Bijlage 6 Veehouderij en Gezondheid omwonenden - Onderzoek 2.pdf
Tekst van het document
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies) Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies) Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen
VGO RIVM Rapport 2017-0062
Colofon © RIVM 2017 Delen uit deze publicatie mogen worden overgenomen op voorwaarde van bronvermelding: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de titel van de publicatie en het jaar van uitgave. DOI 10.21945/RIVM-2017-0062 Hoofdauteurs Thomas Hagenaars, Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) Paul Hoeksma, Wageningen Livestock Research (WLR) Ana Maria de Roda Husman (RIVM) Arno Swart (RIVM) Inge Wouters, Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) Onderzoekers André Aarnink (WLR), Christos Baliatsas (NIVEL), Gert Jan Boender (WBVR), Nena Burger (IRAS), Chesley van Buuren (RIVM), José Gonzales (WBVR), Jos Huis In ’t Veld (WLR), Ingmar Janse (RIVM), Dominika Kalkowska (WBVR), Jeroen van Leuken (RIVM), Isabella Oosting (IRAS), Rozemarijn van der Plaats (RIVM), Addo van Pul (RIVM), Myrna de Rooij (IRAS), Marjolijn Schalk (RIVM), Jack Schijven (RIVM), Heike Schmitt (RIVM, IRAS), Lidwien Smit (IRAS), Jack Spithoven (IRAS), Marina Sterk (RIVM), Peter Teunis (RIVM), Clazien de Vos (WBVR), Siegfried de Wind (IRAS) Stuurgroep VGO-onderzoek Kitty Maassen (RIVM) Dick Heederik (IRAS) Joris IJzermans (NIVEL) Thomas Hagenaars (WBVR) Wim van der Hoek (RIVM) Contact Kitty Maassen, programmaleider (RIVM) kitty.maassen@rivm.nl Dit onderzoek werd gefinancierd door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en het ministerie van Economische Zaken.
Aanvullend luchtonderzoek in een gebied met veel nertsenhouderijen werd gefinancierd door de provincie Noord-Brabant en de gemeente Elsendorp. Dit is een uitgave van: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Postbus 1 | 3720 BA Bilthoven Nederland www.rivm.nl 4 |
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
Publiekssamenvatting Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies) Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen Rondom pluimveehouderijen hebben mensen een grotere kans op een longontsteking. Dit verband is tussen 2009 en 2013 elk jaar te zien. Dit is in 2016 in het hoofdrapport Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO) ook al geconcludeerd, maar een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken bevestigt deze conclusies en onderbouwt ze steviger. Het gaat gemiddeld om ongeveer 119 extra patiënten met longontsteking per jaar per 100.000 mensen in het onderzoeksgebied. Dat komt neer op ongeveer 7,2% extra patiënten. Er zijn sterke aanwijzingen dat fijnstof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen echter niet worden uitgesloten. Ook rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. Eerder zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden, die nu nader onderbouwd zijn over een langere periode. De onderzoekers zien deze toename over alle jaren van 2007 tot en met 2013, dus ook na de Q koortsepidemie, die van 2007 tot en met 2010 plaatsvond.
Het aantal extra gevallen van long ontsteking in het onderzoeksgebied dat kan worden toegeschreven aan de aanwezigheid van geitenbedrijven is gemiddeld over de jaren 2009-2013 ongeveer 89 patiënten per 100.000 mensen per jaar. Dat komt neer op ongeveer 5,4% extra patiënten. De Q koorts epidemie heeft waarschijnlijk tijdens de vroege jaren bijgedragen aan het verhoogde aantal longontstekingen. Het is echter geen verklaring van het verhoogde risico vanaf 2011. Wat deze toename wel veroorzaakt, is nog onduidelijk.
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
Deze uitkomsten blijken uit vervolgonderzoek van VGO. Het onderzoek bevestigt ook de eerdere conclusie dat mensen met COPD, die in de buurt van veehouderijen wonen, vaker en ernstiger klachten hebben dan mensen die op grotere afstand van veehouderijen wonen. Uit luchtmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of het aantal veehouderijen in een gebied (de dichtheid) groter wordt. Endotoxinen zijn kleine onderdelen van micro-organismen die luchtwegirritatie en ontstekingsreacties kunnen veroorzaken. Veehouderijsectoren met de hoogste uitstoot van fijnstof, zoals pluimvee- en varkenshouderij, dragen duidelijk bij aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. Opvallend is dat ook sectoren van de veehouderij die niet bekendstaan om een hoge uitstoot van stoffen toch substantieel lijken bij te dragen aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. Veehouderijen uit deze sectoren zijn in grote aantallen in het VGO-gebied vertegenwoordigd. Kernwoorden: Veehouderij en gezondheid omwonenden, VGO, fijnstof, endotoxine, longontsteking, geitenhouderij, pluimveehouderij, luchtmetingen, bio-aerosolen, verspreiding micro-organismen
| 5
6 |
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
Synopsis Livestock Farming and the Health of Local Residents (supplementary studies) Analysis of health effects, risk factors and emissions of bioaerosols People who live near poultry farms have a greater chance of pneumonia. This link has been evident every year between 2009 and 2013. The same conclusion was already drawn in the main Livestock Farming and the Health of Local Residents [Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden] (VGO) report in 2016, but a more detailed analysis of the data using more powerful statistical techniques has confirmed the findings and given them an even firmer foundation. On average this leads to approximately 119 extra patients with pneumonia each year per 100,000 people in the research area, which accounts for approximately 7.2% extra cases. There are strong indications that particulate matter and its components are making people more susceptible to respiratory infections. Specific pathogens from animals cannot, however, be ruled out. People who live near goat farms also have a greater chance of pneumonia. Although indications to support this have already been found, they have now been substantiated over a longer period of time. The researchers have observed this increase every year from 2007 up to and including 2013, so even after the Q fever epidemic which occurred from 2007 up to and including 2010.
The number of additional cases of pneumonia in the research area attributable to the presence of goat farms is approximately 5.4% over the years 2009-2013. Although the Q fever epidemic probably helped to increase the number of people with pneumonia during the first few years, it does not explain the increased risk since 2011. The cause of this increase is still unclear.
