CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling.pdf

gemeenteraad 18 februari 2026, gemeente GroningenBij agendapunt: 5e: Travertijnstraat - vervangen gebiedsgerichte criteria Welstandsnota (raadsvoorstel 14-1-26)4.737 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

NOTITIE

Onderwerp: Auteur: Datum: Status:

Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Travertijnstraat, Groningen BJZ.nu 12 november 2025 Concept

1. INLEIDING Voorliggende m.e.r-beoordeling heeft betrekking op de ontwikkeling van het voormalige scholencomplex aan de Travertijnstraat te Groningen. Naast reguliere woonfuncties wordt ook wonen met een zorgfuncties gerealiseerd en worden in het gebied maatschappelijke, zakelijke, horeca en dienstverleningsfuncties gerealiseerd. Het karakteristieke gebouw aan Travertijnstraat 12 wordt hierbij mogelijk getransformeerd naar een mix van appartementen en werklocaties. Voor de gebiedsontwikkeling is een stedenbouwkundig ontwerp opgesteld dat uitgaat van ontwikkeling in drie fases. Fase 1 wordt gerealiseerd door Ter Steege Bouw Vastgoed. Fase 2 en 3 door de gemeente Groningen. Binnen deze drie fases zijn vijf bouwblokken gedefinieerd met bijbehorend programma met rijwoningen, Benedenboven (BeBo) woningen BeBo en appartementen. In lijn met de mogelijkheden van de Omgevingswet is het stedenbouwkundige ontwerp voor het plangebied uitgewerkt in een gebiedsgericht omgevingsprogramma. Met het programma wordt aan de hand van maatregelen het uit te voeren beleid uitgewerkt, om zo doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. In het programma wordt weergegeven welk bouwprogramma in het gebied zal worden gerealiseerd en wordt via een stedenbouwkundig kader weergegeven welke functies waar gaan landen.

Na vaststelling van het omgevingsprogramma worden voor de drie ontwikkelfases Bopa’s aangevraagd om af te wijken van het omgevingsplan. Het omgevingsprogramma werkt daarbij als toetsingskader. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een toets van de effecten van het plan op het milieu noodzakelijk. In dit document worden de milieueffecten van deze ontwikkeling beschouwd. Eerst wordt een nadere toelichting op de wetgeving omtrent de milieueffectrapportage gegeven. Milieueffectrapportage Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). In afdeling 16.4 van de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt in de plan-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.1) en de project-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.2). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een project mer-plichtig of merbeoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •

In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

1

Indien een plan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-merbeoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Bij een plan-mer-beoordeling oordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van een aanzienlijke milieugevolgen aan de hand van de criteria van bijlage II bij de smb-richtlijn (artikel 16.35 lid 5 Ow). Hiervoor worden de volgende instanties en bestuursorganen geraadpleegd: a. de bestuursorganen en instanties die op grond van een wettelijk voorschrift adviseren over de besluiten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, waarvoor het plan of programma het kader vormt, en b. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister voor Natuur en Stikstof, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of in plaats van de betrokken minister een door hem aangewezen bestuursorgaan.

Inhoudelijk mag de plan-mer-beoordeling echter gelijk zijn aan de project-mer-beoordeling (AbRS 19 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1054). In dit geval is sprake van een omgevingsprogramma. Deze is kaderstellend voor een project-mer-(beoordelings)plichtige activiteit, namelijk het stedelijk ontwikkelingsproject. Aangezien sprake is van een klein gebied op lokaal niveau, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling. Voorliggende m.e.r.-beoordeling voorziet hierin. Inhoud en doel van de m.e.r.-beoordeling Inhoudelijk gaat de m.e.r.-beoordeling in op de mogelijke aanzienlijke milieueffecten als gevolg van het initiatief. Deze aanzienlijke milieueffecten worden beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria opgesomd in Bijlage III van de EEG-richtlijn Milieueffectbeoordeling, die drie hoofdthema’s noemt: • • •

De kenmerken van het project; De plaats van het project (ligging en samenhang met andere activiteiten (cumulatie)); De kenmerken van de potentiele nadelige effecten voor het milieu die het project kan hebben.

Het doel van de notitie is om op objectieve wijze informatie over mogelijke, relevante milieugevolgen van het project te verzamelen en te presenteren. Betrokken partijen Bij het project zijn diverse partijen betrokken. De ontwikkeling is een particulier initiatief. Voor het vaststellen van het omgevingsprogramma is het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen het bevoegd gezag. Daarnaast worden de provincie Groningen, het waterschap Noorderzijlvest en eventueel andere vooroverlegpartners gedurende het proces bij het project betrokken en zal het concept wijzigingsbesluit in het kader van vooroverleg naar deze partijen worden toegezonden. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het voorgenomen project beschreven. Daarbij komen aanleiding, achtergronden en uitgangspunten aan bod. Hoofdstuk 3 gaat in op de mogelijke milieueffecten van het project. In hoofdstuk 4 wordt bij wijze van samenvatting de beoordeling gedaan van de omstandigheden van het voorgenomen project. Hierin wordt tevens de conclusie van de m.e.r.-beoordeling beschreven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

