Raadsbesluit VERORDENING JEUGDHULP GEMEENTE GRONINGEN 2023.pdf
Tekst van het document
VERORDENING JEUGDHULP GEMEENTE GRONINGEN 2023 DE RAAD VAN DE GEMEENTE GRONINGEN, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 juni 2023; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet; overwegende dat: •
de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd;
•
het uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;
•
het noodzakelijk is om regels vast te stellen over: -
de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen;
-
de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;
-
de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;
-
de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;
-
de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet;
-
de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;
overwegende dat het verder ook wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk; besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Groningen 2023.
Gedaan te Groningen in de openbare raadsvergadering van 12 juli 2023. voorzitter
griffier
Koen Schuiling
Josine Spier
Dit besluit is elektronisch aangemaakt en daarom niet ondertekend
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen............................................................................................... 4 Artikel 1. Begripsbepalingen .................................................................................................. 4 Hoofdstuk 2. Vormen van jeugdhulp ............................................................................................. 5 Artikel 2. Vormen van jeugdhulp ........................................................................................... 5 Hoofdstuk 3. Voorzieningen: toegang, onderzoek en beoordeling .................................................. 5 Artikel 3. Toegang algemene voorziening ............................................................................... 5 Artikel 4. Besluit weigering algemene voorziening ................................................................. 5 Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de gemeente ....................................................................... 6 Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts .......................... 6 Artikel 7. Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan ........................................................... 7 Artikel 8. Criteria individuele voorzieningen .......................................................................... 8 Artikel 9.
Aanvullende criteria pgb ......................................................................................... 9 Artikel 10. Onderscheid formele en informele hulp .............................................................. 10 Artikel 11. Hoogte pgb ........................................................................................................ 11 Artikel 12. De beschikking ................................................................................................... 12 Artikel 13. Periodiek onderzoek en heroverweging .............................................................. 12 Hoofdstuk 4. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik ................................ 12 Artikel 14. Herziening, intrekking en terugvordering ............................................................ 12 Artikel 15. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik ..................................... 13 Hoofdstuk 5. Afstemming met andere voorzieningen .................................................................. 14 Artikel 16. Afstemming met gezondheidszorg ...................................................................... 14 Artikel 17. Afstemming met gecertificeerde instellingen ...................................................... 14 Artikel 17a.
Zak- en kleedgeldregeling ................................................................................. 15 Artikel 18. Afstemming met het justitiedomein .................................................................... 15 Artikel 19. Afstemming met voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht ................ 15 Artikel 20. Afstemming met Veilig Thuis .............................................................................. 16 Artikel 21. Afstemming met Wmo-voorzieningen ................................................................. 16 Artikel 22. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen ............................................... 16 Hoofdstuk 6. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit .............................................................. 16 Artikel 23. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen 2
........................................................................................................................................... 16 Hoofdstuk 7. Klachten en medezeggenschap ............................................................................... 17 Artikel 24. Klachtregeling .................................................................................................... 17 Artikel 25. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid .................................................... 17 Hoofdstuk 8. Slotbepalingen ....................................................................................................... 18 Artikel 26. Hardheidsclausule .............................................................................................. 18 Artikel 27. Intrekking oude verordening en overgangsrecht .................................................. 18 Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel ........................................................................... 18 Toelichting ................................................................................................................................. 19
3
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1.
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a.
algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet die vrij en rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand diepgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders, of met een beperkte toegangsbeoordeling (Triage);
b.
andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, die niet valt onder de Jeugdwet;
c.
budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet;
d.
budgetplan: een bij de aanvraag voor een pgb in te dienen plan, zoals nader omschreven in artikel 9 van deze verordening;
e.
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen;
f.
gebruikelijke hulp: hulp en zorg die naar algemeen aanvaarde maatstaven in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders;
g.
hulpvraag: behoefte van een jeugdige of ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet;
h.
individuele voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet die toegankelijk is na voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders. De voorziening wordt door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt;
i.
ondersteuningsplan: een schriftelijke weergave van het onderzoek, gewenste resultaten en afspraken, als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van deze verordening;
j.
persoonsgebonden budget (pgb): het door het college verstrekte budget dat een jeugdige of ouder(s) in staat stelt een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet bij derden in te kopen, zoals bedoeld in art. 8.1.1 van de Jeugdwet;
k.
sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of ouder een sociale relatie onderhoudt;
l.
triage: een eerste en beperkte toegangsbeoordeling (vooronderzoek) op basis van een hulpvraag, waarbij de aard en de omvang van de in te zetten hulp nog niet hoeft te worden bepaald. Triage valt onder de gemeentelijke toegangstaak. Middels triage wordt bepaald welke ondersteuning passend en proportioneel is. Binnen de triage worden alle expertisegebieden betrokken (inclusief de preventieve). Hierbij wordt
4
altijd een afweging gemaakt tussen kracht van de leefwereld en de omvang van het probleem.
