1. Bijlage NWO 54407 naast Enschedesestraat 114 Haaksbergen
Tekst van het document
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
6.2.4 Amfibieën
36
6.2.5. Reptielen
37
6.2.5 Vissen
37
6.2.6 Vlinders
37
6.2.7 Libellen
38
7. Conclusie
40
Verantwoording
41
Verklarende woordenlijst
42
Bijlage
43
Disclaimer
58
4
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
Samenvatting en advies Uit dit Natuurwaardenonderzoek is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit (soorten) Omgevingswet zullen plaatsvinden. Tevens dient nadere toetsing plaats te vinden of er een vergunningplicht geldt voor Natura 2000-activiteit (stikstof). Gebiedsbescherming Natura 2000 Ten aanzien van stikstof wordt er in de aanleg- en nieuwe gebruiksfase mogelijk depositie verwacht. Een Aerius (stikstof) berekening wordt daarom ook noodzakelijk geacht. Voor de overige storingsfactoren wordt geen externe werking verwacht. Een Voortoets Natura 2000 wordt niet noodzakelijk geacht. Natuurnetwerk Nederland De planlocatie is gelegen buiten Natuurnetwerk Nederland. Aangezien het plangebied buiten het Natuurnetwerk valt wordt het niet noodzakelijk geacht dat een verdere toetsing, in de vorm van ja, mits toets, aan de orde is. Nationaal landschap Beoogde ontwikkelingen vinden plaats buiten de grenzen van gebied dat is aangemerkt als Nationaal landschap. Omdat kernkwaliteiten gewaarborgd blijven zijn wettelijke consequenties met betrekking op het Nationaal landschap niet aan de orde. Soortbescherming Flora Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Vogels Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.
Vleermuizen Mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Nader onderzoek gebouwbewonende vleermuizen. Zoogdieren Mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Vergunning aanvragen voor egel en kleine marterachtigen bij de provincie Overijssel.
5
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
Overige soorten Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Herstel- en herplanten van teunisbloem. Houtopstanden Er worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in de omgevingswet die vallen onder het onderdeel houtopstanden. Geen herplant- of meldingsplicht. Specifieke zorgplicht Ten alle tijden geldt bij het uitvoeren van flora- en fauna-activiteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activiteit te kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht (art. 11.27, Bal). Zie bijlagen.
6
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling Met de voorgenomen ontwikkelingen betreffende het plangebied gelegen naast Enschedesestraat 114 te Haaksbergen heeft BJZ.nu B.V. aan Ecofect B.V. opdracht gegeven een Natuurwaardenonderzoek Omgevingswet (voorheen QuickScan Flora & Fauna) uit te voeren t.b.v. het vergunning traject en inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Omgevingswet (Ow). Doel van dit Natuurwaardeonderzoek is om te onderzoeken of de ruimtelijke ontwikkeling effect heeft op beschermde soorten en gebieden en duidelijkheid te geven in welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Voorliggend rapport geeft inzicht in het wettelijk kader, de gebruikte methodiek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek en eventuele vervolgstappen.
1.2 Planlocatie (huidige situatie) De planlocatie is gelegen op het perceel naast de Enschedesestraat 114 te Haaksbergen. Het is gelegen aan de rand van de bebouwde kom. Ten noorden, westen en zuidwesten van de planlocatie bevindt zich bebouwing, ten oosten en zuidoosten liggen weilanden, al dan niet omgeven door houtwallen. Op het perceel bevindt zich een oude opstal, een klein schuurtje en een opslag van een hovenier met daarbij een grote hoop tuin-/snoeiafval. De rest van het perceel is grasveld of begroeid braakliggend terrein. Het braakliggende terrein was vroeger in gebruik om bomen te kweken. De oude opstal is opgetrokken uit houten muren, met gedeeltelijk een spouw. Op het dak liggen golfplaten, waarbij dakbeschot ontbreekt. Het pand is toegankelijk via open ramen, ontbrekende planken in de muren, kieren tussen planken en openingen bij de dakranden. Op de opslag van de hovenier liggen verschillende hopen grond, zand, schors en snoei-/tuinafval. Daarnaast staat er een container met oude metalen. De randen van dit gedeelte die grenzen aan de naastgelegen percelen zijn begroeid met bomen. Voor een impressie van de planlocatie wordt verwezen naar de bijlage.
7
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
Figuur 1 - Plan- en onderzoeksgebied
Voor een impressie van de planlocatie wordt verwezen naar de bijlage. Haaksbergen is een dorp en gemeente in Twente, in de Nederlandse provincie Overijssel, aan de grens met Duitsland.
8
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
1.3 Voorgenomen ontwikkelingen De Initiatiefnemer heeft het voornemen om het plangebied te herontwikkelen. Op het perceel zullen noodwoningen geplaatst worden, en indien mogelijk zullen de opstal en het schuurtje gesloopt worden. Ten tijde van dit rapport waren er nog geen tekeningen beschikbaar. Voor inhoudelijke vragen over het ontwerp of de inrichting wordt verwezen naar de opdrachtgever. De volgende activiteiten hebben mogelijk effect en worden getoetst op relevantie in het kader van de Omgevingswet: •
Sloop- en Bouwwerkzaamheden
•
Afvoer sloopmateriaal
•
Verwijderen van verharding
•
Perceel bouwrijp maken
•
Egaliseren terrein
•
Herinrichting terrein op een wijze die bij de toekomstige functie verwacht kan worden
•
Aan- en afvoer materiaal
9
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
2. Wettelijk kader 2.1 Wettelijk kader Voor het uitvoeren van ruimtelijke ontwikkelingen is o.a. Omgevingswet van kracht. Deze wetgeving vervangt de Wet natuurbescherming. In deze wet is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. Dit onderzoek beperkt zich tot de gebiedsbescherming en de soortenbescherming. In dit Natuurwaardenonderzoek worden de verschillende onderdelen van de omgevingswet getoetst. Omdat een veld- en bureauonderzoek geen zekerheid geeft of de omgevingswet wordt overtreden, wordt de potentie van het object ingeschat voor wat betreft beschermde soorten. Indien het object potentie heeft, zal een aanvullend onderzoek vast moeten stellen of uit moeten sluiten of er beschermde soorten gebruik maken van de opstallen. Potentie-inschatting vindt plaats op basis van habitatkenmerken, habitatseisen en ervaring van de ecoloog. De Omgevingswet is een wet die alle regels omvat met betrekking tot alle activiteiten in de fysieke leefomgeving. De wet bundelt 26 wetten die gaan over de regels met betrekking tot onder meer infrastructuur, bouwwerken, water, lucht, bodem, milieu, cultureel erfgoed en natuur. Het doel van de nieuwe wet is een vereenvoudiging van de regels voor de fysieke leefomgeving en een duurzame ontwikkeling en beschermen en verbeteren van het leefmilieu.
