CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen - Onderzoek 3.pdf

gemeenteraad 29 november 2023, gemeente GroningenBij agendapunt: e: Facetbeheersverordening geitenhouderijen 2023 (Raadsvoorstel 20-9-23)17.111 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Analysemethoden Er zijn verschillende, complementaire analysemethoden toegepast, elk met zowel sterke kanten als beperkingen. De gebiedsvergelijking laat zien of bepaalde diagnoses al dan niet vaker in het onderzoeksgebied voorkomen ten opzichte van een landelijk controlegebied met veel minder veehouderijen in de gemeentes waar de huisartsen zijn gevestigd, maar dat verder zo vergelijkbaar mogelijk is als het onderzoeksgebied (platteland, kleine steden en dorpen). In het oorspronkelijke onderzoeksgebied (Noord-Brabant en Limburg) wordt jaarlijks 50-60% meer longontsteking gediagnosticeerd dan in het controlegebied, terwijl de prevalentie in het nieuwe onderzoeksgebied (Gelderland, Overijssel en Utrecht) circa 40% hoger is dan in hetzelfde controlegebied. Deze relatief grote verhoging van het aantal longontstekingen in plattelandsgemeentes met veel intensieve veehouderijen kan niet alleen door de lokale aanwezigheid van geitenhouderijen worden verklaard. Regionale luchtverontreiniging, met name door (primair en secundair) fijnstof en endotoxine emissies uit veehouderijbedrijven met andere diersoorten, speelt mogelijk ook een rol. De verhoogde prevalentie in het nieuwe onderzoeksgebied suggereert dat de eerder waargenomen verhoging in Noord-Brabant en Limburg niet uitsluitend te verklaren is door factoren die specifiek zijn voor

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 24

Zuidoost-Nederland,

zoals

een

mogelijk

systematisch

verschil

in

het

diagnosticeren

van

longontsteking of een effect van andere bronnen van luchtverontreiniging dan veehouderijen. De gebiedsvergelijking wordt gezien als startpunt omdat verschillen tussen gebieden in het voorkomen van longontsteking (deels) door veehouderij kan worden veroorzaakt maar mogelijk ook door andere, onbekende factoren, en wordt aangevuld met informatie over blootstelling op individueel patiënt-niveau voor nadere analyses. Voor de analyses naar woonafstand tot geitenhouderijen en longontsteking is een zogenaamde random-effects meta-analyse toegepast waarbij associaties per praktijk worden geanalyseerd en vervolgens gecombineerd. Voordelen van deze methode zijn dat de bijdrage van individuele huisartspraktijken en gebieden inzichtelijk gemaakt wordt, en dat absolute verschillen in prevalentie van longontsteking tussen praktijken waarschijnlijk minder invloed hebben op de gevonden associaties dan wanneer alle praktijken tegelijk worden geanalyseerd. Een nadeel is dat huisartspraktijken met relatief weinig geiten- of pluimveehouderij in de nabije omgeving niet meegenomen kunnen worden, waardoor deze benadering een beperkter onderscheidend vermogen heeft (minder statistische power). Naast de meta-analyse is daarom ook een kernel-analyse gebruikt, waarin de volledige studiepopulatie wordt geanalyseerd. Een nadeel van kernel-analyse is dat de methode een aanzienlijke rekencapaciteit vergt.

De kernel-analyse heeft als toegevoegde waarde dat de afstand tot iedere veehouderij rondom de woning meeweegt in de gemodelleerde blootstelling, terwijl de meta-analyse een aantal vooraf vastgestelde buffers onderzoekt (minimaal één geitenhouderij binnen 500m, 1000m, of 2000m). Ten slotte suggereren de spline plots, waarin alleen de dichtstbijzijnde geitenhouderij wordt meegenomen, dat een niet-lineair model de associatie beter weergeeft dan een lineair model. De spline plot laat tot circa 4000m een verhoogde prevalentie zien die varieert van 3% tot 4%, waarna deze daalt naar een prevalentie van 1-2%. Er is niet zonder meer één voorkeursmethode aan te wijzen om de gegevens te analyseren. Overeenkomst tussen de resultaten van verschillende analysemethodes laat zien dat de resultaten robuust zijn voor de onderliggende aannames van de gebruikte modellen, terwijl inconsistente resultaten kunnen ontstaan door bijvoorbeeld te weinig onderscheidend vermogen, de keuze van in de analyse betrokken afkappunten voor afstanden, of de aanwezigheid van meerdere veehouderijen binnen een bepaalde afstand. Beperkingen In dit onderzoek is gebruik gemaakt van huisartsendiagnoses.

De voordelen van deze aanpak is dat hiermee relatief eenvoudig een voldoende grote steekproef uit de algemene bevolking genomen kan worden, die bovendien niet wordt beïnvloed door selectie omdat het hele patiëntenbestand wordt geanalyseerd,

en

iedere

Nederlander

bij

één

huisartspraktijk

ingeschreven

staat.

Het

gegevensbestand dat sinds 2009 gebruikt is voor het VGO onderzoek bestrijkt intussen ruim 70 huisartspraktijken en 250.000 patiënten in heel Nederland. De kwaliteit van registreren bij de deelnemende huisartsen voldoet aan vooraf gestelde minimumeisen (IJzermans 2018), maar desondanks zal er onvermijdelijk misclassificatie bestaan van de diagnose pneumonie. Een longontsteking (pneumonie) is een infectie van de lagere luchtwegen, waarbij sprake is van een ontsteking van de longblaasjes en het omringend longweefsel. Diagnose door de huisarts vindt bijna altijd plaats op grond van klinische bevindingen (NHG standaard ‘Acuut hoesten’; Verheij 2011), vooral ook omdat bij een bacteriële pneumonie zo spoedig mogelijk antibiotica wordt voorgeschreven en wachten op de uitslag van een thoraxfoto (de gouden standaard bij diagnostiek) te lang duurt of omdat reizen bezwaarlijk is. In een pilot onderzoek onder aan VGO-III deelnemende huisartsen in beide gebieden is verkend of deze huisartsen in verschillende casus met luchtwegproblemen tot een eenduidig oordeel komen of het gaat om pneumonie of acute bronchitis. Bij voldoende informatie werd pneumonie door vrijwel alle respondenten herkend, terwijl het onderscheid met acute bronchitis lastiger bleek bij minder informatie of bij een twijfelachtige uitslag van de CRP.

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 25

Onderscheid tussen bacteriële en virale pneumonie is niet altijd duidelijk, en de specifieke verwekker (welke bacterie of virus) is meestal onbekend. De beperkingen gelden echter voor alle deelnemende huisartsen in de onderzoeksgebieden en in het controlegebied. De prevalentie van pneumonie varieert over de jaren, wat deels is te verklaren door het verloop van griepepidemieën.

