CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage nationaal-programma-onderwijs.pdf

Politieke woensdag (Dag agenda) 10 maart 2021, gemeente GroningenBij agendapunt: 2: Meer experimenteerruimte om welzijnscrisis te bestrijden (agenderingsverzoek diverse fracties)13.955 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

33

Waar dat bijvoorbeeld studievertraging betreft in verband met onvoldoende stageplekken, is dat nu nog beperkt zichtbaar is in cijfers, maar opleidingen als verpleegkunde rapporteren dat studievertraging van een half jaar tot een jaar al onafwendbaar is voor een grote groep studenten.

17

In het wo (en deels hbo) drukt de combinatie van onderwijs met andere taken extra zwaar (onderzoekstaken, valorisatie/impact en management), terwijl ook dit laatste kerntaken zijn van het hoger onderwijs. In de praktijk gaat het verzorgen van onderwijs in deze moeilijke tijden vaak voor op het doen van onderzoek en daarom heeft veel lopend onderzoek sinds het begin van de coronacrisis vertraging opgelopen. Dit leidt ertoe dat belangrijke onderzoeken stilliggen of aanzienlijke vertraging hebben opgelopen, met gevolgen voor bijvoorbeeld de toepassing ervan in het onderwijs, voor het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen en voor de innovatie in het bedrijfsleven. 1.4

Impact van niet ingrijpen

Samenvattend komt het er op neer dat er al duidelijke studievertraging is in het mbo, dat deze in het mbo en hbo op dit moment sterk oploopt en dat het mbo, hbo en wo voor de korte en langere termijn onder grote druk staat. Dit wordt versterkt door aanzienlijk verminderd welzijn van studenten en hoge werkdruk van docenten. Deze problemen hebben ingrijpende gevolgen voor de samenleving, de arbeidsmarkt en de studenten. Als we niets doen zal de samenleving hier op korte en langere termijn veel schade van ondervinden. Daarbij zijn de volgende aspecten relevant:  Studievertraging zal in dat geval verder oplopen. Voor de student betekent dit langer lesgeld, cursusgeld of collegegeld betalen en langer in de kosten voor levensonderhoud moeten voorzien (basisbeurs en aanvullende beurs krijgt een student alleen voor de nominale studieduur) en mogelijk een hogere studieschuld.  Hierdoor komen studenten ook later op de arbeidsmarkt. Dat is in het bijzonder problematisch voor de tekortsectoren zoals techniek, educatie en zorg, zeker gezien de vergrijzing en de al bestaande tekorten op de arbeidsmarkt. Dit heeft nadelige gevolgen voor het beroepenveld, omdat de tekorten daar hoger worden, en daarmee de kwaliteit van bijvoorbeeld de zorg en het onderwijs onder druk komen te staan, maar ook gevolgen voor bijvoorbeeld de belastinginkomsten van Nederland.

 De uitval van studenten, met name op de mbo-niveaus 1 en 2, neemt toe. Hierdoor zal het aantal studenten dat de school zonder startkwalificatie verlaat toenemen, waardoor de kans op jeugdwerkloosheid wordt vergroot. Hierbij is het waarschijnlijk dat met name de toch al kwetsbare groepen het hardst worden getroffen, bijvoorbeeld omdat zij geen vangnet hebben om op terug te vallen als zij langer over hun studie moeten doen.  Studenten kunnen zich door langer over de studie te doen alsnog kwalificeren, maar persoonsvormende en socialiserende facetten van de opleiding (zoals zelfvertrouwen opbouwen als beginnend professional, vakjargon leren spreken en in een fysieke setting leren samenwerken) zijn beperkter en daardoor is er het risico dat afgestudeerden minder goed voorbereid zijn op de arbeidsmarkt. Dit heeft gevolgen voor het beroepenveld omdat zij meer zelf moeten investeren in deze vaardigheden van hun nieuwe werknemers.  Het studentenwelzijn neemt verder af, wat gevolgen kan hebben voor de mentale gezondheid van studenten. Dit kan leiden tot een groter beroep op de zorg en welzijn. Daarnaast missen studenten perspectief en vertrouwen, hetgeen cumulerend effect kan hebben, waardoor vertraging nóg verder oploopt en toename van uitval dreigt.