Om alle regels voor de fysieke leefomgeving op een gestructureerde manier te regelen, is er sprake van een stelsel Omgevingswet. Het stelsel Omgevingswet kent een bepaalde opbouw, die bepalend is voor waar de relevante onderdelen terug te vinden zijn met betrekking tot de verschillende onderwerpen van de fysieke leefomgeving, waaronder natuurbescherming. Het stelsel bestaat uit een algemene wettekst – de Omgevingswet zelf – dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in zogenaamde uitvoeringswetten (Algemene Maatregelen van Bestuur, of AMvB’s) en de Omgevingsregeling.
2.2 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming in de Ow bestaat uit een beschermingsregime voor Natura 2000- gebieden, regels voor de aanwijzing en bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Hieronder zijn per gebiedscategorie de regels beknopt toegelicht. In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationaal natuurgebieden (art. 11.6 Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. Er moet worden nagegaan of nadelige gevolgen op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, dan verplicht de specifieke zorgplicht om met betrekking tot deze gevolgen passende preventieve maatregelen te nemen (art. 11.6, 2e lid onder d), of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen (art. 11.6, 2e lid onder f). Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de effectiviteit van deze maatregelen worden gemonitord.
De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-activiteiten (zie hierna) maar ook voor
10
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
activiteiten die conform een Natura 2000-beheerplan worden uitgevoerd of activiteiten die géén kans hebben op een significant gevolg. Natura 2000-activiteit Het is overigens niet zo dat als in het kader van de specifieke zorgplicht passende preventieve of herstelmaatregelen worden genomen, onder de vergunningplicht van een Natura 2000-activiteit uit kan worden gekomen. Mitigatie mag namelijk niet worden meegenomen in de voortoets van een project om te bepalen of het project leidt tot een kans op een significant gevolg en het project om die reden als een Natura 2000-activiteit moet worden beschouwd. De volgorde van toetsing van een voornemen aan de specifieke zorgplicht en de vergunningplicht zijn daarom van groot belang. Hierna wordt daar nader op ingegaan. Als de invulling van de specifieke zorgplicht niet helder is of het onduidelijk is of gedragingen onder de zorgplicht vallen, heeft het bevoegd gezag de ruimte om deze nader te duiden in een maatwerkvoorschrift, vergunningvoorschrift (indien vergunning) of maatwerkregel. Te denken valt aan een maatwerkregel in een provinciale Omgevingsverordening waarin staat hoe aan de specifieke zorgplichtbepaling kan worden gehouden. Er is een onderscheid tussen een ‘Natura 2000-activiteit’ en andere type activiteiten. Een ‘Natura 2000-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art.
1.1 Omgevingswet een: ‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’ Een Natura 2000-activiteit is vergunning plichtig (art. 5.1, lid 1 Ow), tenzij er sprake is van een ‘vergunningsvrij geval’ (art. 11.16 t/m 11.21 Bal, zie hierna). Activiteiten die nodig zijn voor het beheer van Natura 2000-gebieden (om de doelstellingen te kunnen halen) of geen significante gevolgen hebben, vallen niet onder de regels voor een Natura 2000-activiteit. Er moet dan eerst worden getoetst wat de effecten zijn van een activiteit op Natura 2000-gebieden voordat duidelijk is hoe de activiteit moet worden aangeduid. Gezien de huidige praktijk, blijft er daarmee de noodzaak voor het uitvoeren van een voortoets die deze helderheid kan bieden. De uitslag van deze toets is van belang voor het vervolg van de behandeling van de activiteit. Is er sprake van een Natura 2000-activiteit dat niet vergunningsvrij is, dan is er een nader onderzoek nodig in de vorm van een passende beoordeling voordat een vergunning kan worden verleend. De regels waar een Passende Beoordeling aan moet voldoen staan in art. 16.53c Ow en art. 8.74b Bkl.
Is er ondanks mitigatie nog steeds sprake van een significant gevolg, dan kan de vergunning voor het project worden verleend als de zogenaamde ADC-toets met succes is doorlopen (art. 8.74b, lid 2 en 3 Bkl). Voor nadere informatie m.b.t. ADC-toets wordt verwezen naar de bijlage. Natuurnetwerk Nederland De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden vastgesteld per Omgevingsverordening door de provincie conform artikel 7.7 Bkl. In de Omgevingsverordening is daartoe een natuurbeheerplan vastgesteld waar in de regel de bestaande natuurwaarden en het ambitieniveau zijn aangegeven middels natuurbeheertypen. Het hangt echter per provincie af hoe zij de wezenlijke kenmerken en waarden hebben gedefinieerd; in tegenstelling tot het Barro ontbreekt een definitie van de wezenlijke kenmerken en waarden in de Ow. In artikel 7.7, 2e lid Bkl wordt aangegeven dat deze waarden worden bepaald met inachtneming van de doelstellingen bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder g, van de wet. Hiermee wordt gedoeld op de verantwoordelijkheid van de provincies om, op het gebied van natuur, zorg te dragen voor het behoud of herstel van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen, van hun biotopen en habitats, en
van
in
Nederland
voorkomende
typen
natuurlijke
habitats,
in
overeenstemming
met
de
11
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
internationaalrechtelijke verplichtingen. Hieruit kan worden gehaald dat het NNN mede als doel heeft om deze taken te bereiken. Daarnaast heeft de provincie zelf de ruimte om te bepalen of zij ook potentiële natuurwaarden (en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities) meenemen in de definiëring van de wezenlijke kenmerken en waarden (art. 7.7, 2e lid Bkl). Dit komt min of meer overeen met de definitie van wezenlijke kenmerken en waarden in het Barro, die ook aangeeft dat de potentiële waarden worden meegenomen ‘voor zover deze natuurwaarden en condities in het licht van de internationale biodiversiteitdoelstellingen relevant zijn’. Beschermingsregime NNN Het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in art.
7.8, 2 e lid Bkl, dat een instructieregel betreft voor uitwerking van het beschermingsregime in de Omgevingsverordeningen van provincies: ‘De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat, als binnen het natuurnetwerkactiviteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven.” Een vergelijkbare instructieregel voor de bescherming van het NNN is opgenomen voor projectbesluiten die door het Rijk wordt vastgesteld in art. 9.3, 1 e lid Bkl. Voor nadere informatie met betrekking tot het beschermingsregime NNN wordt verwezen naar de bijlage. Bijzondere natuurgebieden en landschappen Het Rijk kan op basis van art. 2.44, lid 2 Ow zogeheten bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De bijzondere nationale natuurgebieden kunnen worden aangewezen vooruitlopend op de aanwijzing of begrenzing als Natura 2000-gebied, bijvoorbeeld als het gaat om compensatie voor handelingen die leiden tot een significant gevolg of als het gaat om gebieden die nodig zijn om de doelstellingen van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn te bereiken (art.