2

2. KENMERKEN VAN HET VOORGENOMEN PROJECT Dit hoofdstuk gaat in op de voorgenomen ontwikkeling, de projectlocatie en eventuele (samenhangende) ontwikkelingen in de omgeving waarmee rekening dient te worden gehouden. Voorgenomen ontwikkeling Het plangebied bestaat grofweg uit de locatie TRAV12 en vijf te realiseren bouwvelden. Om de balans tussen het groen en de bebouwing, en meteen ook tussen het publiek/semipubliek en privé goed vast te leggen, worden de ontwikkelvelden van de verschillende bouwvelden vastgelegd. Binnen deze bouwvelden kan het programma worden gerealiseerd binnen de kaderstelling zoals in het omgevingsprogramma worden vastgelegd. Er wordt beoogd om het plangebied te ontwikkelen in een nieuwe buurt met 250 tot 300 woningen. In de nieuwe buurt zijn biodiversiteit, klimaatadaptatie, gezondheid en sociale cohesie belangrijke uitgangspunten. Naast reguliere woonfuncties wordt ook begeleid wonen mogelijk gemaakt en worden in het gebied maatschappelijke, zakelijke, horeca en dienstverleningsfuncties gerealiseerd. Het karakteristieke gebouw op het perceel aan Travertijnstraat 12 wordt mogelijk getransformeerd naar een mix van grondgebonden woningen, appartementen en werklocaties. In de volgende afbeelding zijn de te ontwikkelen bouwvelden weergegeven.

Afbeelding 1: Te ontwikkelen bouwvelden

Fasering Binnen de stedenbouwkundige opzet is gekeken naar een fasering waarbij bestaande functies behouden kunnen blijven zonder dat de kwaliteit van de openbare ruimte er onder te lijden heeft. Dit heeft geleid tot een ontwikkeling van het gebied in drie fases. Fase 1 bestaat uit de nieuwbouw van drie blokken ten oosten van de Vinkenborgh. Fase 2 betreft de transformatie van scholencomplex De Vinkenborgh. Na realisatie van fase 3, het voormalige Noorderpoort College, ontstaat het eindbeeld van een gevarieerde, groene woonwijk met kleinschalige bedrijvigheid. In onderstaande afbeelding wordt dit weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

3

Afbeelding 2: Gefaseerde ontwikkeling Travertijnstraat

Fase 1 bestaat uit de realisatie van blok A, B en E, zoals weergegeven in afbeelding 1. In blok A en B wordt voorzien in een mix van grondgebonden woningen, BeBo woningen en appartementen. Blok E biedt ruimte aan grondgebonden woningen en appartementen. Fase 2 betreft de transformatie van het scholencomplex De Vinkenborgh. In het omgevingsprogramma wordt uitgegaan van het behoud van het scholencomplex waarbij wordt ingezet op de transformatie naar wonen met ruimte voor werkplekken voor zelfstandigen en creatievelingen. De bestaande trappenhuizen blijven gehandhaafd en er wordt een lift toegevoegd. Ook is het voorstel om één van de midden blokken één laag op te hogen om zo het programma hierin te passen. Hiermee worden maximaal 4 bouwlagen beoogd. Op de drie verdiepingen worden 15 appartementen per bouwlaag geprojecteerd. Het Noorderpoort college (fase 3) kan blijven functioneren in zijn huidige vorm. Mogelijk zal de westzijde van de kavel deels groen ingevuld kunnen worden om zo onderdeel te worden van het park / de doorgaande groene verbindingen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

4

Afbeelding 3: Impressie gewenste situatie

Locatiekenmerken Het plangebied ligt in het westen van de stad Groningen. In afbeelding 2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de directe omgeving weergegeven. Het plangebied is indicatief aangegeven met de blauwe marker en contour.

Afbeelding 4: Ligging plangebied in Groningen en ten opzichte van de directe omgeving (Bron: PDOK)

Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen De ontwikkeling van de voorziene activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Tijdens de sloopfase, het bouw- en woonrijp maken van de gronden is grondverzet nodig. Tijdens de gebruiksfase zullen elektriciteit en water nodig zijn. De nieuw te bouwen woningen zullen gasloos gebouwd worden, conform de Wet Voortgang Energietransitie. De woningen zullen in de gebruiksfase

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

5

leiden tot afvalstoffen (huisvuil, snoeiafval e.d.). Deze afvalstoffen zullen op de daarvoor van toepassing zijnde regelementen worden afgevoerd. Verontreiniging en hinder Tijdens de sloop- en aanlegfase zal sprake zijn van tijdelijke verkeers- en geluidhinder van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden op locatie. Het gaat dan om geluid en stof vanuit de bouwplaats en bouwverkeer van en naar het plangebied. Vanwege de ligging is er geen noodzaak om verkeer tijdelijk om te leiden, met de daarbij behorende effecten. Na afronding van de bouwwerkzaamheden zal de genoemde tijdelijke hinder volledig vervallen. In de gebruiksfase zullen ten gevolge van de activiteiten geen aanzienlijke milieueffecten plaatsvinden. Uit hoofdstuk 3 blijkt dat zowel de sloop-, bouw- en gebruiksactiviteiten geen nadelige gevolgen met zich meebrengen voor omliggende natuurgebieden. Risico op ongevallen, specifiek met gevaarlijke stoffen of technologieën De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor een toename van risico’s voor de omgeving. Er worden geen gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

