2024-A18-2.Concept zienswijze gezamenlijke Twentse gemeenten
Tekst van het document
Provincie Overijssel t.a.v. het college van Gedeputeerde Staten Postbus 1461 8000 BL Zwolle Hof van Twente, 20 februari 2024
Betreft: Zienswijze op het besluit tot aanpassing PPE, de Omgevingsverordening en vaststelling OER
Geacht college van Gedeputeerde Staten,
Met deze brief dient het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hof van Twente, gevestigd in Hof van Twente aan De Hofte 7, 7471 DK in Goor, namens [aantal gemeenten} een zienswijze in op de Aanpassing Omgevingsverordening Overijssel - instructieregel windenergie 2024, het Provinciaal Programma Energiestrategie (PPE) 2024 en een Omgevingseffectrapportage (OER) https://www.overijssel.nl/onderwerpen/omgeving/omgevingsvisie-overijssel/omgevingsverordening die tot en met 28 februari 2024 ter inzage ligt. Hierin zijn instructieregels voor zonnevelden en windturbines opgenomen. Voor de instructieregels zonnevelden is er al een inspraak procedure doorlopen. Deze zienswijze beperkt zich tot de voorgenomen instructieregels windenergie 2024 en het PPE. Ondergetekende Twentse gemeenten willen graag gezamenlijk gebruik maken van de mogelijkheid tot een indienen van een zienswijze. Van enkele van deze gemeenten ontvangt u ook nog een eigen, aparte zienswijze. Allereerst willen wij kenbaar maken dat we het zeer op prijs stellen dat het college van GS met deze besluiten de mogelijkheid schept sturing te geven aan invulling van de windopgave in Twente. Wij zijn met u van mening dat het belangrijk is een wildgroei aan windinitiatieven te voorkomen.
Het stellen van een maximum aan op te wekken windenergie per deelgebied draagt daar zeer aan bij, evenals de mogelijkheid de uitgangspunten voor realisatie van windenergie-projecten te toetsen aan programmeringsafspraken. Dat neemt niet weg dat we een aantal bezwaren zien in de opzet en uitvoering van de voorliggende besluiten: 1. Uitgangspunten OER De OER laat windpotentieel zien op locaties waar naar het oordeel van de gemeenten geen reële kans is om windenergie-projecten te realiseren. De oorsprong daarvan is dat in de OER uitgangspunten zijn gekozen die minder strikt zijn dan de concept landelijke milieunormen voor windenergie en/ of afwijken van meer gangbare uitgangspunten. Het gaat dan concreet om afstanden tot NNN-gebieden, afstanden tot gevoelige radarinstallaties, afstanden tot agrarische- en bedrijfswoningen, en afstand in relatie tot hoogtebeperking rond de aanvliegroute van het vliegveld. De ondertekenende gemeenten achten het uiterst ongewenst dat gebieden worden opengesteld voor windenergie-initiatieven als vervolgens pas na enkele jaren, in de fase van vergunningverlening of een projectbesluit, blijkt dat het windinitiatief niet gerealiseerd kan worden. Dit brengt veel onnodige onrust met zich mee.
De gemeenten verzoeken uw college daarom de OER op deze uitgangspunten aan te passen én een toets uit te voeren op vergunningsvereisten alvorens gebieden worden opengesteld voor windenergie-initiatieven.
2. Toekomstige ontwikkelingen In artikel 4.108a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat de Provincie in de voorkeursgebieden zorgt voor vrijwaring van ontwikkelingen die windenergie in de weg staan. Dat is met de huidige omvang van voorkeursgebieden en met de huidige formulering geen hanteerbaar principe. Gemeenten hebben te maken met ruimteclaims die volgen uit verschillende opgaven die (aldan-niet in overleg met de Provincie) ook in voorkeursgebieden moeten worden ingevuld: water en bodem sturend, de met BZK gesloten woondeals, (energie)infrastructuur, klimaatadaptatie, natuurontwikkeling, uitbreiding en vestiging van bedrijven. Hier zou in de optiek van de gemeenten minimaal moeten worden omschreven welk nader afgebakend gebied van welke ontwikkeling gevrijwaard wordt. Het is belangrijk om duidelijkheid te scheppen over de samenhang in ruimtelijke ontwikkelopgaven. 3. Deelgebieden De aanpassing van de Omgevingsverordening die ziet op het vaststellen van een maximale hoeveelheid windenergie per deelgebied, zoals opgenomen in het Provinciale Programma Energiestrategie, is bedoeld om duidelijkheid en rust te scheppen, zodat gemeenten weten met welke windopgave ze rekening moeten houden. De wijze waarop deelgebieden zijn vastgesteld draagt daar echter niet altijd aan bij.
