Bijlage 9 bijlagenbundel 24 en 25 bij het bestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
Verkennend waterbodem- en bodemonderzoek voormalig Suikerunieterrein in Groningen 4 februari 2020
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Verantwoording Titel
Verkennend waterbodem- en bodemonderzoek voormalig Suikerunieterrein in Groningen
Opdrachtgever
Gemeente Groningen
Projectleider
Alianne Bouma - Hoven
Auteur(s)
Miro Čubretović
Tweede lezer
Arno Velthorst (kwaliteitscontrole BRL SIKB 2003), Odile Rutten en Wim Dorgelo
Uitvoering meet- en inspectiewerk
R. de Vries, A. Hajes (certificaatnummer K54913) en K. Meerlo (in opleiding)
Projectnummer
1272873
Aantal pagina’s
40
Datum
4 februari 2020
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon Tauw bv W.A. Scholtenstraat 3a Postbus 722 9400 AS Assen T +31 59 23 91 30 0 E info.assen@tauw.com
3/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Inhoud 1
Inleiding ..................................................................................................................................... 6
2
Voorinformatie ........................................................................................................................... 7
3
2.1
Algemeen ........................................................................................................................... 7
2.2
Historie van de locatie en fysisch geografische eigenschappen ........................................ 9
2.3
Type materiaal en bijzonderheden ..................................................................................... 9
2.4
Milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem ............................................................ 11
2.5
Asbest .............................................................................................................................. 12
2.6
Terreinverkenning ............................................................................................................ 12
2.7
Conclusie vooronderzoek ................................................................................................. 13
2.8
Onderzoeksvragen (water)bodemonderzoek ................................................................... 13
Onderzoeksstrategie en werkzaamheden ............................................................................... 13 3.1
3.1.1
Onderzoeksstrategie waterbodem ............................................................................ 14
3.1.2
Uitgevoerde werkzaamheden waterbodem .............................................................. 14
3.1.3
Onderzoeksstrategie landbodem .............................................................................. 16
3.1.4
Uitgevoerde werkzaamheden landbodem ................................................................ 16
3.2 4
5
Onderzoeksstrategie ........................................................................................................ 13
Veiligheid en kwaliteit ....................................................................................................... 17
Resultaten ............................................................................................................................... 18 4.1
Zintuiglijke waarnemingen................................................................................................ 18
4.2
Resultaten milieuhygiënisch onderzoek waterbodem ...................................................... 19
4.3
Resultaten milieuhygiënisch onderzoek landbodem ........................................................ 30
4.4
Interpretatie resultaten ..................................................................................................... 34
Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 37 5.1
Conclusies........................................................................................................................ 37
5.2
Aanbevelingen ................................................................................................................. 40
4/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Bijlage 1
Regionale ligging van de onderzoekslocatie
Bijlage 2
Overzichtskaart, topografische kaarten en luchtfoto’s
Bijlage 3
Resultaten vooronderzoek
Bijlage 4
Monsterpunten
Bijlage 5
Veiligheid en kwaliteit
Bijlage 6
Boorprofielen
Bijlage 7
Getoetste analyseresultaten
Bijlage 8
Toetsingskader
Bijlage 9
Analysecertificaten
Bijlage 10
Bodemkwaliteit in kaart
5/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
1 Inleiding In opdracht van de gemeente Groningen heeft Tauw een verkennend waterbodem- en bodemonderzoek volgens NEN 57201 en NEN57402 uitgevoerd ter plaatse van de voormalige vloeivelden en (inmiddels deels ondergelopen) droogbedden van het voormalig Suikerunieterrein in Groningen. Het onderzoeksgebied is gericht op de terreindelen die in figuur 1.1 zijn weergegeven.
Figuur 1.1 Onderzoeksgebied (gearceerd)
De aanleiding voor de uitvoering van het onderzoek is: •
De voorgenomen planontwikkeling, waarbij de vloeivelden en droogbedden zullen worden gedempt. In de bassins is tarragrond aanwezig, welke mogelijk civieltechnisch niet bruikbaar is. De aanwezige tarragrond dient mogelijk te worden verwijderd
Het doel van het onderzoek is: • Het bepalen van de kwaliteit van de waterbodem (tarragrond) •
Het bepalen van de kwaliteit van de landbodem (ingedroogde tarragrond)
1
NEN 5720:2017, Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek, december 2017 NEN 5740:2009+A1:2016: Bodem – Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, januari 2009/A1:2016 2
6/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Kader van het onderzoek Inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit is nodig om de verwerkingsmogelijkheden van de vrijkomende waterbodem vast te stellen. Het onderzoek moet daarom kunnen dienen als bewijsmiddel bij toepassing in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Het waterbodemonderzoek is een bewijsmiddel in dit kader indien deze voldoet aan de eisen die gesteld worden aan een milieuhygiënische verklaring als bedoeld in 4.3.4. lid 3 van de Regeling bodemkwaliteit. Verder moet het waterbodemonderzoek input leveren voor de andere watergerelateerde wettelijke en procedurele zaken, zoals de lozingsaspecten bij het ontgraven van waterbodem (Besluit lozen buiten inrichtingen) en het gebruikmaken of wijzigen van het waterstaatswerk (zorgplicht Waterwet). Tot slot is het waterbodemonderzoek in het kader van de uitvoering belangrijk voor het bepalen van de noodzakelijke beschermingsmiddelen in het kader van de arbeidshygiëne en moeten op basis hiervan fysische eigenschappen van de baggerspecie worden bepaald.
2 Voorinformatie 2.1
Algemeen
Voorafgaand aan het onderzoek is een vooronderzoek conform de NEN 5717 3 en NEN 57254 uitgevoerd. Het doel van het vooronderzoek is het verzamelen van informatie over de milieuhygiënische kwaliteit van de vloeivelden en droogbedden. Een kaart met de regionale ligging van de onderzoekslocatie en een overzichtskaart zijn opgenomen in bijlagen 1 en 2. In tabel 2.1 zijn de algemene gegevens van de onderzoekslocatie weergegeven. Tabel 2.1 Algemene gegevens onderzoekslocatie
Locatie
Vloeivelden en droogbedden voormalig Suikerunie terrein
Kadastrale gegevens
Hoogkerk, sectie C, percelen 252, 253, 260, 261, 269, 317, 320, 440, 446, 814, 3140, 3141, 3142, 3143, 5061, 5062, 5065, 5069, sectie R, perceel 2030
RD-coördinaten (X/Y)
Noordelijke deel: X: 230677; Y: 581237 Zuidelijk deel: X: 230672; Y: 580827 Oostelijk deel: X: 231479 ; Y: 581076
Oppervlakte
Circa 36 hectare
Voormalig gebruik
Industrie
Huidig gebruik
Braakliggend, water
Toekomstig gebruik
Wonen, natuurcompensatie en infrastructuur
Gebruik conform circulaire bodemsanering
Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie
Bodemfunctieklasse
Noordelijk deel: niet aangegeven
1
Zuidelijk deel: Wonen met tuin Bodemkwaliteitsklasse
3 4
1
Bovengrond: Kwaliteit niet bepaald
NEN 5717:2017, Bodem - Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, december 2017 NEN 5725: Bodem – Strategie bij het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, oktober 2017
7/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Ondergrond: Kwaliteit niet bepaald Archeologie2
Zuidwestelijke rand: Rug van Tynaarlo Overig: Geen archeologische zone
Niet gesprongen explosieven3
Onverdacht
1
Nota bodembeheer gemeente Groningen 2014
2
Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Groningen
3
CE-bodembelastingkaart gemeente Groningen
Voor het inventariseren van de verdachte deellocaties (voormalige of huidige bedrijfsactiviteiten, dempingen, tanks, incidenten et cetera) zijn de volgende informatiebronnen geraadpleegd: • • •
Provincie Groningen Gemeente Groningen Bodeminformatiesysteem gemeente Groningen
• • •
Kadaster Luchtfoto’s van Cyclomedia Streetsmart Straatfoto’s van Cyclomedia Streetsmart
• •
Historische topografische kaarten van Topotijdreis Fysieke terreinverkenning voorafgaande aan uitvoering veldwerk
Een beknopte conclusie van het vooronderzoek is beschreven in paragraaf 2.7. In bijlage 3 zijn de resultaten van het vooronderzoek met betrekking tot waterbodem opgenomen. De tabel voor waterbodem is gebaseerd op de controlelijst uit bijlage A van de NEN 5717. In tabel 2.2 zijn de geraadpleegde documenten weergegeven. Tabel 2.2 Geraadpleegde onderzoeksrapporten Rapport
Onderzoeksbureau
Kenmerk
Datum
Bodem en verhardingenonderzoek
Tauw
R002-1269800WDO-V01-
15 oktober 2019
Suikerunieterrein Zuidelijk terrein Monitoring stortplaats “De Halm” te
baw-NL Tauw
Hoogkerk Knelpuntenanalyse ontwikkeling
L001-1245701HJS-gdj-V01-
6 oktober 2017
NL Tauw
voormalig Suikerunieterrein
R001-1249785BSA-sbb-
22 juni 2017
V04-NL
Groningen Verkennend bodemonderzoek
Terra
14152
9 juli 2014
MACG
9-226-024
Juli 2010
voormalige cascadevijver en waterzuivering Suikerunie te Groningen Indicatief bodemonderzoek noordelijke droogbedden locatie ‘calamiteit 2007’ Suikerunie
8/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Rapport
Onderzoeksbureau
Kenmerk
Datum
Indicatief bodemonderzoek locatie
MACG
9-226-023
Maart 2010
Tauw
R001-4660719RRS-shp-
3 september
V01-NL
2009
7-226-001
December 2007
droogbedden zuidelijke vloeivelden Suikerunie Onderzoek in het kader van voorgenomen eigendomstransactie Evaluatierapport bodemsanering
MACG
calamiteit vloeivelden Suikerunie
2.2
Historie van de locatie en fysisch geografische eigenschappen
Het Suikerunieterrein is vanaf omstreeks 1914 ontwikkeld. Voordat de Suikerfabriek (en de vloeivelden) aanwezig waren, was vrijwel het gehele gebied in gebruik als weiland. Langs het Hoendiep (nabij de noordelijke vloeivelden) en langs de randen van het gebied waren enkele panden aanwezig (vermoedelijk boerenbedrijven). De vloeivelden en droogbedden bevinden zich in de polder ‘De Verbetering’, een gebied waar sterk verschillende bodemsoorten samenkomen. De bovengrond kan bestaan uit zowel lichte tot zware klei, fijn zand of veen. De ondergrond kan zowel uit zware klei als veen of zand bestaan. Klei op veen of klei op zand is echter overheersend in het gebied. Op het oostelijke deel van de vloeivelden kan plaatselijk, zure kalkarme katteklei voorkomen in dunne laagjes (circa 10 cm) in de bovengrond. Op het oostelijke deel is over het algemeen een dikkere kleilaag aanwezig. Aan de westzijde kan veen worden verwacht als gevolg van de aanwezigheid van de rug van Tynaarlo. De Suikerfabriek stond op het oostelijke terreindeel (globaal ten oosten van de knik in het Hoendiep). Ten westen van de fabriek hebben een waterzuivering, cascadevijvers, een serie vloeivelden en droogbedden gestaan.