2.
m.
Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
n.
wet: de Jeugdwet.
Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet, Regeling Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 2. Vormen van jeugdhulp Artikel 2. Vormen van jeugdhulp 1.
De volgende vormen van jeugdhulp zijn beschikbaar: a.
algemene voorzieningen, gericht op het versterken van de sociale context, de algemene voorziening basisondersteuning en de algemene voorziening Basis jeugdhulp en
b.
individuele voorzieningen.
2.
Het college stelt bij nadere regels vast welke algemene en individuele voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.
3.
Het college kan andere vormen van jeugdhulp beschikbaar stellen en regelt daarbij de wijze van toegang tot die voorzieningen.
Hoofdstuk 3. Voorzieningen: toegang, onderzoek en beoordeling Artikel 3. Toegang algemene voorziening Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder toegangsbeoordeling of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling.
Artikel 4. Besluit weigering algemene voorziening Op verzoek van de jeugdige en/of zijn ouders wordt een besluit tot weigering van toegang tot een algemene voorziening op schrift gesteld en toegezonden.
5
Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de gemeente 1.
Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college. Als de jeugdige en/of zijn ouders daarom vragen, zorgt het college voor ondersteuning bij het verkennen of verhelderen van de hulpvraag.
2.
Het eerste contact over de hulpvraag als bedoeld in het eerste lid kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht indien dit contact aanleiding geeft tot een onderzoek als bedoeld in artikel 7 van de verordening.
3.
Een aanvraag voor een individuele voorziening wordt schriftelijk ingediend bij het college.
4.
Het college kan een ondertekend ondersteuningsplan aanmerken als aanvraag als dit daarop door de belanghebbende is aangegeven.
5.
Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 7 van deze verordening aanmerken als een aanvraag als dit daarop door de belanghebbende is aangegeven.
6.
Als een jeugdige of ouder de jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een budgetplan in zoals bedoeld in artikel 9 van deze verordening. Een door de jeugdige of ouder ondertekend budgetplan kan worden aangemerkt als aanvraag.
7.
Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen acht weken, waarbij als startdatum het eerste contact als bedoeld in het tweede lid geldt.
8.
Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking.
9.
In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.
10.
De jeugdige of zijn ouders moeten zich binnen drie maanden na de besluitdatum melden bij een jeugdhulpaanbieder, dan wel het pgb binnen drie maanden inzetten voor de aangewezen jeugdhulp.
11.
Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de aanvraag van een individuele voorziening.
Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1.
Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.
2.
Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.
6
3.
De jeugdige of zijn ouders moeten zich binnen drie maanden na de besluitdatum melden gemeld bij een jeugdhulpaanbieder, dan wel het pgb binnen drie maanden inzetten voor de aangewezen jeugdhulp.
4.
Het college kan nadere regels stellen over de invulling van het in het eerste lid genoemde.
Artikel 7. Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan 1.
Voorafgaand aan het onderzoek dienen de jeugdige en/of zijn ouders zich te legitimeren. De jeugdige en/of zijn ouders geven daartoe in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.
2.
Het college verzamelt alle voor het onderzoek, als bedoeld in het vierde lid, van belang zijnde en toegankelijke gegevens en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.
3.
Voor het gesprek verschaffen de jeugdige en/of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.
4.
Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige en/of zijn ouders zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag: a.
de hulpvraag, de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige of zijn ouders;
b.
of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen en zo ja, welke problemen, stoornissen en beperkingen dat zijn;
c.
welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, te weten het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;
d.
of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en personen die tot het sociale netwerk behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden;
e.
voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met inzet van een andere voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg;
f.
voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen en de mogelijkheid tot inzet van een andere voorziening ontoereikend zijn, de 7
mogelijkheden om met inzet van een algemene voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg; g.
voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, de mogelijkheid tot inzet van een andere voorziening en de mogelijkheid tot inzet van een algemene voorziening, ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met inzet van een individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg;
h.
hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.
i.
de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;
j.
de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige en/of ouder in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.
5.
Het college kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders afzien van een gesprek.
6.