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
These outcomes were revealed during the follow-up research based on the main report from 2016. The research also confirms the earlier conclusion that people with COPD who live in the vicinity of livestock farms experience problems more frequently and the problems themselves are more serious than people who live at a greater distance from livestock farms. Measurements taken of the local air reveal that the concentration of endotoxins in the air increases as the distance to a livestock farm decreases, or as the number of livestock farms in an area (the density) increases. Endotoxins are small components of microorganisms that can cause irritation to, and inflammation of, the airways. Animal husbandry sectors which are known for their high level of substance emissions, such as poultry and pig farms, clearly contribute to the concentration of endotoxins in the living environment. It is striking that animal husbandry sectors which are not known for their high level of substance emissions nevertheless appear to contribute to the concentration of endotoxins in the living environment. Large numbers of livestock farms from these sectors are represented in the VGO area. Keywords: animal husbandry and the health of local residents, VGO, particulate matter, endotoxins, pneumonia, goat farms, poultry farms, air measurements, bioaerosols, spread of microorganisms
| 7
8 |
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
Inhoudsopgave
1
Samenvatting 1.1 Wat aan het huidige onderzoek voorafging 1.2 Opzet van het VGO-onderzoek 1.3 Doel van de aanvullende studie 1.4 De belangrijkste resultaten in relatie tot gezondheidseffecten 1.4.1 Relatie longontstekingen en pluimveebedrijven 1.4.2 Relatie longontstekingen en geitenbedrijven 1.4.3 COPD en verergering klachten 1.5 De belangrijkste resultaten in relatie tot luchtmetingen en modellering 1.5.1 Concentraties bio-aerosolen in de leefomgeving 1.5.2 Emissie en verspreiding van bio-aerosolen uit veehouderijen 1.6 Aanbevelingen 1.6.1 Gezondheidseffecten 1.6.2 Uitstoot van bio-aerosolen en blootstelling
13 13 14 14 14 14 14 15 15 15 16 16 16 16
DEEL A Verdiepende analyses van een aantal gevonden gezondheidseffecten en blootstellingsmetingen
19
2
Verband tussen gezondheidseffecten en woonafstand tot veehouderijen 2.1 Voorgeschiedenis 2.2 Statistische analyses van huisartsengegevens 2.2.1 Aanpak 2.2.2 Resultaten 2.3 Aanvullende statistische analyses van vragenlijsten: verergeringen bij COPD-patiënten 2.3.1 Aanpak 2.3.2 Resultaten 2.4 Conclusies en discussie 2.4.1 Longontsteking 2.4.2 Verergeringen bij COPD 2.5 Aanbevelingen
21 21 21 21 22 23 23 23 23 24 25 25
3
Blootstelling van omwonenden aan fijnstof en bio-aerosolen uit veehouderijen 3.1 Inleiding 3.2 Luchtmetingen bij omwonenden 3.2.1 Aanpak 3.2.1.1 Selectie van de meetlocaties 3.2.1.2 Meetstrategie 3.2.1.3 Onderzochte agentia 3.2.2 Resultaten 3.2.2.1 Overzicht detectie en kwantificatie van bio-aerosolen 3.2.2.2 Ruimtelijke variatie in jaargemiddelde endotoxine en fijnstofconcentraties 3.2.3 Discussie en conclusie
27 27 28 28 28 28 28 28 28 29 29
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
| 9
3.3
3.4
4
Land Use Regressie (LUR)-modellering 3.3.1 Inleiding 3.3.2 Aanpak 3.3.2.1 Veehouderijkenmerken 3.3.2.2 Ontwikkeling LUR-modellen 3.3.3 Resultaten 3.3.3.1 Endotoxinen 3.3.3.2 Fijnstof 3.3.3.3 Robuustheid 3.3.4 Conclusies en discussie Aanvullend onderzoek luchtkwaliteit in een gebied met veel nertsenhouderijen 3.4.1 Inleiding 3.4.2 Aanpak 3.4.2.1 Studieopzet 3.4.2.2 Methoden 3.4.2.3 Allergische reactie tegen nertsen bij omwonenden 3.4.2.4 Relatie met bronnen 3.4.3 Resultaten 3.4.3.1 Vóórkomen van IgE tegen nertsen 3.4.3.2 Ontwikkeling van testmethode om nertsallergeen in luchtmonster te bepalen 3.4.3.3 Relaties met bronnen 3.4.4 Conclusies en discussie
Bio-aerosolmetingen in de lucht in en rondom veehouderijen 4.1 Aanpak 4.1.1 Selectie van bedrijven 4.1.2 Afstanden 4.1.3 Meetstrategie 4.1.4 Onderzochte bio-aerosolen 4.2 Resultaten 4.2.1 Indicator-micro-organismen 4.2.2 Ziekteverwekkers 4.2.3 Stof en endotoxine 4.3 Conclusies en discussie 4.3.1 Indicatorbacteriën 4.3.2 Ziekteverwekkers in de stal 4.3.3 Ziekteverwekkers in de buitenlucht 4.3.4 Fijnstof en endotoxinen in de buitenlucht
10 |
30 30 30 30 30 31 31 32 32 32 33 33 33 33 34 34 34 34 34 34 34 35 37 37 37 37 38 38 38 38 40 42 42 42 42 42 42
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
DEEL B 45 Ontwikkeling van een model om de verspreiding van micro-organismen vanuit veehouderijen te kunnen voorspellen 5
Modellering van de uitstoot van micro-organismen uit veehouderijen: meetgegevens en kennislacunes 5.1 Inleiding 5.2 Conclusies 5.3 Belangrijkste kennislacunes
6
Blootstelling direct rondom veehouderijen 49 6.1 Inleiding 49 6.2 Inactivatie van micro-organismen in de buitenlucht 49 6.2.1 Aanpak 49 6.2.2 Resultaten 49 6.3 Verdeling van bio-aerosolen over stofgrootteklassen 50 6.3.1 Aanpak 50 6.3.2 Resultaten 50 6.4 Verspreiding door de buitenlucht 52 6.4.1 Simulatie 52 6.4.2 Validatie van het luchtverspreidingsmodel 52 6.5 Regionale blootstelling 56 6.6 Risico’s voor de volksgezondheid 60 6.6.1 Inleiding 60 6.6.2 Scenarioanalyse voor Campylobacter60
7
Lijst van begrippen, afkortingen en bijlagen 7.1 Begrippen 7.2 Afkortingen 7.3 Bijlagen
61 61 62 62
8
Referenties
63
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
47 47 47 48
| 11
12 |
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
1 Samenvatting VEEHOUDERIJ EN BLOOTSTELLING
25 M 50 M
100 M
200 M
Figuur 1. Schematische weergave van onderzoeksopzet naar blootstelling van stoffen afkomstig uit veehouderijen.
1.1
Wat aan het huidige onderzoek voorafging
Nederland is een land waar mens en (landbouwhuis)dier dicht op elkaar leven. De laatste decennia is er een breed besef ontstaan dat dit tot gezondheidsrisico’s kan leiden. Omdat hier slechts beperkt onderzoek naar is gedaan, zijn er in Nederland twee grote onderzoeken in elkaars verlengde uitgevoerd naar de mogelijke gezondheidseffecten bij omwonenden van veehouderijen. Het eerste onderzoek ‘Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG)’ is afgerond in juli 2011 (Heederik & IJzermans, 2011). De aanbevelingen uit het IVG-rapport vormden de basis voor het ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO)’-onderzoek dat in juli 2016 is gepubliceerd (Maassen et al., 2016) (verder aangeduid als het ‘hoofdrapport’1). Het huidige rapport bevat 1 http://www.rivm.nl/Documenten_en_publicaties/Wetenschappelijk/Rapporten/2016/juli/ Veehouderij_en_gezondheid_omwonenden
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
aanvullende studies op het hoofdrapport. Waar nodig wordt naar bevindingen uit het hoofdrapport verwezen, maar niet alle resultaten worden opnieuw besproken, zoals het verband tussen longfunctiedaling en ammoniakconcentraties en effecten van onderzochte zoönoseverwekkers2. De opzet van het VGO-onderzoek is hieronder weer gegeven, gevolgd door de belangrijkste resultaten uit de aanvullende studies in relatie tot de bevindingen in het hoofdrapport. Het rapport is opgedeeld in een deel A over verdiepende analyses van een aantal gevonden gezondheidseffecten en blootstellingsmetingen en een deel B over de ontwikkeling van een model om de verspreiding van micro-organismen vanuit veehouderijen te kunnen voorspellen. 2 Een zoönoseverwekker is een bacterie, virus of parasiet afkomstig van dieren, die een ziekte kan veroorzaken bij de mens.
| 13
1.2
Opzet van het VGO-onderzoek
Mogelijke verbanden tussen veehouderijen en gezondheidseffecten bij omwonenden zijn op verschillende manieren onderzocht. Het onderzoeksgebied bestaat uit de landelijke gemeenten in het oostelijk deel van de provincie Noord-Brabant en het noordelijke deel van de provincie Limburg. Voor het onderzoek werden geanonimiseerde gegevens van huisartsen van ongeveer 110.000 patiënten voor de hele regio bekeken. Er hebben ongeveer 15.000 mensen een vragenlijst ingevuld en ongeveer 2.500 mensen hebben meegedaan aan een medisch onderzoek (monstername van bloed en ontlasting, en een longfunctietest). Daarnaast is de luchtkwaliteit in het onderzoeksgebied onderzocht. Op meerdere momenten in het jaar werden fijnstof en bio-aerosolen gemeten. Bio-aerosolen zijn deeltjes in de lucht die levende organismen bevatten of van levende organismen afkomstig zijn, bijvoorbeeld levende of dode micro-organismen inclusief virussen, of materiaal van planten of dieren. Fijnstof bestaat naast anorganische en organische stofdeeltjes ook uit bio-aerosolen. Ook werd rondom pluimvee- en varkenshouderijen de uitstoot en verspreiding van fijnstof en bio-aerosolen gemeten en de levensvatbaarheid van microorganismen bepaald.