3.63 Bkl). Daarnaast kan het Rijk ook bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen als de bescherming van het gebied nodig is voor de instandhouding of herstel van biotopen en leefgebieden van in Nederland van nature in het wild voorkomende soorten genoemd in bijlage I Vogelrichtlijn of Bijlage I, II, IV of V Habitatrichtlijn. In die gevallen bevat het aanwijzingsbesluit instandhoudingsdoelstellingen (art. 3.64 Bkl). Het ministerie van LNV heeft de taak zorg te dragen dat de maatregelen worden getroffen voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van deze type natuurgebieden (art. 2.19, lid 5 Ow), tenzij Gedeputeerde Staten is aangewezen om deze taak uit te voeren (art. 2.18, lid 1, onder g, 2°, tweede streepje Ow). Voor de bescherming van bijzondere nationale natuurgebieden geldt, naast een mogelijke toegangsbeperking, de specifieke zorgplicht zoals genoemd in art. 11.6 Bal (zie hiervoor). De provincies kunnen zogeheten bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (art. 2.44, lid 5 Ow). Niet iedere provincie hanteert dezelfde juridische bescherming. Sommige hanteren alleen een predicaat, anderen hanteren een soort ADC-criteria (‘nee, tenzij’-principe) en daarmee juridische beschermingsregime naast NNN en Natura 2000. Kijk voor de geldende regels in de van toepassing zijnde provinciale Omgevingsverordening.
12
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
2.3 Soortbescherming Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een: ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ Anders dan bij een ‘Natura 2000-activiteit’, waarvan pas sprake is als een activiteit leidt tot een kans op significante gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden (zie hiervoor), is er al sprake van een ‘flora- en fauna-activiteit’ als het een mogelijk gevolg heeft voor één van nature in het wild levend dier of plant, ongeacht of deze soort beschermd is volgens de Omgevingswet. Doordat in de definitie wordt verwezen naar ‘van nature’ in het wild levende soorten, gaat de definitie niet op voor niet-van nature voorkomende soorten. Met andere woorden, de regels voor flora- en fauna-activiteiten gelden niet voor soorten die buiten het natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld. Als er sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art. 11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen).
Hoewel de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal alleen betrekking hebben op de bij wet beschermde soorten, gelden de artikelen 11.27 en 11.28 ook met betrekking tot de niet-beschermde soorten. Ten alle tijden geldt bij het uitvoeren van flora- en fauna-activiteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activiteit te kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht. Ten alle tijden geldt bij het uitvoeren van flora- en fauna-activiteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activiteit te kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht (art. 11.27, Bal). Voor nadere informatie met betrekking tot de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar de bijlage. Het benoemen hoe aan de zorgplichtbepalingen in de Omgevingswet getoetst is in een rapportage, is voldoende om aan de algemene en specifieke zorgplichtbepalingen te voldoen. De zorgplichten zijn niet vergunning plichtig, dus het is niet noodzakelijk om het voor te leggen aan bevoegd gezag. Voor nadere informatie met betrekking tot de zorgplicht wordt verwezen naar de bijlage. De soortenbeschermingsregimes In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 Bal zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: •
§ 11.2.2 Bal: omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn
•
§ 11.2.3 Bal: omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn
•
§ 11.2.4 Bal: omgevingsvergunning andere soorten
Onder iedere paragraaf zijn de vergunning plichtige gevallen en de vergunningsvrije gevallen aangegeven. In de Omgevingswet wordt niet meer gesproken over verbodsbepalingen waarvoor een ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, maar over schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval. De inhoud
van
de
schadelijke
handelingen
komen
overeen
met
de
verbodsbepalingen
van
de
soortenbeschermingsregimes uit de Wnb, aangezien deze rechtstreeks voortkomen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen en betreffen de volgende schadelijke gevallen:
13
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
Vrijstelling schadelijke handelingen vogelrichtlijn Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, geldt niet, •
Als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort:
•
Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel
Vrijstelling schadelijke handelingen habitatrichtlijn Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel Vrijstelling schadelijke handelingen andere soorten Per provincie zijn enkele ‘nationaal’ beschermde soorten vrijgesteld van de schadelijke handelingen die voor andere soorten gelden (tabel 1) Rode Lijstsoorten Rode Lijstsoorten zijn soorten planten, dieren en paddenstoelen die in hun voortbestaan worden bedreigd en opgenomen zijn op de officiële Rode Lijst. Deze lijst, opgesteld door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en internationale criteria. Soorten worden geclassificeerd in verschillende categorieën, variërend van "kwetsbaar" tot "ernstig bedreigd", afhankelijk van factoren zoals populatietrend, verspreidingsgebied en bedreigingen. De aanwezigheid van Rode Lijstsoorten binnen een onderzoeksgebied is een belangrijke indicator van de ecologische waarde. Het beschermen en bevorderen van deze soorten is essentieel voor het behoud van biodiversiteit. Dit onderzoek heeft tot doel een inventarisatie te maken van aanwezige Rode Lijstsoorten en de condities te beoordelen die van invloed zijn op hun voortbestaan.
Bij het inventariseren van Rode Lijstsoorten wordt rekening gehouden met specifieke levensvereisten, zoals voedselbronnen, broedlocaties en schuilmogelijkheden. Eventuele verstoringen, zoals intensief grondgebruik, waterbeheer of infrastructuur, worden in kaart gebracht om potentiële risico's voor deze soorten te minimaliseren.
15
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
2.4 Bescherming houtopstanden Een houtopstand beslaat een oppervlakte van 10 are of meer, of bestaat uit een beplanting van twintig bomen of meer in een rij, gerekend over het totaal aantal rijen. Buiten de bescherming houtopstanden (artikel 11.3 Bal) vallen de •
Houtopstanden binnen door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom houtopstanden
•
Houtopstanden op erven of in tuinen en fruitbomen en windschermen om boomgaarden,
•
Naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar en kweekgoed,
•
Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en beplantingen langs landbouwgronden (enkele rij)
•
Het dunnen van een houtopstand, Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa en die:
•
Minimaal eens per tien jaar worden geoogst,
•
Bestaan uit ten minste tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter,
•
Zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Volgens artikel 5.165b Bkl is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Dit geldt niet voor het periodiek vellen van griend- of hakhout. Binnen drie jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant. Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels
een
goedgekeurde
gedragscode
of
de
werkzaamheden
voortvloeien
uit
instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.