Tussen de eerste ingebruikname van de Suikerfabriek en de ontmanteling daarvan in 2009 hebben diverse fases van ontwikkeling plaatsgevonden waarbij de omvang en het gebruik van de vloeivelden meerdere malen is gewijzigd. In bijlage 2 is een serie historische topografische kaarten en luchtfoto’s weergegeven, waar een beeld van de ontwikkelingen uit op te maken is. De noordelijke vloeivelden zijn als eerste geleidelijk ontwikkeld en in gebruik genomen. De zuidelijke droogbedden (ten zuiden van de spoorlijn) zijn later in gebruik genomen. Sinds de ontmanteling van de Suikeruniefabriek zijn er verschillende woongroepen verspreid over het terrein aanwezig.
2.3
Type materiaal en bijzonderheden
De tarragrond in de vloeivelden en in de droogbedden is van oorsprong grond. Het ‘aanbrengen’ van de tarragrond was onderdeel van het productieproces van de Suikerunie en is uitgevoerd onder de destijds geldende vergunning die inmiddels vervallen is.
9/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
De suikerbieten werden gewassen in grote trommels en de aanhangende grond werd ná zuivering in een stelsel van vijvers (vloeivelden) geloosd. Het geloosde water bevatte veel zwevende gronddeeltjes (diverse bodemsoorten) die in de verschillende bekkens bezonken. Gezien het verschil in bezinksnelheid tussen de grovere en fijnere bodemfracties zijn per vloeiveld diverse bodemtypes te verwachten. De verschillende fracties werden na bezinking van de noordelijke vloeivelden overgebracht naar de droogbedden ten zuiden van de spoorlijn Groningen Leeuwarden. In deze bekkens vond de verdere ontwatering en rijping van de tarragrond plaats. Bietenpulp werd ook naar het gebied toegebracht waar het bacterieel werd omgezet en tot een zeer voedselrijk gebied heeft geleid. Op basis hiervan is te verwachten dat in de bodem omzetting plaatsvindt van organisch materiaal tot humusachtige verbindingen.
In de Regeling bodemkwaliteit artikel 4.14.1 (toepassen van tarragrond) is het volgende beschreven: ‘Bij toepassing van tarragrond gelden de achtergrondwaarden alsmede de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse wonen en industrie niet voor de stoffen cresolen (som), fenol, tolueen en minerale olie, indien de aanwezigheid van die stoffen in de tarragrond een gevolg is van natuurlijke processen.’ Als definitie van tarragrond in het hoofdstuk definitiebepalingen van de Regeling bodemkwaliteit wordt het volgende beschreven: ‘tarragrond: aanhangende grond die vrijkomt bij het behandelen van het gewas na de oogst’. De vloeivelden en de ondergelopen droogbedden worden beschouwd als waterbodem.
De volgende definitie5 en redenatie liggen daaraan ten grondslag: "Als oppervlaktewater in de zin der wet is te beschouwen een - anders dan louter incidenteel aanwezige - aan het aardoppervlak en aan de open lucht grenzende watermassa (met inbegrip van een bedding waarin zodanige watermassa al dan niet bij voortduring voorkomt), tenzij daarin als gevolg van rechtmatig gebruik ten behoeve van een specifiek doel geen normaal samenhangend geheel van levende organismen en een niet-levende omgeving (ecosysteem) aanwezig is, dan wel het een ter berging van afval gegraven bekken betreft waarin slechts in een overgangsfase water aanwezig is en zich nog geen normaal ecosysteem heeft ontwikkeld." De vijvers zijn al zo lang niet meer in gebruik als vloeivelden en droogbedden, dat er op dit moment gesteld kan worden dat zich een ecosysteem heeft ontwikkeld. De vijvers voldoen dus aan de definitie waardoor de waterpartijen in het onderzoeksgebied als zelfstandige oppervlaktewaterlichamen kunnen worden gezien. Verder blijkt dat er tussen de 0,5 en 2,5 meter en plaatselijk meer dan 3,5 meter tarragrond aanwezig is (bron: Archeologisch bodemonderzoek Raap rapport 4058, d.d. 28 oktober 2019).
5
Uitspraak van de Hoge Raad in 1982 (AB 1983, 265)
10/40
Kenmerk
2.4
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem
Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de vloeivelden en droogbedden in 2009 onderzocht zijn door Tauw. Het onderzoek had het inschatten van financiële risico’s als gevolg van de transactie en het bepalen of de locatie geschikt is voor de functie wonen als doel. Gezien de aanleiding is het onderzoek niet conform de norm voor het uitvoeren van waterbodemonderzoek uitgevoerd, maar indicatief. Er is geanalyseerd op het standaardpakket grond (droge delen) en waterbodempakket (natte delen), aangevuld met OCB’s en fenolen/cresolen. Uit het onderzoek blijkt dat diverse verontreinigingen zijn gemeten en dat ter plaatse van de noordelijke vloeivelden tarragrond met klasse landbouw/natuur, klasse wonen en klasse industrie aanwezig is. De zuidelijke droogbedden voldoen met uitzondering van één vak aan de achtergrondwaarde. Het vak wat niet voldoet betreft klasse industrie. De verontreinigingen worden als volgt samengevat: Noordelijke vloeivelden: op dit terreindeel zijn in de waterbodem lichte verontreinigingen met cadmium, PCB en minerale olie gemeten. De klasse bepalende parameter is minerale olie en enkele waterbodemvakken zijn deels beoordeeld als klasse industrie. De gehalten aan minerale olie variëren tussen 170 en 200 mg/kg d.s. (standaard bodem).
Circa 10 meter ten oosten van vak 4b (zie figuur 3.1) heeft in 2007 een calamiteit plaatsgevonden waarbij een vat met gasolie is omgevallen. De bodem is gesaneerd waarbij de verontreinigde bovengrond is ontgraven. Tijdens de sanering is gebleken dat in de bodem tot op grotere diepte (circa 4,0 m -mv) olie aanwezig is dan op grond van de calamiteit en de spoedige sanering verwacht mag worden. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat er mogelijk sprake is van een historische verontreiniging (<tussenwaarde) met minerale olie. De verwachting is dat de calamiteit geen invloed heeft gehad op de bodemkwaliteit, maar er kunnen op grond van deze informatie wel verontreinigingen met minerale olie worden verwacht. Zuidelijke vloeivelden: op dit terreindeel zijn in waterbodem plaatselijk lichte verontreinigingen met cadmium, kobalt, minerale olie en DDD gemeten. Alleen vak 13 betreft klasse industrie op basis van minerale olie (250 mg/kg d.s. standaard bodem). Voor het overige voldoet de waterbodem aan AW2000. Grens vloeivelden/fabrieksterrein: op dit terreindeel zijn in de grond diverse verontreinigingen gemeten, zoals zink boven de interventiewaarde, PCB boven de tussenwaarde en diverse zware metalen, minerale olie en PAK boven de achtergrondwaarde. De klasse bepalende parameters zijn PCB en minerale olie. Deze grond is deels klasse niet toepasbaar of industrie.
Voor zover bekend is er geen waterbodemonderzoek bekend van de waswatervijvers (vak 8). Voormalige cascadevijvers: op dit terreindeel zijn in de grond met name zware metalen, PAK, PCB, minerale olie en zeer plaatselijk OCB boven de achtergrondwaarde gemeten. Over het algemeen is het noordelijk terreindeel licht verontreinigd (klasse industrie). Voor het overige voldoet de grond aan de achtergrondwaarde.