 De werkdruk voor medewerkers neemt verder toe, hetgeen ook ten koste gaat van andere taken, zoals bijvoorbeeld het onderzoek aan hogescholen en universiteiten, dat bijvoorbeeld belangrijk is voor het innovatief vermogen van Nederland. Daarbij brengt dit ook het risico met zich mee dat de begeleiding van studenten verder in het gedrang komt, terwijl dat juist extra nodig is als er meer verschillen ontstaan in studieprogramma’s van studenten. Verder brengt dit het risico met zich mee dat meer onderwijspersoneel uit gaat vallen wat de druk op de zorg en welzijn en de sociale zekerheid kan vergroten.  Doordat veel onderzoek op hogescholen en universiteiten is stilgelegd of trager verloopt, is er sprake van minder innovatie in zowel onderwijs als bedrijfsleven. Dit heeft zowel op de korte termijn negatieve consequenties, als voor de langere termijn, bijvoorbeeld waar het gaat om het concurrentievermogen van Nederland. 1.5 Al genomen coronamaatregelen in het mbo en ho Het kabinet heeft het afgelopen jaar al voor in totaal € 0,7 miljard aan steunmaatregelen in mbo en ho doorgevoerd voor onderwijsinstellingen, studenten, gemeenten en het bedrijfsleven. Het betreft de volgende maatregelen: 18

        

verlengen studentenreisproduct ho-studenten (12 mln) compensatie studenten mbo/ho (200 mln) inhaal- en ondersteuningsprogramma’s po/vo/mbo (70 mln) stage-offensief mbo (30 mln) extra hulp in de klas mbo (52 mln) coronabanen ho (20 mln) pilot sneltesten mbo/ho (9 mln) aanpak jeugdwerkloosheid mbo (36 mln) langere verblijfsduur mbo, SF, praktijkleren (263 mln)

Uitvoering van deze maatregelen is nog gaande. Deze zijn echter om verschillende redenen niet voldoende. Hoewel het management en het onderwijsgevende personeel hun uiterste best doen om praktijklessen en het onderwijs waar mogelijk doorgang te laten vinden en zij door online onderwijs proberen de vertragingen te beperken, worden alle studenten getroffen door de beperkende maatregelen, welke voortvloeien uit het aanhouden van de 1,5 meter afstand en de OV-afspraken. Met een derde golf in aantocht is er nog grote onzekerheid over het tempo waarin weer meer fysiek onderwijs mogelijk is. Zolang meer fysiek onderwijs niet mogelijk is, blijven studenten verdere vertragingen oplopen, terwijl daar bij het formuleren van de steunmaatregelen niet altijd rekening mee wordt gehouden. Daarom zijn aanvullende maatregelen nodig. 2. Maatregelen Studenten en medewerkers in het mbo, hbo en wo hebben een stip op de horizon nodig. Zekerheid is niet te geven, maar een ambitie die perspectief geeft wel. Die is er op gericht om in de komende maanden weer meer fysiek onderwijs te kunnen geven, vooralsnog nog met het aanhouden van de 1,5 meter afstand en met het aanhouden van de OV-afspraken, maar zo snel mogelijk (bij voorkeur per 1 september 2021 of zo snel mogelijk daarna) zonder die beperkingen.

Het slagen van deze ambitie is in belangrijke mate afhankelijk van verdere ontwikkelingen rond het virus en van de vaccinatiestrategie. Naast deze afhankelijkheden verkennen we welke inspanningen we vanuit het mbo en ho zelf kunnen doen om zo snel mogelijk meer fysiek onderwijs mogelijk te maken. Daarom wordt op dit moment een aantal pilots uitgevoerd op universiteiten, hogescholen en mbo-scholen om in de praktijk te onderzoeken hoe sneltesten, ook in combinatie met andere interventies (zoals mondkapjes, extra ventilatie en het creëren van “bubbels”) bij kan dragen aan meer fysiek onderwijs. Uiterlijk in mei 2021 willen we duidelijk hebben wat er per 1 september 2021 kan, zowel wat betreft onderwijsactiviteiten als wat betreft daaraan gerelateerde activiteiten en evenementen (zoals de introducties van eerstejaars). Ook zodat studenten, personeel en instellingen zich hier zo goed mogelijk op kunnen voorbereiden. Als ‘alles weer kan’, al dan niet per 1 september, betekent dat niet automatisch dat alles weer wordt zoals dat was in de periode voor de coronacrisis. Instellingen beogen in samenspraak met studenten om positieve ervaringen uit het afgelopen jaar mee te nemen naar ‘het nieuwe normaal’. Zo wordt er bijvoorbeeld bezien hoe digitaal onderwijs op een goede manier kan worden ingebed in het opleidingsprogramma en voor welke onderdelen dit het meest geschikt is.