In

toekomstige

analyses

zal

aanvullend

naar

mogelijke

verschillen

in

seizoenspatronen in onderzoeks- en controlegebied worden gekeken. Als controle op mogelijke systematische verschillen in registratie of op de keuze om de huisarts te consulteren is gebruik gemaakt van herpes zoster (gordelroos) als controlediagnose. Dit bleek niet vaker voor te komen in het onderzoeksgebied, en er werd ook geen associatie gevonden met afstanden tot geiten- en andere veehouderijen. Een andere beperking van het gebruik van gegevens uit de huisartspraktijk is dat er slechts zeer beperkte informatie beschikbaar is over mogelijk verstorende variabelen. Er is gecorrigeerd voor geslacht en leeftijd, en de invloed van verkeersgerelateerde luchtverontreiniging op de resultaten is onderzocht, wat een verwaarloosbaar effect op de associaties met veehouderij bleek te hebben. Sensitiviteitsanalyses waarin sociaaleconomische status (op basis van postcode-4 niveau) werd geïncludeerd in de gebiedsvergelijking had in het algemeen geen invloed op de bevindingen. Gegevens op individueel niveau over bijvoorbeeld rookgewoonte en sociaaleconomische status waren niet beschikbaar. Het is echter aannemelijk dat de invloed van deze variabelen op de associaties met woonafstand tot geitenhouderijen zeer beperkt is, gezien parallelle resultaten van vragenlijstonderzoek (Freidl 2017; Borlée 2019).

In dat onderzoek is de relatie tussen aanwezigheid van geitenbedrijven op korte afstand van de woning in relatie tot longontsteking gecorrigeerd voor rookgewoonte en een groot aantal andere mogelijk verstorende variabelen (Freidl 2017). Hierin is geen aanwijzing gevonden dat de relatie tussen aanwezigheid van geitenbedrijven en longontsteking werd verstoord door rookgewoonte of andere variabelen. Een andere bron van onzekerheid in de risicoschattingen betreft de exacte locatie en grootte van veehouderijen. Blootstelling aan veehouderijen wordt hierdoor hoger of lager ingeschat dan deze in werkelijkheid is. In de regel leidt deze misclassificatie van blootstelling tot een associatie die zwakker is dan de werkelijke associatie; in deze studie dus tot een onderschatting van de associatie tussen geitenhouderij en longontsteking. In de voorgaande IVG en VGO onderzoeken is gebruik gemaakt van de provinciale BVB bestanden (met updates in 2009, 2012, en 2015). Dit kan leiden tot een overschatting van het aantal aanwezige dieren ten opzichte van het aantal vergunde dieren, omdat het bestand verouderde vergunningen kan bevatten. Daarnaast kunnen er ook (incidenteel) veehouderijen zijn zonder vergunning, wat juist leidt tot een onderschatting van het aantal veehouderijen rondom de woning.

Ter vergelijking zijn de resultaten van het eerdere IVG onderzoek daarnaast ook geanalyseerd op basis van een bestand met Unieke Bedrijfsnummers (UBN), een voorganger van het huidige BAB bestand, wat vergelijkbaar sterke associaties opleverde (Heederik 2011). In de oorspronkelijke onderzoekspopulatie is de correlatie tussen de minimale woonafstand tot een geitenbedrijf volgens BAB en BVB hoog (r=0.85), maar worden ook verschillen gezien, met name het veel lagere aantal relevante geitenbedrijven in BAB (n=56) in vergelijking met BVB (n=140) (meer dan 50 geiten, en binnen 5 km van een patiënt van een deelnemende praktijk). Er wordt van uitgegaan dat de grotere, melk leverende geitenbedrijven in beide bestanden voorkomen, terwijl er meer kleinere bedrijven of niet-gespecialiseerde geitenbedrijven in het BVB voorkomen. Daarnaast kan zowel het BVB als BAB bedrijven bevatten die inmiddels gestopt zijn, of tijdelijk leeg staan. Er moet opgemerkt worden dat de bestaande Nederlandse veehouderijbestanden voor verschillende doeleinden zijn samengesteld, en dat geen van deze bestanden optimaal is voor toepassing in onderzoek naar gezondheid van omwonenden. De omvang van het bedrijf (aantal geiten) is vanwege de onzekerheden in de bestanden niet geanalyseerd.

Hoewel er een consistent signaal komt uit beide gebieden, en met gebruik van beide gegevensbestanden (BAB en BVB), dat longontsteking is VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 26

geassocieerd met wonen in de nabijheid van geiten, is het niet zonder meer te zeggen tot welke afstand het risico verhoogd is. De eerder gerapporteerde afstand van 2 km lijkt echter in overeenstemming met de bevindingen in het huidige onderzoek. Longontsteking rondom pluimvee- en schapenhouderijen In Noord-Brabant en Limburg werd eerder in vijf opeenvolgende jaren (2009 – 2013) een associatie tussen pluimveehouderijen en longontsteking gevonden. In 2014 was alleen een lichte verhoging van het aantal longontstekingen rond vleeskuikenhouderijen te zien, terwijl er geen verhoging werd waargenomen in 2015 en 2016. In het nieuwe onderzoeksgebied wordt ook geen verhoging van het aantal longontstekingen gevonden in relatie tot woonafstand tot pluimveehouderijen. In de eerdere VGO onderzoeken was de risicoverhoging rond pluimvee beperkt, en deze varieerde over de jaren. Gezien deze variatie werd door IJzermans (2018) geconcludeerd dat het niet duidelijk was of er daadwerkelijk sprake was van een trendbreuk in de laatste twee jaren. Vanwege de relatief hoge emissie van fijnstof blijven mogelijke gezondheidseffecten in regio’s met veel pluimveehouderijen in vervolgonderzoek een punt van aandacht. De interpretatie van de resultaten van de kernel-analyse rondom schapenhouderijen is op dit moment onduidelijk.

Rondom schapenhouderijen werd eerder in de kernel-analyses in NoordBrabant en Limburg geen consistente risicoverhoging gevonden: in vier van de acht geanalyseerde jaren 2009-2016 was er wel een significante verhoging, in de andere vier jaren geen. Ook in het eerder genoemde vragenlijstonderzoek (Freidl 2017) werd geen associatie tussen de aanwezigheid van schapenhouderijen en longontsteking gevonden. Dit in tegenstelling tot geitenhouderijen, waarvoor in alle acht observatiejaren, met gebruik van de verschillende analysemethoden, en ook in het vragenlijstonderzoek een significante risicoverhoging werd gevonden in Noord-Brabant en Limburg. Daarnaast zijn de resultaten voor schapenhouderijen zoals beschreven in dit rapport ook meerduidig in Gelderland, Overijssel en Utrecht zelf, aangezien de associaties alleen in de kernel analyse worden gezien. In de meta-analyse over de periode 2014-2017 is geen sprake van een risicoverhoging rondom schapenhouderijen. Er kon geen onderscheid gemaakt worden tussen melken vleesschapen, terwijl de bedrijfsvoering, en aanwezigheid van de dieren op de bedrijfslocatie, verschillend is. Vanwege de minder consistente bevindingen rond schapenhouderijen en de onzekerheid over bedrijfsvoering is het niet mogelijk om een eenduidige conclusie te trekken over een mogelijk risico op longontsteking rondom schapenhouderijen.

In het VGO-III vervolgonderzoek naar oorzaken van longontsteking rondom geitenhouderijen zal de relevantie van eventuele bevindingen voor andere veehouderijen, zoals schapenhouderijen, nader onderzocht worden. Conclusie Uit dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat de associatie tussen wonen in de nabijheid van een geitenhouderij en longontsteking in Gelderland, Overijssel en Utrecht in het algemeen niet afwijkt van de eerder gevonden associatie in Noord-Brabant en Limburg. Gezien deze bevestiging van het eerdere onderzoek in een andere regio, en met gebruikmaking van een andere gegevensbron om veehouderijen in kaart te brengen, is het aannemelijk dat deze associaties ook gelden voor andere Nederlandse provincies met geitenhouderijen. Dit onderzoek levert geen informatie over de specifieke

oorzaak

van

onderzoeksprogramma

dit

naar

verband.