11/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Paden tussen de vijvers: de paden tussen de vijvers bestaan uit natuursteen. Het materiaal is niet asbestverdacht en is geschikt voor gebruik als niet vormgegeven bouwstof. Plaatselijk zijn in de onderliggende bodem lichte verontreinigingen met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie gemeten. Stortplaats De Halm: de stortplaats bevat diverse soorten afval. Op basis van het handelingskader PFAS6 van het Expertisecentrum PFAS wordt de stortplaats als vermoedelijke secundaire bron van PFAS aangemerkt. In het slib van de watergangen om de stort heen zijn gehalten aan koper boven de achtergrondwaarde gemeten (toetsing landbodem). In het grondwater zijn koper en nikkel boven de interventiewaarde, naast lichte verontreinigingen met diverse zware metalen, vluchtige aromaten, PAK’s, dichloorethenen en minerale olie, gemeten. Uit een recent onderzoek van Tauw blijkt dat in de grond naast de stortlocatie en in het grondwater PFAS zijn gemeten (in de grond boven de hergebruiksnorm). Gezien de mobiele aard van PFAS is het mogelijk dat door de jaren heen transport van eventueel PFAS-houdend grondwater naar de naastgelegen vloeivelden heeft plaatsgevonden. Uit een (indicatief) mengmonster van de tarragrond van de meest nabijgelegen vloeivelden blijkt echter dat het gehalte PFAS de voorlopige achtergrondwaarde niet overschrijdt.
Anders dan de stortplaats is de locatie onverdacht op PFAS vanwege de afwezigheid van overige puntbronnen. De bovengrond en de diepere geroerde bodemlagen zijn op basis van het Tijdelijk Handelingskader PFAS in heel Nederland verdacht op het diffuus voorkomen van PFAS 7 als gevolg van atmosferische depositie. De locatie ligt niet in een gebied met gebiedsspecifiek beleid voor toepassing van PFAShoudende grond. Er zijn geen bronnen van GenX aanwezig en de aanvoer van tarragrond heeft plaatsgevonden in de periode voordat GenX geproduceerd werd. Om deze redenen wordt de locatie onverdacht op GenX beschouwd.
2.5
Asbest
Gezien de herkomst van de tarragrond als aanhangende grond van suikerbieten wordt de kans zeer klein geacht dat dit asbestverdachte grond betreft. Uit de voorgaande onderzoeken blijkt niet dat de tarragrond in de vloeivelden en droogbedden als asbestverdacht te classificeren is. Verder is er geen sprake van beschoeiingen rond de vloeivelden. Er zijn paden aanwezig die natuursteen bevatten en niet als asbestverdacht aan te merken zijn.
2.6
Terreinverkenning
Op 29 november 2019 is voor aanvang van de veldwerkzaamheden door R. de Vries een fysieke terreinverkenning uitgevoerd. Tijdens de terreinverkenning zijn geen bijzonderheden waargenomen die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. Er is wel bevestigd dat een groot deel van de waterbodemvakken ten noorden van het spoor met elkaar verbonden zijn.
6
Op basis van tabel 1 handelingskader PFAS, handelingskader PFAS, Expertisecentrum PFAS, 25 juni 2018 Kamerbrief bij Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 8 juli 2019 7
12/40
Kenmerk
2.7
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Conclusie vooronderzoek
Op basis van het vooronderzoek wordt het volgende geconcludeerd: De dikte van de laag met tarragrond varieert tussen circa 0,5 en 2,0 meter dikte met plaatselijke uitschieters naar 3 meter dikte. In de vloeivelden kunnen met name verhoogde gehalten aan minerale olie worden verwacht (klasse industrie of hoger). Zware metalen en OCB worden niet in dergelijke mate verwacht dat dit klasse industrie of hoger veroorzaakt. De gehalten aan minerale olie kunnen worden verklaard door de omzetting van organisch materiaal naar humusachtige verbindingen. Indien uit de chromatogrammen van de minerale olie analyses blijkt dat deze een vergelijkbaar patroon hebben als humusachtige verbindingen en hierdoor te relateren zijn aan het productieproces waarbij tarragrond vrijkomt, zal toetsing van minerale olie niet worden uitgevoerd. Het artikel 4.14.1 uit de Regeling bodemkwaliteit wordt gebruikt als onderbouwing voor het argument dat minerale olie met een natuurlijke herkomst in dit geval buiten beschouwing mag worden gelaten. De locatie is onverdacht op asbest en GenX. De locatie is wel verdacht op PFAS als gevolg van atmosferische depositie. De verwachting is dat de PFAS-gehalten beneden de voorlopige achtergrondwaarden liggen. Uitzondering daarop is het noordwestelijk deel van de vloeivelden nabij stortplaats De Halm.
Dit terreindeel is verdacht op het voorkomen van PFAS (zonder GenX) in de waterbodem. Met de vakindeling wordt hiermee rekening gehouden.
2.8
Onderzoeksvragen (water)bodemonderzoek
Naar aanleiding van de resultaten van het vooronderzoek en de doelstelling van het onderzoek kunnen onderstaande onderzoeksvragen worden gesteld: • Wat is de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem ter plaatse van de voormalige •
vloeivelden en droogbedden Zijn er bij baggerwerkzaamheden in de voormalige vloeivelden en droogbedden veiligheidsklassen conform CROW 400 van toepassing
3 Onderzoeksstrategie en werkzaamheden 3.1
Onderzoeksstrategie
De meest zuidwestelijke droogbedden (vier stuks) zijn verland of staan plaatselijk onder een dunne laag water en zijn sterk begroeid. Hierdoor zijn deze droogbedden slecht toegankelijk. Met betrekking tot deze vakken is in overleg met de opdrachtgever afgezien van een onderzoeksstrategie die aansluit bij NEN 5720. De vakken zijn onderzocht als landbodem en het onderzoek ter plaatse van deze vakken kan daarmee niet als geldig bewijsmiddel dienen (in tegenstelling tot de volgens NEN 5720 onderzochte vakken).
13/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
De indeling van de onderzoeksstrategie per type bodem (land- of waterbodem) is in figuur 3.1 weergegeven. In de volgende paragrafen is de strategie toegelicht voor de vakken die ingedeeld zijn als land- of waterbodem.
Figuur 3.1 Strategie per onderzoeksvak (groen en blauw is waterbodem, rood is onderzocht als landbodem)
3.1.1
Onderzoeksstrategie waterbodem
Het uitgangspunt voor het onderzoek is bepaald in het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit8. Het waterbodemonderzoek is daarom voor zover mogelijk uitgevoerd conform de NEN 5720. Hierbij is de strategie ‘overig water, normale onderzoeksinspanning’ (ON) aangehouden en de analyses zijn uitgevoerd op het C2-waterbodempakket en PFAS. Gezien de herkomst van de tarragrond is deze verdacht op de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen. Om die reden is voor het C2-pakket gekozen. Aangezien de vakken die groen gearceerd weergegeven zijn verbonden middels een doorsteek tussen de vakken, zijn deze als één deellocatie onderzocht. De overige vakken zijn niet met elkaar in verbinding en zijn als aparte deellocaties onderzocht. 3.1.2 Uitgevoerde werkzaamheden waterbodem De waterbodem is bemonsterd in de periode tussen 28 november en 16 december 2019 door R. de Vries, A. Hajes en K. Meerlo (in opleiding). Het veldwerk is uitgevoerd onder certificaatnummer K54913.