1.3
Doel van de aanvullende studie
De doelen van deze vervolgstudie zijn: • Aanvullende analyses op de in het hoofdrapport beschreven gezondheidseffecten, waaronder het verhoogde risico op longontsteking rondom pluimvee- en geitenhouderijen; • Een verdiepende analyse van de concentraties fijnstof en bio-aerosolen in de leefomgeving, en in en rondom veehouderijen; • Ontwikkeling van een model voor het in beeld brengen van de verspreiding van micro-organismen vanuit pluimvee- en varkenshouderijen naar omwonenden voor risicobeoordelingen.
1.4 De belangrijkste resultaten in relatie tot gezondheidseffecten 1.4.1 Relatie longontstekingen en pluimveebedrijven In de IVG-studie bleek uit gegevens van 2006 tot 2009 uit de deelnemende huisartsenpraktijken dat in het onderzoeksgebied meer longontstekingen voorkomen dan in landelijke gebieden in de rest van het land en werd tevens een opmerkelijk verband gevonden tussen het wonen in de nabijheid van pluimveebedrijven en longontsteking. Uit het VGO-onderzoek (zie hoofdrapport) blijkt het verhoogd voorkomen van longontsteking in het onderzoeksgebied over alle onderzochte jaren 14 |
(2007-2013) te bestaan. Daarnaast is in het VGO-onderzoek, gebruikmakend van een krachtige statistische methode (kernel-analyse), een verband gevonden tussen de aanwezigheid van pluimveehouderijen binnen één kilometer afstand van de woning en een licht verhoogde kans op longontsteking (zie hoofdrapport). Hiervoor werden huisartsengegevens van meer dan 100.000 personen gebruikt. In de huidige studie zijn uitgebreidere kernel-analyses uitgevoerd, waarbij met meer factoren rekening is gehouden en waarbij meerdere jaren zijn geanalyseerd. Er wordt over meerdere jaren een verhoogd risico op longontsteking tot op een woonafstand van ongeveer één kilometer van pluimveehouderijen gevonden. Deze analyses bevestigen de conclusies uit eerdere studies. Daar het verband nu ook over meerdere jaren wordt gezien, neemt de zekerheid over deze bevinding toe. Aan de hand van deze nieuwe, uitgebreidere analyses over meerdere jaren is het extra aantal gevallen van long ontsteking dat kan worden toegeschreven aan het wonen in de nabijheid van pluimveebedrijven naar beneden bijgesteld ten opzichte van het aantal gevallen genoemd in het hoofdrapport en wordt nu geschat op ongeveer 7,2% van het totaal aantal gevallen van longontstekingen onder de onderzoekspopulatie. Dit komt neer op ongeveer 119 extra gevallen van longontsteking per 100.000 bewoners van het onderzoeksgebied.
Een plausibele verklaring van het verband tussen het verhoogd voorkomen van longontsteking en pluimveebedrijven in de woonomgeving is een verhoogde blootstelling aan fijnstof en endotoxinen. Daardoor kan de samenstelling van de (populatie van) bacteriën in de longen veranderen, waardoor de gevoeligheid voor longontsteking vergroot wordt (Smit et al., 2017). Zoönoseverwekkers kunnen echter niet uitgesloten worden als oorzaak van het vaker optreden van long ontsteking bij omwonenden van pluimveebedrijven. 1.4.2 Relatie longontstekingen en geitenbedrijven In het IVG-onderzoek werd een verband gevonden tussen longontsteking en de aanwezigheid van geitenbedrijven in gegevens van de huisartsen. Aangezien het IVG-onderzoek plaatsvond ten tijde van de Q-koorts epidemie werd de verhoging van het aantal longontstekingen logischerwijs volledig toegeschreven aan infecties met Coxiella burnetii. In het VGO-onderzoek werd dit verband niet gevonden in de huisartsengegevens in de jaren 2011-2013, na de Q-koortsepidemie (van Dijk et al., 2017). In de huidige studie is met andere, geavanceerdere statistische analyses (kernel-analyses) op basis van huisartsgegevens het verband tussen het optreden van longontsteking en de nabijheid van geitenhouderijen wel gevonden. Het verband bestaat over meerdere jaren, ook in de jaren na de Q-koorts Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
epidemie. Het aantal extra gevallen van longontsteking in het onderzoeksgebied dat kan worden toegeschreven aan de aanwezigheid van geitenbedrijven is gemiddeld over de jaren 2009-2013 ongeveer 5,4%. Dit betreft ongeveer 89 extra gevallen van longontsteking per 100.000 bewoners. In het hoofdrapport is al een verband beschreven tussen de afstand van woning tot het dichtstbijzijnde geitenbedrijf (tot 2km) en een verhoogd risico op longontsteking onder de 2.500 personen die meededen aan het medisch onderzoek in 2014, maar het betrof een beperkt aantal gevallen (Freidl et al., 2017). Er zijn geen aanwijzingen dat het verhoogde risico op longontsteking onder deze deelnemers verband houdt met Q-koorts, omdat deelnemers met longontsteking niet vaker antilichamen tegen de Q-koortsbacterie hadden dan deelnemers zonder longontsteking. Het blijft onduidelijk of de extra longontstekingen rondom geitenbedrijven worden veroorzaakt door specifieke ziekteverwekkers die van dieren afkomstig zijn (zoönoseverwekkers), micro-organismen uit de mest, of dat mensen gevoeliger voor longontsteking worden door de blootstelling aan stoffen die geitenhouderijen uitstoten, zoals fijnstof en endotoxinen. 1.4.3 COPD en verergering klachten In het hoofdrapport werd aangetoond dat dicht bij veehouderijen minder mensen wonen met COPD, een chronische ziekte van de longen.
Daar staat tegenover dat de mensen die wel COPD hebben én in de buurt van veehouderijen wonen, daar vaker en/of ernstigere complicaties van hebben. In de huidige studie zijn aanvullende statische analyses (kernel-analyses) uitgevoerd aan de hand van de vragenlijstgegevens over luchtwegklachten. Deze analyses laten zien dat patiënten met COPD vaker inhaleerbare corticosteroïden3 gebruiken naarmate er meer veehouderijen binnen een afstand van één kilometer van de woning liggen. Tevens blijkt ook uit deze analyses dat de chronische luchtwegaandoening COPD minder vaak voorkomt dicht bij veehouderijen. Beide resultaten bevestigen en versterken eerdere bevindingen.
1.5
De belangrijkste resultaten in relatie tot luchtmetingen en modellering
1.5.1 Concentraties bio-aerosolen in de leefomgeving Op 61 locaties in het VGO-onderzoeksgebied zijn luchtmetingen uitgevoerd om inzicht te krijgen in concentraties fijnstof, endotoxine en DNA van microorganismen en resistentiegenen in de leefomgeving, als maat voor blootstelling van omwonenden. In de huidige studie worden de volledige resultaten van de luchtmetingen bij omwonenden gepresenteerd, waar in het
hoofdrapport een deel van de bepalingen nog niet was uitgevoerd. Deze analyses waren gericht op fijnstof (PM10), endotoxinen, indicator- en ziekteverwekkende micro-organismen4 en allergenen5 in de lucht. Verschillende typen (bio)aerosolen zijn duidelijk meetbaar gebleken: fijnstof, endotoxinen, de indicatorbacterie Staphylococcus spp., de ziekteverwekkende bacterie Campylobacter jejuni, resistentiegenen en allergenen afkomstig van runderen. Verder werd een aantal bacteriën in zeer lage concentraties waarge nomen in een deel van de metingen (de indicator bacterie Escherichia coli en de ziekteverwekkende bacteriën Staphylococcus aureus, Campylobacter coli en Coxiella burnetii). Aangezien alleen levende micro- organismen een infectie kunnen veroorzaken, is het van belang informatie te hebben over de levend-doodverhouding van de aangetoonde bacteriën. Het was echter niet mogelijk dat in dit deel van de studie te onderzoeken. Zoals ook in het hoofdrapport beschreven, is er een relatie gevonden tussen de endotoxineconcentratie en de aanwezigheid van veehouderijen. De waargenomen endotoxineconcentraties hangen voor het overgrote deel samen met gegevens over de veehouderij. De endotoxineconcentratie is hoger op kortere afstand tot een veehouderij.