16
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
2.5 Toepasbaarheid Dit Natuurwaardenonderzoek is gericht op de mogelijke overtreding van de omgevingswet, niet aan andere (natuur)wetgeving. De resultaten van het onderzoek zijn 3 jaar geldig. Dit onderzoek kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen dat natuuronderzoek is verricht. Deze rapportage kan dan ook ingediend worden aan belanghebbende partijen zoals gemeente en provincie. Op basis van in de deze rapportage opgenomen projectgegevens (zie hoofdstuk 1; september 2025) is dit onderzoek uitgevoerd en een inschatting gemaakt van de effecten hiervan op de beschermde soorten en gebieden. Latere wijzigingen van het project kunnen invloed hebben op deze effecten en zijn dus niet opgenomen in deze rapportage. Er zal dan een nieuwe beoordeling plaats moeten vinden. Deze verstrekte natuurinformatie is ten behoeve van de initiatief- en ontwerpfase van de planontwikkeling. Om in de uitvoerings- en beheerfase overtreding van de omgevingswet te voorkomen, wordt – indien nodig- in deze rapportage aangegeven wanneer het noodzakelijk is om te werken volgens één van de volgende standaarden: •
Algemeen zorgvuldig handelen
•
Gedragscode ruimtelijke ontwikkeling
•
Ecologisch werkprotocol
•
Vergunning/vrijstelling omgevingswet
17
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
3. Methode Werkwijze 1.
Door middel van bureauonderzoek is onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied de afgelopen 5 jaar zijn waargenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van waarnemingen uit de Nationale Databank Flora en Fauna binnen een straal van 1 (directe invloed) en 5 (indirecte invloed) kilometer van de planlocatie. Op basis van deze en overige beschikbare natuurinformatie (zie b, is een inschatting gemaakt welke soorten te verwachten zijn in het plangebied.
2.
Op 3 september 2025 is het plangebied door
bezocht. Daarbij werden de, in het
plangebied aanwezige, natuurwaarden geïnventariseerd en beoordeeld met behulp van een verrekijker en zaklamp. Weersomstandigheden waren ±23°C, zonnig met matige wind. Er is gekeken naar landschapskenmerken van de planlocatie, naar (aanwijzingen van) mogelijke groeiplaatsen van beschermde flora en naar (aanwijzingen van) vaste rust- en verblijfplaatsen, verbindingszones en foerageergebieden van de beschermde fauna. Relevante waarnemingen zijn vastgelegd met behulp van foto’s. 3.
Op basis van de bevindingen van het bureauonderzoek en het veldonderzoek zijn de relevante soorten benoemd en onderbouwd in het hoofdstuk Soortbescherming (hoofdstuk 6). a.
Beschermde soorten waarvan waarnemingen bekend zijn bij de NDFF, waarvoor het habitat op basis van ecologische expertise geschikt geacht wordt en/of waarvan waarnemingen in de vorm van aanwezige individuen of sporen worden gedaan tijdens het veldonderzoek, worden nader toegelicht in het hoofdstuk Soortbescherming (zie hoofdstuk 6).
b.
Beschermde soorten waarvan geen waarnemingen bekend zijn bij de NDFF, maar waarvoor het habitat op basis van ecologische expertise wel geschikt geacht wordt en/of waarvan waarnemingen van individuen of sporen worden gedaan tijdens veldonderzoek, worden nader toegelicht in het hoofdstuk Soortbescherming (zie hoofdstuk 6).
c.
Beschermde soorten waarvan waarnemingen bekend zijn bij het NDFF, maar waarvoor het plangebied dusdanig ongeschikt is dat op voorhand de soort op basis van ecologische kennis kan worden uitgesloten worden niet nader toegelicht.
d.
Beschermde soorten waarvan geen waarnemingen bekend zijn bij het NDFF en waarvoor het plangebied dusdanig ongeschikt is dat op voorhand de soort op basis van ecologische kennis kan worden uitgesloten worden niet nader toegelicht.
4.
De ligging van het plangebied ten opzichte van nabijgelegen beschermde gebieden (Natura 2000, NNN en Nationale Landschappen en overige beschermde gebieden) werd opgezocht en beoordeelt of er sprake is van negatieve effecten. Dit is uitgewerkt in het hoofdstuk gebiedsbescherming.
5.
Door middel van een nauwkeurige analyse van deze data en waarnemingen is: a.
bepaald of negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand zijn uit te sluiten of dat hiervoor een aanvullend onderzoek noodzakelijk is,
18
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
b.
een inschatting gemaakt van de redelijkerwijs te verwachten negatieve effecten op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en functies,
c. 6.
bepaald of de bescherming van houtopstanden aan de orde is.
De opgestelde rapportage is gecontroleerd en beoordeeld door een tweede lezer
19
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
4. Gebiedsbescherming 4.1. Natura 2000 In Europa is een netwerk van beschermde gebieden opgezet. Dit zijn de zogenoemde Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn in de Omgevingswet strikt beschermd. Volgens de Omgevingswet is het volgens artikel 2.7 lid 2 verboden zonder vergunning projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Nabijgelegen Natura 2000-gebied(en) Dit geldt ook voor projecten die fysiek buiten het Natura 2000-gebied gelegen zijn maar wel een effect kunnen hebben op het gebied (externe werking). Het plangebied ligt nabij het Natura 2000-gebied Buurserzand & Haaksbergerveen op een afstand van 644,7 meter (Figuur ).
Figuur 2 – 644,7 meter t.o.v. Natura 2000-gebied Buurserzand & Haaksbergerveen
Buurserzand & Haaksbergerveen Het gebied Buurserzand en Haaksbergerveen bestaat uit twee deelgebieden. Het Haaksbergerveen in het zuiden is een veenputtencomplex met goed ontwikkelde gradiënten naar het omliggende zand- en (basenrijk) leemlandschap. Door vernattingsmaatregelen in het verleden zijn de nog aanwezige, met hoogveenvegetatie begroeide veenpakketten veranderd in drijftillen, die qua vegetatie sterk lijken op moerasheiden. Er is een afwisseling van veenputten en dijkjes. Het Buurserzand in het noorden is een heidegebied op voormalig
20
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
stuifzand. Er komen hier op uitgebreide schaal natte heidebegroeiingen voor met her en der zwakgebufferde vennen, afgewisseld met droge heide met jeneverbesstruweel. Externe werking De sloop/aanleg- en nieuwe gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling kan mogelijk zogenoemde externe werking op het Natura 2000-gebied tot gevolg hebben. Daarbij kan er gedacht worden aan mogelijke effecten op de waterhuishouding, uitstoot van stikstof of effecten die het gevolg zijn van een groot project, zoals aanleg van windmolens, zandwinning, een woonwijk of industrie. Om te bepalen of dit het geval is moet een voortoets Natura 2000 worden uitgevoerd door een deskundig bureau. Als de activiteit een negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied is een vergunning nodig, voor meer info zie: vergunning Natura 2000-gebieden. Gezien de aard en geringe omvang van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de afstand tot het Natura 2000-gebied Buursezand & Haaksbergerveen is het redelijkerwijs uitgesloten dat er van externe werking sprake is. De planlocatie is immers gelegen aan de rand van bebouwd gebied waardoor verstoring door mogelijke effecten zoals licht, geluid en trilling niet aan de orde zijn. Het plangebied is gelegen nabij het Natura 2000-gebied Buursezand & Haaksbergerveen. Deze is ter plaatse begrensd als Habitatrichtlijngebied.