8
Besluit van 22 november 2007, houdende regels inzake de kwaliteit van de bodem, Staatscourant 2007, 469
14/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Er is bij de bemonstering en in de boorprofielen onderscheid gemaakt tussen de volgende bodemlagen: • De bovenste ‘losse’ tarragrond die is beschreven als ‘slib’ • De ‘vaste’ tarragrond die is beschreven als het geïnterpreteerde bodemtype met de •
vermelding ‘tarragrond’ De vaste waterbodem die geen specifieke aanduiding heeft
Omdat voorafgaand aan het onderzoek niet duidelijk was tot welke diepte er tarragrond ontgraven zal worden, is tijdens de uitvoering in eerste instantie het volgende geanalyseerd: de ‘slib’laag (maximaal 1 meter per mengmonster) en twee lagen tarragrond (maximaal 0,5 meter) per mengmonster. Dit betreft de vakken 2, 3, 13 en 14a. Tijdens de uitvoering van het onderzoek is deze strategie in overleg met de opdrachtgever gewijzigd, waardoor alleen de ‘slib’laag (maximaal 1 meter) en de eerstvolgende laag tarragrond (maximaal 0,5 meter) geanalyseerd is. Voor zover mogelijk is er per monstervak één boring tot de onderzijde van de tarragrond doorgestoken om de dikte van de laag met tarragrond te verifiëren. De uitgevoerde werkzaamheden zijn in tabel 3.1 weergegeven. Tabel 3.1 Overzicht uitgevoerde veld- en analysewerkzaamheden waterbodem Vak (oppervlakte en aantal
Slibsteken
monstervakken)
Monster-
Analysewerk
nummers
Voormalige vloeivelden (ten noorden van het spoor) Verbonden vakken
72 stuks tot 1 meter
701 t/m 760 en
Slib: 10x C21 en PFAS2
(1, 2, 3, 5, 6, 7)
4 stuks tot 2 meter
7001 t/m 7016
Tarra: 10x C2 en PFAS
(<20 ha, 10 monstervakken)
Bodem: 2x C2 en PFAS
Niet verbonden vakken 4a en
10 stuks tot 1 meter
4b (0,19 en 0,09 ha, 2
2 stuks tot 1,5 meter
761 t/m 772
Slib: 2x C2 en PFAS Tarra: 2x C2 en PFAS
monstervakken) Niet verbonden vak 8
12 stuks tot 1 meter
773 t/m 784 en
Slib: 2x C2 en PFAS
(0,98 ha, 2 monstervakken)
1 stuk tot 3 meter
7017
Tarra: 2x C2 en PFAS
501 t/m 518
Slib: 3x C2 en PFAS
Voormalige droogbedden (ten zuiden van het spoor) Niet verbonden vak 13
15 stuks tot 1 meter
(1,98 ha, 3 monstervakken)
3 stuks tot circa 3 meter
Niet verbonden vakken 14a en
21 stuks tot 1 meter
519 t/m 530,
Slib: 4x C2 en PFAS
14b (0,62 en 0,86 ha, 4
4 stuks tot circa 2,5 meter
549 t/m 560 en
Tarra: 6x C2 en PFAS
monstervakken) Niet verbonden vak 15
5003 19 stuks tot 1 meter
(1,33 ha, 3 monstervakken) 1)
Tarra: 6x C2 en PFAS
531 t/m 548 en
Slib: 3x C2 en PFAS
5001 en 5002
Bodem: 3x C2 en PFAS
C2 waterbodempakket: organische stof, fractie < 2 µm, fractie < 16 µm, metalen (arseen, barium, cadmium,
chroom, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), PCB (7), PAK (10), minerale olie (GC), OCB’s, pentachloorbenzeen, pentachloorfenol en droge stof 2)
28 PFAS verbindingen uit het tijdelijk handelingskader
15/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
De situering van de monsterpunten is opgenomen in bijlage 4. 3.1.3 Onderzoeksstrategie landbodem De vakken die als landbodem zijn geïnterpreteerd zijn onderzocht volgens de strategie voor een verdachte homogene niet lijnvormige locatie (VED-HO-NL) uit de NEN5740. Het uitgangspunt hierbij is dat van de tarragrond in de droogbedden, gezien de herkomst uit de vloeivelden, een zekere mate van homogeniteit verwacht kan worden. Met betrekking tot de analyses is aangesloten bij dezelfde stoffen als het C2-waterbodempakket, maar dan met een voorbehandeling voor grond. Gezien de aanleiding voor het onderzoek (de mogelijke afvoer van grond) is er geen grondwater onderzocht. 3.1.4 Uitgevoerde werkzaamheden landbodem De grond is bemonsterd op 17, 18 en 20 december 2019 door R. de Vries en K. Meerlo (in opleiding). Het veldwerk is uitgevoerd onder certificaatnummer K54913. In de aangetroffen lagen is onderscheid gemaakt tussen de volgende bodemlagen:
•
In het geval van een stuk ondergelopen droogbed is de bovenste ‘losse’ tarragrond beschreven als ‘slib’ De ‘vaste’ tarragrond die is beschreven als het geïnterpreteerde bodemtype met de
•
vermelding ‘tarragrond’ De vermoedelijk oorspronkelijke bodem die geen specifieke aanduiding heeft
•
In het ondergelopen deel van vak 11 (boringen 567 t/m 569) is een losse tarralaag aanwezig. De aanname dat dit tarragrond betreft is gebaseerd op voorgaande onderzoeken waarin ook wordt gesproken van tarragrond in deze vakken. Het bovenste losse ‘slib’ is indicatief geanalyseerd als waterbodem. Het vaste deel van de tarragrond is samen met de overige vergelijkbare bodemlagen van dat vak geanalyseerd als landbodem. De uitgevoerde werkzaamheden zijn in tabel 3.2 weergegeven.
16/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Tabel 3.2 Overzicht uitgevoerde veld- en analysewerkzaamheden landbodem Omschrijving
Landbodem vak 9 t/m 12 VED-HO-NL
Veldwerk:
Aantal
Oppervlakte (ha)
9
Aantal mengmonstervakken
4
Boringen tot 2,0 m -mv
4 x 6 stuks
Chemische analyses:
Aantal
Standaardpakket grond aangevuld met dezelfde
10
parameters uit het C2 waterbodempakket2 PFAS1 in grond
10
C2 waterbodempakket
1
PFAS in waterbodem
1
1)
28 PFAS verbindingen uit het tijdelijk handelingskader
2)
C2 waterbodempakket: organische stof, fractie < 2 µm, fractie < 16 µm, metalen (arseen, barium, cadmium,
chroom, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), PCB (7), PAK (10), minerale olie (GC), OCB’s, pentachloorbenzeen, pentachloorfenol en droge stof
3.2
Veiligheid en kwaliteit
Voor de monstername is gebruik gemaakt van een bemonsteringsboot. Bij een aantal vakken is deze te water gelaten met behulp van een mobiele kraan. De bemonsteringen zijn uitgevoerd met een zuigerboor. De meetpunten zijn ingemeten met behulp van een GPS-systeem (nauwkeurigheid 2 - 5 meter). Vanwege de invloed van weersomstandigheden (regen) op de technische hulpmiddelen is de afwijking van de monsterpunten in vak 6 ingeschat op circa 10 meter. Omdat de groen gearceerde vakken met elkaar verbonden zijn (en dus als één homogene deellocatie zijn onderzocht) wordt niet verwacht dat deze afwijking van invloed is op de onderzoeksresultaten. Voor een overzicht van de veiligheids- en kwaliteitsaspecten wordt verwezen naar bijlage 5. Er is op de volgende punten afgeweken van de vigerende protocollen. Pentachloorfenolen: Op enkele analyses (zie tabellen 4.1 en 4.2) is in het laboratorium een heranalyse uitgevoerd, waardoor de conserveringstermijn is overschreden voor pentachloorfenolen. Bij deze analyses zijn geen gehalten boven de rapportagegrens gemeten. Gezien het feit dat in de andere monsters waarbij deze afwijking niet is opgetreden, geen verhoogde gehalten zijn gemeten is er geen invloed op het onderzoeksresultaat. Verhoogde rapportagegrens: Bij enkele analyses (zie tabel 4.1) is sprake van een verhoogde rapportagegrens (voor PFAS) als gevolg van storingen in de monstermatrix.
Aangezien de verhoogde rapportagegrens onder de achtergrondwaarde ligt, is er geen invloed op het onderzoeksresultaat.
17/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Indicatieve waarden i.v.m. adsorptie van de interne standaard In het analyseproces worden controlestoffen toegevoegd, ter verificatie van het gemeten gehalte van de doelstof. In sommige gevallen vindt adsorptie plaats van deze stof, waardoor het resultaat een mindere mate van betrouwbaarheid heeft. Dit is van toepassing bij enkele analyses van o,p'DDT en p,p'-DDT (zie tabellen 4.1 en 4.2). Dit is echter niet van invloed op de som van DDT’s en in geen van alle monsters zijn DDT’s boven de achtergrondwaarde gerapporteerd. Om deze reden is er geen invloed op het onderzoeksresultaat. Indicatieve waarden vanwege matrixstoring Bij enkele analyses van DDT’s en DDX is sprake van indicatieve waarden als gevolg van monstermatrix storingen. In geen van alle monsters zijn DDT’s en DDX boven de achtergrondwaarde gerapporteerd. Om deze reden is er geen invloed op het onderzoeksresultaat te verwachten. De rapportagegrens is verhoogd ten gevolge van een laag gehalte aan droge stof In één monster (zie tabel 4.2) is de rapportagegrens verhoogd voor OCB. In het monster zijn de OCB onder de achtergrondwaarde gerapporteerd. Om deze reden is er geen invloed op het onderzoeksresultaat. BTEXN Vanwege een indicatie van de mogelijke aanwezigheid van een vluchtige oliefractie in twee monsters (zie tabel 4.1) zijn op deze monsters aanvullende analyses verricht op vluchtige aromaten.
Hierdoor is de conserveringstermijn overschreden voor BTEXN. Er zijn geen gehalten boven de rapportagegrens gemeten, waardoor niet verwacht wordt dat deze afwijking een wezenlijk effect op het onderzoeksresultaat zou hebben gehad. NEN 5720: In monster ‘703 t/m 706 + 7001 + 7002 tarra (0,1-0,85)’ zijn aan het monster van tarragrond dat bestaat uit klei per abuis twee deelmonsters leem toegevoegd. Om deze reden dient dit monster formeel gezien als indicatief te worden beschouwd. Op basis van de vergelijkbare kwaliteit van vakken met vergelijkbare bodemlagen wordt het resultaat wel als representatief beschouwd.