De endotoxineconcentratie is eveneens hoger op plaatsen met een hogere veehouderijdichtheid (meer bedrijven per oppervlakte) en met grotere aantallen dieren rondom de meetlocaties (meer dieren van een diersoort, hogere concentratie). Naast veehouderijen met hoge uitstoot (zoals pluimvee en varkens), lijken ook veehouderijen met lage uitstoot op basis van deze analyse substantieel bij te dragen aan de waargenomen endotoxineconcentraties op leefniveau. Dit wordt verklaard doordat veel veehouderijen met lage uitstoot aanwezig zijn in het onderzoeksgebied en daarom cumulatief toch substantieel bijdragen. Voor fijnstof waren de gevonden relaties minder eenduidig. Waarschijnlijk komt dit doordat de regionale achtergrondconcentratie van fijnstof in het onderzoeksgebied hoog is, waardoor de bijdrage van de veehouderij niet te onderscheiden is van de bijdrage van de vele andere bronnen, zoals verkeer en (buitenlandse) industrie.
4 Indicator-micro-organismen zijn vaak aanwezig in hoge concentraties en komen meestal in alle typen stallen voor. Ze kunnen daarom dienen als goede maat voor ziekteverwekkende micro-organismen (pathogenen) die vaak in veel lagere concentraties aanwezig zijn.
3 Een ontstekingsremmer.
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
5 Allergenen zijn biologische deeltjes die een allergische reactie kunnen veroorzaken.
| 15
1.5.2 Emissie en verspreiding van bio-aerosolen uit veehouderijen In de huidige studie worden de volledige resultaten van de luchtmetingen in en rondom veehouderijen gepresenteerd, welke deels reeds in het hoofdrapport zijn opgenomen. In de binnenlucht van de onderzochte pluimvee- en varkensstallen zijn de indicatorbacteriën Escherichia coli en Staphylococcus spp. alsmede endotoxinen waargenomen in hoge concentraties. Verder bleken van de onderzochte ziekteverwekkers alleen hepatitis E-virus, Clostridium difficile, Campylobacter jejuni en Campylobacter coli in lage concentraties meetbaar. In de buitenlucht rondom de veehouderijen waren de ziekteverwekkende bacteriën Campylobacter coli en Campylobacter jejuni duidelijk meetbaar, net als endotoxinen en de indicatorbacteriën Escherichia coli en Staphylococcus spp. Een verspreidingsmodel voor micro-organismen is ontwikkeld. Het doel is om te voorspellen hoe deze micro-organismen zich in de buitenlucht verspreiden nadat ze zijn uitgestoten door veehouderijen. Door aanpassing van een bestaand verspreidingsmodel voor fijnstof zijn omgevingsconcentraties van microorganismen berekend. Aan het bestaande model zijn de afsterving van bacteriën in de buitenlucht onder invloed van weersomstandigheden en de manier waarop bacteriën zich verdelen over fijnstof toegevoegd.
De berekende concentraties Escherichia coli en Staphylococcus aureus rondom veehouderijen zijn vergelijkbaar met de daadwerkelijk gemeten concentraties. Met dit model zijn verkennende analyses gedaan om op regionale schaal concentraties micro-organismen te berekenen, zodat dit model in de toekomst gebruikt kan worden om te kijken welke invloed verwacht wordt van eventuele maatregelen. Wanneer pathogenen in lage concentraties in de stallucht voorkomen, zijn die concentraties moeilijk te meten. Daarom is ook een begin gemaakt met de ontwikkeling van een model om concentraties van pathogenen in de uitgaande stallucht te voorspellen op basis van andere metingen, zoals die van concentraties in mest.
1.6 Aanbevelingen 1.6.1 Gezondheidseffecten Om inzicht te krijgen in de oorzaak van het vaker voorkomen van longontsteking rondom pluimvee- en geitenhouderijen wordt geadviseerd om systematische diagnostiek bij patiënten met longontsteking in te zetten. Tevens wordt geadviseerd om gegevens uit de huisartspraktijken over luchtwegaandoeningen in het onderzoeksgebied blijvend te monitoren, zolang de oorzaak van het verhoogde longontstekingsrisico niet 16 |
bekend is. Wenselijk is ook om inzicht te krijgen in de rol van zoönoseverwekkers en/of verschuiving van de samenstelling van de populatie bacteriën (microbioom) in de keel van omwonenden. Dergelijke onderzoeken zouden onder omwonenden van zowel pluimvee- als geitenhouderijen uitgevoerd moeten worden. Dit is van belang, omdat de oorzaken kunnen verschillen tussen pluimveebedrijven en geitenbedrijven. Voorgesteld wordt om aanvullend op beperkte schaal onderzoek te doen in een ander gebied met pluimvee- en geitenhouderijen, waar sprake is van lagere achtergrondconcentraties fijnstof, om inzicht te krijgen of de bevindingen ook logischerwijs te vertalen zijn naar andere landelijke gebieden. De eerdere aanbeveling over de pneumokokkenvaccinatie bij risicogroepen (uit het hoofdrapport) blijft gehandhaafd. In de huidige studie zijn diverse gezondheidseffecten gerelateerd aan blootstelling van omwonenden aan (bio)-aerosolen afkomstig van de veehouderij bevestigd en is de zekerheid over het bestaan van deze verbanden toegenomen. In het hoofdrapport is gesteld dat deze blootstelling kan worden verminderd door reductie van de uitstoot. Aanbevolen was en wordt om het effect van emissie-verminderende maatregelen op de omvang van de te behalen gezondheidswinst nader te onderzoeken, zeker in relatie tot pluimveebedrijven.
Gezien de onzekerheden rondom de oorzaken van het verhoogde risico op longontsteking rondom geitenbedrijven is eerst meer onderzoek nodig in en om geitenhouderijen naar het voorkomen van, de samenstelling van, de uitstoot van en verspreiding van (bio)-aerosolen en fijnstof, alvorens gerichte bedrijfsmaatregelen te kunnen adviseren. 1.6.2 Uitstoot van bio-aerosolen en blootstelling Er is nog veel onbekend over de uitstoot van endotoxinen en ziekteverwekkende micro-organismen uit stallen en de invloed daarop van bedrijfsprocessen en de kenmerken van de stal. Ook is nog weinig bekend over de variatie van de uitstoot over de dag, het seizoen of de productiecyclus. Deze factoren beïnvloeden mogelijk de concentraties in de leefomgeving. Aanbevolen wordt deze aspecten te onderzoeken, zowel in de leefomgeving als in de veehouderijen. De (jaargemiddelde) concentraties endotoxinen, fijnstof en ziekteverwekkers die in dit onderzoek in de leef omgeving zijn gemeten, geven geen informatie over piekconcentraties. Er zijn echter sterke aanwijzingen dat juist piekconcentraties van endotoxinen en fijnstof kunnen leiden tot effecten op de luchtwegen, inclusief acute klachten. Piekconcentraties van ziekteverwekkers geven een grotere kans op een infectie. Aanbevolen wordt over een langere onderzoeksperiode kortdurende concentratiemetingen uit te voeren.
Bijvoorbeeld over een tijdsbestek van vier uur. Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
Verschillende aspecten die van groot belang zijn voor de verspreidingsmodellering zijn nog onvoldoende bekend, zoals informatie over de uitstoot (hoeveelheid, patronen). Ook van verschillende microbiologische processen, zoals afsterving, is nog onvoldoende bekend. Daardoor is nog niet duidelijk of omgevingsconcentraties op regionale schaal voldoende nauwkeurig kunnen worden ingeschat. Wanneer verder inzicht wordt verkregen in deze aspecten, kan het model gebruikt worden voor het beoordelen van de verwachte effectiviteit van emissie-reducerende maatregelen.