Andere

ziekteverwekkers

bij

deelonderzoeken patiënten

met

binnen een

het

VGO-III

longontsteking,

bij

geitenhouders, en op geitenbedrijven bij de dieren en in de omgeving, zullen hier uitsluitsel over moeten geven. De betekenis van de associaties met de schapenhouderij in Gelderland, Overijssel en Utrecht, en eerdere associaties met pluimveehouderij in Noord-Brabant en Limburg is nog onvoldoende duidelijk en vraagt nadere studie.

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 27

Literatuurlijst Borlée F, Yzermans CJ, van Dijk CE, Heederik D, Smit LAM. 2015. Increased respiratory symptoms in COPD patients living in the vicinity of livestock farms. Eur Respir J 46(6):1605-14. Borlée F, Yzermans CJ, Oostwegel FS, Schellevis F, Heederik D, Smit LAM. 2019. Attitude toward livestock farming does not influence the earlier observed association between proximity to goat farms and self-reported pneumonia. Environmental Epidemiology 3(2):e041. de Hoogh K, Chen J, Gulliver J, Hoffmann B, Hertel O, et al. 2018. Spatial PM2.5, NO2, O3 and BC models for Western Europe - evaluation of spatiotemporal stability. Environ Int 120:81-92. Freidl GS, Spruijt IT, Borlée F, Smit LAM, van Gageldonk-Lafeber AB, et al. 2017. Livestockassociated risk factors for pneumonia in an area of intensive animal farming in the Netherlands. PLoS One 12(3):e0174796. Hagenaars T, Hoeksma P, de Roda Husman AM, Swart A, Wouters I. 2017. Veehouderij en gezondheid omwonenden (aanvullende studies). RIVM rapport 2017-0062. Bilthoven: RIVM. Heederik DJJ, IJzermans CJ. 2011. Mogelijke effecten van intensieve veehouderij op de gezondheid van omwonenden: Onderzoek naar potentiële blootstelling en gezondheidsproblemen. Utrecht: IRAS Universiteit Utrecht, Nivel, RIVM. Higgins JPT, Green S (red.). 2011. Cochrane Handbook for Systematic Reviews of Interventions Version 5.1.0. The Cochrane Collaboration.

www.handbook.cochrane.org. Hooiveld M, Smit LAM, Van der Sman-de Beer F, Wouters IM, van Dijk CE, et al. 2016. Doctordiagnosed health problems in a region with a high density of concentrated animal feeding operations: a cross-sectional study. Environ Health 15:24. IJzermans CJ, Smit L, Heederik D, Hagenaars T. 2018. Veehouderij en gezondheid omwonenden III. longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014 – 2016. Utrecht: Nivel. Kalkowska DA, Boender GJ, Smit LAM, Baliatsas C, Yzermans J, et al. 2018. Associations between pneumonia and residential distance to livestock farms over a five-year period in a large population-based study. PLoS One 13(7):e0200813. Lamberts H, Wood M. 1987. International Classification of Primary Care. Oxford: Oxford University Press. Maassen K, Smit L, Wouters I, van Duijkeren E, Janse I, et al. 2016. Veehouderij en gezondheid omwonenden. RIVM rapport 2016-0058. Bilthoven: RIVM. NIVEL. 2017. Incidenties En Prevalenties. www.nivel.nl/nl/zorgregistraties-eerste-lijn/incidentiesen-prevalenties. Post PM, Hogerwerf L, Huss A, Petie R, Boender GJ, et al. 2019. Risk of pneumonia among residents living near goat and poultry farms during 2014-2016. PLoS One 14(10):e0223601. Poulsen MN, Pollak J, Sills DL, Casey JA, Nachman KE, et al. 2018.

High-density poultry operations and community-acquired pneumonia in Pennsylvania. Environmental Epidemiology 2(2):e013. Smit LAM, Boender GJ, de Steenhuijsen Piters WAA, Hagenaars TJ, Huijskens EGW, et al. 2017. Increased risk of pneumonia in residents living near poultry farms: Does the upper respiratory tract microbiota play a role? Pneumonia 9 (3). Smit LAM, van der Sman-de Beer F, Opstal-van Winden AW, Hooiveld M, Beekhuizen J, et al. 2012. Q fever and pneumonia in an area with a high livestock density: A large population-based study. PLoS One 7(6):e38843. van Dam MHP, Dijksma SAM. 2017. Reactie op diverse onderzoeken naar de relatie tussen veehouderij en gezondheid. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28973-191. Verheij T, Hopstaken RM, Prins JM, Salomé P, Bindels PJ, et al. 2011. NHG-standaard acuut hoesten (eerste herziening). Huisarts Wet 54:68-92.

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 28

Lijst van afkortingen ATC-codes

Anatomisch Therapeutisch Chemisch (indeling geneesmiddelen)

BI/CI

Betrouwbaarheidsinterval/Confidence Interval

BAB

Bestand Agrarische Bedrijfssituatie

BVB

Bestand Veehouderij Bedrijven

COPD

Chronic Obstructive Pulmonary Disease (Chronische Obstructieve Longziekte)

CRP

C-reactieve proteïne

ELAPSE

Effects of Low-Level Air Pollution: A Study in Europe

EPD

Elektronisch Patiënten Dossier

EZ, ministerie van

Economische Zaken

GDI

Gecombineerde Data Inwinning

GIAB

Geografisch Informatiesysteem Agrarische Bedrijven

HIS

Huisarts Informatie Systeem

ICPC

International Classification of Primary Care

IRAS/UU

Institute for Risk Assessment Sciences/ Universiteit Utrecht

I&R

Identificatie en registratie (oormerken)

IVG

Intensieve Veehouderij & Gezondheid

LNV, ministerie van

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

NHG (-standaard)

Nederlands Huisartsen Genootschap

Nivel

Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg

NZR

Nivel Zorg Registraties (eerste lijn)

OR

Odds Ratio

PAR

Populatie-Attributief Risico

RVO

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

TTP

Trusted Third Party

VGO

Veehouderij & Gezondheid Omwonenden

VWS, ministerie van

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

WBVR

Wageningen Bioveterinary Research, onderdeel van WUR

WUR

Wageningen University & Research

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 29

Bijlage I - Samenvatting Vignetten Achtergrond In eerdere studies over mogelijke associaties tussen wonen in de nabijheid van veehouderijen en het voorkomen van luchtwegproblemen (Heederik 2011; Maassen 2016; Hagenaars 2017; IJzermans 2018) werd in de nabijheid van veehouderijen meer pneumonie gevonden en tegelijkertijd minder acute bronchitis dan in controlegebieden elders in het land. Pneumonie en acute bronchitis zijn beide een ontsteking van de lagere luchtwegen. Een pneumonie verloopt echter vaak ernstiger en komt meer voor bij kwetsbare groepen (jonge kinderen en 75-plussers). Dat komt onder meer omdat pneumonie vaker berust op een bacteriële infectie en acute bronchitis op een virale. Diagnosticering door de huisarts is gebaseerd op het klinische beeld, de voorgeschiedenis en eventuele comorbiditeit. Er is nauwelijks plaats voor aanvullende diagnostische hulpmiddelen, zoals X-thorax, sputum- of bloedonderzoek. Wel heeft de huisarts beschikking over een C-reactieve proteïne (CRP)-test, een hulpmiddel om onderscheid te maken tussen ernstige en minder ernstige infecties van de lagere luchtwegen, respectievelijk een hogere of lagere kans op een bacteriële verwekker. Doelstelling VGO-III is vooral opgezet om te achterhalen waarom er een oorzakelijke associatie is tussen geitenhouderijen in de onmiddellijke omgeving en pneumonie.