Het college en de jeugdige en/of zijn ouders leggen het gesprek, het onderzoek en de conclusies daaruit vast in het ondersteuningsplan. Indien uit het ondersteuningsplan blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen, geldt als voorwaarde voor het compleet maken van de aanvraag dat dit ondersteuningsplan wordt ondertekend door de ouders en/of jeugdige en daarna wordt teruggestuurd.
7.
Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders over de gang van zaken van het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en wijst de jeugdige en zijn ouders voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis, onafhankelijke cliëntondersteuning, zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015.
8.
Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s om de recht- en doelmatigheid daarvan te beoordelen.
9.
Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd en vastgelegd.
Artikel 8. Criteria individuele voorzieningen 1.
Jeugdige of zijn ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening na een aanvraag en voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag: a.
binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder geval wordt verstaan:
8
i.
gebruikelijke hulp van ouders en hulp van andere personen uit het
sociale netwerk; ii.
het aanspreken van een aanvullende verzekering die is
afgesloten. b.
door gebruik te maken van een andere voorziening, of;
c.
door gebruik te maken van een algemene voorziening.
2.
Het college verleent geen individuele voorziening als het hulpverleningstraject waarvoor de jeugdige en/of de ouders die voorziening vragen op het moment van aanvraag al is afgerond.
3.
Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige of zijn ouder voorafgaand aan de aanvraag al heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken: a.
als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van een in artikel 7, vierde lid, aanhef en onder b, van deze verordening genoemd probleem, stoornis en/of beperking waarvoor de hulp is ingezet, en;
b.
voor zover het college achteraf nog het volgende kan beoordelen: de noodzaak, of de voorziening passend is en de gemaakte kosten.
4.
De voorziening als bedoeld in het derde lid kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal drie maanden vóór de aanvraag.
5.
Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing als de ingezette individuele voorziening tot stand is gekomen door een verwijzing van de huisarts, medisch specialist en/of jeugdarts.
6.
Het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de criteria, zoals genoemd in het eerste lid.
Artikel 9. Aanvullende criteria pgb 1.
2.
Als een jeugdige of zijn ouder in aanmerking komt voor een individuele voorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een budgetplan in en kan daarvoor gebruik maken van een door het college ter beschikking gesteld format. In het budgetplan is in elk geval opgenomen: a.
waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is;
b.
de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;
c.
op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd;
d.
de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief.
De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb:
9
3.
a.
kosten voor bemiddeling;
b.
kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;
c.
kosten voor het voeren van een pgb-administratie;
d.
kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;
e.
kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering.
De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk mits: a.
vast staat dat deze hulpverlener in staat is tot het verrichten van de zorg op kwalitatieve, doelmatige en veilige wijze;
b.
de ondersteuning aan de jeugdige of zijn ouders niet leidt tot overbelasting bij de persoon die deze jeugdhulp verleent;
c.
er op geen enkele wijze druk op de ontvanger van het pgb is uitgeoefend bij diens besluitvorming;
d.
de geboden jeugdhulp niet leidt tot voor de jeugdige onveilige situaties;
e.
het niet gaat om een ggz-behandeling.
4.
Het college verstrekt geen pgb als het gaat om spoedeisende jeugdhulp.
5.
Zonder voorafgaande goedkeuring door het college van de overeenkomst tussen de budgethouder met de door hem of haar in te schakelen jeugdhulpverlener, kan geen gebruik gemaakt worden van het pgb.
6.
Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen.
Artikel 10. Onderscheid formele en informele hulp 1.
Van formele hulp is sprake als het aantoonbaar is dat de jeugdige professionele jeugdhulp nodig heeft en deze hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder: a.
personen die werkzaam zijn bij een hulpverlenende instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;
b.
personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren hulpverlenende 10
taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; c.
personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.
2.
Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, dan is er altijd sprake van informele hulp.
3.
Indien de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid onder a, b of c, dan is er sprake van informele hulp.
4.
Indien de hulp wordt verleend door iemand uit het sociale netwerk, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is alleen sprake van formele hulp indien wordt voldaan aan de onder de in het eerste lid, onder b en c genoemde voorwaarden en deze hulp leidt tot betere en effectievere ondersteuning en die tevens doelmatiger is.
Artikel 11. Hoogte pgb 1.
De tarieven voor een pgb zijn bepaald voor de volgende categorieën jeugdhulp: a.
begeleiding individueel/gezin;
b.
specialistische begeleiding individueel/gezin;
c.
persoonlijke verzorging;
d.
begeleiding groep;
e.
specialistische begeleiding groep;
f.
verblijf/logeren.
2.