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
Aanbevolen wordt om het verspreidingsmodel verder te ontwikkelen, zodat de effecten van interventies en de risico’s bij een toekomstige uitbraak beter beoordeeld kunnen worden. De combinatie van metingen en rekenmodellering in dit onderzoek heeft veel inzicht gegeven in de processen en de belangrijkste kennishiaten die opgevuld moeten worden om risicobeoordelingen in de toekomst mogelijk te maken.
| 17
18 |
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
DEEL A Verdiepende analyses van een aantal gezondheidseffecten en blootstellingsmetingen
VEEHOUDERIJ EN BLOOTSTELLING
25 M 50 M
100 M
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
200 M
| 19
20 |
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
2 Verband tussen gezondheidseffecten en woonafstand tot veehouderijen VEEHOUDERIJ EN BLOOTSTELLING
25 M 50 M
2.1
100 M
200 M
Voorgeschiedenis
In het kader van het eerdere IVG-onderzoek is gevonden dat omwonenden met een woonafstand van 1 km of minder tot de dichtstbijzijnde pluimveehouderij een verhoogd risico op longontsteking (pneumonie) hadden (Heederik en Yzermans, 2011, Smit et al., 2012). Dit verband tussen longontstekingsrisico en woonafstand tot pluimveehouderijen kwam naar voren in statistische analyses van huisartsgegevens voor 2006 tot 2009, en werd voor 2009 nog eens bevestigd door geavanceerde statistische analyse (kernel-analyse, Smit et al., 2017), waarbij de ruimtelijke bijdrage van iedere pluimvee houderij in de woonomgeving aan het risico op long ontsteking werd meegenomen. Vervolgens is in het hoofdrapport vastgesteld dat dit verband niet alleen in 2009 maar in de hele periode 2009-2013 aanwezig was. Deze VGO-bevinding is gerapporteerd in het hoofd rapport (Maassen et al., 2016: paragraaf 3.3.1), en is gebaseerd op kernel-analyses van huisartsgegevens. In het huidige rapport zijn de geavanceerde statistische analyses (kernel-analyses) uitgebreid ten opzichte van die in het hoofdrapport. De analyses zijn verder uitgewerkt en daarnaast is ook voor een aantal andere gezondheidsproblemen onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond met woonafstand tot één of meer van de volgende typen veehouderij: (melk)geiten, nertsen, pluimvee, rundvee, schapen en varkens.
De volgende gezondheidsproblemen werden naast longontsteking geanalyseerd: bovenste luchtweg Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
infecties, inflammatoire darmaandoeningen6 en (als controle) lage rugpijn. Inflammatoire darmaandoeningen zijn onderzocht, omdat in het hoofdrapport een verband is gevonden tussen deze aandoening en de aanwezigheid van nertsenhouderijen (Van Dijk et al., 2017). Met behulp van kernel-analyses is ook onderzoek gedaan naar mogelijke verbanden tussen woonafstand tot veehouderijen en het risico op verergeringen van COPD bij patiënten.
2.2 Statistische analyses van huisartsengegevens 2.2.1 Aanpak Met behulp van een kernel-analyse (Boender et al., 2007, Smit et al., 2017) is onderzocht of er een verband bestaat tussen gezondheidsproblemen en de woon afstand tot verschillende soorten veehouderij. Gegevens van 110.278 patiënten die ingeschreven stonden bij 27 huisartspraktijken in het VGO-onderzoeksgebied zijn hiervoor geanalyseerd (zie ook paragraaf 2.5 van het hoofdrapport). Deze gezondheidsproblemen werden geregistreerd in de elektronische patiëntendossiers (EPD’s) van de deelnemende huisartspraktijken die werden geselecteerd op vooraf bepaalde criteria voor de registratiekwaliteit (Heederik en Yzermans, 2011; Smit et al., 2012; Van Dijk et al., 2017). Onderzocht is of de aanwezigheid van veehouderijen binnen reikwijdtes van 500 meter tot 5 kilometer (in stappen van 500 meter) afstand van de woning van deze patiënten in verband gebracht kon worden met gezondheidsproblemen. Hiervoor is gebruikgemaakt van een multivariate7 analyse, wat inhoudt dat eventuele 6 Colitis ulcerosa en de ziekte van Crohn zijn chronische ontstekingsziekten van het maag-darmkanaal. Gezamenlijk staan deze ziekten bekend als inflammatoire darmaandoeningen.
Inflammatoire darmaandoeningen zijn onderzocht, omdat eerder onderzoek aanwijzingen gaf voor een verband tussen deze aandoening en de aanwezigheid van veehouderijen (hoofdrapport paragraaf 3.6). 7 Voorafgaand aan de multivariate analyse werd een individuele (dat wil zeggen univariate) analyse per veehouderijtype gedaan. De bedrijfstypen met een significant verband zijn vervolgens opgenomen in de multivariate analyse.
| 21
Tabel 2.1 Verbanden tussen het voorkomen van longontsteking en de nabijheid van pluimvee- en geitenhouderijen, gebruikmakend van multivariate kernel-analyses. Jaar
2009
2010
2011
2012
2013
Aantal gevallen per 1.000
17,3
15,4
15,2
16,8
18,0
Veehouderijtype
Geiten
Pluimvee
Geiten
Pluimvee
Geiten
Pluimvee
Geiten
Pluimvee
Geiten
Pluimvee
Reikwijdte in km
2
1
1,5
1
1,5
1
1,5
1,5
2
1
Risicoverhoging (%)
52,1
14,8
13,6
15,9
31,7
14,3
34,0
5,6
12,3
3,7
PAR (%)
10,1
7,9
2,7
9,6
5,0
8,2
5,0
7,3
4,0
3,1
Per jaar is in de tweede rij de incidentie (aantal nieuwe gevallen) van longontsteking (geregistreerd bij de huisarts) aangegeven. Voor 2009 bijvoorbeeld is dit 1.730 per 100.000 patiënten, dat wil zeggen dat bij 1,73% van de huisartspatiënten in de bestudeerde populatie in 2009 door de huisarts longontsteking werd geconstateerd. De reikwijdte geeft de afstand in kilometers van de woning tot een bedrijf van het betreffende type aan binnen welke middels de kernel-analyse werd onderzocht of het risico op longontsteking was verhoogd. Meerdere gekozen reikwijdtes (0,5km, 1,0km, 1,5km, etc) zijn geanalyseerd: de hier aangegeven reikwijdtes zijn de ‘best-fit’ reikwijdtes (voor meer details zie Bijlage 1). De aangegeven risicoverhoging beschrijft de gemiddelde procentuele verhoging van de kans op longontsteking voor een bewoner wanneer er één bedrijf van het betreffende type binnen de gekozen reikwijdte van de woning ligt. Bijvoorbeeld: Voor 2009 is de risicoverhoging voor pluimvee volgens de tabel 14,8% bij een reikwijdte van 1 kilometer. Dit betekent dat er onder bewoners bij wie binnen een straal van 1 kilometer rondom de woning één pluimveehouderij ligt, 14,8% meer gevallen van longontsteking optreden dan onder bewoners zonder pluimveebedrijf binnen 1 kilometer van de woning. Voor elke extra pluimveehouderij binnen 1 kilometer van de woning neemt het berekende risico verder toe.