Het creëren van perspectief is cruciaal, maar intussen zijn op korte termijn in 2021 en 2022 aanvullende maatregelen en verlenging van bestaande maatregelen nodig. Deze hebben betrekking op de student (paragraaf 2.1), het onderwijs en de docenten (paragraaf 2.2), de aansluiting op de arbeidsmarkt (paragraaf 2.3) en het ondersteunen van instellingen (paragraaf 2.4). 2.1

Studenten

Alle studenten ervaren last van de coronamaatregelen. Zij krijgen financiële compensatie, omdat dit een vorm van erkenning biedt voor opgelopen studiekosten en gemiste ervaring. Ook draagt het bij aan vertrouwen en verminderen van financiële stress en daarmee aan het voorkomen van verder oplopende studievertraging. Daarom komt er een compensatie voor studenten op drie onderdelen:

19

1. Generieke korting les-, cursus-, en collegegeld (mbo/hbo/wo) Er komt een generieke korting van 50% op het les-, cursus-, en collegegeld. Het is niet doenlijk om per student de opgelopen vertraging te bepalen en het zou ook tot onevenredig hoge uitvoeringskosten leiden. Daarom worden alle studenten (vooraf) gecompenseerd door hen een halvering van het collegegeld op het komend studiejaar (2021-2022) te verlenen. Hierbij is uitgegaan van een gemiddelde studieduurvertraging van een half jaar. De instellingen worden gecompenseerd voor het gederfde verlies aan inkomsten. 2. Compensatie uit hun SF-rechten lopen (mbo-ho) Studenten die uit het recht op basisbeurs (mbo) en/of aanvullende beurs (mbo en ho) lopen in de studiejaren 2021/2022 en 2022/2023 krijgen het recht op compensatie. Voor hen zal de bestaande tegemoetkomingsregeling worden verlengd. Voor mbo-studenten met een basisbeurs betreft dit €800, voor mbo-studenten met alleen een aanvullende beurs €1200 en voor mbo-studenten met een basis- en aanvullende beurs €2000. Voor ho-studenten met een aanvullende beurs betreft het compensatiebedrag €1500. 3.

Verlengen bestaande maatregel rondom extra maanden reisrecht (hbo/wo) Gezien het verloop van de coronacrisis en het belang om reiskosten bij studenten zoveel mogelijk te voorkomen, zal het studentenreisproduct worden verlengd: alle ho-studenten die in de periode maart t/m december 2020 een opleiding volgden aan een hogeschool of universiteit én op dat moment minimaal een maand recht hadden op een studentenreisproduct, lening of aanvullende beurs, krijgen er in totaal 12 maanden reisrecht bij, aansluitend op het reguliere reisrecht van de nominale studieduur plus één jaar. Dat betekent dat de hierboven genoemde groep ho-studenten feitelijk een reisrecht krijgen van de nominale studieduur plus twee jaar. Met deze maatregelen wordt invulling gegeven aan de motie van de Kamerleden Paternotte en Van der Molen34 inzake onvermijdelijke studievertraging en de ondersteuning van studenten. Al eerder is besloten dat alle studenten die tot 31 augustus 2021 het diploma behalen een tegemoetkoming krijgen in hun studiekosten, en ook studenten van wie de basisbeurs (voor mbostudenten in de bol) en/of aanvullende beurs afloopt, krijgen een tegemoetkoming. Dit wordt betaald uit de eerder door het kabinet beschikbaar gestelde 200 miljoen euro, en daarvoor wordt in dit plan geen extra reservering opgenomen.

Welzijn studenten (mbo/hbo/wo) Voor directe hulp bij mentale gezondheidsproblemen kunnen studenten gebruik maken van de reguliere gezondheidszorg. Aanvullend daarop werkt VWS aan een steunpakket Mentale Welzijn jongeren tot 27 jaar. Beiden zijn vooral gericht op studenten die al geduide problemen hebben. Het welzijn van vrijwel alle studenten is verminderd, vooral door het beperkte contact met leeftijdsgenoten. Studenten geven aan elkaar vaker fysiek te willen zien, vaker behoefte hebben aan een luisterend oor en sommige studenten hebben daar boven op behoefte aan extra begeleiding. Om ernstiger problemen bij meer studenten te voorkomen en bestaande mentale problemen waar mogelijk te verlichten, doen we het volgende:  Uitbreiden mogelijkheden voor zelfstudie op locatie, zodat meer contact op verantwoorde wijze mogelijk is. Dit vergt uitwerking op gemeentelijk niveau, omdat per gemeente en met instemming van de veiligheidsregio bekeken moet worden welke locaties beschikbaar gesteld kunnen worden voor zelfstudie, met inachtneming van veiligheidsvoorschriften, zoals de 1,5 meter afstand.  Meer ruimte voor sociaal contact, bijvoorbeeld door veilige openstelling van studenten,- studie en sportverenigingen.  Instellingen organiseren - in aanvulling op al bestaande digitale vormen van ondersteuning vormen van peer-support waarbij studenten elkaar helpen bij het studeren.

