redenering op grond van artikel 14 lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij niet juist is, want andere vormen dan een veehouderij zijn wel mogelijk. Er ligt ook een woonbestemming op het direct aangrenzende perceel ten zuiden van het agrarisch bouwblok. Het Rood-voor-Rood beleid is in hun geval helemaal niet aan de orde want het gaat niet om de planologische toevoeging van een extra woning, maar om de al bestaande mogelijkheid een bedrijfswoning te realiseren om het bestemmingsplanmatig te wijzigen naar de realisatie van een burgerwoning. Daarnaast geeft mevrouw B. aan dat inmiddels een bedrijfsplan is opgesteld voor een paardenhouderij en dat een vergunning voor een vervangende bedrijfswoning en bijbehorende bebouwing na aanvraag, moet worden verleend. Uit contacten met de buurt is gebleken dat zij niet zitten te wachten op de vestiging van een volwaardig bedrijf. Medewerking verlenen aan een woonbestemming is ook in het belang van omwonenden. In het verweerschrift is – onder meer – het volgende aangegeven: -
In het bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen” vastgesteld op 2 juli 2013 is de locatie Molenveldweg 6 bestemd als ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf”. In artikel 1.9 van dit bestemmingsplan wordt een agrarisch bedrijf als volgt omschreven: “een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, niet zijnde: een glastuinbouwbedrijf, een boomkwekerij, een champignonkwekerij, een paardenhouderij gericht op het gebruik of een wormenkwekerij”.
6
-
-
-
-
-
-
-
-
Binnen de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf” is volgens deze begripsomschrijving een veehouderij toegestaan. Op basis hiervan dient het gestelde in artikel 14 van de Wet geurhinder en veehouderij bij de afweging van het verzoek te worden meegenomen. Een nieuwe bestemming kan niet worden gerealiseerd wanneer de bedrijfsvoering c.q. ontwikkeling van nabij gelegen percelen bestemd als ‘Agrarisch-Agrarisch bedrijf’ door de nieuwe woonbestemming met inachtneming van de geurregelgeving wordt belemmerd. Het plan om het perceel een woonbestemming te geven voldoet hierdoor niet aan de voorwaarde dat er sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening. Het doel van de gevraagde bestemmingsplanwijziging (zoals later in het bezwaarschrift ook wordt aangegeven) is het realiseren van een burgerwoning aan de overkant van Molenveldweg 6. Om de burgerwoning legaal te kunnen realiseren en te gebruiken is er een zodanige wijziging van het bestemmingsplan nodig dat wonen in een burgerwoning op het betreffende perceel is toegestaan. Tot slot kan worden opgemerkt dat de woonbestemming ten zuiden van Molenveldweg 6 door een vooralsnog onbekende reden is opgenomen in het bestemmingsplan, zonder dat het gestelde in de Wet geurhinder en veehouderij in de afweging is meegenomen. Dit is echter geen reden om gemaakte fout te herhalen.
Het klopt dat het Rood-voor-Rood beleid niet direct van toepassing is op het ingediende verzoek. Echter, gezien er geen medewerking verleend kan worden aan de gevraagde ontwikkeling, is er verder gekeken naar mogelijke alternatieven waarbinnen de ontwikkeling eventueel wel mogelijk gemaakt zou kunnen worden. Het beleid wat het meest in aanmerking komt voor de realisatie van een nieuwe burgerwoning in het buitengebied van Haaksbergen is het Rood-voor-Rood beleid. Helaas voldoet de gevraagde ontwikkeling ook niet aan de voorwaarden die in het Rood-voor-Rood beleid zijn opgenomen. De reden waarom dit als argument is opgenomen in het voorstel is om aan te tonen dat er ook geen alternatieven zijn gevonden om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. In de mail van 21 januari 2020 afkomstig van dhr. D. (adviseur van de initiatiefnemers) gericht aan dhr. W. (begeleidend ambtenaar) is het volgende aangegeven over de aanwezigheid van een volwaardig agrarisch bedrijf aan de Molenveldweg 6: ”In het advies meld je het volgende. “De initiatiefnemers hebben aangegeven dat er geen actief agrarisch bedrijf meer aanwezig is.
Zodoende is het niet mogelijk om binnen de huidige bestemming een woning aan de overkant van de weg te plaatsen.” Wellicht hebben initiatiefnemers zich wel zoiets laten ontvallen, maar de gronden en opstallen zijn – behoudens het monument – nog wel degelijk agrarisch in gebruik. Ze hebben bedoeld te zeggen dat er ter plaatse geen volwaardig agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend.” Hiermee erkent de adviseur van de initiatiefnemers dat er ten tijde van het opstellen van het voorstel geen volwaardig agrarisch bedrijf aanwezig is op de Molenveldweg 6. Aanvullend hierop wordt in het bezwaarschrift gesteld dat, indien er een bouwvergunning aangevraagd wordt op basis van het bedrijfsplan voor een paardenhouderij, deze verleend moet worden. Dit is niet volledig correct. Zoals eerder in dit verweerschrift is aangegeven wordt een agrarisch bedrijf als volgt omschreven in het bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen: “een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, niet zijnde: een glastuinbouwbedrijf, een boomkwekerij, een champignonkwekerij, een paardenhouderij gericht op het gebruik of een wormenkwekerij”. Op basis van deze definitie is een gebruiksgerichte paardenhouderij niet toegestaan binnen de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’.