Diagnosticering van pneumonie door de huisarts kan daarbij een rol spelen. Doel van het huidige onderzoek was om te verkennen of huisartsen in het studiegebied in verschillende casus met luchtwegklachten tot een eenduidig oordeel komen of het gaat om pneumonie of acute bronchitis. Methode Met behulp van vignetten en open vragen is nagegaan welke elementen een rol spelen bij de besluitvorming. Deze vignetten zijn voorgelegd aan ca. 100 huisartsen die deelnamen aan VGO, afkomstig uit de provincies Noord Brabant, Limburg, Utrecht, Gelderland en Overijssel. Dertig huisartsen reageerden. Bevindingen In een open vraag gaven de huisartsen aan dat zij de theorie van het verschil tussen diagnosticeren van pneumonie en acute bronchitis kennen. Zij volgen daarbij de NHG-Standaard ‘Acuut hoesten’. Met de betekenis van een lagere waarde van de CRP-test wordt echter relatief liberaal omgegaan. Eén van de vignetten bevatte specifieke informatie over mogelijke pneumonie (verwardheid, lokale longgeluiden, klappertanden, een score >100 op de CRP-test) en dat werd door 29 van de 30 huisartsen herkend. Bij drie andere vignetten werden pneumonie en acute bronchitis beide genoemd, met een aanzienlijke inter-doktervariatie. Bij twee van deze vignetten was een (lichte) overschatting van pneumonie, vooral omdat de Standaard ‘Acuut hoesten’ niet werd gevolgd.

Implicaties Opportunistisch gezien kunnen in VGO-onderzoek acute bronchitis en pneumonie worden samengenomen tot ‘acute infecties van de lagere luchtwegen’. Daarbij zou echter voorbij worden gegaan aan de potentiële ernst van een pneumonie, in dit geval ook vanuit het belang van de volksgezondheid. Uit de vignetten en de open vragen ontstaat het beeld dat de huisartsen de theorie grotendeels goed beheersen. De vertaling naar de praktijk volgt echter niet altijd de Standaard. Dit onderzoek moet worden gezien als een eerste pilot onder de aan VGO deelnemende huisartsen. Voor preciezere informatie zouden ook vignetten moeten worden voorgelegd aan de huisartsen van de controlepraktijken en in tweede instantie aan een grote, representatieve steekproef van Nederlandse huisartsen.

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 30

Bijlage II – Appendix Tabellen en Figuren Tabel S1. Demografische kenmerken van de VGO onderzoekspopulatie in Noord-Brabant en Limburg (2014-2016). Variabele

Frequentie

Percentage

Totale populatie

90.169

100

Geboren tussen 2014 en 2016

1.900

2,1%

Mannen

45.433

50,4%

<=19

17.897

19,85

19< = < 37

17.912

19,86

37< = < 52

17.265

19,15

52< = < 66

19.462

21,58

66< = < 102

17.633

19,56

Drie jaar ingeschreven bij HA

77.105

85,51

Patiënt in Noord-Brabant

80.978

89,81

Patiënt in Limburg

9.191

10,19

Leeftijdscategorie*

Leeftijd (gem, std)*

44,06 (23,36)

Geboortejaar (range)

1914-2016

* Leeftijd in 2016

Tabel S2. Aantal en percentage personen in de onderzoekspopulatie met aanwezigheid van een veehouderij binnen een bepaalde straal rondom de woning. Gelderland, Overijssel en Utrecht

Noord-Brabant en Limburg

(n=65.251)

(n=90.169)

Aantal

%

Aantal

%

>2000m

9.429

14,5

1.830

2,0

1000-2000m

25.347

38,8

28.929

32,1

500-1000m

20.969

32,1

44.021

48,8

<500m

9.506

14,6

15.403

17,1

Varkenshouderij

Rundveehouderij >2000m

425

0,7

387

0,4

1000-2000m

9.416

14,4

18.716

20,8

500-1000m

27.672

42,4

44.708

49,6

<500m

27.738

42,5

26.372

29,2

>2000m

27.387

42,0

63.423

70,3

1000-2000m

26.699

40,9

14.165

15,7

500-1000m

8.429

12,9

8.898

9,9

<500m

2.736

4,2

3.697

4,1

>2000m

61.651

94,5

78.089

86,6

1000-2000m

2.378

3,6

10.320

11,4

500-1000m

1.002

1,5

1.587

1,8

<500m

220

0,3

187

0,2

Schapenhouderij

Nertsen

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 31

Tabel S3. Verschillen (OR, 95% BI) per jaar (periode 2014 – 2017) in diverse relevante aandoeningen en medicatie tussen onderzoeksgebied (Gelderland, Overijssel en Utrecht) en controlegebied. 2014

2015

2016

2017

Aandoening Pneumonie

1,41 (1,02–1,95)

1,44 (0,99–2,09)

1,38 (0,98–1,95)

1,40 (1,01–1,93)

Pneumonie bij

1,45 (0,94–2,22)

1,80 (1,03–3,15)

1,78 (1,02–3,10)

1,96 (1,17–3,30)

Pneumonie bij ouderen└

1,47 (1,03–2,10)

1,37 (0,95–1,96)

1,45 (1,03–2,05)

1,36 (0,99–1,86)

Lage luchtweginfecties

1,29 (0,95–1,74)

1,33 (0,91–1,93)

1,32 (0,94–1,88)

1,37 (1,00–1,89)≠

Hoesten, benauwdheid,

1,31 (1,09–1,58)

1,26 (0,97–1,62)

1,26 (0,91–1,73)

1,37 (1,15–1,60)

Astmaa

0,99 (0,82–1,18)

0,96 (0,81–1,15)

0,96 (0,81–1,13)

0,98 (0,81–1,18)

Astma bij kinderenb

1,23 (0,91–1,65)

1,07 (0,81–1,41)

1,02 (0,78–1,33)

1,00 (0,74–1,34)

Chronische bronchitis/

1,25 (0,85–1,83)

1,38 (0,94–2,02)

1,40 (0,96–2,06)

1,52 (1,02–2,28)

COPDc

0,93 (0,77–1,13)

0,98 (0,82–1,18)

1,01 (0,83–1,22)

1,03 (0,84–1,26)

Coronaire hartziektec

0,94 (0,78–1,12)

0,94 (0,80–1,10)

0,92 (0,79–1,09)

0,97 (0,81–1,16)

Vertigosyndroom

1,00 (0,69–1,45)

0,98 (0,69–1,39)

0,96 (0,69–1,34)

0,99 (0,74–1,32)

Vertigo/Duizeligheid

1,06 (0,82–1,38)

1,11 (0,84–1,47)

1,25 (0,94–1,68)

1,32 (1,02–1,70)