4 Resultaten 4.1
Zintuiglijke waarnemingen
Het opgeboorde materiaal is tijdens het veldwerk visueel beoordeeld op textuur, kleur en bijzonderheden die kunnen duiden op verontreinigingen. Tevens is visueel aandacht besteed aan de eventuele aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk geen waarnemingen gedaan die duiden op het voorkomen van bodemverontreiniging in de waterbodem of landbodem. Slechts sporadisch (monsterpunten 518 en 526) is een spoortje met baksteen aangetroffen. Aangezien het een sporadische bijmenging betreft wordt deze niet beschouwd als onderdeel van een stort van mogelijk asbesthoudend materiaal, maar als een spoortje baksteen wat met tarragrond is meegekomen.
18/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Om deze reden wordt dit niet als asbestverdacht beschouwd. Een verkennend waterbodemonderzoek met betrekking tot asbest is dan ook niet noodzakelijk. In het opgeboorde materiaal zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Verder is in enkele (diepere) tarralagen slib aangetroffen. Gezien de herkomst van het materiaal (bezinking in vloeivelden en omzetting van organisch materiaal) wordt dit niet als verdacht beschouwd. Tijdens de uitvoering is het volgende gebleken:
•
De bodemopbouw in de voormalige vloeivelden is plaatselijk zeer heterogeen (vakken 1, 2, 3 en 5 Met name in vakken 1 en 2 was tijdens de veldwerkzaamheden moeilijk te bepalen of de
• •
zandige bodem tarragrond betreft of aangebracht zand (met andere herkomst) Onder de tarragrond in vak 2 en 3 is een harde bodemlaag aanwezig (leem of zand) In vak 6 (voormalig vloeiveld) is geen tarragrond aanwezig, maar klei. Het monstervak
•
waarvoor het resultaat representatief wordt geacht, is een stuk richting het zuiden geschoven zodat boringen 746 en 747 nu deel uitmaken van dit monstervak De bodemopbouw in de voormalige droogbedden is plaatselijk zeer heterogeen (vakken 9
•
t/m 12 (met name de zuidzijde) en 15 ) Voor details wordt verwezen naar de in bijlage 6 bijgevoegde boorprofielen.
4.2
Resultaten milieuhygiënisch onderzoek waterbodem
Het toetsingskader is opgenomen in bijlage 7. In bijlage 8 is de toetsing van de onderzoeksresultaten opgenomen. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 9. In tabel 4.1 is een samenvatting van de relevante resultaten opgenomen. In kolom ‘Eindoordeel (BoToVa)’ is het standaard toetsingsoordeel weergegeven. Voor de bodemlagen waarvan op basis van de oliechromatogrammen is beoordeeld dat het olie gehalte veroorzaakt is door humusachtige verbindingen, is het toetsingsoordeel zonder minerale olie in de kolom ‘Minerale olie veroorzaakt door humuszuren’ weergegeven. De resultaten voor PFAS in baggerspecie zijn gecorrigeerd voor organisch stof, en getoetst aan de normwaarden voor toepassing op landbodem volgens het tijdelijk handelingskader PFAS.
19/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Tabel 4.1 Samenvatting onderzoeksresultaten waterbodem Monster-
Diepte
Deelmonster
Textuur
omschrijving
501 t/m 506 slib
0-0,2
501-1 t/m 506-1
slib
Eindoordeel
Bepalende
Minerale olie
Som
Som
Overige
Beperkingen
(BoToVa)
parameter(s)
veroorzaakt
PFOS
PFOA
PFAS
ten aanzien
door
(μg/kg
(μg/kg
(μg/kg d.s.)
van PFAS
humuszuren
d.s.)
d.s.)
Ja, klasse
0,5
0,3
Toepasbaar als
minerale olie
klasse Industrie
Bijzonderheden
(A/B/C/D/E) <0,13
B 2
Wonen o.b.v.
(6:2 FTS)
Hg 501 t/m 506 tarra
0,15-0,7
501-2 t/m 506-2
klei
Niet toepasbaar
minerale olie
Ja, klasse
0,4
0,3
-
B
0,4
0,3
-
B
0,3
-
-
B
0,4
0,2
-
B
0,3
0,3
-
B
Wonen o.b.v. As, Hg 501 t/m 506 tarra
0,5-1,2
501-3 t/m 506-3
klei
Niet toepasbaar
minerale olie
Ja, klasse Wonen o.b.v. As, Hg
507 t/m 512 slib
0-0,15
507-1 t/m 512-1
slib
Toepasbaar als
minerale olie
klasse Industrie
Ja, klasse AW o.b.v. overige parameters
507 t/m 512 tarra
0,1-0,65
507-2 t/m 512-2
klei
Niet toepasbaar
minerale olie
Ja, klasse AW o.b.v. overige parameters
507 t/m 512 tarra
0,6-1,15
507-3 t/m 512-3
klei
Niet toepasbaar
minerale olie1
Ja, klasse AW o.b.v. overige parameters
20/40
Kenmerk
Monster-
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Diepte
Deelmonster
Textuur
omschrijving
513 t/m 518 slib
0-0,1
513-1 t/m 518-1
slib
Eindoordeel
Bepalende
Minerale olie
Som
Som
Overige
Beperkingen
(BoToVa)
parameter(s)
veroorzaakt
PFOS
PFOA
PFAS
ten aanzien
door
(μg/kg
(μg/kg
(μg/kg d.s.)
van PFAS
humuszuren
d.s.)
d.s.)
Ja, klasse
0,3
-
-
B
2,1
0,3
0,1
C
Toepasbaar als
minerale olie
klasse Industrie
Bijzonderheden
(A/B/C/D/E)
Wonen o.b.v. Cd, Hg
513 t/m 518 tarra
0,1-0,6
513-2 t/m 518-2
klei,
Niet toepasbaar
minerale olie
baksteen 1
Ja, klasse AW o.b.v. overige
(MeFOSAA
parameters
en EtFOSAA)
513 t/m 518 tarra
0,6-1,1
513-3 t/m 518-3
klei,
Toepasbaar als
baksteen 1
klasse Industrie
minerale olie
Ja, klasse AW
0,6
0,2
-
B
0,6
0,2
-
B
0,5
0,3
-
B
0,6
0,4
-
B
-
0,2
-
B
o.b.v. overige parameters
519 t/m 524 slib
0-0,1
519-1 t/m 524-1
slib
Niet toepasbaar
1
minerale olie
Ja, klasse Wonen o.b.v. Cd, Hg
519 t/m 524 tarra
0,05-0,6
519-2 t/m 524-2
klei
Niet toepasbaar
minerale olie
Ja, klasse AW o.b.v. overige parameters
525 t/m 530 slib
0-0,1
525-1 t/m 530-1
slib
Toepasbaar als
minerale olie
klasse Industrie
Ja, klasse Wonen o.b.v. Cd, Hg
525 t/m 530 tarra
0,05-0,6
525-2 t/m 530-2
klei, baksteen 1
Niet toepasbaar
minerale olie
Nee
Pentachloorfenol 5 <d.l.
21/40
Kenmerk
Monster-
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Diepte
Deelmonster
Textuur
omschrijving
531 t/m 536 slib
0-0,2
531-1 t/m 536-1
slib
Eindoordeel
Bepalende
Minerale olie
Som
Som
Overige
Beperkingen
(BoToVa)
parameter(s)
veroorzaakt
PFOS
PFOA
PFAS
ten aanzien
door
(μg/kg
(μg/kg
(μg/kg d.s.)
van PFAS
humuszuren
d.s.)
d.s.)
minerale olie
Nee
-
-
-
A
As, Mo
n.v.t.
-
-
-
A
minerale olie
Nee
-
-
-
A
Altijd toepasbaar
n.v.t.
n.v.t.
-
-
-
A
Toepasbaar als
minerale olie
Nee
-
-
-
A
Altijd toepasbaar
n.v.t.
n.v.t.
-
-
-
A
Niet toepasbaar
minerale olie1
Ja, klasse
0,5
-
-
B
0,4
0,3
-
B
Toepasbaar als
Bijzonderheden
(A/B/C/D/E)
klasse Industrie 531 t/m 536
537 t/m 542 slib
0,1-0,6
0-0,1
531-2 t/m 536-2
537-1 t/m 542-1
klei (geen
Toepasbaar als
tarragrond)
klasse Wonen
slib
Toepasbaar als klasse Industrie
537 t/m 542
0,1-0,6
537-2 t/m 542-2
klei (geen tarragrond)
543 t/m 548 slib
0-0,1
543-1 t/m 548-1
slib
klasse Industrie 543 + 544 + 546
0,05-0,55
t/m 548 + 5002
543-2, 544-2,
klei (geen
546-2 t/m 548-2,
tarragrond)
5002-1 549 t/m 554 slib
0-0,15
549-1 t/m 554-1
slib
Wonen o.b.v. Cd, Hg 549 t/m 554 tarra
0,05-0,65
549-2 t/m 554-2
klei
Niet toepasbaar
minerale olie1
Ja, klasse Wonen o.b.v. Hg
22/40
Kenmerk
Monster-
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Diepte
Deelmonster
Textuur
omschrijving
549 t/m 554 tarra
0,55-1,15
549-3 t/m 554-3
klei
Eindoordeel
Bepalende
Minerale olie
Som
Som
Overige
Beperkingen
(BoToVa)
parameter(s)
veroorzaakt
PFOS
PFOA
PFAS
ten aanzien
door
(μg/kg
(μg/kg
(μg/kg d.s.)
van PFAS
humuszuren
d.s.)
d.s.)