Het aangegeven PAR beschrijft hoeveel minder longontsteking er in het betreffende jaar zou zijn geweest als er niemand binnen de gekozen reikwijdte van bedrijven van het betreffende type zou hebben gewoond. Bijvoorbeeld: in 2009 is dit 7,9% voor pluimveehouderijen bij een reikwijdte van 1 kilometer; dit komt overeen met ongeveer 137 vermijdbare gevallen onder 1.730 gevallen van longontsteking per 100.000 bewoners in 2009.
effecten van verschillende veehouderijcategorieën voor elkaar gecorrigeerd worden. Om ‘toevallige’ verbanden die in dit type analyses kunnen worden verwacht, uit te sluiten, worden in deze rapportage vooral verbanden besproken die in alle onderzochte jaren (2009-2013) gevonden werden. In de resultaten van de kernel-analyse wordt een gevonden verband uitgedrukt door middel van de gemiddelde risicoverhoging op het betreffende gezondheidsprobleem. Deze risicoverhoging is van toepassing voor bewoners met één veehouderij van het betreffende type binnen de betreffende reikwijdte van de woning, in vergelijking met bewoners met geen enkele veehouderij van dat type binnen die reikwijdte van de woning. Voor elke extra veehouderij binnen de reikwijdte van de woning neemt het risico verder toe. Om ook een beeld te geven van de betekenis van het gevonden verband voor de populatie van alle bewoners samen, is tevens berekend welk percentage gevallen met het gezondheidsprobleem voorkomen zou worden als niemand in de nabijheid van de betreffende categorie bedrijven zou wonen. Deze maat staat bekend als het populatieattributief risico (PAR), en in deze cijfers is rekening gehouden met de cumulatieve effecten voor bewoners met meerdere veehouderijen binnen de reikwijdte. Voor de technische details van de kernel-analyses verwijzen we naar Bijlage 1. 22 |
2.2.2 Resultaten Longontsteking Er is een consistent verband tussen het optreden van longontsteking en de nabijheid van pluimvee- en (melk) geitenhouderijen over alle onderzochte jaren 2009-2013. Bij pluimveehouderijen wordt een consistente risicoverhoging gevonden voor reikwijdtes tot 1,5 kilometer. Voor geitenhouderijen is er een consistente risicoverhoging voor reikwijdtes tot en met twee kilometer. Er zijn geen consistente verbanden gevonden tussen het optreden van longontsteking en de aanwezigheid van nertsen-, rundvee-, schapen- en varkensbedrijven. Tabel 2.1 toont de belangrijkste resultaten van de multivariate analyses. Binnen een straal van 1 km rond een gemiddeld pluimveebedrijf komt tussen 3,7% (2013) en 15,9% (2010) meer longontsteking voor. Voor geiten varieert de risicoverhoging (hier binnen een straal van 1,5 of 2 km) tussen 12,3% en 52,1%. Bij pluimvee varieert het PAR tussen 3,1% (2013) en 9,6% (2010). Gemiddeld is dit ongeveer 7,2%, hetgeen betekent dat van ongeveer 1.6508 jaarlijkse gevallen van longontsteking per 100.000 bewoners in het landelijke VGO-gebied, er gemiddeld
8 Het aantal gevallen van longontsteking varieert per jaar. De hier genoemde 1.650 betreft het gemiddeld aantal gevallen over de jaren 2009-2013.
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
ongeveer 1199 mogelijk vermeden worden als niemand in de nabijheid van pluimveebedrijven zou wonen. Bij geiten varieert het PAR tussen 2,7 en 10,1%. Gemiddeld is dit ongeveer 5,4%, hetgeen betekent dat van ongeveer 1.650 jaarlijkse gevallen van longontsteking per 100.000 bewoners, er gemiddeld ongeveer 89 mogelijk vermeden worden als niemand in de nabijheid van geitenbedrijven zou wonen. In het studiegebied gaat het om circa 150 geitenhouderijen (totaal in NoordBrabant en Limburg) die minimaal 50 dieren houden, terwijl de pluimveehouderijen veel talrijker zijn (circa 1.000 in totaal in Noord-Brabant en Limburg). Dit verklaart waarom het PAR bij pluimvee en geiten vergelijkbaar is, ondanks het feit dat de gevonden risicoverhoging rondom een gemiddelde geitenhouderij duidelijk hoger is dan voor een gemiddelde pluimveehouderij. In een extra analyse is onderscheid gemaakt tussen geitenhouderijen naar Q-koortsstatus, dat wil zeggen het al dan niet besmet geweest zijn tijdens de periode van de Q-koortsepidemie (Bijlage 1). Deze analyse laat zien dat het verband tussen longontsteking en de nabijheid van geitenhouderijen niet afhankelijk is van de Q-koortsstatus.
Op grond van dit resultaat is het onwaarschijnlijk dat het verband tussen longontsteking en de nabijheid van geitenhouderijen in de jaren na de Q-koortsepidemie (vanaf 2010) zou berusten op Q-koortsgeassocieerde longontsteking. Gemiddeld over de jaren vanaf 2010 bedraagt het PAR gerelateerd aan nabijheid van geitenhouderijen 4,2%. Bovenste-luchtweginfecties, inflammatoire darmaandoeningen en lage rugpijn Er werd met behulp van de kernel-analyse geen verband gevonden tussen het optreden van bovenste-luchtweginfecties en de nabijheid tot veehouderijen. Hetzelfde geldt voor inflammatoire darmaandoeningen, waarvoor in een eerdere analyse wel een significant verband met nabijheid tot nertsenhouderijen werd gevonden (zie hoofdrapport paragraaf 3.6 en van Dijk et al., 2017). Voor lage rugpijn (dat als niet aan de veehouderij gerelateerde aandoening ter controle werd gebruikt) werd zoals verwacht geen consistent verband gevonden.
2.3 Aanvullende statistische analyses van vragenlijsten: verergeringen bij COPD-patiënten 2.3.1 Aanpak In het hoofdrapport werd op basis van het vragenlijst onderzoek over luchtwegklachten geconcludeerd dat bij patiënten met COPD die dicht bij veehouderijen wonen bepaalde verergeringen (en specifiek ‘piepen op de borst’) vaker optraden dan bij patiënten met COPD uit andere landelijke gebieden in Nederland (zie hoofdrapport, paragraaf 4.2). Nu is dit verband nogmaals onderzocht met behulp van de kernel-analyse. Er is hierbij geen onderscheid gemaakt tussen diersoorten. De gegevens (zie hoofdrapport, paragraaf 2.7) zijn afkomstig van patiënten van 21 huisartsenpraktijken. In totaal werden 12.117 vragenlijsten gebruikt voor de analyse (Borlée et al., 2015; Borlée et al., 2017). 2.3.2 Resultaten De kernel-analyses van de gegevens uit het vragen lijstonderzoek over luchtwegklachten laten zien dat patiënten met COPD vaker inhaleerbare cortico steroïden10 gebruiken naarmate er meer veehouderijen binnen een afstand van één kilometer van de woning liggen. Per 1.000 patiënten met COPD wonend op meer dan één kilometer afstand van de dichtstbijzijnde veehouderij gebruikten ongeveer 445 patiënten inhaleerbare corticosteroïden. Dit aantal neemt met gemiddeld 3,6 procent toe bij één bedrijf binnen één kilometer van de woning.
De kernel-analyse laat in overeenstemming met eerdere bevindingen (zie hoofdrapport, paragraaf 4.2.1) zien dat COPD op zichzelf minder vaak voorkomt in de nabijheid van een veehouderij.
2.4 Conclusies en discussie In het hoofdrapport werd al met behulp van kernelanalyses onderzoek gedaan naar het verband tussen longontsteking en de aanwezigheid van pluimveehouderijen in de woonomgeving. In het huidige onderzoek is deze analyse uitgebreid met andere gezondheids uitkomsten en soorten dieren. Daarnaast is de kernelanalyse toegepast op de gegevens die – ook als onderdeel van het hoofdrapport – zijn verkregen uit vragenlijsten van patiënten met COPD.
9 Aantallen en percentages wijken af van die genoemd in het hoofdrapport omdat de analyses uitgebreid zijn voor accuratere schattingen en er over meerdere jaren gemiddeld is.
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
10 Een ontstekingsremmer.
| 23
2.4.1 Longontsteking Consistent over meerdere jaren wordt een verhoogd risico gevonden op longontsteking rond pluimvee- en geitenhouderijen. Door deze risicoverhoging, waarvan de oorzaken onbekend zijn, droegen geiten- en pluimveehouderijen gezamenlijk bij aan ongeveer 12,6% van alle gevallen van longontsteking (gemiddeld over de onderzochte jaren 2009 t/m 2013). Het is mogelijk dat emissies als fijnstof en endotoxine hierbij een rol spelen, zeker in het geval van pluimveehouderijen met een relatief hoge emissie, hoewel longontsteking als gevolg van zoönotische agentia niet kan worden uitgesloten. Longontsteking in relatie tot pluimveehouderijen De resultaten van de hier uitgevoerde analyses bevestigen het gevonden verband tussen de aanwezigheid van pluimveehouderijen op afstanden tot ongeveer één kilometer en een verhoogd risico op longontsteking, consistent in alle jaren 2009-2013. Onduidelijk is wat de oorzaak kan zijn van dit verband. Aan de ene kant zijn er sterke aanwijzingen dat fijnstof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor infecties, hetgeen dus ook zou kunnen gelden voor omwonenden die worden blootgesteld aan de emissies van pluimveehouderijen. Aan de andere kant kan een rol voor specifieke ziekteverwekkers afkomstig van het pluimvee op dit moment niet worden uitgesloten.