Zo is het bijvoorbeeld onduidelijk hoe de 500 GWh die is bepaald voor het ‘restgebied’ zich vertaalt naar een opgave voor de gemeenten die verspreid over Overijssel tot het restgebied worden gerekend. Het ‘restgebied’ heeft geen geografische afbakening die zich laat vertalen naar windpotentieel in een gebied. De ondertekenende gemeenten verzoeken uw college om in de Omgevingsverordening aan te geven in welke gemeente welke opgave wordt voorzien in plaats van een indeling per deelgebied. In ieder geval moet dit inzichtelijk gemaakt worden voor het zogenaamde ‘restgebied’. 4. Zoekgebieden Een aantal gemeenten die deels in een voorkeursgebied liggen, hebben (op basis van een zorgvuldige ruimtelijke afweging) zoekgebied aangewezen buiten de begrenzing van de voorkeursgebieden. Het lijkt ons onredelijk dat deze zoekgebieden niet betrokken kunnen worden bij de maxima per deelgebied en dat op die zoekgebieden de clustereis van vier turbines wordt toegepast. Mede ook omdat aan de exacte begrenzing van de voorkeursgebieden geen duidelijke criteria ten grondslag liggen. Wij verzoeken uw college daarom in het PPE op te nemen dat alle zoekgebieden voor windenergie, binnen de gemeentegrenzen van een gemeente die onderdeel uitmaakt van een voorkeursgebied, tot het voorkeursgebied gerekend moeten worden. 5.
Milieunormen windenergie Tot vaststelling van de landelijke milieunormen hebben gemeenten de mogelijkheid rechtsgeldig eigen windnormen vast te stellen, mits gemotiveerd vanuit de lokale omstandigheden en strikter dan de ontwerp landelijke milieunormen. De ondertekenende gemeenten verzoeken uw college in het PPE op te nemen dat gemeentelijke milieunormen in beginsel worden overgenomen door het bevoegd gezag bij de toetsing van windenergie-initiatieven, mits voldoende gemotiveerd vanuit de lokale omstandigheden en mits strikter dan de ontwerp landelijke milieunormen windenergie. 6. Lokaal eigendom Het uitgangspunt in de RES Twente is dat minimaal 50% lokaal eigendom van windenergie-projecten wordt gerealiseerd. Dit uitgangspunt is ook opgenomen in de motie ‘Grip op Wind’. In de uitwerking van het provinciale windbeleid, zoals vastgelegd in het PPE, wordt echter uitgegaan van een streven naar 50% lokaal eigendom, zonder dat instrumenten worden ingezet om dat streven ook juridisch te verankeren. Met het instellen van een maximum aan windenergie in deelgebieden en fasering van de ontwikkeling van windenergie in de tijd worden schaarse vergunningen gecreëerd.
Het principe van schaarse vergunningen biedt de mogelijkheid windenergie op basis van een maatschappelijke tender te realiseren, met de mogelijkheid aanbiedingen op een juridisch houdbare wijze te selecteren op basis van het aangeboden percentage lokaal eigendom. In het licht van de RES afspraken én het eigen beleid van de Provincie Overijssel is het bezwaarlijk dat van dit instrument om lokaal eigendom te realiseren geen gebruik gemaakt wordt.
7. Procesparticipatie Nu de Provincie regie neemt op windenergie en bevoegd gezag is, rust op haar ook de verplichting een zorgvuldig gebiedsproces op te zetten rondom de gebieden die mogelijk opengesteld worden voor windenergie. Het bevreemdt ons dat in de aanpassing van het PPE geen aandacht wordt besteed aan de wijze waarop de Provincie de uitgangspunten van procesparticipatie wil toepassen bij het openstellen van gebieden voor windenergie. Ook wordt geen aandacht besteed aan de positie van omwonenden bij concrete windinitiatieven. Het gaat hier om een cruciale verantwoordelijkheid en taak van het bevoegd gezag en het lijkt ons wezenlijk dat uitgewerkte afspraken en verplichtingen hieromtrent worden opgenomen in het beleid én daar inspraak op mogelijk is. Met vriendelijke groet, namens de wethouders van onderstaande gemeenten,
Harry Scholten Wethouder Hof van Twente