Ja, klasse
0,5
0,3
Niet toepasbaar
minerale olie1
Bijzonderheden
(A/B/C/D/E) <0,4
B 2
Wonen o.b.v.
(PFHxDA)
As, Hg 555 t/m 560 slib
0-0,1
555-1 t/m 560-1
slib
Toepasbaar als
minerale olie
klasse Industrie
Ja, klasse
0,4
0,2
-
B
0,4
0,3
<0,2 (8:2
B
Wonen o.b.v. Hg
555 t/m 560 tarra
0,05-0,6
555-2 t/m 560-2
klei
Niet toepasbaar
1
minerale olie
Ja, klasse
diPAP)2
Wonen o.b.v. Hg 555 t/m 560 tarra
0,55-1,1
555-3 t/m 560-3
klei
Niet toepasbaar
minerale olie1
Ja, klasse AW
0,4
0,2
-
B
0,3
-
0,1
B
o.b.v. overige parameters 701 t/m 706 slib
0-0,3
701-1 t/m 706-1
slib
Toepasbaar als
minerale olie
klasse Industrie
Ja, klasse AW o.b.v. overige
o,p'-DDT 3 <d.l. p,p'-DDT 3 <d.l.
(EtFOSAA)
DDT (som) 4 <AW
parameters
DDX (som) 4 <AW 703 t/m 706 + 7001 + 7002 tarra
0,1-0,85
703-2, 704-2, 705-2, 706-2, 7001-1, 7002-1
klei en leem
Toepasbaar als klasse Industrie
minerale olie
Ja, klasse AW
0,2
-
-
B
indicatief
o.b.v. overige
o,p'-DDT 3 <d.l.
parameters
p,p'-DDT 3 <d.l. DDT (som) 4 <AW DDX (som) 4 <AW
23/40
Kenmerk
Monster-
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Diepte
Deelmonster
Textuur
omschrijving
701 t/m 705 +
0,1-2,2
706 + 7002
707 t/m 712 slib
0-0,25
Eindoordeel
Bepalende
Minerale olie
Som
Som
Overige
Beperkingen
(BoToVa)
parameter(s)
veroorzaakt
PFOS
PFOA
PFAS
ten aanzien
door
(μg/kg
(μg/kg
(μg/kg d.s.)
van PFAS
humuszuren
d.s.)
d.s.)
Ja, klasse AW
-
-
-
A
0,3
-
-
B
0,3
0,3
-
B
701-2, 702-2,
fijn zand
Toepasbaar als
703-4, 704-3,
(mogelijk
klasse Industrie
706-3, 7002-2
tarragrond)
707-1 t/m 712-1
slib
minerale olie
Bijzonderheden
(A/B/C/D/E)
o.b.v. overige parameters
Toepasbaar als
minerale olie
klasse Industrie
Ja, klasse Wonen o.b.v. As, Cd, Hg
707 t/m 712 tarra
0,2-0,7
707-2 t/m 712-2
klei
Toepasbaar als
minerale olie
klasse Industrie
Ja, klasse Wonen o.b.v. As
707 t/m 710 +
0,35-1,3
712 + 7003
707-3, 708-4,
fijn zand
709-3, 710-3,
(mogelijk
712-3, 7003-1
geen
Altijd toepasbaar
n.v.t.
n.v.t.
-
-
-
A
Toepasbaar als
minerale olie
Nee
-
-
-
A
minerale olie
Ja, klasse AW
-
-
-
A
tarragrond) 713 t/m 718 slib
0-0,07
713-1 t/m 718-1
slib
klasse Industrie 713 + 714 + 716
0,05-0,5
+ 7013 + 7014 + 7016 tarra 719 t/m 724 slib
713-2, 714-2,
matig grof
Toepasbaar als
716-2, 7013-1,
zand
klasse Industrie
slib
Niet toepasbaar
o.b.v. overige
7014-1, 7016-1 0-0,1
719-1 t/m 724-1
Pentachloorfenol5 <d.l.
parameters minerale olie
Ja, klasse Wonen o.b.v.
0,3
0,2
<0,2 (8:2 diPAP)
B
2
Cd, Hg, Zn
24/40
Kenmerk
Monster-
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Diepte
Deelmonster
Textuur
omschrijving
719 t/m 724 tarra
0,05-0,6
719-2 t/m 724-2
klei
Eindoordeel
Bepalende
Minerale olie
Som
Som
Overige
Beperkingen
(BoToVa)
parameter(s)
veroorzaakt
PFOS
PFOA
PFAS
ten aanzien
door
(μg/kg
(μg/kg
(μg/kg d.s.)
van PFAS
humuszuren
d.s.)
d.s.)
Ja, klasse AW
0,3
0,2
-
B
0,3
0,3
-
B
0,2
-
-
B
Toepasbaar als
minerale olie
klasse Industrie
Bijzonderheden
(A/B/C/D/E)
o.b.v. overige parameters
719 t/m 724 tarra
0,55-1,1
719-3 t/m 724-3
klei
Toepasbaar als
minerale olie
klasse Industrie
Ja, klasse Wonen o.b.v. As, Cd
725 t/m 730 slib
0-0,1
725-1 t/m 730-1
slib
Toepasbaar als
minerale olie
klasse Industrie
Ja, klasse
p,p'-DDT 3 <d.l. DDX (som) 4 <AW
Wonen o.b.v. As, Cd, Hg, Zn
725 t/m 727 +
0,1-0,6
725-2, 726-2,
729 + 7004 +
727-2, 729-2,
7005 tarra
7004-1, 7005-1
731 t/m 736 slib
0-0,15
731-1 t/m 736-1
klei
Toepasbaar als
minerale olie
klasse Industrie
Ja, klasse
0,3
0,2
-
B
0,4
0,3
-
B
0,3
0,3
-
B
Wonen o.b.v. Zn
slib
Toepasbaar als
minerale olie
klasse Industrie
Ja, klasse Wonen o.b.v. As, Cd, Hg, Pb, Zn
731 t/m 736 tarra
0,1-0,65
731-2 t/m 736-2
klei
Toepasbaar als klasse Industrie
minerale olie
Ja, klasse Wonen o.b.v. Hg
25/40
Kenmerk
Monster-
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Diepte
Deelmonster
Textuur
omschrijving
737 t/m 742 slib
0-0,1
737-1 t/m 742-1
slib
Eindoordeel
Bepalende
Minerale olie
Som
Som
Overige
Beperkingen
(BoToVa)
parameter(s)
veroorzaakt
PFOS
PFOA
PFAS
ten aanzien
door
(μg/kg
(μg/kg
(μg/kg d.s.)
van PFAS
humuszuren
d.s.)
d.s.)
Ja, klasse AW
0,3
0,2
-
B
-
-
-
A
0,4
-
-
B
-
-
-
A
Niet toepasbaar
minerale olie
Bijzonderheden
(A/B/C/D/E)
o.b.v. overige parameters 737 t/m 742 tarra
0,1-0,6
737-2 t/m 742-2
klei
Toepasbaar als
minerale olie
klasse Industrie
Ja, klasse AW o.b.v. overige parameters
743 t/m 748 slib
0-0,15
743-1 t/m 748-1
slib
Toepasbaar als
minerale olie
klasse Industrie
Ja, klasse AW o.b.v. overige parameters
743 t/m 745 +
0,1-0,65
743-2, 744-2,
klei
Niet toepasbaar
minerale olie
Ja, klasse
748 + 7009 +
745-2, 748-2,
Wonen o.b.v.
7010 tarra
7009-1, 7010-1
Cd, Hg
749 t/m 754 slib
0-0,2
749- t/m 754-1
slib
749 t/m 754
0,15-0,6
749-2, 750-2,
klei
slib
Toepasbaar als
minerale olie
Nee
0,5
0,4
-
B
Altijd toepasbaar
n.v.t.
n.v.t.
-
-
-
A
Toepasbaar als
minerale olie
Ja, klasse
0,4
0,2
-
B
klasse Industrie
751-2, 752-3, 753-2, 754-2 755 t/m 760 slib
0-0,2
755-1 t/m 760-1
klasse Industrie
Wonen o.b.v. As, Cd
26/40
Kenmerk
Monster-
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Diepte
Deelmonster
Textuur
omschrijving
755 t/m 760 tarra
0,1-0,65
755-2 t/m 760-2
klei
Eindoordeel
Bepalende
Minerale olie
Som
Som
Overige
Beperkingen
(BoToVa)
parameter(s)
veroorzaakt
PFOS
PFOA
PFAS
ten aanzien
door
(μg/kg
(μg/kg
(μg/kg d.s.)
van PFAS
humuszuren
d.s.)
d.s.)
Ja, klasse
0,6
0,8
Niet toepasbaar
minerale olie
Industrie o.b.v.