Voor de Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld voor habitattypen en habitatsoorten. Omdat de werkzaamheden van het plangebied buiten het Natura 2000-gebied plaatsvinden heeft dit geen invloed op de oppervlakte van het Natura 2000-gebied. Stikstofdepositie Met betrekking tot de bepaling van mogelijke nadelige gevolgen als gevolg van de depositie van stikstof, is er met betrekking tot de toetsing van Natura 2000-activiteiten in de wet een verplichting opgenomen tot het gebruik van Aerius Calculator (artikel 4.15 Or). Voor toelichting m.b.t. het juridische kader wordt verwezen naar de bijlagen. De planlocatie is gelegen op +/- 644 meter van het depositiegevoelige Natura 2000-gebied Buursezand & Haaksbergerveen (figuur 2). Gezien de afstand tot het depositiegevoelige Natura 2000-gebied in relatie tot de geplande ontwikkelingen wordt er mogelijk stikstofdepositie verwacht in de sloop/aanleg- en nieuwe gebruiksfase. Conclusie Natura 2000 Gezien de (effect) afstand tot het Natura 2000-gebied, in relatie tot de geplande ontwikkelingen, worden er geen significante invloeden op de beschermde natuurwaarden of aangewezen (beheer)doelstellingen door effecten zoals licht, trilling geluid enz. verwacht. Een voortoets Natura 2000 wordt niet noodzakelijk geacht.
In relatie tot de geplande ontwikkelingen wordt er mogelijk stikstofdepositie verwacht in de aanleg- en nieuwe gebruiksfase. Een Aeriusberekening wordt noodzakelijk geacht.
21
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
4.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: •
Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;
•
Nationale landschappen;
•
Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt (Groene ontwikkelingszone);
•
Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
•
Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;
•
Alle Natura 2000-gebieden.
Figuur 3 - Gelegen buiten Natuurnetwerk Nederland
Conclusie Natuurnetwerk Nederland Aangezien het plangebied is gelegen buiten het NNN van Overijssel (Figuur ), is nadere toetsing niet aan de orde. Een Ja, mits toetsing wordt niet noodzakelijk geacht. .
22
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
4.3 Nationaal landschap De Nationale Landschappen zijn gebieden met specifieke kenmerken zoals flora en fauna, beekdalen, terpen, landbouw en waterbeheersing. In diverse regelingen is vastgelegd dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden alleen mogelijk zijn als deze kernkwaliteiten van het landschap behouden blijven of doorontwikkeld worden. De provincies zijn verantwoordelijk voor het aanhouden van grenzen en de kernkwaliteiten.
Figuur 4 - Gelegen buiten Nationaal landschap
Conclusie Nationaal landschap Beoogde ontwikkelingen vinden plaats buiten de grenzen van gebied dat is aangemerkt als Nationaal landschap (Figuur ). Omdat kernkwaliteiten gewaarborgd blijven, zijn wettelijke consequenties met betrekking op het Nationaal landschap niet aan de orde. Verdere toetsing is niet noodzakelijk.
23
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
5. Houtopstanden Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet (zie paragraaf 2.4). Overtreding op dit onderdeel Omgevingswet is niet aan de orde.
25
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
6. Soortbescherming In dit hoofdstuk worden de waarnemingen van het bureauonderzoek en veldbezoek besproken en onderbouwd. Daarnaast wordt een effectbeoordeling uitgevoerd, waaruit de mogelijke vervolgstappen volgen. Het onderdeel fauna is gesplitst in enkele subgroepen, namelijk: vogelsoorten, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, en overige soorten. Binnen deze subgroepen zijn enkele soorten door de provincie vrijgesteld. Deze vrijgestelde soorten vallen onder de specifieke zorgplicht, en dienen op diervriendelijke en zorgvuldige wijze te worden behandeld (zie bijlage). Daarnaast worden ‘rode lijst’ soorten ook beschreven wanneer deze hinder ondervinden van de voorgenomen ontwikkeling. Binnen dit hoofdstuk worden meerdere ecologische vaktermen gebruikt. Voor de betekenis van deze begrippen wordt verwezen naar de verklarende woordenlijst in de bijlage.
6.1 Flora Op basis van NDFF zijn binnen 5km van de planlocatie zijn waarnemingen bekend van glad biggenkruid en korensla (2020-2025). Het perceel is nauwkeurig onderzocht op habitatsgeschiktheid van inheemse beschermde vegetatie of eventueel aanwezige planten. De planlocatie heeft een voedselrijke bodem, gezien het in gebruik is geweest als kwekerij. De aanwezige grasvelden kunnen worden getypeerd als monotoon grasland. Er zijn geen (groeiplaatsen van) beschermde flora aangetroffen. Vanwege het voedselrijke en deels versteende milieu wordt de aanwezigheid van beschermde flora uitgesloten van de planlocatie. Effectbeoordeling Aangezien beschermde flora niet aanwezig zijn op de planlocatie is een effect van de ingreep op beschermde flora in relatie tot de Omgevingswet uitgesloten. Advies / conclusie Ten aanzien van flora worden schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet uitgesloten. Een nader onderzoek flora niet noodzakelijk geacht.
6.2 Fauna
6.2.1 Vogels Alle van nature voorkomende vogelsoorten en hun bezette nestplaatsen in Nederland zijn beschermd. Daarnaast geldt voor nestplaatsen van diverse vogelsoorten dat deze door de wetgever in provincie Overijssel jaarrond beschermd zijn Conform provinciale beleidsregel natuur 2024 provincie Overijssel, titel 4.3 en bijlagen 4.1 en 4.2 (zie tabel 2). Deze jaarrond beschermde broedvogels zijn in een vijftal categorieën opgedeeld, waarvoor de verbodsbepalingen van de omgevingswet het gehele seizoen gelden:
26
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
Waarnemingen (NDFF, 2020-2025) Op basis van NDFF zijn binnen een straal van 1km waarnemingen gedaan van de volgende vogelsoorten: blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boomvalk, bosuil, buizerd, gekraagde roodstaart, gierzwaluw, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, huismus, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, middelste bonte specht, oeverzwaluw, roek, sperwer, spreeuw, steenuil, torenvalk, tureluur, wespendief, wulp, zwarte mees, zwarte roodstaart en zwarte specht. Huismus Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van huismus binnen 1km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). De huismus maakt gebruik van bebouwing voor een nestplaats, meestal in bebouwde omgeving. De opstal ligt redelijk geïsoleerd van andere bebouwing. Daarnaast is er geen dakbeschot aanwezig onder de golfplaten waar huismussen tussen kunnen nestelen. Mogelijke nestplaatsen van huismus zijn niet waargenomen. Het is daarom uitgesloten dat huismussen broeden in de opstal. Gierzwaluw Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend gierzwaluw binnen 1km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). De gierzwaluw maakt ook gebruik van menselijke bebouwing als nestplaats en heeft een voorkeur voor stedelijk versteend gebied. De aanwezige bebouwing is uitvoerig onderzocht op de potentie voor nestplaatsen van gierzwaluwen.