De basis voor de hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt 70% van het rekenkundig gemiddelde van de bedragen waartegen de jeugdhulpaanbieders voor 2018 hebben ingeschreven op de in het eerste lid genoemde categorieën jeugdhulp zorg in natura, met uitzondering van het hoogste en het laagste bedrag.
3.
In afwijking van het tweede lid kan een lager tarief worden toegekend indien op basis van het door de jeugdige en/of zijn ouders ingediende budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.
4.
Als het op basis van het tweede lid vastgestelde formele pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht.
5.
Het formele tarief voor vervoer bedraagt € 5,51 (retour). 11
6.
De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van dienstbetrekking ten minste gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek.
7.
Het informele tarief bedraagt voor: a.
begeleiding: € 18,11 (uur);
b.
verblijf/logeren: € 18,11 (etmaal);
c.
vervoer: € 2,70 (retour).
8.
Een pgb voor vormen van jeugdhulp en een pgb voor vervoer, waarvoor een tarief is vastgesteld per uur, per dagdeel of per etmaal of retour, mag uitsluitend en alleen besteed worden voor die daadwerkelijk geleverde diensten per uur, dagdeel of etmaal en voor dat vervoer en mag niet anders besteed worden.
9.
Als uit het gesprek en het ondersteuningsplan blijkt, dat het pgb-tarief niet toereikend is, kan het college hiervan afwijken tot ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura.
10.
Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening vastgestelde tarieven verhogen of verlagen. Het college kan per tarief en voorziening bepalen welk indexcijfer hierbij wordt gehanteerd.
11.
Als er geen gebruik wordt gemaakt van de in dit artikel genoemde tarieven voor de categorieën pgb worden de bedragen, doelgroepen en andere mogelijke nadere invullingen vastgesteld aan de hand van de criteria, zoals in de Wet, het daarop gebaseerde besluit, de verordening en de nadere regels zijn gesteld.
12.
Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de hoogte en de mogelijke indexering van pgb-tarieven wordt vastgesteld.
13.
Bij nadere regels kan het college verdere invulling geven aan het bepaalde in de voorgaande leden. De diverse tariefhoogten die voortvloeien uit bovenstaande bepalingen, worden opgenomen in een tabel die als bijlage behoort bij de Nadere regels jeugdhulp.
Artikel 12. De beschikking Het college stelt over de inhoud van de beschikking nadere regels.
Artikel 13. Periodiek onderzoek en heroverweging Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is een besluit te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen.
12
Hoofdstuk 4. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik Artikel 14. Herziening, intrekking en terugvordering 1.
Degene aan wie een individuele voorziening en/of persoonsgebonden budget is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededelingen te doen van feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening en/of persoonsgebonden budget.
2.
Het college kan een besluit met betrekking tot een individuele voorziening en/of persoonsgebonden budget, beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a.
de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
b.
de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;
c.
de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten;
d.
de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb;
e.
de jeugdige langer dan 12 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet, of;
f.
de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.
3.
Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden niet is aangesproken voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden, tenzij dit de jeugdige of zijn ouders niet is aan te rekenen.
4.
Als het college een besluit op grond van het tweede lid, onderdeel a heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het teveel of ten onrechte genoten pgb.
5.
Het college kan regels opstellen over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de bevoegdheid tot terugvordering uit het vierde lid.
13
Artikel 15. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik 1.
Het college informeert jeugdige en ouders in begrijpelijke bewoording over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een jeugdhulpvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
2.
Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.
3.
Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.
4.
Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder e, van deze verordening.
5.
Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het derde of vierde lid van dit artikel.
6.
Het college kan regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.
Hoofdstuk 5. Afstemming met andere voorzieningen Artikel 16. Afstemming met gezondheidszorg 1.
Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g van de wet en artikel 6 van deze verordening, plaatsvindt.
2.
Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen, en hoe te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader.
3.
Het college zorgt ervoor dat de jeugdige en/of zijn ouders indien nodig ondersteund worden richting het CIZ, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.
14
Artikel 17. Afstemming met gecertificeerde instellingen 1.
Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 2 van deze verordening en de gecertificeerde instellingen.
2.
Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over:
3.
a.
het overleg over de in te zetten jeugdhulp in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, zoals bedoeld in artikel 3.5, eerste lid van de wet;
b.
het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;
c.
de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt;
d.
wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een persoonsgebonden budget kan zijn namens de jeugdige en zijn ouders;
e.
hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet dient te worden.
Het college en de gecertificeerde instelling leggen de afspraken als bedoeld in het tweede lid vast in een protocol als bedoeld in artikel 3.5, derde lid van de wet.