Dit helpt de student die support krijgt, maar is ook van waarde voor de student die supporter is, omdat uit 34

Tweede Kamer, vergaderjaar 2020–2021, 35 570 VIII, nr. 71. De motie verzoekt de regering naast maximale inzet om studievertraging te voorkomen, de Kamer te informeren over onvermijdelijke vertraging en waar nodig studenten te ondersteunen die hierdoor in de problemen komen en specifiek te bezien of de ovjaarkaart opnieuw verlengd moet worden.

20

onderzoek blijkt dat het je in kunnen zetten voor anderen juist voor jongeren in deze tijd bijdraagt aan het eigen welzijn. Voor de korte termijn kan dit via de huidige regeling coronabanen en door aan te sluiten op de regeling ‘handen in de klas’, maar ook voor de langere termijn is dit van belang. Uitbreiden studiebegeleiding vanuit de instelling en waar nodig verbeteren van de zorgstructuur binnen de instelling. Voor studenten met mentale problemen en met studieachterstanden is extra begeleiding nodig om een passend studieprogramma te kunnen blijven bieden. Het reguliere programma kan immers vaak niet zonder meer gevolgd worden, omdat bepaalde onderdelen nog ingehaald moeten worden. Met begeleiding kan een studeerbaar programma opgesteld worden waarmee de student weer structuur en vertrouwen krijgt om het programma te vervolgen. En waar nodig kan vastgesteld worden welke extra hulp de student nodig heeft. Extra begeleiding zal nodig zijn voor een groot deel van alle studenten en in het bijzonder voor kwetsbare studenten. Op een deel van de instellingen is ook verbetering van de zorgstructuur nodig, bijvoorbeeld door het aantal studentpsychologen uit te breiden.

Extra devices voor studenten in 2021 (mbo) Het hebben van devices (met name laptops of tablets) is essentieel om het onderwijs op dit moment goed te kunnen volgen. Dat zal ook zo blijven, aangezien scholen de afgelopen periode hebben geconstateerd dat er ook veel voordelen zitten aan gedeeltelijk digitaal onderwijs verzorgen. Helaas zijn niet alle studenten financieel in staat om deze devices aan te schaffen en daarmee om het onderwijs goed te kunnen volgen; dit brengt risico’s met zich mee op studievertraging en zelfs schooluitval. In 2020 zijn hiervoor al middelen beschikbaar gesteld, maar in de laatste ronde van 2020 met extra geld heeft de focus gelegen op po en vo. In het mbo blijkt er ook nog steeds extra behoefte aan devices. Met een device kunnen studenten de lesstof beter volgen; dit zal bijdragen aan het voorkomen van verdere studievertraging. 2.2

Onderwijs

Voor de overgang naar studiejaar 2020-2021 zijn verschillende vormen van voorwaardelijke toelating mogelijk gemaakt. Omdat ook dit jaar niet alle examens en tentamens of de voorbereiding daarop onverkort door kunnen gaan, zullen opnieuw vormen van voorwaardelijke toelating gewenst zijn. Afspraken daarover worden vastgelegd in de servicedocumenten voor mbo en ho. Vormen van voorwaardelijke toelating en het niet hanteren van BSA-regels vragen om extra inspanningen en meer begeleidingstijd van docenten en studiebegeleiders. Het gaat daarbij zowel om inhoud als om deficiënties die studenten mogelijkerwijs het afgelopen jaar ook in termen van persoonlijke ontwikkeling hebben opgedaan. Het is van groot belang dat (kwetsbare) studenten extra begeleiding krijgen van docenten en/of studiebegeleiders. Deze begeleiding, die vooral fysiek op de instelling moet plaatsvinden, helpt hen om weer structuur en studieritme te vinden voor het behoud van hun studievoortgang. Verlenging extra hulp voor de klas (mbo) De huidige regeling voor Extra handen in de klas zorgen ervoor dat mbo-instellingen extra medewerkers kunnen aannemen om de gevolgen van extra lesuitval door ziekte of voor extra werkzaamheden als gevolg van Covid-19 op te vangen. 60 (van de 61) mbo-instellingen hebben hiervoor een aanvraag gedaan.