Vanwege het ontbreken van dakbeschot en de geïsoleerde ligging van andere bebouwing, wordt uitgesloten dat gierzwaluwen broeden in bebouwing die aanwezig is op de planlocatie. Roek Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van roek binnen 1km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). Op de planlocatie zelf staan geen bomen met potentie. De bomen rondom de planlocatie bevatten geen nesten die typerend zijn voor deze koloniebroeder. Het is uitgesloten dat roek broedt op de planlocatie. Steenuil Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van steenuil binnen 1km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). De opstal heeft geschikte invliegopeningen voor deze soort. Het gebouw is uitvoerig geïnspecteerd op sporen van steenuil. Vaste rust en/of voortplantingssoorten kunnen namelijk goed worden aangetoond aan de hand van ruiveren, braakballen en schijtstrepen. Deze sporen zijn niet aangetroffen. Om die reden is het uitgesloten dat steenuil een vaste rust- en/of voortplantingsplaats bezet op de planlocatie. Buizerd Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van buizerd binnen 1km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). Tevens zijn er ruiveren aangetroffen op planlocatie. Bij de inspectie van de aangrenzende bomen zijn geen waarnemingen gedaan van horsten of andere sporen. Het is waarschijnlijk dat de buizerd het plangebied in gebruik heeft als rust-/foerageergebied.
In dit geval kan dat niet aangemerkt worden als essentieel, gezien er in de omgeving genoeg alternatieven aanwezig zijn.
28
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
Sperwer Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van sperwer binnen 1km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). De aangrenzende loofbomen zijn uitvoerig geïnspecteerd op horsten en sporen in de vorm van ruiveren, schijtstrepen en braakballen welke niet zijn aangetroffen. Om die reden is het uitgesloten dat sperwer een vaste rust- en/of voortplantingsplaats bezet op de planlocatie. Wespendief Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van wespendief binnen 1 km van de planlocatie (NDFF, 20202025). De aangrenzende loofbomen zijn uitvoerig geïnspecteerd op horsten en sporen in de vorm van ruiveren, schijtstrepen en braakballen welke niet zijn aangetroffen. Om die reden is het uitgesloten dat sperwer een vaste rust- en/of voortplantingsplaats bezet op de planlocatie. Overige beschermde vogels Gezien het ontbreken van (geschikte) bomen binnen de grenzen van de planlocatie, worden nest/verblijfplaatsen van de volgende soorten uitgesloten: boomklever, boomkruiper, boomvalk, bosuil, groene specht, grote bonte specht, kleine bonte specht, middelste bonte specht en zwarte specht. Gezien het ontbreken van watergangen binnen de grenzen van het plangebied worden nest-/verblijfplaatsen van de volgende, aan water gebonden, soorten uitgesloten: blauwe reiger, grote gele kwikstaart, ijsvogel, oeverzwaluw, tureluur en wulp.
Van de overige soorten uit categorie 5 is het habitat ongeschikt en/of zijn er geen sporen of nesten aangetroffen op de planlocatie. Deze soorten komen dus ook niet voor op de planlocatie: boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, huiszwaluw, spreeuw, torenvalk, zwarte mees en zwarte roodstaart. Algemene broedvogels Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van algemene broedvogels, zoals houtduif, heggenmus, roodborst en merel binnen 1km van de planlocatie (NDFF. 2020-2025). De planlocatie is uitvoerig geïnspecteerd op aanwijzingen van nesten van algemene broedvogels. Deze zijn niet aangetroffen. Het is wel mogelijk dat vogels in de omliggende bomen/bosschages/struiken broeden.
29
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
Effectbeoordeling Uit de bevindingen van het soortenonderzoek naar vogelsoorten op de planlocatie kunnen vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van algemene broedvogels in omliggen houtopstanden niet uitgesloten worden. Voor nestplaatsen van algemene broedvogels geldt dat enkel het bezette nest beschermd is. Werkzaamheden met schadelijke effecten op nestplaatsen van algemene broedvogels wordt veelal geen vergunning verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen (15 maart- 15 juli) over het algemeen een goed alternatief vormt met inachtneming van dat vogelsoorten jaarrond tot broeden kunnen komen. In het kader van de Omgevingswet zijn alle in gebruik zijnde nesten van inheemse vogelsoorten beschermt, ongeacht de periode of tijd van het jaar. Bij aanwezigheid van broedende vogels moet worden gewacht met het uitvoeren van werkzaamheden totdat betreffende broedende vogel uitgebroed is en jongen uitgevlogen zijn. Advies / conclusie Ten aanzien van vogels worden geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet verwacht. Wel moet gewerkt worden buiten de broedperiode van algemene broedvogels (15 maart- augustus).
30
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
6.2.2 Vleermuizen Het leefgebied van beschermde vleermuizen (artikel 3.5 Habitatrichtlijn bijlage IV) bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. In de verklarende woordenlijst (zie bijlage) worden deze onderdelen nader toegelicht. Vleermuizen zijn in staat om zich aan te passen, en om gebruik te maken van een verblijfplaats die niet voldoet aan de ideale omstandigheden. Echter, bij alle typen verblijfplaatsen zijn onder andere de volgende aspecten relevant en geven dan ook een richtlijn: •
Microklimaat: temperatuur, verschillende temperaturen binnen één object (gradiënten), snelheid van opwarmen of afkoelen (bufferwaarde) en vochtigheid. Essentieel is dat de verblijfplaats tochtvrij is in verband met de temperatuurregulatie en het voorkomen van uitdroging in de winter. Winterverblijven moeten daarnaast grotendeels vorstvrij zijn.
•
Licht: er mag geen lichtbron vlakbij zijn.
•
Locatie en eigenschappen van de in- en uitvliegopeningen: de aanvliegroute moet vrij van obstakels als takken of bomen zijn. Ook mag de verblijfplaats niet via bijvoorbeeld een afdakje bereikbaar zijn voor katten en dergelijke. Geen obstakels, zoals steigers, steigerdoek of hoge begroeiing, voor de ingang.
•
Materiaal: de binnenkant moet ruw zijn (geen glad beton of hout), niet geverfd en niet op den duur gaan rafelen.
•
Ruimtegebruik en veiligheid (tegen predatoren).
•
Ligging ten opzichte van de andere functies in het leefgebied.
Gebouwbewonende soorten Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van gewone dwergvleermuis en laatvlieger binnen 5km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). Tijdens het veldbezoek is de opstal uitvoerig onderzocht op de potentie van verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuissoorten. De opstal is opgetrokken uit hout, met op enkele plaatsen een dubbele wand. Er zijn genoeg kieren en spleten aanwezig die toegang geven tot deze dubbelwandige muren. Deze gedeeltes zijn echter zo klein, dat kan worden uitgesloten dat het pand in gebruik is als voortplantingsplaats of winterverblijf. Mogelijk is het wel in gebruik als zomerverblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Boombewonende soorten Op basis van NDFF zijn geen waarnemingen bekend van boombewonende vleermuizen binnen 5km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig met vleermuispotentie. Hierbij kan gedacht worden aan holten en loshangende schors hetgeen niet aanwezig is op de planlocatie. Aanwezigheid van een vaste rust en/of voorplantingsplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten wordt uitgesloten.