Eczeem

0,81 (0,57–1,16)

0,79 (0,57–1,10)

0,81 (0,59–1,12)

0,85 (0,62–1,17)

Eczeem bij kinderen÷

0,94 (0,71–1,23)

0,86 (0,66–1,12)

0,85 (0,66–1,08)

0,89 (0,70–1,12)

Gastro-enteritis

0,80 (0,63–1,01)

0,79 (0,58–1,07)

0,87 (0,63–1,20)

0,89 (0,68–1,17)

Colitis ulcerosa/

1,07 (0,87–1,31)

1,09 (0,89–1,32)

1,10 (0,90–1,35)

1,09 (0,87–1,36)

Hoge luchtweginfecties

0,95 (0,80–1,13)

0,82 (0,64–1,04)

0,83 (0,60–1,13)

0,84 (0,71–1,00)

Hooikoorts

1,18 (0,92–1,52)

1,22 (0,97–1,54)

1,14 (0,82–1,57)

1,35 (1,05–1,72)

Antibioticad

0,99 (0,82–1,20)

0,91 (0,73–1,12)

0,93 (0,75–1,16)

1,02 (0,85–1,22)

Alle anti-

0,88 (0,73–1,05)

0,85 (0,68–1,07)

0,83 (0,65–1,05)

0,95 (0,77–1,17)

kinderen÷

piepende ademhaling

bronchiëctasieënc

Chronische enteritis

Medicatie

infectiemiddelen Associaties zijn gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, registratieduur Significante (p<0,05) verschillen zijn dikgedrukt, ≠ p=0,05 ÷

0-14 jaar

└

≥65 jaar

a

Patiënten met leeftijd ≥6 jaar.

b

Patiënten met leeftijd 6-14 jaar

c

Patiënten met leeftijd ≥40 jaar

d

Amoxicilline, doxycycline, erytromycine, azitromycine

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 32

Tabel S4. Verschillen (OR, 95% BI) per jaar (periode 2014 – 2017) in diverse relevante aandoeningen en medicatie tussen onderzoeksgebieden in Gelderland (2014, n=23.873; 2015, n=33.919; 2016, n=35.228; 2017, n=36.358) en (alle) controlegebieden. 2014

2015

2016

2017

Pneumonie

1,41 (0,88–2,24)

1,52 (0,94–2,44)

1,47 (0,95–2,27)

1,42 (0,92–2,19)

Pneumonie bij kinderen÷

1,39 (0,78–2,48)

1,88 (0,91–3,88)

1,84 (0,97–3,49)

1,85 (1,00–3,40)

Pneumonie bij ouderen└

1,46 (0,87–2,48)

1,42 (0,90–2,23)

1,48 (0,98–2,25)

1,46 (0,96–2,22)

Lage luchtweginfecties

1,24 (0,82–1,90)

1,32 (0,82–2,12)

1,34 (0,89–2,03)

1,34 (0,88–2,02)

Hoesten, benauwdheid,

1,30 (1,03–1,63)

1,37 (1,09–1,72)

1,39 (1,07–1,82)

1,40 (1,14–1,70)

Astmaa

0,96 (0,75–1,24)

0,93 (0,74–1,18)

0,92 (0,74–1,14)

0,93 (0,73–1,19)

Astma bij kinderenb

1,06 (0,70–1,60)

0,95 (0,66–1,36)

0,90 (0,63–1,29)

0,93 (0,64–1,35)

Chronische bronchitis/

1,31 (0,83–2,08)

1,42 (0,90–2,26)

1,49 (0,96–2,31)

1,54 (0,99–2,40)

COPDc

0,90 (0,71–1,15)

0,95 (0,76–1,20)

1,01 (0,80–1,28)

1,07 (0,85–1,34)

Coronaire hartziektec

0,94 (0,74–1,21)

0,97 (0,78–1,20)

0,95 (0,77–1,18)

1,00 (0,80–1,26)

Vertigosyndroom

1,01 (0,63–1,63)

1,04 (0,68–1,60)

1,03 (0,68–1,56)

0,98 (0,67–1,43)

Vertigo/Duizeligheid

1,13 (0,82–1,54)

1,21 (0,88–1,65)

1,37 (1,02–1,85)

1,48 (1,08–2,02)

Eczeem

0,65 (0,41–1,04)

0,65 (0,43–0,98)

0,67 (0,45–1,00)

0,72 (0,50–1,06)

Eczeem bij kinderen÷

0,80 (0,55–1,17)

0,71 (0,50–1,00)

0,72 (0,43–0,99)

0,78 (0,58–1,04)

Gastro-enteritis

0,87 (0,62–1,22)

0,86 (0,59–1,25)

0,93 (0,62–1,39)

0,89 (0,62–1,29)

Colitis ulcerosa/Chronische

0,95 (0,72–1,25)

0,96 (0,75–1,24)

0,97 (0,74–1,26)

0,97 (0,73–1,27)

Hoge luchtweginfecties

0,95 (0,77–1,22)

0,88 (0,71–1,10)

0,89 (0,69–1,16)

0,82 (0,66–1,02)

Hooikoorts

1,16 (0,81–1,65)

1,21 (0,88–1,66)

1,20 (0,86–1,66)

1,22 (0,88–1,68)

Acute bronchitis

0,79 (0,44–1,42)

0,63 (0,34–1,17)

0,62 (0,33–1,17)

0,61 (0,32–1,15)

Antibioticad

0,94 (0,72–1,22)

0,82 (0,62–1,09)

093 (0,73–1,18)

0,93 (0,74–1,16)

Alle anti-infectie middelen

0,81 (0,62–1,05)

0,76 (0,55–1,04)

0,83 (0,63–1,09)

0,85 (0,65–1,11)

Aandoening

piepende ademhaling

bronchiëctasieënc

enteritis

Medicatie

Associaties zijn gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, registratieduur Significante (p<0,05) verschillen zijn dikgedrukt ÷

0-14 jaar

└

≥65 jaar

a

Patiënten met leeftijd ≥6 jaar

b

Patiënten met leeftijd 6-14 jaar

c

Patiënten met leeftijd ≥40 jaar

d

Amoxicilline, doxycycline, erytromycine, azitromycine

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 33

Tabel S5. Verschillen (OR, 95% BI) per jaar (periode 2014 – 2017) in diverse relevante aandoeningen en medicatie tussen onderzoeksgebieden in de Gelderse Vallei (2014, n=15.373; 2015, n=22.899; 2016, n=24.282; 2017, n=25.368) en (alle) controlegebieden. 2014

2015

2016

2017

Pneumonie

1,26 (0,75–2,13)

1,43 (0,83–2,42)

1,34 (0,82–2,20)

1,32 (0,81–2,14)

Pneumonie bij kinderen÷

1,25 (0,64–2,44)

1,74 (0,73–4,13)

1,46 (0,71–2,98)

1,61 (0,81–3,20)

Pneumonie bij ouderen

1,35 (0,84–2,18)

Aandoening

1,37 (0,74–2,53)

1,31 (0,79–2,18)

1,31 (0,80–2,14)

Lage luchtweginfecties

1,14 (0,71–1,84)

1,25 (0,73–2,14)

1,22 (0,76–1,97)

1,25 (0,79–1,99)

Hoesten, benauwdheid,

1,25 (0,96–1,61)

1,25 (0,95–1,63)