Het kan hier bijvoorbeeld gaan om het vervangen van zieke medewerkers om lesuitval te voorkomen, het inzetten van tijdelijk extra personeel om extra lessen te geven of studenten intensiever te begeleiden waar dat nodig is. Deze regeling loopt nu tot 1 augustus 2020 en zal verlengd worden tot 31 december 2021. De problemen zijn onverminderd aanwezig, gezien de beperkingen die er spelen. Inhaal- en ondersteuningsprogramma (mbo en hbo) Om ervoor te zorgen dat opgelopen achterstanden niet verder oplopen en waar mogelijk al worden ingelopen, is het belangrijk om hier in het restant van 2021 specifiek op in te zetten. Zo kan een investering op korte termijn de kosten voor de langere termijn voorkomen. Dit is daarmee een voorzetting van het huidige inhaal- en ondersteuningspakket dat loopt voor het (funderend onderwijs en het) mbo. Scholen kunnen hiervan activiteiten uitvoeren die gericht zijn op het inhalen van achterstanden, zoals het aanbieden van weekend- en zomerscholen en het verzorgen

21

van extra onderwijsuren. Voor het mbo worden deze middelen beschikbaar gesteld via de al bestaande regeling. Deze maatregel zal daarnaast worden uitgebreid naar het hbo. Met de middelen die beschikbaar worden gesteld kunnen scholen activiteiten aanbieden die voorkomen dat er nieuwe achterstanden ontstaan en kunnen bestaande achterstanden worden teruggedrongen. Hierdoor zullen studenten op de middellange termijn sneller hun diploma halen. De kosten bedragen 70 miljoen voor 2021, gelijk verdeeld over mbo en hbo. Aanvullend ondersteunend personeel (hbo en wo) In december heeft het kabinet middelen vrijgemaakt voor coronabanen voor ondersteunende functies in het ho. In de periode 1 januari tot en met 30 juni is € 20 miljoen beschikbaar, naar rato verdeeld over instellingen. In aanvulling hierop wordt extra ingezet op onderwijsvervanging (student-assistenten en junior-docenten). Dit helpt om de werkdruk van docenten te verlichten en waar het wordt ingezet voor peer-support ook om welzijn van studenten te verbeteren. Tijd die vrijkomt door onderwijsvervanging kan gebruikt worden onderwijsprogramma’s waar nodig aan te passen en om verder door te ontwikkelen naar nieuwe onderwijsvormen. Dit is van groot belang voor de onderwijskwaliteit, ook na corona.

Intensievere begeleiding van studenten en peer-support (hbo en wo) Het is van belang dat alle studenten structureel meer mogelijkheden hebben voor persoonlijke begeleiding, zeker in de eerste maanden na de start van de studie. Ook zal er op instellingen een grootschalig peer-support netwerk worden opgezet. Hierdoor voelen studenten zich meer betrokken bij de studie en de onderwijsinstelling en geeft dit ook een lager(e) drempel bij het zoeken van hulp of aangeven wanneer het niet zo goed gaat. Extra aandacht gaat hierbij uit naar de het intensiveren van de begeleiding van zij-instromers en studenten aan lerarenopleidingen hbo en wo om uitval tegen te gaan. De kans op uitval van studenten en zij-instromers neemt sterk toe, nu zij extra onder druk staan door het ontbreken van fysiek onderwijs en beperkte stagemogelijkheden als ook door stressklachten ten gevolge van de voortdurende beperkingen. Bij OCW komen vanuit diverse betrokkenen (o.a. G5, VH, VSNU) signalen binnen, dat scholen geen zij-instromers kunnen aannemen en dat er onvoldoende stageplaatsen zijn. De oorzaak is onder andere dat er onvoldoende begeleidingscapaciteit beschikbaar is voor met name de praktische beroepsvoorbereiding.