In een onderzoek naar longontsteking bij ziekenhuispatiënten en controles in Noord-Brabant in 2008 en 2009 (ten tijde van de Q-koortsepidemie) is gekeken naar oorzaken van longontsteking en verbanden met veehouderij (Huijskens et al., 2016). In dit onderzoek werden geen verbanden gevonden tussen specifieke oorzaken van longontsteking en aanwezigheid van pluimveehouderijen. Ook is een aantal micro-organismen in het onderzoek meegenomen die afkomstig zijn van verschillende diersoorten en tot infectieziekten bij de mens kunnen leiden, waaronder Chlamydia psittaci, afkomstig van vogels. Een infectie door deze bacterie kan ook tot longontsteking leiden. Er werden echter geen associaties tussen longontsteking door Chlamydia psittaci en nabijheid van pluimveehouderijen gevonden. Voorlopige resultaten van recent onderzoek lijken hier een verklaring voor te geven, doordat op Nederlandse pluimveehouderijen geen Chlamydia psittaci is aangetoond. Wel werd een andere Chlamydia-soort (Chlamydia gallinacea) op ongeveer 50% van de bedrijven aangetoond. Wat het zoönotische risico van deze bacterie is, is nog onduidelijk. De test die door medisch microbiologische laboratoria wordt gebruikt voor de diagnose psittacose, toont alleen infectie met C. psittaci aan. Het Zuyderland Medisch Centrum heeft inmiddels wel een test ontwikkeld die ook infectie met C. gallinacea kan aantonen.
Al met al kunnen zoönotische infecties 24 |
niet worden uitgesloten als oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond pluimveehouderijen. Aanvullend onderzoek in dezelfde populatie ziekenhuispatiënten als in de studie van Huijskens et al. (2016) laat zien dat patiënten met longontsteking die op korte afstand van pluimveehouderijen wonen een andere samenstelling van de bacteriepopulatie (microbioom) in de keel hebben dan patiënten met longontsteking die op grotere afstand van pluimveehouderijen wonen. Hierbij werd een profiel dat gedomineerd wordt door de bacterie Streptococcus pneumoniae (pneumokok, een bekende oorzaak van longontsteking bij mensen) vaker gevonden in de nabijheid van pluimveehouderijen (Smit et al., 2017). Het is mogelijk dat hoge stofblootstelling tot verschuivingen in het microbioom leidt en dat als gevolg daarvan een verhoogd risico op longontsteking ontstaat; aanwijzingen hiervoor komen uit dierexperimenteel onderzoek (Smit et al., 2017). Replicatie van de gevonden verbanden in een gecontroleerd onderzoek in een grotere populatie patiënten met longontsteking wordt daarom uitdrukkelijk aanbevolen. Longontsteking in relatie tot geitenhouderijen Er wordt een consistent verband gevonden tussen de aanwezigheid van (melk)geitenhouderijen op afstanden van 1,5 tot 2 kilometer en een verhoogd risico op longontsteking, in alle jaren 2009 tot en met 2013.
Het verband tussen risicoverhoging voor longontsteking en de nabijheid van geitenhouderijen na de Q-koorts epidemie is een nieuw resultaat, hoewel een dergelijk verband ook eerder al werd gevonden in de veel kleinere populatie deelnemers aan het VGO-medisch onderzoek (2.500 personen, zie paragraaf 4.4 van het hoofdrapport en Freidl et al., 2017). Er is geen verklaring voor dit verband. In 2009 zijn de risicoverhoging en het attributief risico van het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen hoger dan in latere jaren. Het gevonden verband is echter slechts deels toe te schrijven aan bedrijven die eerder besmet zijn geweest met Coxiella burnetii, want het verband wordt ook gevonden (in vier van de vijf geanalyseerde jaren) voor nabijheid tot geitenhouderijen die in de periode 2006-2013 nooit als besmet bedrijf geregistreerd stonden. Daarnaast is in het VGO-medisch onderzoek waargenomen dat gevallen van longontsteking die voorafgaand aan dat medisch onderzoek optraden (tussen 2012 en 2015) niet vaker positieve Q-koortsserologie vertoonden dan controles. Dit maakt het dan ook onwaarschijnlijk dat er na de Q-koortsepidemie sprake is van Q-koortsgeassocieerde longontsteking.
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
2.4.2 Verergeringen bij COPD Kernel-analyses van de COPD-gegevens bevestigen én versterken de conclusies zoals die zijn gevonden in het hoofdrapport. COPD komt minder vaak voor bij mensen die dichter bij veehouderijen wonen, maar patiënten met COPD hebben vaak meer klachten en gebruiken vaker medicijnen.
2.5 Aanbevelingen Op grond van deze resultaten zijn drie aanbevelingen geformuleerd. 1. Er is beter inzicht nodig in de oorzaken van longontsteking. In de routine medische zorg zou medisch microbiologisch onderzoek kunnen worden uitgevoerd bij patiënten met longontsteking die dicht bij een pluimvee- of geitenhouderij wonen, waarbij ook aandacht is voor zoönoseverwekkers. Dat gaat echter in tegen de huidige professionele richtlijn voor huisartsen die aangeeft dat de diagnose longontsteking over het algemeen op klinische gronden kan worden gesteld. Voortbouwend op de aanwijzingen gevonden door Smit et al. (2017), zou onderzoek moeten worden gedaan naar verschuiving van de samenstelling van de populatie bacteriën (microbioom) in de keel van omwonenden van pluimvee- en geitenhouderijen. Emissiemetingen voor geitenhouderijen duiden op een relatief lage stofemissie onder normale omstandigheden. Meer inzicht in de stofsamenstelling alsook de uitgestoten hoeveelheid stof onder specifieke omstandigheden, zoals opslag en aanwenden van mest op het land, is wenselijk. Voor zowel pluimvee- als geitenhouderijen is meer inzicht in de (biologische) samenstelling van de emissies gewenst. Nadere karakterisering van emissies vanuit pluimvee- en geitenhouderijen wordt daarom aanbevolen. Hierbij dient ook aandacht te zijn voor de aanwezigheid van zoönoseverwekkers met name bij geiten.
Door de lage stofemissie is de blootstelling aan stof en endotoxine minder waarschijnlijk de oorzaak voor het verhoogde risico op longontsteking rondom geitenbedrijven. Om de mogelijke rol van specifieke ziekteverwekkers in het verhoogde risico op longontsteking te bepalen, is het zinvol te onderzoeken welke ziekteverwekkers voorkomen in de stallen/mest van de geiten.