1,28 (0,94–1,75)

1,25 (1,00–1,56)

Astmaa

0,90 (0,68–1,17)

0,95 (0,74–1,22)

0,92 (0,73–1,16)

0,92 (0,70–1,20)

Astma bij kinderenb

0,87 (0,55–1,36)

0,90 (0,61–1,32)

0,83 (0,56–1,23)

0,87 (0,57–1,32)

Chronische bronchitis/

1,10 (0,65–1,86)

1,20 (0,69–2,08)

1,25 (0,75–2,10)

1,26 (0,75–2,12)

COPDc

0,84 (0,64–1,10)

0,88 (0,67–1,15)

0,92 (0,71–1,20)

0,92 (0,74–1,16)

Coronaire hartziektec

0,82 (0,63–1,07)

0,89 (0,70–1,13)

0,86 (0,68–1,10)

0,91 (0,69–1,18)

Vertigosyndroom

0,82 (0,48–1,40)

0,92 (0,57–1,49)

0,92 (0,57–1,49)

0,82 (0,53–1,28)

Vertigo/Duizeligheid

1,14 (0,80–1,63)

1,15 (0,79–1,69)

1,40 (0,98–2,01)

1,52 (1,05–2,20)

Eczeem

0,62 (0,36–1,04)

0,66 (0,41–1,09)

0,67 (0,42–1,07)

0,74 (0,47–1,17)

Eczeem bij kinderen÷

0,70 (0,46–1,06)

0,69 (0,47–1,01)

0,68 (0,48–0,97)

0,78 (0,57–1,07)

Gastro-enteritis

0,72 (0,51–1,02)

0,74 (0,50–1,10)

0,80 (0,52–1,24)

0,82 (0,55–1,22)

Colitis ulcerosa/Chronische

0,84 (0,62–1,16)

0,86 (0,63–1,16)

0,84 (0,61–1,15)

0,85 (0,61–1,18)

Hoge luchtweginfecties

0,89 (0,70–1,12)

0,83 (0,66–1,05)

0,85 (0,64–1,13)

0,80 (0,64–1,00)

Hooikoorts

1,07 (0,72–1,59)

1,13 (0,78–1,64)

1,09 (0,74–1,61)

1,14 (0,78–1,66)

Acute bronchitis

0,63 (0,33–1,17)

0,52 (0,27–1,02)

0,51 (0,25–1,01)

0,49 (0,25–0,96)

Antibioticad

0,79 (0,62–1,02)

0,68 (0,51–0,92)

0,82 (0,63–1,07)

0,82 (0,64–1,06)

Alle anti-infectie middelen

0,73 (0,55–0,97)

0,68 (0,47–0,97)

0,79 (0,57–1,08)

0,82 (0,60–1,14)

└

piepende ademhaling

bronchiëctasieënc

enteritis

Medicatie

Associaties zijn gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, registratieduur Significante (p<0,05) verschillen zijn dikgedrukt ÷

0-14 jaar

└

≥65 jaar

a

Patiënten met leeftijd ≥6 jaar

b

Patiënten met leeftijd 6-14 jaar

c

Patiënten met leeftijd ≥40 jaar

d

Amoxicilline, doxycycline, erytromycine, azitromycine

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 34

Tabel S6. Verschillen (OR, 95% BI) per jaar (periode 2014 – 2017) in diverse relevante aandoeningen en medicatie tussen onderzoeksgebieden in Overijssel (2014, n=29.356; 2015, n=29.647; 2016, n=30.958; 2017, n=32.564) en (alle) controlegebieden. 2014

2015

2016

2017

Pneumonie

1,43 (0,91–2,25)

1,28 (0,76–2,15)

1,29 (0,78–2,12)

1,34 (0,86–2,08)

Pneumonie bij kinderen÷

1,57 (0,86–2,84)

1,71 (0,73–4,01)

1,80 (0,82–3,96)

2,18 (1,06–4,51)

Pneumonie bij ouderen└

1,50 (0,92–2,45)

1,25 (0,77–2,03)

1,39 (0,85–2,29)

1,22 (0,81–1,84)

Lage luchtweginfecties

1,36 (0,89–2,07)

1,27 (0,75–2,15)

1,30 (0,78–2,16)

1,41 (0,91–2,19)

Hoesten, benauwdheid,

1,21 (0,94–1,55)

1,02 (0,71–1,47)

0,99 (0,62–1,59)

1,26 (1,02–1,55)

Astmaa

1,05 (0,84–1,31)

1,03 (0,83–1,28)

1,03 (0,83–1,27)

1,04 (0,82–1,33)

Astma bij kinderenb

1,51 (1,08–2,12)

1,30 (0,94–1,81)

1,23 (0,89–1,71)

1,20 (0,82–1,74)

Chronische bronchitis/

1,15 (0,71–1,88)

1,27 (0,77–2,10)

1,28 (0,79–2,07)

1,47 (0,90–2,40)

COPDc

0,95 (0,73–1,23)

1,00 (0,78–1,29)

1,00 (0,77–1,29)

1,01 (0,78–1,30)

Coronaire hartziektec

0,86 (0,70–1,06)

0,85 (0,70–1,04)

0,83 (0,68–1,01)

0,87 (0,69–1,10)

Vertigosyndroom

0,87 (0,55–1,39)

0,82 (0,52–1,29)

0,84 (0,54–1,28)

0,94 (0,67–1,30)

Vertigo/Duizeligheid

0,92 (0,65–1,30)

0,95 (0,65–1,38)

0,98 (0,63–1,52)

1,08 (0,77–1,52)

Eczeem

0,91 (0,58–1,43)

0,88 (0,57–1,35)

0,90 (0,59–1,38)

0,93 (0,61–1,42)

Eczeem bij kinderen÷

1,09 (0,77–1,53)

1,02 (0,74–1,42)

0,97 (0,71–1,33)

1,05 (0,77–1,43)

Gastro-enteritis

0,73 (0,55–0,96)

0,70 (0,47–1,04)

0,76 (0,48–1,20)

0,88 (0,62–1,26)

Colitis ulcerosa/Chronische

1,06 (0,84–1,35)

1,11 (0,87–1,41)

1,13 (0,88–1,45)

1,10 (0,84–1,45)

Hoge luchtweginfecties

0,89 (0,71–1,10)

0,71 (0,52–0,98)

0,69 (0,43–1,10)

0,84 (0,68–1,04)

Hooikoorts

1,24 (0,89–1,73)

1,28 (0,94–1,74)

1,04 (0,64–1,67)

1,56 (1,13–2,15)

Acute bronchitis

0,77 (0,45–1,32)

0,73 (0,39–1,35)

0,62 (0,29–1,30)

0,76 (0,40–1,41)

Antibioticad

0,99 (0,80–1,22)

0,95 (0,74–1,23)

0,87 (0,65–1,17)

1,09 (0,87–1,38)

Alle anti-infectie middelen

0,92 (0,72–1,17)

0,94 (0,69–1,28)

0,79 (0,56–1,12)

1,09 (0,81–1,45)

Aandoening

piepende ademhaling

bronchiëctasieënc

enteritis

Medicatie

Associaties zijn gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, registratieduur Significante (p<0,05) verschillen zijn dikgedrukt ÷