Structureel verankeren van flexibel en blended leren (mbo, hbo en wo) Door de coronacrisis heeft het gebruik van ict in het onderwijs een grote vlucht genomen, met name voor instructie en begeleiding. Er is en wordt veel geleerd in coronatijd, maar dat is te weinig gebeurd op basis van onderwijsconcepten, meer op basis van noodzaak en wat technisch kon. De volledige potentie van digitale hulpmiddelen is echter nog lang niet benut. Scholen en instellingen hebben noodgedwongen gewerkt met wat ze al in huis hadden om het (veelal traditionele) onderwijs voort te zetten. We moeten van emergency remote teaching naar doordacht digitaliseren; hiermee kan ook de aansluiting op de arbeidsmarkt worden verbeterd. Doordacht digitaal onderwijs vraagt van docenten een andere didactische benadering, specifieke vaardigheden en andere tools. Met SURF en het Versnellingsplan is hier een basis voor gelegd in het hoger onderwijs, met SaMBO-ICT en het programma Doorpakken op digitalisering in het mbo . Voorstellen om dit verder te verankeren zijn neergelegd bij het Groeifonds. 2.3

Arbeidsmarkt en bedrijfsleven

Aanpakken stagetekorten (mbo, hbo en wo) Stages zijn in alle sectoren essentieel om het beroep goed te kunnen leren en zo voorbereid te zijn op de arbeidsmarkt. Het gebrek aan stages is de afgelopen periode een belangrijke factor geweest in het oplopen van studievertraging door studenten. Het is daarom belangrijk dat er zowel voor de instellingen (deze maatregel) als voor de stagebedrijven aanvullende maatregelen (zie de maatregel hierna) worden genomen. Voor het mbo gaat het om een verlenging van de aanpak die SBB in 2020 en 2021 al onderneemt voor het behoud van leerbanen en stages voor het praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, vmbo-leerwerktrajecten en het mbo. In samenhang met de tegemoetkoming voor stagebedrijven zal deze maatregel ertoe leiden dat er meer bedrijven bereikt worden door de SBB en scholen en dat er daadwerkelijk meer stageplekken 22

worden aangeboden. Hierdoor kunnen studievertragingen worden ingelopen en verdere studievertragingen in latere jaren voorkomen. Ook in het hbo dienen studenten meer geholpen te worden bij het vinden van stages. Hogescholen zullen hun stageaanpak intensiveren. Voor studierichtingen en regio’s die kampen met stagetekorten, wordt een actieplan hbo stages gemaakt. Hierdoor kunnen stagecoördinatoren en stagebureaus bij hogescholen actiever de samenwerking opzoeken met bedrijven, instellingen en overheden in de regio, die een stageplek kunnen bieden. Ook kunnen passende alternatieven voor de reguliere stage worden aangereikt, gecoördineerd en uitgewisseld. De VH verwacht dat het stagetekort van 10.000 in het voorgaande studiejaar groeit naar een tekort van 50.000 in het huidige studiejaar, met name in de sectoren techniek, gezondheidszorg, sociale studies en kunsten. In het wo liggen de problemen vooral op het terrein van de zorg, waar sprake is van beperkingen in de capaciteit en wachttijden voor studenten. Tegemoetkoming stagebedrijven (mbo en hbo) Voor stagebedrijven is een van de factoren die meespeelt de vergoeding die zij krijgen voor het mogelijk maken van leerwerkplekken. Zeker in deze voor veel sectoren financieel moeilijke tijd kan deze tegemoetkoming een doorslaggevende factor zijn.

Daarom is het belangrijk dat deze tegemoetkoming verder wordt verhoogd om zo te stimuleren dat weer meer bedrijven stageplekken aan gaan bieden. In samenhang met de extra acties zoals beschreven onder de aanpak stagetekorten zal deze maatregel ertoe leiden dat er meer bedrijven bereikt worden door de SBB en scholen en dat er daadwerkelijk meer stageplekken worden aangeboden. Daarom zal voor de duur van het programma ook het budget voor de subsidie praktijkleren generiek worden opgehoogd naar het in de regeling opgenomen maximum van € 2700 per leerwerkplek. Hierdoor kunnen studievertragingen worden ingelopen en verdere studievertragingen in latere jaren voorkomen. Verlengen aanpak jeugdwerkloosheid (mbo) De verwachting is dat de economische schade van de coronacrisis nog lang voelbaar zal zijn, ook nadat de pandemie sterk is teruggedrongen. De noodzaak om jongeren extra te begeleiden naar vervolgonderwijs of werk zal daarom de komende jaren blijven. Om die reden worden de maatregelen van de aanpak jeugdwerkloosheid verlengd tot en met 2022. Dit betekent dat er extra begeleiding en nazorg blijft voor jongeren die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten uit het praktijkonderwijs (pro), uit het voortgezet speciaal onderwijs (vso) of door voortijdig schoolverlaten (vsv).