31
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
Onmisbare vliegroutes of essentieel foerageergebied Essentiele vliegroutes of leefgebied zijn aanwezig in de omgeving. Deze bevinden zich echter niet op de planlocatie. Bomen nabij de planlocatie die deel uitmaken van vliegroutes blijven bestaan. Schade aan een essentiële vliegroute of foerageergebied wordt uitgesloten. Effectbepaling Aanwezigheid
van
een
vaste
voortplantingsplaats,
winterverblijf
of
essentieel
leefgebied
voor
gebouwbewonende en boombewonende vleermuizen wordt uitgesloten. Om die reden is er geen sprake van een effect van de ingreep op beschermde vleermuissoorten in relatie tot de Omgevingswet. Mogelijk is de opstal op planlocatie in gebruik als zomerverblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Bij het slopen van de opstal worden mogelijk vleermuizen verstoord, verwond of gedood. De geplande werkzaamheden zijn daarmee mogelijk in strijd met de Omgevingswet. Wanneer vleermuizen een vaste rust en voortplantingsplaats bezetten in de veestal kunnen werkzaamheden enkel plaatsvinden onder vergunning. Deze vergunning dient te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, in dit geval de Provincie Overijssel. Om vast te stellen of uit te sluiten of vleermuizen gebruik maken van de opstal zal een nader onderzoek noodzakelijk zijn. Advies / conclusie Ten aanzien van vleermuizen worden mogelijk schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet verwacht. Een nader onderzoek gebouwbewonende vleermuizen wordt noodzakelijk geacht.
32
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
6.2.3 Grondgebonden zoogdieren Op basis van NDFF zijn de volgende soorten binnen 5km van de planlocatie waargenomen: bever, boommarter, bosmuis, bunzing, das, dwergmuis, eekhoorn, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, steenmarter, vos, wezel en wolf. (NDFF, 2020-2025) De dwergmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis en vos zijn door de provincie Overijssel vrijgesteld van ruimtelijke ingrepen. Voor deze soorten blijft de specifieke zorgplicht gelden. Bever Het habitat binnen de planlocatie is ongeschikt voor de bever, gezien het ontbreken van watergangen binnen de grenzen van het plangebied. Het is dus uitgesloten dat de bever een vaste verblijfplaats bezet op of in de invloedssfeer van de planlocatie. Boommarter Het habitat van de planlocatie is voor boommarter ongeschikt als verblijfplaats door de afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen (boomholten, takkenhopen of tussen boomwortels). Daarnaast zijn er geen sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van boommarters op en nabij de planlocatie. Het is uitgesloten dat de boommarter een vaste verblijfplaats bezet op of in de invloedsfeer van de planlocatie. Mogelijk heeft de boommarter het plangebied in gebruik als foerageergebied, maar dit kan niet aangemerkt worden als essentieel, gezien er voldoende (betere) alternatieven in de omgeving aanwezig zijn.
Bunzing Op het perceel zijn geen sporen van bunzing aangetroffen in de vorm van prooiresten, latrines, graafsporen of prenten. Potentiële holen waar bunzing gebruik van zou kunnen maken zijn niet waargenomen. Naar en van de planlocatie toe zijn wel verbindingszones aangetroffen in de vorm van verruigde oevers, heggen, houtwallen of grondwallen. De opstal en opslagplaatsen bieden voldoende dekking voor de bunzing. Daarnaast is er voldoende voedsel aanwezig op de planlocatie. Het is dus niet uit te sluiten dat de bunzing gebruik maakt van de planlocatie. Das De te slopen opstallen zijn niet geschikt als verblijfplaats voor das. Rondom de planlocatie is gezocht naar sporen in de vorm van gegraven pijpen, wissels, snuffelputjes en uitwerpselen welke niet zijn aangetroffen. Het is uitgesloten dat de das een vaste verblijfplaats bezet op of in de invloedsfeer van de planlocatie. Eekhoorn Tijdens het veldbezoek werden geen nesten van de eekhoorn (Sciurus vulgaris) of knaagsporen aangetroffen in de omliggende bomen. Bovendien wordt de ligging van de planlocatie aan de rand van de bebouwde komt tegen agrarisch grasland aan niet geschikt geacht voor eekhoorn. Het is uitgesloten dat de eekhoorn een vaste verblijfplaats bezet op of in de invloedsfeer van de planlocatie. Egel De planlocatie is nauwkeurig onderzocht op potentiële vaste rust en/of voortplantingsplaatsen van egel.
Een verblijfplaats van egel bestaat uit een nest tussen bladeren, onder dicht struikgewas, in holtes onder boomwortels of van konijnen. Als overwinteringsplaats maken ze een winternest uit bladeren, gras en/of mos
33
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
op beschutte plaatsen. Gezien de planlocatie deels in gebruik is (geweest) als opslag van een hovenier, liggen er hopen met tuinafval waar de egel gebruik van kan maken als verblijfplaats. Daarnaast is er aan de randen van het plangebied ook onderbegroeiing aanwezig onder de overhangende bomen van het naastgelegen perceel. Het is niet uit te sluiten dat de egel gebruik maakt van de planlocatie. Steenmarter Vaste verblijfplaatsen van steenmarter zijn doorgaans eenvoudig vast te stellen aan de hand van sporen. Mits de aanwezige opstallen volledig te inspecteren zijn. Aangezien de relevante opstallen zowel extern en intern volledig konden worden bekeken kon volledig sporenonderzoek uitgevoerd worden. Er is gezocht naar latrines, krabsporen, prenten en prooiresten. Deze sporen zijn niet aangetroffen. Verbindingszones zijn wel in lichte mate aanwezig, maar vanwege het ontbreken van sporen wordt de aanwezigheid van een vaste verblijfplaats van steenmarter uitgesloten op of in de invloedsfeer van de planlocatie. Wezel Op het perceel zijn geen sporen van wezel aangetroffen in de vorm van prooiresten, latrines, graafsporen of prenten. Potentiële holen waar de wezel gebruik van zou kunnen maken zijn niet waargenomen. Naar en van de planlocatie toe zijn wel verbindingszones aangetroffen in de vorm van verruigde oevers, heggen, houtwallen of grondwallen.
De opstal en opslagplaatsen bieden voldoende dekking voor de wezel. Daarnaast is er voldoende voedsel aanwezig op de planlocatie. Het is dus niet uit te sluiten dat de wezel gebruik maakt van de planlocatie. Wolf De planlocatie is dermate klein en bevat niet de rust en de schuilmogelijkheden voor deze dieren dat het is uitgesloten dat de wolf een vaste verblijfplaats bezet op of in de invloedsfeer van de planlocatie. Effectbeoordeling Uit de bevindingen van het soortenonderzoek naar grondgebonden zoogdieren op de planlocatie kunnen vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van vrijgestelde muizensoorten, zoals rosse woelmuis en huisspitsmuis niet worden uitgesloten. Voor deze soorten geldt dat ze voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld zijn van de Omgevingswet. Wel dient rekening gehouden te worden met de specifieke zorgplicht. Men kan invulling geven aan de specifieke zorgplicht door mitigerende maatregelen te nemen, zoals bij sloop/graaf werkzaamheden één kant op te werken zodat de dieren tijdig kunnen vluchten en te werken buiten de voortplantingsperiode. Mogelijk is de onderbegroeiing en de hoop tuinafval geschikt als zomerverblijfplaats van egel. Indien dit behouden blijft, zal er geen effect zijn op de egel in relatie tot de Omgevingswet. Indien deze elementen verwijderd worden, is het mogelijk dat er egels verstoord, verwond of gedood worden.