Artikel 17a. Zak- en kleedgeldregeling 1.
Het college stelt ten behoeve van de jeugdige op wie een kinderbeschermingsmaatregel van toepassing is, waarbij het voor de voogd waar de jeugdige onder toezicht staat, blijkt dat het duurzaam onmogelijk is om zelf van de onderhoudsplichtige ouders een bijdrage voor zak- en kleedgeld te ontvangen, een vervangende bijdrage ter beschikking gelijk aan maximaal de geldende wettelijke kinderbijslag volgens de Algemene kinderbijslagwet. De bijdrage wordt uitbetaald aan de voogd van de jeugdige of de instelling waar de jeugdige verblijft mits de jeugdhulpinstelling aantoont dat zij zelf voldoende heeft getracht de ouders aan te spreken op hun onderhoudsplicht.
2.
Ter onderbouwing van de aanspraak uit het eerste lid overlegt de gecertificeerde instelling een dossier waaruit blijkt dat tenminste één schriftelijke aanschrijving is gedaan, waarop door de ouders geen bijdragen zijn voldaan en de ouders van de jeugdige zijn vertrokken onbekend waarheen, of dat het voor de opvang en hulpverlening aan de jeugdige van wezenlijk belang is om het contact over de zak- en kleedgeldbijdrage met de ouders te vermijden, of dat de ouders op korte termijn niet kunnen voldoen aan de onderhoudsplicht en dit blijkt uit verkregen gegevens omtrent hun inkomens en vermogenssituatie.
15
Artikel 18. Afstemming met het justitiedomein 1.
Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, van de wet.
2.
Het college en de betrokken instellingen nemen de afspraken zoals bedoeld in het eerste lid op in het protocol zoals bedoeld in artikel 17, derde lid van deze verordening en het protocol bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid van de wet.
Artikel 19. Afstemming met voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht 1.
Het college maakt afspraken met het onderwijs en de voorschoolse voorzieningen over de toegang tot de jeugdhulp.
2.
Het college zorgt samen met de ketenpartners voor de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken. Op individueel niveau worden deze vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige en/of zijn ouders.
3.
Het college stemt de samenwerking van onderwijs en door gemeenten gefinancierde jeugdhulp af met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs in wettelijk verplichte OOGO’s (op overeenstemming gericht overleg). De Jeugdwet en de Wet op het passend onderwijs verplicht gemeentebestuurders binnen een regio om minimaal eenmaal per 4 jaar OOGO te voeren. In het OOGO passend onderwijs bespreekt het samenwerkingsverband zijn ondersteuningsplan met de gemeente. In het OOGO jeugd bespreekt de gemeente haar jeugdplannen met de samenwerkingsverbanden. Deze overleggen kunnen ook worden gecombineerd.
Artikel 20. Afstemming met Veilig Thuis Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en individuele voorzieningen.
Artikel 21. Afstemming met Wmo-voorzieningen 1.
Het college zorgt voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen dan wel ouders op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
2.
Het college zorgt voor de continuïteit van ondersteuning, hulp en zorg onder zijn verantwoordelijkheid wanneer de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt.
Artikel 22. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen Het college zorgt dat het toegangsteam, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke 16
voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen – te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen.
Hoofdstuk 6. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit Artikel 23. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a.
de aard en omvang van de te verrichten taken;
b.
de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;
c.
een redelijke toeslag voor overheadkosten;
d.
een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;
e.
kosten voor bijscholing van het personeel;
f.
gemeentelijk kwaliteitsbeleid.
Hoofdstuk 7. Klachten en medezeggenschap Artikel 24. Klachtregeling 1.
Het college zorgt voor een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten van jeugdige of ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van hulpvragen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.
2.
Het college ziet erop toe dat jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen een klachtenregeling hebben die voldoet aan de wet.
Artikel 25. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid 1.
Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.
2.
Het college stelt de jeugdige of zijn ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordening en beleidsvoorstellen 17
betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.
Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.
4.
Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen Artikel 26. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing voor de jeugdige en/of zijn ouders leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 27. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.
De Verordening jeugdhulp gemeente Groningen 2021 wordt ingetrokken.
2.
Wijzigingen van tarieven pgb gelden vanaf 1 januari van het nieuwe kalenderjaar.
Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel 1.
Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking.
2.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Groningen 2023.