En voor jongeren uit het mbo die een moeilijke start op de arbeidsmarkt hebben vanwege bijvoorbeeld hun opleidingsrichting of niet-westerse migratieachtergrond. Deze extra begeleiding en nazorg is gericht op het ondersteunen naar vervolgonderwijs of werk door scholen en gemeenten. In de corona-enveloppe (zie hoofdstuk 3) voor extra maatregelen begeleiding/ondersteuning is de aanpak jeugdwerkloosheid meegenomen, de vso/pro scholen voor 1,5 mln. 2.4

Instellingen ondersteunen

Grote groei studentenaantallen en langere verblijfsduur studenten (mbo, hbo en wo) Naast het extra budget (opslag) voor de eerder genoemde maatregelen (gericht op extra begeleiding voor studenten, het voorkomen van verdere studievertraging en ondersteuning van docenten) zullen instellingen direct - in plaats van met een jaar vertraging - gecompenseerd worden bij de ramingen voor de enorme groei van studentenaantallen. De instellingen blijven zo geëquipeerd om onderwijstaken uit te voeren; het budget is na compensatie in verhouding tot het aantal studenten. Onderzoekers behouden voor onderwijs en onderzoekvertraging opvangen (hbo en wo) In het hoger onderwijs zijn onderwijs en onderzoek sterk verweven. Het zijn de promovendi, universitaire (hoofd-)docenten, lectoren en hoogleraren die naast hun onderzoek het onderwijs verzorgen. Ook de onderzoekers hebben vertraging opgelopen in hun werkzaamheden. Zo zijn laboratoria en bibliotheken minder toegankelijk door de corona-maatregelen. Veel onderzoekers hebben een tijdelijk contract. Wanneer onderzoekers geen contractverlenging krijgen ter compensatie van de corona-maatregelen vallen deze onderzoekers mogelijk weg uit het hoger onderwijs. Dat vormt niet alleen een risico voor de continuïteit van het onderzoek in Nederland, 23

maar óók voor de studenten met wie de onderzoekers onlosmakelijk verbonden zijn via het onderwijs. Voor de student betekent dit per saldo minder onderwijs in kwaliteit en kwantiteit. De kwaliteit van het onderwijs in zowel de bachelor- als masterfase wordt bedreigd omdat het met het wegvallen van onderzoekers de aansluiting verliest bij de nieuwste wetenschappelijke kennis en inzichten, één van de belangrijkste elementen van de cruciale verwevenheid tussen onderwijs en onderzoek. Concreet lopen studenten hiermee het risico op verlies van actualiteit van kennis bij het afstuderen. Daarnaast komt de kwantiteit van het hoger onderwijs in gevaar wanneer er minder medewerkers zijn die het onderwijs kunnen geven. Dit verlies aan kwaliteit en kwantiteit kan daarmee gevolgen hebben voor de lange termijn, voor de opleiding van hoogopgeleide werknemers en de toekomstige kenniswerkers die nodig zijn voor de aanpak van maatschappelijke uitdagingen en het innovatieve bedrijfsleven. Uiteindelijk raakt coronavertraging in het onderzoek hiermee onze kenniseconomie in brede zin. Een door kennisinstellingen en wetenschapsfinanciers aangeleverde raming van de gemiddelde vertraging is drie maanden, bij meer dan 20.000 onderzoekers met een tijdelijke aanstelling op universiteiten, umc’s, NWO- en KNAW-instituten en hogescholen. Alles bij elkaar betekent dit een kostenpost van zo’n € 600 miljoen.

Voor ongeveer de helft van dit bedrag, € 300 miljoen, hebben kennisinstellingen zelf mitigerende oplossingen gevonden. Bijvoorbeeld door middel van regelingen om onderzoekers voor de vertraging in 2020 te kunnen compenseren en door het bijstellen van onderzoeksopzet. Voor de andere helft van dit bedrag is door universiteiten en NWO in 2020 uit eigen middelen € 26 miljoen vrijgemaakt (€ 20 miljoen via cao-universiteiten, € 6 miljoen NWO), SIA heeft voor het hogeschoolonderzoek € 10 miljoen beschikbaar gesteld via impuls 2020 en OCW heeft via een beleidsregel € 20 miljoen uit de NWA-middelen ingezet. De reeds ingezette maatregelen voor lopend onderzoek gaan dus grotendeels ten koste van toekomstig onderzoek. Voor de resterende € 244 miljoen doet het kennisveld daarom een beroep op het kabinet. Een typisch onderzoekproject loopt vier jaar; met de ingezette eigen middelen is een groot deel van de projecten gedekt die in 2020 afgerond hadden moeten worden. Het kabinet stelt hiervoor in 2021 en 2022 € 162 miljoen beschikbaar, waarmee onderzoekers hun onderzoek kunnen afronden en onderwijs kunnen blijven geven. 3. Financiële paragraaf 3.1