De geplande werkzaamheden zijn daarmee mogelijk in strijd met de Omgevingswet. Wanneer egels een vaste rust en/of voortplantingsplaats bezetten binnen het plangebied, kunnen werkzaamheden enkel plaatsvinden onder vergunning. Deze vergunning dient te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, in dit geval de Provincie Overijssel. Gezien de aanwezige verbindingszones en het geschikte habitat op de planlocatie, kunnen vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van bunzing en wezel niet worden uitgesloten. Bij het verwijderen van de opstal en opslagplaats is het mogelijk dat bunzing of wezel verstoord, verwond of gedood wordt. De geplande werkzaamheden zijn daarmee mogelijk in strijd met de Omgevingswet. Wanneer bunzing of wezel een vaste
34
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
rust en/of voortplantingsplaats bezetten binnen het plangebied, kunnen werkzaamheden enkel plaatsvinden onder vergunning. Deze vergunning dient te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, in dit geval de Provincie Overijssel. Advies / Conclusie Ten aanzien van egel, wezel en bunzing worden mogelijk schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet verwacht. Voor deze soorten kan er direct worden overgegaan tot het aanvragen van een vergunning bij de provincie Overijssel.
35
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
6.2.4 Amfibieën Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, groene kikker (Onb.), heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker binnen 5 km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). De bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander zijn door de provincie Overijssel vrijgesteld van ruimtelijke ingrepen. Voor deze soorten blijft de specifieke zorgplicht gelden. Heikikker Geschikte voortplantingsplaatsen zoals, watergangen, poelen of vijvers zijn niet aanwezig in op binnen de invloedssfeer van de planlocatie. De planlocatie bestaat voornamelijk uit verharding en intensief grasland. Het habitat is ongeschikt voor heikikker. Het voorkomen van de heikikker op of in de invloedsfeer van de planlocatie wordt uitgesloten. Poelkikker Geschikte voortplantingsplaatsen zoals, watergangen, poelen of vijvers zijn niet aanwezig in op binnen de invloedssfeer van de planlocatie. De planlocatie bestaat voornamelijk uit verharding en intensief grasland. Het habitat is ongeschikt voor poelkikker. Het voorkomen van de poelkikker op of in de invloedsfeer van de planlocatie wordt uitgesloten. Kamsalamander Geschikte voortplantingsplaatsen zoals, watergangen, poelen of vijvers zijn niet aanwezig in op binnen de invloedssfeer van de planlocatie. De planlocatie bestaat voornamelijk uit verharding en intensief grasland.
Het habitat is ongeschikt voor kamsalamander. Het voorkomen van de kamsalamander op of in de invloedsfeer van de planlocatie wordt uitgesloten. Effectbeoordeling Uit de bevindingen van het soortenonderzoek naar amfibieën op de planlocatie kunnen vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van vrijgestelde soorten, zoals gewone pad niet worden uitgesloten. Voor deze soorten geldt dat ze voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld zijn van de Omgevingswet. Wel dient rekening gehouden te worden met de specifieke zorgplicht. Men kan invulling geven aan de specifieke zorgplicht door mitigerende maatregelen te nemen, zoals bij sloop/graaf werkzaamheden één kant op te werken zodat de dieren tijdig kunnen vluchten en te werken buiten de voortplantingsperiode. Advies / Conclusie Geen vervolgstappen noodzakelijk voor amfibieën.
36
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
6.2.5. Reptielen Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van hazelworm en levendbarende hagedis binnen 5 km van de planlocatie (NDFF. 2020-2025). Het habitat van de planlocatie is ongeschikt voor deze soorten. Effectbeoordeling Aanwezigheid van een vaste rust en/of voortplantingsplaats of essentieel leefgebied van beschermde reptielen wordt uitgesloten. Om die reden is er geen sprake van een effect van de ingreep op beschermde reptielen in relatie tot de Omgevingswet. Advies / Conclusie Geen vervolgstappen noodzakelijk voor reptielen.
6.2.5 Vissen Op basis van NDFF zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vissen binnen 5 km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). Vanwege het ontbreken van watergangen, sloten of plassen op de planlocatie is de planlocatie ongeschikt voor (beschermde) vissen. Effectbeoordeling Aanwezigheid van een vaste rust en/of voortplantingsplaats of essentieel leefgebied van beschermde vissen wordt uitgesloten. Om die reden is er geen sprake van een effect van de ingreep op beschermde vissen in relatie tot de Omgevingswet. Advies / Conclusie Geen vervolgstappen noodzakelijk voor vissen.
6.2.6 Vlinders Gentiaanblauwtje Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van gentiaanblauwtje binnen 5 km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). Waardplant van het gentiaanblauwtje is de klokjesgentiaan. Deze is niet aangetroffen op planlocatie. Het gentiaanblauwtje wordt uitgesloten van de planlcoatie. Grote vos Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van grote vos binnen 5 km van de planlocatie (NDFF, 20202025). Waardplanten van grote vos, zoals iep, kers of sleedoorn zijn niet aanwezig op de planlocatie. De grote vos wordt uitgesloten van de planlocatie.
37
NATUURWAARDENONDERZOEK 54407 V1.1– NAAST ENSCHEDESESTRAAT 114 HAAKSBERGEN
Grote weerschijnvlinder Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van grote weerschijnvlinder binnen 5km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). Waardplanten van deze soort zijn boswilg en grauwe wilg. Op de rand van het plangebied staan wel enkele wilgen. Indien deze blijven staan, zal er geen negatief effect zijn op de instandhouding van de grote weerschijnvlinder. Kleine ijsvogelvlinder Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van kleine ijsvogelvlinder binnen 5 km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). Waardplanten van de kleine ijsvogelvlinder zoals wilde kamperfoelie en sneeuwbes zijn niet aanwezig op de planlocatie. De kleine ijsvogelvlinder wordt uitgesloten van de planlocatie. Teunisbloempijlstaart Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van teunisbloempijlstaart binnen 5 km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). Daarnaast is de aanwezigheid van de teunisbloem (waardplant) op planlocatie vastgesteld. Per abuis is deze verwijderd en dient terug ingezaaid te worden langs de Morgensterweg (strook van 4 meter) zodat de teunisbloempijlstaart zich er kan vestigen. Effectbeoordeling Tijdens de werkzaamheden is de aanwezige Teunisbloem (Oenothera spp.) per abuis verwijderd.