18
Toelichting TOELICHTING OP DE VERORDENING JEUGDHULP GEMEENTE GRONINGEN 2023 Algemene toelichting Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. De Jeugdwet kent een voorzieningenplicht voor de gemeente; de jeugdhulpplicht. Deze houdt kort gezegd in dat het college een jeugdhulpvoorziening moet treffen als de jeugdige of ouders dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. De aard en omvang van deze voorzieningenplicht wordt in beginsel door de gemeente bepaald (maatwerk). De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt: •
over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen;
•
met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;
•
over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;
•
over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;
•
voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet;
•
over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet;
•
ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;
Artikel 2.9 van de Jeugdwet is niet uitputtend geformuleerd en biedt derhalve ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet nog andere regels te stellen. Daarnaast kan de gemeenteraad op grond van artikel 8.1.1 lid 3 van de Jeugdwet bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet vaststelt. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.
19
Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Lid 1 onderdeel a: algemene voorziening Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor degene die zich hiertoe wendt voor ondersteuning of hulp. Er vindt geen of slechts een beperkte toegangsbeoordeling plaats. Dit betekent dat voorafgaand geen (diepgaand) onderzoek wordt gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige of ouder(s). Lid 1 onderdeel b: andere voorziening Een andere voorziening is een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt getroffen, maar bijvoorbeeld op grond van de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Lid 1 onderdeel c: budgethouder De budgethouder is degene aan wie op grond van de Jeugdwet een persoonsgebonden budget (pgb) wordt toegekend om daarmee jeugdhulp in te kunnen kopen. Aangezien zowel jeugdigen als ouders jeugdhulp kunnen krijgen, gaat het om de jeugdige of om de ouder(s). Lid 1 onderdeel e: college In deze verordening wordt in plaats van het begrip college ook wel het begrip gemeente gehanteerd. Daar waar college staat vermeld kan ook worden bedoeld de persoon of organisatie die namens het college bepaalde taken uitoefent op grond van deze verordening.
Lid 1 onderdeel f: gebruikelijke hulp Het college hoeft geen voorziening voor jeugdhulp toe te kennen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn (artikel 2.3 Jeugdwet). Dit wordt ook wel ‘eigen kracht’ genoemd. Ter invulling hiervan wordt onderscheid gemaakt tussen gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp. Uit de jurisprudentie van de CRvB volgt dat ook boven-gebruikelijke hulp onder ‘eigen kracht’ kan vallen en van ouders kan worden verlangd. Jeugdhulp kan slechts ingezet worden voor de hulp die de gebruikelijke hulp te boven gaat. Dat is bepaald in deze verordening. Onder ‘andere verzorgers of opvoeders’ kunnen ook pleegouders vallen. Lid 1 onderdeel k: sociaal netwerk Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (o.a. (ex-)partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige of ouder regelmatig contacten onderhoudt, zoals buren, medeleden van een vereniging, school etc. Het begrip ‘sociaal netwerk’ komt ook voor in de Wmo 2015. Bij de uitvoering van de Jeugdwet wordt aangesloten bij deze begripsomschrijving.
20
De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van de hulpvraag, komt aan de orde bij het onderzoek dat de gemeente verricht als een jeugdige of ouder zich meldt met een hulpvraag. Het komt in dat verband ook aan de orde bij de vaststelling van ‘eigen kracht’. Daarnaast komt het begrip ook voor in de bepaling over het pgb (artikel 8.1.1 van de Jeugdwet). Lid 1 onderdeel l: Veilig Thuis In de Jeugdwet wordt het begrip 'advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling' gebruikt. Inmiddels is hiervoor de naam Veilig Thuis in gebruik. In de verordening wordt daarom laatstgenoemde term gebruikt.
Hoofdstuk 2. Vormen van jeugdhulp Artikel 2. Vormen van jeugdhulp Dit artikel geeft een nadere uitwerking van artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat het college regels stelt over de te verlenen individuele en algemene jeugdhulpvoorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de Jeugdwet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. Lid 2 Het college kan op grond van het tweede lid, de in het eerste lid genoemde voorzieningen nader uitwerken of specificeren.
Hoofdstuk 3. Voorzieningen: toegang, onderzoek en beoordeling Toelichting algemeen De gemeente organiseert een jeugdhulpstructuur gebaseerd op het Groninger Functioneel Model. In dat model gaan we er van uit dat toegang naar jeugdhulp zo dicht mogelijk bij en met het kind en gezin wordt georganiseerd en geregisseerd wordt door een casemanager. Hiermee geven de Groninger gemeenten vorm aan het uitgangspunt één gezin, één plan, één regisseur. Dit gebeurt ook als de toegang via de huisarts loopt. Met de huisartsen en de zorgaanbieders moeten over de uitvoering afspraken worden gemaakt. In de praktijk kunnen tussen de professionals onderling en of met de opvoeders verschillen van inzichten ontstaan over het ondersteuningsplan en de in te zetten jeugdhulp. Daarom moeten binnen de afspraken de rollen en verantwoordelijkheden helder worden beschreven en duidelijke procesafspraken worden gemaakt. Algemene (vrij toegankelijke) en individuele voorzieningen Een voorziening voor jeugdhulp kan een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten.