Bijzonderheden
(A/B/C/D/E) 0,1
B
(MeFOSAA)
As, Cd 761 t/m 766 slib
0-0,2
761-1 t/m 766-1
slib
761 t/m 766 tarra
0,1-0,5
761-2 t/m 766-2
klei
Toepasbaar als
minerale olie
Nee
0,3
0,2
B
minerale olie
Ja, klasse AW
0,4
0,3
B
0,3
-
klasse Industrie Niet toepasbaar
o.b.v. overige parameters 767 t/m 772 slib
0-0,2
767-1 t/m 772-1
slib
Niet toepasbaar
minerale olie
Ja, klasse
-
B
p,p'-DDT 3 <d.l. DDX (som) 4 <AW
Wonen o.b.v. As, Cd, Cr, Hg, Pb, Zn 767 t/m 772 tarra
0,05-0,7
767-2 t/m 772-2
klei
Niet toepasbaar
minerale olie
Ja, klasse
0,4
0,4
-
B
Wonen o.b.v.
Pentachloorfenol5 <d.l.
Cd, Hg 773 t/m 778 slib
0-0,5
773-1 t/m 778-1
slib
Niet toepasbaar
minerale olie6
Nee
0,5
0,3
0,2
B
BTEXN <d.l. 5
(EtFOSAA) 773 t/m 778 tarra
0,05-1
773-2 t/m 778-2
klei
Toepasbaar als klasse Industrie
minerale olie
Nee
0,4
0,5
0,1
B
(EtFOSAA)
27/40
Kenmerk
Monster-
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Diepte
Deelmonster
Textuur
omschrijving
779 t/m 784 slib
0-0,1
779-1 t/m 784-1
slib
Eindoordeel
Bepalende
Minerale olie
Som
Som
Overige
Beperkingen
(BoToVa)
parameter(s)
veroorzaakt
PFOS
PFOA
PFAS
ten aanzien
door
(μg/kg
(μg/kg
(μg/kg d.s.)
van PFAS
humuszuren
d.s.)
d.s.)
Ja, klasse
0,5
0,2
Niet toepasbaar
minerale olie6
Industrie o.b.v.
Bijzonderheden
(A/B/C/D/E) 0,2
B
BTEXN <d.l. 5
B
Klasse Oranje vluchtig
(EtFOSAA)
Ni 779 t/m 784 tarra
0,1-0,6
779-2 t/m 784-2
klei
Niet toepasbaar
minerale olie
Ja, klasse
0,5
0,4
-
Wonen o.b.v.
o.b.v. minerale olie
As, Cd, Hg, Mo, Pb, Zn <d.l.
< detectielimiet
AW
Achtergrondwaarde
Altijd toepasbaar:
gehalten voldoen aan de AW2000
Wonen:
gehalten voldoen aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen
Industrie:
gehalten voldoen aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie
Niet toepasbaar
gehalten overschrijden de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie
* Correctie organisch stof vindt alleen plaats bij percentages boven de 10 % - Geen PFAS aangetoond boven de rapportagegrens A: Geen beperking voor PFAS. Geen PFAS aangetoond boven bepalingsgrens van 0,1 µg/kg B: Beperking voor toepassing in grondwaterbeschermingsgebieden en in ander oppervlaktewater uitgezonderd de diepe plas. PFAS aangetoond tussen bepalingsgrens en tijdelijke landelijke achtergrondwaarde (0,9 µg/kg voor PFOS of 0,8 µg/kg voor overige PFAS) C: Beperking voor toepassing in grondwaterbeschermingsgebieden en onder de grondwaterstand en in ander oppervlaktewater uitgezonderd de diepe plas. PFAS aangetoond tussen tijdelijke landelijke achtergrondwaarde en tijdelijke toepassingsnormen (7 µg/kg voor PFOA en 3 µg/kg voor overige PFAS) D: Niet toepasbaar op landbodem en niet verspreidbaar op aangrenzende percelen. PFAS aangetoond boven tijdelijke toepassingsnormen voor landbodem
28/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
E: Niet toepasbaar in diepe plassen. PFAS aangetoond boven 0,8 µg/kg en/of PFOS boven 3,7 µg/kg
1
Humusachtige verbindingen aangetoond.
2
Verhoogde rapportagegrens t.g.v. storingen in de monstermatrix
3
Indicatieve waarde(n) i.v.m. adsorptie van de interne standaard.
4
Indicatieve waarde(n) vanwege matrixstoring.
5
Conserveringstermijn overschreden
6
Vluchtige oliefractie aanwezig.
7
De rapportagegrens is verhoogd ten gevolge van een laag gehalte aan de droge stof.
29/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
In twee monsters (773 t/m 778 slib en 779 t/m 784 slib) is mogelijk een vluchtige oliefractie aanwezig. Naar aanleiding daarvan zijn analyses op vluchtige aromaten (BTEXN) uitgevoerd. Uit de analyseresultaten blijkt dat er geen vluchtige aromaten boven de rapportagegrens aanwezig zijn. Hierbij wordt wel opgemerkt dat de conserveringstermijn voor deze analyses vanwege de latere inzet overschreden is. Gezien het gegeven dat er geen gehalten boven de rapportagegrens zijn gemeten, wordt het niet waarschijnlijk geacht dat er in deze bodemlagen een klassebepalende hoeveelheid aan vluchtige aromaten aanwezig is.
4.3
Resultaten milieuhygiënisch onderzoek landbodem
Het toetsingskader is opgenomen in bijlage 7. In bijlage 8 is de toetsing van de onderzoeksresultaten opgenomen. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 9. In tabel 4.2 is een samenvatting van de relevante resultaten opgenomen. In kolom ‘Eindoordeel (BoToVa)’ is het standaard toetsingsoordeel weergegeven. Voor de bodemlagen waarvan op basis van de olie chromatogrammen is beoordeeld dat het olie gehalte veroorzaakt is door humusachtige verbindingen is, is het toetsingsoordeel zonder minerale olie in de kolom ‘Minerale olie veroorzaakt door humuszuren’ weergegeven. De resultaten voor PFAS in baggerspecie zijn gecorrigeerd voor organisch stof en getoetst aan de normwaarden voor toepassing op landbodem volgens het tijdelijk handelingskader PFAS.
30/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Tabel 4.2 Samenvatting onderzoeksresultaten landbodem (indicatief met betrekking tot afvoerkwaliteit) Monster-
Diepte
Deelmonster
Textuur
omschrijving
561 t/m 565 tarra
0-0,5
561-1 t/m 565-1
klei
566 tarra
0-0,5
566-1
fijn zand
561 t/m 566 tarra
1-2
561-3, 562-4,
klei
Eindoordeel
Bepalende
Minerale olie
Som
Som
Overige
Beperkingen
(BoToVa)
parameter(s)
veroorzaakt
PFOS
PFOA
PFAS
ten aanzien
door
(μg/kg
(μg/kg
(μg/kg d.s.)
van PFAS
humuszuren
d.s.)
d.s.)
As, Cd, Hg
n.v.t.
0,6
0,4
-
B
PAK
n.v.t.
0,3
0,2
-
B
minerale olie
Ja, klasse
0,3
0,3
-
B
0,3
0,2
-
B
Toepasbaar als
Bijzonderheden
(A/B/C/D)
klasse Wonen Toepasbaar als klasse Wonen
563-3, 564-4,
Toepasbaar als klasse Industrie
Wonen o.b.v.
565-3, 566-5 567 t/m 569 slib
0-0,2
567-1 t/m 569-1
As slib
Toepasbaar als
minerale olie
klasse Industrie
Ja, klasse
o,p'-DDT 3 <d.l. p,p'-DDT 3 <d.l.
Wonen o.b.v. Cd, Hg, Zn
567 t/m 572 tarra
0,2-2
567-2, 568-3,
klei
569-4, 570-3,
Toepasbaar als
minerale olie
klasse Industrie
0-1,2
570-1, 570-2,
0-0,5
573-1 t/m 578-1
0,3
-
B
0,4
0,6
<0,2
B
Hg veen
571-2, 571-3 573 t/m 578 tarra
0,3
Wonen o.b.v.
571-5, 572-2 570 + 571 tarra
Ja, klasse
Toepasbaar als
Mo
n.v.t.
(diverse)2
klasse Wonen klei
Toepasbaar als klasse Industrie
minerale olie
Ja, klasse Wonen o.b.v.
1,1
0,6
-
bestrijdingsmiddelen7 <AW
C
Pentachloorfenol5 <d.l.
Cd, Hg
31/40
Kenmerk
Monster-
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Diepte
Deelmonster
Textuur
omschrijving
573 t/m 578 tarra
1-2
573-4, 574-3,
klei
575-4, 576-3,
Eindoordeel
Bepalende
Minerale olie
Som
Som
Overige
Beperkingen
(BoToVa)
parameter(s)
veroorzaakt
PFOS
PFOA
PFAS
ten aanzien
door
(μg/kg
(μg/kg
(μg/kg d.s.)
van PFAS
humuszuren
d.s.)
d.s.)
Ja, klasse AW
0,1
0,3
-
B
Toepasbaar als
minerale olie
klasse Industrie
Bijzonderheden
(A/B/C/D)
o.b.v. overige
577-4, 578-3
parameters
579 t/m 584 tarra
0-0,5
579-1 t/m 584-1
klei
584 tarra
0,6-1,4
584-2, 584-3
matig grof
579 t/m 584 tarra
1,1-2,0
579-3, 580-4,
Toepasbaar als
As, Cd, Hg
n.v.t.
0,6
0,4
-
B
Altijd toepasbaar
n.v.t.
n.v.t.