Een productiegerichte paardenhouderij is binnen de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ wel mogelijk. Een productiegerichte paardenhouderij valt onder de definitie van een veehouderij. In het geval de initiatiefnemers overeenkomstig de toegestane bestemming een productiegerichte paardenhouderij gaat realiseren, dient zoals eerder al staat aangegeven de Wgv betrokken te worden bij de beoordeling van de gevraagde ontwikkeling. In dit kader zijn ook de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS 30 augustus 2017, nr. 201606358/1/A1 en AbRvS 2 november 2016, nr. 201508078/1/A1) van belang waarin wordt benadrukt dat bij de beoordeling van een vergunningaanvraag niet alleen relevant is óf een bouwwerk overeenkomstig de bestemming gebruikt kan worden, maar ook – en primair – hóe het bouwwerk zal worden gebruikt. Als redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal
7
-
worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet, is sprake van strijd met het bestemmingsplan. Conclusie Gelet op het vorenstaande geeft het ingediende bezwaarschrift van de familie B. ons geen aanleiding om terug te komen op het aangevochten besluit.
Onze commissie is van oordeel dat uw raad het verzoek tot een bestemmingsplanwijziging terecht heeft afgewezen. Onze commissie acht de door uw raad genoemde argumenten om geen medewerking te verlenen aan de verzochte bestemmingsplanherziening daarvoor voldoende. Onze commissie is van oordeel dat het realiseren van een nieuwe woonbestemming niet wenselijk is wanneer de bedrijfsvoering c.q. ontwikkeling van nabijgelegen percelen bestemd als ‘AgrarischAgrarisch bedrijf’ door de nieuwe woonbestemming met inachtneming van de geurregelgeving wordt belemmerd. Het plan om het perceel een woonbestemming te geven voldoet hierdoor niet aan de voorwaarde dat er sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening. Onze commissie is niet alleen gebleken dat het realiseren van een woonbestemming strijdig is met artikel 14, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij, maar het verzoek van mevrouw B. voldoet ook niet aan het vastgestelde Rood-voor Roodbeleid. Hoewel mevrouw B. heeft aangegeven dat er ook een woonbestemming ligt op het direct aangrenzende perceel ten zuiden van het agrarische bouwblok, is dat voor onze commissie geen aanleiding om uw raad te adviseren om medewerking te verlenen aan de verzochte bestemmingsplanherziening.
Onze commissie verwijst daarbij naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak waaruit blijkt dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zo ver strekt dat het bestuursorgaan een gemaakte fout moet herhalen (uitspraken van – onder meer – 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1636 en 13 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW8131). Uit de processtukken is onze commissie gebleken dat in de periode van 2015 tot 2018 het college wel de bereidheid heeft getoond om medewerking te verlenen aan het wijzigen van het bestemmingsplan, zodat er op het perceel tegenover de Molenveldweg 6 een burgerwoning zou kunnen worden gerealiseerd. Deze woning zou dan echter wel moeten dienen als “beheerderswoning” bij het gemeentelijk monument op het perceel Molenveldweg 6. Met haar verzoek van 9 januari 2019 heeft mevrouw B. de koppeling tussen het perceel Molenveldweg 6 en het perceel daartegenover losgelaten. Daarnaast is onze commissie tijdens de hoorzitting duidelijk geworden dat mevrouw B. niet bereid is de te realiseren woonbestemming te koppelen aan het gemeentelijk monument. d.
De motivering van het bestreden besluit dient te worden aangevuld omdat in het bestreden besluit niet in is gegaan op het mailbericht van 5 maart 2020 en omdat mevrouw B. er zelf voor heeft gekozen de koppeling tussen het gemeentelijk monument en de woning los te laten
Onze commissie is uit de processtukken gebleken dat uw raad in het bestreden besluit niet is ingegaan op het mailbericht van mevrouw B. van 5 maart 2020. Onze commissie is gebleken dat de inhoud van dat mailbericht grotendeels overeenkomt met de gronden van bezwaar. In het verweerschrift van 10 september 2020 is uitvoerig gereageerd op de gronden van bezwaar. Wij adviseren uw raad dan ook de motivering van het bestreden besluit aan te vullen met een reactie op het mailbericht van 5 maart 2020. Deze reactie is opgenomen in het verweerschrift van 10 september 2020 en in dit advies.
8
Daarnaast adviseren wij uw raad de motivering van het bestreden besluit aan te vullen met de motivering in onderdeel c van dit advies, die betrekking heeft op het loslaten van de koppeling tussen het gemeentelijk monument en de gewenste woonbestemming. Zo heeft onze commissie ook aandacht besteed aan het gegeven dat mevrouw B. er zelf voor heeft gekozen de koppeling tussen het gemeentelijk monument en de woning los te laten.
Hoogachtend, Commissie bezwaarschriften, de secretaris, de voorzitter,
mr. drs. L.G. Hartman
mr. M.C. Arnoldus
9