0-14 jaar

└

≥65 jaar

a

Patiënten met leeftijd ≥6 jaar

b

Patiënten met leeftijd 6-14 jaar

c

Patiënten met leeftijd ≥40 jaar

d

Amoxicilline, doxycycline, erytromycine, azitromycine

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 35

Tabel S7. Verschillen (OR, 95% BI) per jaar (periode 2014 – 2017) in diverse relevante aandoeningen en medicatie tussen onderzoeksgebieden in Salland (2014, n=18.644; 2015, n=18.909; 2016, n=19.963; 2017, n=20.416) en (alle) controlegebieden. 2014

2015

2016

2017

Pneumonie

1,77 (1,00–3,15)

1,81 (1,00–3,28)

1,72 (0,97–3,05)

1,41 (0,79–2,52)

Pneumonie bij kinderen÷

2,04 (1,01–4,10)

2,05 (0,75–5,60)

2,01 (0,80–5,07)

2,63 (1,10–6,28)

Pneumonie bij ouderen└

1,90 (1,03–3,54)

1,76 (1,07–2,91)

1,92 (1,16–3,19)

1,28 (0,75–2,19)

Lage luchtweginfecties

1,72 (1,01–2,91)

1,86 (1,02–3,40)

1,86 (1,06–3,26)

1,60 (0,91–2,82)

Hoesten, benauwdheid,

1,20 (0,90–1,61)

1,25 (0,92–1,70)

1,33 (0,94–1,88)

1,28 (1,02–1,59)

Astmaa

1,00 (0,74–1,32)

0,97 (0,73–1,30)

0,98 (0,74–1,29)

1,01 (0,74–1,38)

Astma bij kinderenb

1,48 (0,95–2,31)

1,30 (0,84–2,01)

1,20 (0,78–1,84)

1,20 (0,74–1,93)

Chronische bronchitis/

1,54 (0,91–2,62)

1,73 (0,99–3,04)

1,81 (1,07–3,05)

2,09 (1,23–3,53)

COPDc

0,99 (0,71–1,37)

1,05 (0,77–1,43)

1,05 (0,76–1,44)

1,05 (0,77–1,45)

Coronaire hartziektec

0,81 (0,62–1,06)

0,82 (0,63–1,06)

0,81 (0,63–1,05)

0,84 (0,62–1,15)

Vertigosyndroom

1,15 (0,68–1,95)

1,23 (0,75–2,00)

1,21 (0,77–1,89)

1,10 (0,73–1,65)

Vertigo/Duizeligheid

0,75 (0,47–1,20)

0,99 (0,67–1,45)

1,01 (0,65–1,55)

0,89 (0,58–1,37)

Eczeem

1,13 (0,64–2,02)

1,10 (0,63–1,90)

1,15 (0,67–1,96)

1,23 (0,73–2,07)

Eczeem bij kinderen÷

1,22 (0,80–1,87)

1,14 (0,75–1,71)

1,06 (0,71–1,56)

1,22 (0,85–1,75)

Gastro-enteritis

0,70 (0,49–1,00)

0,85 (0,56–1,29)

0,94 (0,57–1,55)

0,78 (0,50–1,20)

Colitis ulcerosa/Chronische

1,09 (0,81–1,46)

1,13 (0,84–1,51)

1,18 (0,87–1,61)

1,18 (0,86–1,64)

Hoge luchtweginfecties

0,87 (0,67–1,14)

0,90 (0,70–1,15)

1,00 (0,72–1,38)

0,86 (0,65–1,12)

Hooikoorts

1,06 (0,69–1,63)

1,29 (0,88–1,90)

1,42 (0,93–2,18)

1,61 (1,06–2,46)

Acute bronchitis

0,72 (0,36–1,42)

0,92 (0,43–1,95)

1,00 (0,46–2,16)

0,75 (0,34–1,63)

Antibioticad

1,01 (0,78–1,30)

1,00 (0,72–1,39)

1,08 (0,80–1,46)

1,10 (0,83–1,47)

Alle anti-infectie middelen

0,89 (0,65–1,21)

0,92 (0,61–1,39)

0,93 (0,64–1,34)

0,98 (0,68–1,41)

Aandoening

piepende ademhaling

bronchiëctasieënc

enteritis

Medicatie

Associaties zijn gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, registratieduur Significante (p<0,05) verschillen zijn dikgedrukt ÷

0-14 jaar

└

≥65 jaar

a

Patiënten met leeftijd ≥6 jaar

b

Patiënten met leeftijd 6-14 jaar

c

Patiënten met leeftijd ≥40 jaar

d

Amoxicilline, doxycycline, erytromycine, azitromycine

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 36

Tabel S8. Verschillen (OR, 95% BI) per jaar (periode 2014 – 2017) in diverse relevante aandoeningen en medicatie tussen studiegebieden in Utrecht (2014, n=5.062; 2015, n=5.132; 2016, n=5.210; 2017, n=5.171) en (alle) controlegebieden. 2014

2015

2016

2017

Pneumonie

1,46 (0,59–3,60)

1,94 (0,76–4,90)

1,43 (0,59–3,46)

1,74 (0,76–3,99)

Pneumonie bij kinderen÷

1,53 (0,48–4,87)

2,85 (0,60–13,7)

1,44 (0,36–5,68)

2,40 (0,68–8,48)

Pneumonie bij ouderen

1,59 (0,78–3,25)

Aandoening

1,48 (0,55–3,95)

1,68 (0,76–3,69)

1,57 (0,72–3,43)

Lage luchtweginfecties

1,24 (0,54–2,83)

1,70 (0,67–4,32)

1,36 (0,59–3,15)

1,56 (0,69–3,51)

Hoesten, benauwdheid,

1,94 (1,25–3,02)

2,01 (1,27–3,18)

1,99 (1,16–3,41)

1,64 (1,16–2,30)

Astmaa

0,82 (0,53–1,26)

0,87 (0,56–1,33)

0,90 (0,60–1,35)

0,91 (0,57–1,44)

Astma bij kinderenb

0,76 (0,37–1,56)

0,71 (0,36–1,42)

0,78 (0,39–1,54)

0,73 (0,36–1,46)

Chronische bronchitis/

1,44 (0,61–3,42)

1,71 (0,72–4,07)

1,54 (0,67–3,52)

1,81 (0,81–4,03)

COPD c

0,96 (0,62–1,50)

1,03 (0,67–1,60)

0,99 (0,64–1,54)

0,97 (0,67–1,41)

Coronaire hartziektec

1,29 (0,87–1,92)

1,24 (0,84–1,83)

1,25 (0,86–1,82)

1,34 (0,85–2,12)

Vertigosyndroom

1,73 (0,79–3,78)

1,58 (0,75–3,31)

1,24 (0,61–2,51)

1,15 (0,65–2,04)

Vertigo/Duizeligheid

1,55 (0,88–2,74)

1,46 (0,83–2,57)

1,95 (1,05–3,64)

1,67 (0,92–3,02)

Eczeem

1,26 (0,49–2,35)

1,30 (0,52–3,23)

1,34 (0,55–3,27)

1,35 (0,56–3,25)

Eczeem bij kinderen÷

0,94 (0,48–1,86)

0,98 (0,51–1,88)

0,97 (0,52–1,81)

0,95 (0,54–1,64)

└

piepende ademhaling

bronchiëctasieënc

Gastro-enteritis

0,86 (0,50–1,47)

0,90 (0,47–1,73)