-
-
-
A
Toepasbaar als
minerale olie
Ja, klasse AW
0,3
0,3
-
B
klasse Wonen
zand klei
581-4, 582-3,
klasse Industrie
583-4, 584-4
o.b.v. overige parameters
<d.l.
< detectielimiet
AW
Achtergrondwaarde
Altijd toepasbaar:
gehalten voldoen aan de AW2000
Wonen:
gehalten voldoen aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen
Industrie:
gehalten voldoen aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie
Niet toepasbaar
gehalten overschrijden de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie
* Correctie organisch stof vindt alleen plaats bij percentages boven de 10 % - Geen PFAS aangetoond boven de rapportagegrens A: Geen beperking voor PFAS. Geen PFAS aangetoond boven bepalingsgrens van 0,1 µg/kg B: Beperking voor toepassing in grondwaterbeschermingsgebieden en in ander oppervlaktewater uitgezonderd de diepe plas. PFAS aangetoond tussen bepalingsgrens en tijdelijke landelijke achtergrondwaarde (0,9 µg/kg voor PFOS of 0,8 µg/kg voor overige PFAS)
32/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
C: Beperking voor toepassing in grondwaterbeschermingsgebieden en onder de grondwaterstand en in ander oppervlaktewater uitgezonderd de diepe plas. PFAS aangetoond tussen tijdelijke landelijke achtergrondwaarde en tijdelijke toepassingsnormen (7 µg/kg voor PFOA en 3 µg/kg voor overige PFAS) D: Niet toepasbaar op landbodem en niet verspreidbaar op aangrenzende percelen. PFAS aangetoond boven tijdelijke toepassingsnormen voor landbodem E: Niet toepasbaar in diepe plassen. PFAS aangetoond boven 0,8 µg/kg en/of PFOS boven 3,7 µg/kg 1
Humusachtige verbindingen aangetoond.
2
Verhoogde rapportagegrens t.g.v. storingen in de monstermatrix
3
Indicatieve waarde(n) i.v.m. adsorptie van de interne standaard.
4
Indicatieve waarde(n) vanwege matrixstoring.
5
Conserveringstermijn overschreden
6
Vluchtige oliefractie aanwezig.
7
De rapportagegrens is verhoogd ten gevolge van een laag gehalte aan de droge stof.
33/40
Kenmerk
4.4
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Interpretatie resultaten
Middels dit bodemonderzoek kunnen de volgende onderzoeksvragen uit paragraaf 2.8 beantwoord worden. •
Wat is de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem ter plaatse van de voormalige vloeivelden en droogbedden?
In het onderhavige (water)bodemonderzoek zijn in een groot aantal waterbodemmonsters gehalten aan minerale olie gemeten die bij een standaard toetsing voor toepassing op landbodem leiden tot klasse industrie of niet toepasbaar. Er is geen sprake van overschrijdingen van de interventiewaarde. Het resultaat wijkt af van het resultaat uit 2009, want de minerale olie gehalten in het onderhavig onderzoek zijn (gecorrigeerd naar standaard bodem (sb)) beduidend hoger en vaker gemeten dan in het indicatieve waterbodemonderzoek uit 2009. Destijds is maximaal 200 mg/kg d.s. sb aangetoond. De gehalten in het onderhavige onderzoek bevinden zich veelal tussen de 200 en 600 mg/kg d.s. sb, met uitschieters naar circa 700 en 1000 mg/kg d.s. sb. De minerale olie gehalten in de tarragrond kunnen deels worden verklaard door de omzetting van organisch stof (afkomstig van de verwerking van suikerbieten) tot humusachtige verbindingen. De analyse van minerale olie kent een speciale florisil clean-up stap die deze humusachtige verbindingen hoort te verwijderen. In de praktijk blijkt echter dat bij humushoudende monsters deze clean-up stap niet in alle gevallen voldoende is. Dit heeft tot gevolg dat deze verbindingen van natuurlijk herkomst een bijdrage gaan leveren aan het minerale oliegehalte.
In het oliechromatogram bij het analysecertificaat zijn deze verbindingen van natuurlijke herkomst vaak te herkennen aan een specifiek patroon dat aanwezig is in de oliefractie C29 tot C35. In figuren 4.1 en 4.2 is een voorbeeld weergegeven van een oliechromatogram met een oliegehalte dat veroorzaakt is door humusachtige verbindingen (4.1) en een ander waarbij dit niet het geval is (4.2).
34/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Figuur 4.1: Chromatogram met een oliegehalte dat veroorzaakt is door humusachtige verbindingen
Figuur 4.2 Chromatogram met een oliegehalte dat veroorzaakt is door huisbrandolie
Op basis van het vooronderzoek blijkt dat de bodem in de vloeivelden tarragrond betreft. In combinatie met een interpretatie van de oliechromatogrammen kan van een aanzienlijk deel van de verhoogde gehalten met minerale olie gesteld worden dat dit veroorzaakt is door humusachtige verbindingen en dat een relatie bestaat met het productieproces van de Suikerunie. Uit de Regeling bodemkwaliteit artikel 4.14.1 blijkt het volgende: ‘Bij toepassing van tarragrond gelden de achtergrondwaarden alsmede de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse wonen en industrie niet voor de stoffen cresolen (som), fenol, tolueen en minerale olie, indien de aanwezigheid van die stoffen in de tarragrond een gevolg is van natuurlijke processen.’ Als deze tarragrond onder de fabrikant eigen verklaring (FEV) van Suikerunie vrij zou komen dan zou het minerale olie gehalte buiten beschouwing mogen worden gelaten. In dit geval is de tarragrond niet gecertificeerd onder een FEV, dus mag de bovenstaande regel niet zonder meer toegepast worden op deze grond.
35/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
Echter, gelet op de aard en herkomst van het materiaal (tarragrond uit het productieproces van Suikerunie) en de interpretatie van de oliechromatogrammen, worden de oliegehalten voor het merendeel van de monsters geïnterpreteerd als afkomstig van het productieproces en natuurlijke omzetting van organische verbindingen. Op basis daarvan is een correctie toegepast waarbij de oliegehalten niet zijn meegenomen in de toetsing van de tarragrond. Nadat deze correctie is toegepast, blijkt dat het merendeel van de monstervakken de klasse wonen of altijd toepasbaar heeft. De gecorrigeerde bodemkwaliteitsklassen (indicatief voor vakken 9 tot en met 12) zijn weergegeven op kaartmateriaal in bijlage 10. In het onderhavige onderzoek is de laag met tarragrond onderzocht die het meest waarschijnlijk ontgraven gaat worden. Dit houdt in dat de bovenste losse tarralaag (omschreven als slib) en de daaronder gelegen vastere tarralaag onderzocht is. In enkele gevallen is een diepere tarralaag onderzocht of de vaste waterbodem als deze oppervlakkig aanwezig is. Dit betekent dat dit onderzoek een milieuhygiënisch bewijsmiddel is voor de vakken en bodemlagen die conform NEN5720 onderzocht zijn. De diepere tarralagen die niet onderzocht zijn, hebben (zo lang deze zintuiglijk overeenkomstig zijn) vermoedelijk een vergelijkbare kwaliteit.
Voor de landbodem vakken (9 t/m 12) vormt dit onderzoek een indicatie van de afvoerkwaliteit en geen milieuhygiënisch bewijsmiddel. •
Zijn er bij baggerwerkzaamheden in de voormalige vloeivelden en droogbedden veiligheidsklassen conform CROW 400 van toepassing?
Er is in geen van de monstervakken een veiligheidsklasse van toepassing. De klasse Oranje Vluchtig die bij vak 8 vermeld is, wordt veroorzaakt door humusachtige verbindingen. Om deze reden is het niet noodzakelijk om bij eventuele graafwerkzaamheden in dit vak maatregelen te nemen die passen bij klasse Oranje Vluchtig als gevolg van minerale olie. Bij de graafwerkzaamheden dienen maatregelen conform de basis hygiëne voorschriften uit de CROW400 te worden gehanteerd.
36/40
Kenmerk
R001-1272873MCU-V01-gdj-NL
5 Conclusies en aanbevelingen 5.1
Conclusies
Op basis van het (water)bodemonderzoek kan het onderstaande worden geconcludeerd. De tarragrond en de minerale olie gehalten die daarin zijn gementen, kunnen in een groot deel van de monsters gerelateerd worden aan humusachtige verbindingen als gevolg van de verwerking van suikerbieten. Omdat de aanwezigheid van minerale olie in de tarragrond een gevolg is van natuurlijke processen, is artikel 4.14.1 (toepassen van tarragrond) uit de Regeling bodemkwaliteit van toepassing. Bij de monstervakken waar dit van toepassing is, is de parameter minerale olie buiten beschouwing gelaten in de toetsing. Als gevolg hiervan heeft het eventueel vrijkomende materiaal meer toepassingsmogelijkheden. In tabel 5.1 is het eindoordeel per monstervak weergegeven. Tevens blijkt uit het onderzoek dat de onderzochte (water)bodem, indien deze op de locatie blijft, geen belemmering vormt voor het voorgenomen gebruik (woningbouw). Dit met uitzondering van een deel van het slib in de waswatervijver (boring 773 t/m 778). Tabel 5.1 Conclusies Monsteromschrijving
Diepte
Textuur,
Toetsoordeel
Beperkingen ten
tarragrond tenzij
(toepasbaar als