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
2. Voortzetting van de monitoring van gezondheidsproblemen, met name die van de luchtwegen, via huisartspraktijken. Het huidige onderzoek heeft laten zien dat de huisartsengegevens relatief eenvoudig beschikbaar gemaakt kunnen worden en dat statistische analyse van deze gegevens eenvoudig kan worden gerealiseerd. Allereerst kunnen analyses zich richten op gegevens uit de jaren sinds 2013 (die van de jaren 2014 tot en met 2016 zijn in principe beschikbaar te maken), om de gevonden patronen langdurig te kunnen volgen. 3. Herhalen van het onderzoek in een ander deel van Nederland. Zoals ook in het hoofdrapport opgemerkt, kunnen lokale kenmerken van het onderzoeksgebied, bijvoorbeeld luchtvervuiling uit omliggende industriegebieden, van invloed zijn op de bevindingen. Er wordt daarom voor gepleit (zie ook aanbevelingen in het hoofdrapport) om de gevonden verbanden te repliceren in een ander deel van het land, met een andere achtergrondblootstelling aan fijnstof, meer specifiek een minder belast gebied dan het oosten van Noord-Brabant. Herhalen van het onderzoek in een ander gebied heeft niet alleen tot doel om de al gevonden verbanden te bevestigen, maar kan ook tot nieuwe inzichten leiden die kunnen helpen bij het beantwoorden van de nog openstaande vragen.
| 25
26 |
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
3 Blootstelling van omwonenden aan fijnstof en bio-aerosolen uit veehouderijen VEEHOUDERIJ EN BLOOTSTELLING
25 M 50 M
3.1
100 M
200 M
Inleiding
De aanwezigheid van veehouderijen kan leiden tot blootstelling van omwonenden aan fijnstof en bioaerosolen waaronder endotoxinen en ziekteverwekkende micro-organismen. De aanwezigheid van fijnstof en deze bio-aerosolen in stallen van veehouderijen zijn uitgebreid in Nederlands en buitenlands onderzoek beschreven (Dusseldorp et al., 2008). Slechts weinig is bekend over verspreiding vanuit veehouderijen naar de leefomgeving en welke concentraties daar voorkomen. Tijdens het IVG-onderzoek zijn verkennende concentratiemetingen uitgevoerd naar fijnstof, endotoxine in dit stof en DNA11 van een aantal micro-organismen en resistentiegenen die specifiek voor veehouderij zijn (Heederik & Yzermans, 2011). In twee latere studies (gebaseerd op meetgegevens uit 2011) werden ook verbanden gevonden tussen respectievelijk de concentratie endotoxine en het DNA van Coxiella burnetii (de veroorzaker van Q-koorts) in de leefomgeving en de aanwezigheid van veehouderijen (De Rooij et al., 2016, De Rooij et al., 2017). De ruimtelijke variatie was het grootst voor endotoxine en minder voor fijnstof. Voor endotoxine werd een verband met aantallen varkens en overige diersoorten in een straal van 1.000 m gevonden. De waargenomen ruimtelijke variatie van gemeten concentraties Coxiella burnetii DNA hield verband met de 11 DNA is het genetisch materiaal van een organisme en kan afkomstig zijn van zowel
afstand tot geitenhouderijen en de aantallen geiten op deze bedrijven. De variatie in de tijd hield verband met het lammerseizoen; de hoogste concentraties werden aan het begin van het jaar gevonden, gedurende het lammerseizoen. De gevonden verbanden maken aannemelijk dat variatie in de concentratie van veehouderij-gerelateerde bio-aerosolen te verklaren zijn door ruimtelijke kenmerken, zoals de aanwezigheid van veehouderijbedrijven en aantallen dieren op een bepaalde plaats. Dergelijke modellen worden ‘Land Use Regressie’-modellen (LUR-modellen) genoemd. Land Use Regressie (LUR) is een statistische techniek waarmee de gemeten concentraties zo optimaal mogelijk gemodelleerd worden op basis van informatie over landgebruik, waaronder de aanwezigheid van veehouderijen of aantallen dieren. Vervolgens kan een dergelijk LUR-model gebruikt worden om concentraties te voorspellen op locaties waar niet gemeten is. Deze voorspelde concentraties kunnen gebruikt worden om relaties met waargenomen ziekte te beschrijven. LUR-modellering is al veelvuldig toegepast en gevalideerd in relatie tot verkeersgerelateerde lucht verontreiniging (Wang et al., 2014; Wang et al., 2015; De Hoogh et al., 2014; Eeftens et al., 2012).
Voor aan veehouderij gerelateerde luchtverontreiniging als endotoxinen zijn dergelijke modellen nog maar enkele keren toegepast (Heinrich et al., 2003; Kallawicha et al., 2015). In het VGO-onderzoek zijn op 61 locaties herhaalde buitenluchtmetingen uitgevoerd nabij omwonenden van veehouderijen (zie paragraaf 2.12 en hoofdstuk 7 in het hoofdrapport). In het hoofdrapport zijn de ruimtelijke en tijdsvariatie in gemeten concentraties en de eerste verkenningen voor de ontwikkeling van een LUR-model voor fijnstof en endotoxine gerapporteerd. De verkregen gegevens zijn in de loop van 2016/2017 verder uitgewerkt door meer in detail naar verschillende diersoorten te kijken en de mate waarin de aanwezigheid van verschillende diersoorten de endotoxineconcentratie verklaren. Nadere aandacht is besteed aan de validiteit van de ontwikkelde LUR-modellen.
levende als dode organismen.
Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
| 27
In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens de definitieve resultaten van de luchtmetingen beschreven (paragraaf 3.2). Met deze gegevens is een LUR-model ontwikkeld (paragraaf 3.3), waarmee de onderzochte concentraties in verband gebracht zijn met kenmerken van veehouderijen (afstand, aantal dieren en diersoort). Als laatste worden in paragraaf 3.4 de resultaten beschreven van een aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit in een gebied met veel nertsenhouderijen.
3.2 Luchtmetingen bij omwonenden 3.2.1 Aanpak In deze paragraaf wordt een samenvatting van de studieopzet en de meetmethoden gegeven. Een volledige beschrijving staat vermeld in paragraaf 2.12 van het hoofdrapport. 3.2.1.1 Selectie van de meetlocaties Tussen mei 2014 en januari 2016 zijn op 61 locaties in het VGO-onderzoeksgebied12 herhaaldelijk tweewekelijkse buitenluchtmetingen uitgevoerd. Deze locaties zijn geselecteerd op basis van informatie over veehouderijen in de omgeving van de locatie, waarbij: 1. bij circa 40% van de meetlocaties de meest nabije veehouderij op maximaal 250 meter gelegen was; 2. bij circa 30% van de meetlocaties de meest nabije veehouderij op 250 tot 500 meter gelegen was; 3. bij circa 20% van de meetlocaties de meest nabije veehouderij op 500 tot 1.000 meter gelegen was; 4. bij circa 10% van de meetlocaties de meest nabije veehouderij op meer dan 1.000 meter gelegen was. Met deze verdeling kon het verband tussen gemeten concentraties en informatie over de veehouderijen het best onderzocht worden. Bij het plaatsen van de meetapparatuur hebben bewoners een informed consent (inclusief privacyverklaring) voor deelname aan de studie getekend.
3.2.1.3 Onderzochte agentia De verzamelde monsters zijn onderzocht op fijnstof, endotoxine in fijnstof en DNA van verschillende bacteriën en de antibioticumresistentiegenen mecA en tetW. Deze resistentiegenen coderen voor respectievelijk resistentie tegen de antibiotica meticilline en tetracycline. Escherichia coli en Staphylococcus spp. zijn meegenomen als indicatorbacteriën. Deze komen namelijk in alle veehouderijen voor en in relatief hoge concentraties – dit in tegenstelling tot veel andere micro-organismen, die vaak niet of in lage concentraties aanwezig zijn en ook niet altijd in alle diersoorten voorkomen. Aan de hand van deze indicatorbacteriën kan dus een (beter) beeld gevormd worden hoe bacteriën zich verspreiden vanuit veehouderijen (zie hoofdstuk 4) en tot welke concentraties dit leidt op leefniveau. Daarnaast zijn de monsters onderzocht op de aanwezigheid van de ziekteverwekkers Staphylococcus aureus, Campylobacter coli, Campylobacter jejuni en Coxiella burnetii. Deze laatste bacterie is de veroorzaker van Q-koorts. 3.2.2 Resultaten 3.2.2.1 Overzicht detectie en kwantificatie van bio-aerosolen In het merendeel van de verzamelde monsters zijn fijnstof, endotoxinen, en DNA van Staphylococcus spp. en verschillende resistentiegenen in duidelijk meetbare hoeveelheden aanwezig.
DNA van Staphylococcus aureus en de indicatorbacterie Escherichia coli is in een deel van de metingen aangetroffen, maar meestal waren de concentraties niet kwantificeerbaar13. DNA van de ziekteverwekkende bacterie Campylobacter jejuni is in een groot deel van de metingen aanwezig in lage concentraties, maar wel kwantificeerbaar. DNA van de ziekteverwekkende bacteriën Campylobacter coli en Coxiella burnetii zijn slechts sporadisch aangetroffen (zie Tabel 3.1).