Financiële middelen 2021 en 2022

De totale benodigde middelen voor de mbo-ho-component van het Nationaal Programma worden geraamd op ongeveer € 2,7 miljard. De financiële steun kent vier onderdelen:  

 

een tegemoetkoming aan studenten, voor mentale en financiële steun ten behoeve van studievoortgang; het verhogen van de lumpsum met een opslag (corona-enveloppe) voor extra begeleiding van studenten, stagetekorten en ondersteuning van docenten voor de periode 2021-2022, inclusief het verlengen van enkele al lopende maateregelen; het passend maken van ramingen bij toegenomen studentenaantallen, om er zo voor te zorgen dat er ook structurele financiering is voor de extra studenten; extra onderzoeksbudget voor instellingen om onderzoekers voor onderwijsgevende taken te behouden in het hoger onderwijs.

Vaak is er geen standaardmaatregel mogelijk omdat de situatie verschillend is per opleiding, faculteit/school en/of instelling. Dit vergt flexibiliteit bij de verdeling en de besteding van middelen. Daarom worden de doelen gekoppeld aan een opslag in de bekostiging waarbij instellingen in overleg met studenten en medewerkers de invulling naar eigen inzicht ter hand kunnen nemen.

24

De middelen voor de maatregelen die voldoende uitgewerkt zijn of de middelen die snel moeten worden beschikt, worden op korte termijn met een incidentele suppletoire begroting overgeboekt naar de OCW-begroting. De overige middelen worden op de Aanvullende post van Financiën geplaatst en overgeboekt naar de OCW-begroting als de maatregelen nader zijn uitgewerkt. 3.2

Monitoring, evaluatie en verantwoording

Het overkoepelende doel voor het gehele pakket maatregelen is om de directe gevolgen van de coronacrisis op korte termijn aan te pakken. Daarnaast zullen we na afloop van het programma meer zicht hebben op effectieve interventies en maatregelen in relatie tot studievoortgang en vertraging. Dit plan behelst de jaren 2021 en 2022. Op middellange termijn (2023 en verder) zijn meer en aanvullende acties nodig met als uiteindelijke doel om de resterende studievertragingen weg te werken en de doorstroom- en studiesuccescijfers terug te brengen naar het niveau van 2019. Het doel is om te komen tot een ‘nieuw normaal’, waarbij de lessen die geleerd zijn in coronatijd, bijvoorbeeld ten aanzien van flexibel en blended leren, benut worden voor structurele verbetering van het onderwijs. De monitoring en de verantwoording kent de volgende aanpak: 

De doelen worden door de instellingen waar mogelijk uitgedrukt in indicatoren (studievoortgang, uitval, stageplekken, diploma’s, etc).

Instellingen zullen zich verantwoorden via een aparte corona-paragraaf in het jaarverslag en de jaarrekening. Daarbij zullen zij expliciet ingaan op de genomen maatregelen waarvoor extra steun is verkregen en de effecten daarvan.

Het budget voor de ramingen betreft reguliere bekostiging; aanvullende verantwoordingsplicht is hier niet aan de orde. Het gaat immers om het passend maken van de ramingen bij de studentenaantallen.

25

De ministers OCW zullen twee maal per jaar een voortgangsbrief aan de Tweede Kamer sturen, waarin zij een totaalbeeld bieden, inzicht in studievoortgangscijfers geven en benoemen waarop zij zo nodig bijsturen.

Monitoring vindt op stelsel- en sectorniveau mede plaats via OCW-in-Cijfers; onderdeel is onder andere een meerjarige monitor om te zien hoe de coronamaatregelen invloed hebben gehad op de instroom en doorstroom van studenten in het mbo en hoger onderwijs.

In overleg met MBO-raad, VH en VSNU wordt een multidisciplinaire onderzoekslijn gestart om de effectiviteit van de maatregelen tussentijds en na afloop te evalueren. Het NPO komt op de Strategische Evaluatie Agenda van OCW, waarmee zal worden aangesloten bij de operatie ‘Inzicht in Kwaliteit’. Hierdoor kunnen instellingen ook van elkaar leren en gezamenlijk lessen voor de toekomst trekken.

26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/4184/documents/60335