21
In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een algemene voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Toeleiding naar de jeugdhulp De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten: •
via de gemeente;
•
via de gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI);
•
na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts;
•
via Veilig Thuis (het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling: AMHK).
Toegang jeugdhulp via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij het toegangsteam van de gemeente. Het toegangsteam zal dan onderzoeken of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is. Is een individuele voorziening nodig, dan geeft het college (althans een deskundige namens het college) daartoe een besluit af. Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk zullen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen naar één van de jeugdhulpaanbieders waar de gemeente jeugdhulp heeft ingekocht. Dit betekent dat als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts kiezen voor een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente geen contract- of subsidierelatie heeft (en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdaanbieder waarmee zij wel een contract of subsidierelatie heeft), de gemeente deze hulp niet hoeft te vergoeden. De jeugdige en/of zijn ouders moeten de kosten van deze jeugdhulp zelf betalen (MvT bij art. 2.6 lid 1 aanhef en onder g).
De jeugdhulpaanbieder beoordeelt vervolgens welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang de hulp moet duren (de duur). Daarbij dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn vastgelegd in deze verordening.
22
Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling zelfstandig bepalen dat en welke jeugdhulp nodig is (artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet). Bij jeugdreclassering heeft niet alleen de gecertificeerde instelling deze bevoegdheid, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI), en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze instanties nodig achten ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de Jeugdwet). Wel geldt als uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Toegang via Veilig Thuis (het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling: AMHK) Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot (onder andere) jeugdhulp.
Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Indien Veilig Thuis inschat dat er jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning of een vorm van (verzekerede) zorg nodig is, verwijst Veilig Thuis door naar vrij toegankelijke hulp of naar het toegangsteam. Artikel 3. Toegang algemene voorziening Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Er vindt geen voorafgaand onderzoek plaats naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Het college geeft hiervoor dan ook geen beschikking af, tenzij er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4 van deze verordening. Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de Gemeente en aanvraag Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Awb is een aanvraag een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. De wet noemt in artikel 4:1 en 4:2 een aantal vormvoorschriften aan de aanvraag. Het moet schriftelijk worden ingediend bij het bevoegde bestuursorgaan.
De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten minste: de naam en het adres van de aanvrager, de dagtekening, een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd en de gegevens en documenten die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. In de praktijk kan het voorkomen het eerste contact over de hulpvraag al voldoet aan de vereisten van een aanvraag. In de praktijk kunnen verschillende documenten ook als aanvraag worden aangemerkt, te weten het ondertekende ondersteuningsplan, het ondertekende verslag van het gesprek en het ondertekende budgetplan. Daarnaast kan het college op grond van artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht voor het indienen van een aanvraag een formulier vaststellen.
23
Lid 9 Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. Lid 10 Deze bepaling regelt dat van een jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen 3 maanden hun indicatie ‘verzilveren’ door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het bijvoorbeeld gaat om hulp uit het sociale netwerk, het pgb binnen 3 maanden gaan inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat eigenlijk een nieuwe indicatie nodig is. Voldoen jeugdigen of ouders niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een reden zijn om de aanspraak op de jeugdhulpvoorziening in te trekken. Er wordt dan niet voldaan aan de voorwaarden van de individuele voorziening (zie artikel 14 lid 2 onderdeel d van deze verordening). Artikel 6.
Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Lid 1 In artikel 2.6 lid 1 onderdeel g van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de mogelijkheid bestaat tot directe verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. Dit laatste geldt zowel voor de algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen als de individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, gezinswerker of orthopedagoog) zijn die op basis van de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. De jeugdhulpaanbieder bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouders daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn. Hij baseert zijn oordeel mede op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Lid 2 Deze toegang wijkt af van de reguliere aanvraagprocedure zoals genoemd in artikel 5. Daarom is de bepaling van artikel 5, tiende lid hier ook nog weer apart opgenomen. Voor de toelichting wordt verwezen naar de toelichting op die bepaling. Artikel 7.
Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan Lid 4 Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de situatie van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Het ligt daarom 24
voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het één en ander wordt besproken. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. A tot en met j hebben een vaste volgorde. Dit kan betekenen dat niet alle onderdelen onderwerp van gesprek zijn. Als er bijvoorbeeld sprake is van eigen kracht, komt men niet tot het bespreken van een individuele voorziening en/of pgb. A tot en met c bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Daarna verkleint deze vervolgens weer vanaf d, eventueel zelfs tot nul. Een zorgvuldig onderzoek vereist het op enigerlei doorlopen van de volgende stappen. Dit volgt uit onder andere de uitspraak van de CRvB van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Voor het onderzoek is in ieder geval het volgende van belang: -
Wat is de hulpvraag van jeugdige en/of ouders?
-
Wat kunnen de jeugdige en/of ouders zelf en met behulp van hun netwerk aan hun hulpvraag doen?
-
Zijn er andere mogelijkheden bijvoorbeeld algemene voorzieningen of andere wetten (bijv. Wlz)?
-
Wat is nodig vanuit de Jeugdwet?
In het handboek Grip op Jeugd van Schulinck worden de stappen als volgt samengevat: • •
Vaststellen van de hulpvraag Onderzoeken of deze gemeente verantwoordelijk is
• •
Onderzoeken of de Jeugdwet van toepassing is In kaart brengen van beperkingen/problematiek
• • •
Bepalen welke hulp nodig is Onderzoeken van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht) Aanspraak op een voorliggende voorziening
•
Aanspraak op een algemene voorziening
• •
Informeren over de mogelijkheid van het aanvragen van een pgb Indien aangevraagd: beoordelen of aan voorwaarden pgb voldaan wordt
Lid 6 De uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan. Uit het plan moet blijken welke doelen er zijn gesteld, hoe die gerealiseerd gaan worden en welke bijdragen daarin van alle partijen verwacht worden. Ook de onderzoeksvragen moeten terugkomen in het ondersteuningsplan. De voorwaarde van ondertekening en terugsturen van het ondersteuningsplan ziet op het compleet maken van de aanvraag. De ondertekening is immers een vormvoorschrift voor die aanvraag (artikel 4:2, eerste lid, van Awb). Daarnaast moet ook duidelijk zijn wat er precies wordt aangevraagd, de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, 25
eerste lid, onder c van de Awb). De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd. Waardoor ook toepassing kan worden gegeven aan de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, waaronder die over de opschorting van de beslistermijn. In situaties dat ouders en/of jeugdigen het niet eens zijn met de inhoud van dit plan, moeten zij dit separaat of in het ondersteuningsplan aangeven. Dit betekent dat ouders en/of jeugdigen altijd schriftelijk moeten reageren op het ondersteuningsplan, met een handtekening. De ondertekening van het plan ziet ook op overeenstemming over de afspraken die zijn gemaakt. Artikel 8. Criteria individuele voorzieningen In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven. Lid 1 Bij het beoordelen van de problematiek wordt gekeken in hoeverre de eigen mogelijkheden van de jeugdige, zijn ouders en hun omgeving toereikend zijn om (al dan niet gedeeltelijk) een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Onderdeel van die eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen is gebruikelijke hulp (zie voor dit begrip artikel 1, eerste lid, onderdeel f van deze verordening).
Voor zover gebruikelijke hulp mag worden verwacht, hoeft geen jeugdhulpvoorziening te worden ingezet. Ter uitwerking van gebruikelijke hulp moet een objectief afwegingskader worden vastgesteld om te beoordelen of, en zo ja in hoeverre, sprake is van gebruikelijke hulp. Het college is vrij om geheel eigen beleid over gebruikelijke hulp vast te stellen. Veel gemeenten hanteren echter de CIZrichtlijnen. Als er richtlijnen in gemeentelijk beleid zijn opgenomen (zoals de richtlijnen van het CIZ) dan is toetsing aan die richtlijnen verplicht om te bepalen of er sprake is van gebruikelijke hulp (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-7-2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:4538). De gemeente Groningen kiest voor een separate richtlijn. Een aanvullende verzekering wordt ook als onderdeel van het eigen probleemoplossend vermogen gezien. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat jeugdhulp nodig is waarvoor de jeugdige/ouder aanvullend verzekerd is, mag van hen verwacht worden dat ze die verzekering aanspreken. Voor zover de aanvullende verzekering onvoldoende vergoeding biedt, moet het college op grond van de jeugdhulpplicht aanvullen. Het college hoeft evenmin een voorziening te verstrekken als jeugdige of zijn ouders gebruik kunnen maken van een andere (voorliggende) voorziening (onderdeel b). Het gaat dan om een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet (bijvoorbeeld Wmo 2015 of Wlz).