1,11 (0,50–2,45)

1,06 (0,55–2,06)

Colitis ulcerosa/Chronische

1,61 (1,01–2,57)

1,62 (1,02–2,59)

1,66 (1,01–2,72)

1,61 (0,96–2,68)

Hoge luchtweginfecties

1,20 (0,82–1,75)

1,03 (0,70–1,52)

1,18 (0,71–1,95)

1,03 (0,71–1,51)

Hooikoorts

1,03 (0,54–1,97)

1,08 (0,59–2,00)

1,22 (0,63–2,37)

1,21 (0,64–2,29)

Acute bronchitis

1,18 (0,44–3,19)

1,02 (0,32–3,22)

0,87 (0,27–2,81)

0,65 (0,21–2,03)

Antibioticad

1,25 (0,84–1,87)

1,19 (0,73–1,93)

1,20 (0,77–1,86)

1,22 (0,81–1,86)

Alle anti-infectie middelen

1,02 (0,63–1,67)

0,98 (0,52–1,86)

0,98 (0,55–1,74)

0,97 (0,55–1,71)

enteritis

Medicatie

Associaties zijn gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, registratieduur Significante (p<0,05) verschillen zijn dikgedrukt ÷

0-14 jaar

└

≥65 jaar

a

Patiënten met leeftijd ≥6 jaar

b

Patiënten met leeftijd 6-14 jaar

c

Patiënten met leeftijd ≥40 jaar

d

Amoxicilline, doxycycline, erytromycine, azitromycine

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 37

Figuur S1. Associatie tussen de woonafstand tot de dichtstbijzijnde geitenhouderij en het hebben van een longontsteking in 2014-2017 weergegeven met een spline voor alle leeftijden in Gelderland, Overijssel en Utrecht (n=65.251; gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht en de aanwezigheid van een varkensbedrijf binnen 500 meter, een schapen- en nertsenbedrijf binnen 1000 meter en een pluimveehouderij binnen een straal van 2000m). De p-waarde van de spline is <0,001, terwijl een lineair model een p-waarde van 0,06 laat zien. De spline plot laat tot ca. 4000m een verhoogde prevalentie zien van 3-4%, waarna deze daalt naar een prevalentie van 1-2%.

Figuur S2. Associatie gestratificeerd voor volwassenen (A) en kinderen (B) tussen de woonafstand tot de dichtstbijzijnde geitenhouderij en het hebben van een longontsteking in 2014-2017 weergegeven met een spline voor alle leeftijden in Gelderland, Overijssel en Utrecht (n=65.251; 50.696 volwassen en 14.555 kinderen, gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht en de aanwezigheid van een varkensbedrijf binnen 500 meter, een schapen- en nertsenbedrijf binnen 1000 meter en een pluimveehouderij binnen een straal van 2000m). De spline is statistisch significant voor volwassenen (p<0,001) maar niet voor kinderen (p=0,23).

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 38

Figuur S3. Associatie tussen de woonafstand tot de dichtstbijzijnde geitenhouderij en het hebben van de controlediagnose herpes zoster (gordelroos) in 2014-2017 weergegeven met een spline voor alle leeftijden in Gelderland, Overijssel en Utrecht (n=65.251; gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht en de aanwezigheid van een varkensbedrijf binnen 500m, een schapen- en nertsenbedrijf binnen 1000m en een pluimveehouderij binnen een straal van 2000m).

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 39

Tabel S9. Associaties tussen de aanwezigheid van 6 typen veehouderijen binnen een straal van 500m, 1000m en 2000m van het woonadres en longontsteking in 2014-2017 (OR (95% BI)) geanalyseerd met een meta-analyse van resultaten uit logistische regressie van individuele huisartspraktijken voor alle leeftijden in Gelderland, Overijssel en Utrecht (n=65.251). 500m

1000m

2000m

1,27 (0,83-1,95)

1,10 (0,89-1,36)

0,95 (0,83-1,08)

veehouderijen2

1,18 (0,76-1,83)

1,15 (0,94-1,41)

0,98 (0,85-1,14)

Gecorrigeerd voor NO23

1,28 (0,83-1,97)

1,10 (0,89-1,36)

0,93 (0,81-1,07)

Gecorrigeerd voor leeftijd*leeftijd

1,26 (0,82-1,95)

1,12 (0,93-1,37)

0,93 (0,81-1,06)

Pluimveehouderij2

0,98 (0,82-1,17)

0,98 (0,88-1,09)

1,06 (0,93-1,21)

Leghennen/ouderdieren2

0,97 (0,81-1,18)

1,01 (0,88-1,16)

0,96 (0,79-1,16)

Vleeskuikens2

1,17 (0,80-1,72)

0,95 (0,77-1,18)

0,96 (0,83-1,11)

Rundveehouderij2

0,92 (0,81-1,04)

0,91 (0,79-1,05)

5

Varkenshouderij2

1,07 (0,92-1,25)

1,03 (0,92-1,15)

0,98 (0,84-1,15)

Schapenhouderij2

0,85 (0,68-1,06)

0,99 (0,87–1,13)

0,96 (0,85-1,07)

Nertsenhouderij2

2,18 (1,13-4,21)

1,39 (1,01-1,93)

1,51 (1,15-1,98)

Geitenhouderij Basismodel1 Gecorrigeerd voor vijf typen

4

1

Gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht en een pluimveehouderij binnen 2000 meter.

2

Gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht, en voor de aanwezigheid van een varkens- en geitenhouderij binnen 500

meter, een schapen- en nertsenhouderij binnen 1000 meter en een pluimveebedrijf binnen 2000 meter. 3

Gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, een pluimveehouderij binnen 2000 meter en NO2.

4

Gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, een pluimveehouderij binnen 2000 meter en leeftijd*leeftijd.

5

Geen schatting mogelijk. Slechts 9 patiënten met pneumonie wonen verder dan 2000m van een

rundveehouderij.

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 40

Tabel S10. Associaties tussen de aanwezigheid van geitenhouderijen en pluimveehouderijen binnen een straal van 500m, 1000m en 2000m van het woonadres en longontsteking in 2014, 2015, 2016 of 2017 (OR (95% BI)) geanalyseerd met een meta-analyse van resultaten uit logistische regressie van individuele huisartspraktijken voor alle leeftijden in Gelderland, Overijssel en Utrecht (n=65.251). 500m

1000m

2000m

2014

1,49 (0,88-2,53)

1,15 (0,90-1,48)

1,01 (0,87-1,18)

2015

1,37 (0,81-2,32)

1,18 (0,94-1,46)

1,03 (0,89-1,19)

2016

1,30 (0,85-2,00)

1,11 (0,89-1,39)

0,98 (0,86-1,13)

2017

1,32 (0,86-2,03)

1,12 (0,90-1,39)

0,97 (0,84-1,11)

2014

1,03 (0,86-1,23)

0,96 (0,85-1,07)

1,05 (0,92-1,21)

2015

0,98 (0,83-1,16)

0,96 (0,86-1,07)

1,05 (0,92-1,20)

2016

0,98 (0,83-1,16)

0,97 (0,87-1,08)

1,05 (0,90-1,22)

2017

0,98 (0,83-1,15)

0,97 (0,87-1,08)

1,03 (0,90-1,18)

Geitenhouderijen

Pluimveehouderijen

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/4692/documents/77468