6

3. BESCHRIJVING VAN DE MILIEUEFFECTEN Voor de m.e.r.-beoordeling zijn de mogelijk negatieve milieueffecten van het voorgenomen project relevant. Zoals in het vorige hoofdstuk is aangegeven gaat het om de realisatie van 250 tot 300 woningen en enkele werkfuncties. Op basis van de huidige programmering zijn 280 woningen beoogd, bestaande uit grondgebonden rijwoningen, BeBo woningen en appartementen in de sociale huur en vrije sector. Daarnaast is de verwachting dat circa 2.200 m² zal worden aangewend voor maatschappelijke, zakelijke, horeca of dienstverleningsfuncties gerealiseerd. Dit programma ligt nog niet vast. De daadwerkelijke uitwerking zal ten tijde van de vergunningverlening worden uitgewerkt. Om een inschatting te maken van milieueffecten zoals de verkeersgeneratie en het effect op de luchtkwaliteit, wordt echter van het volgende programma uitgegaan: •

• • •

Fase 1: o 63 grondgebonden woningen; o 16 beneden-bovenwoningen; o 57 appartementen (sociaal). Fase 2: 67 appartementen (midden); Fase 3: o 45 grondgebonden woningen; o 32 appartementen (midden) 2.220 m² commerciële ruimte.

Relevante aspecten voor de milieueffectbeoordeling zijn verkeer, geluid, luchtkwaliteit, water, ecologie, waaronder ook specifiek de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. In dit hoofdstuk worden de te verwachten (tijdelijke) effecten per aspect beschreven. Verder wordt ingegaan op tijdelijke hinder als gevolg van de ontwikkeling. Voor een aantal van deze aspecten zijn onderzoeken uitgevoerd. De conclusies van deze onderzoeken zijn samengevat in onderstaande alinea’s. Verkeer Om de verkeersgeneratie te bepalen wordt aangesloten bij de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering)’ van het CROW'. Op basis van deze publicatie kan per functie de verkeersgeneratie als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling worden berekend. Bij iedere functie wordt in de CROW-publicatie een maximum en minimum genoemd. Dit is de bandbreedte. In voorliggend geval zal van het gemiddelde worden uitgegaan. Verder worden voor het plangebied de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •

Verstedelijkingsgraad: sterk stedelijk / gemeente Groningen (Bron: CBS Statline); Stedelijke zone: rest bebouwde kom.

Op basis van de hierboven geschetste programmering wordt echter een grove inschatting gemaakt van de toename van de verkeersgeneratie als gevolg van het voornemen. Hierbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: •

Voor de grondgebonden woningen wordt in het kader van een worst-case scenario uitgegaan van koopwoningen;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

7

• • • •

De BeBo woningen worden in het kader van een worst-case scenario als koopappartementen beschouwd; Voor de appartementen in het middensegment wordt in het kader van een worst-casse scenario uitgegaan van koopappartementen met een bvo tussen de 75 en 100 m²; Voor de sociale huurappartementen wordt uitgegaan van een bvo tussen de 75 en 100 m²; Voor de overige werkfuncties wordt uitgegaan van Commerciële dienstverlening met baliefunctie.

Op basis van de te hanteren uitgangspunten wordt de te verwachten verkeersgeneratie als gevolg van het voornemen ingeschat op circa 1.693 verkeersbewegingen per weekdagetmaal, zie onderstaande tabel.

Functie Koop, huis, tussen/hoek BeBo woningen (koop, appartementen 75-100 m²) Koop, appartement, sociale huur 75-100 m2 bvo Huur, appartementen, vrije sector 75-100 m²) Commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie) Totaal

Verkeersbewegingen per woning/per 100 m² 7,1 5,4

Aantal woningen/ bvo 108 16

Totaal

5,6

57

319,2

2,9

99

287,1

10,6

2.200 m²

233,2

766,8 86,4

1.692,7

De extra verkeersbewegingen per weekdag zullen naar verwachting niet tot een belemmering leiden in het kader van het effect op het milieu, omdat deze toename relatief gering is in vergelijking met het totale verkeersaanbod in de regio. Daarnaast worden er maatregelen genomen om de milieueffecten van verkeer te mitigeren, zoals verbeterde doorstroming van het verkeer, het bevorderen van het gebruik van duurzamere vervoermiddelen (zoals fietsen en openbaar vervoer) en het implementeren van technologieën die de uitstoot van schadelijke stoffen verminderen. Bovendien speelt het feit dat de toename van verkeer zich per weekdag voordoet een rol, aangezien het effect op het milieu mogelijk gedoseerd is over de tijd en via de Travertijnstraat en Diamantlaan in meerdere richting verspreid. Geluid Woningen zijn niet opgenomen in de VNG-uitgave bedrijven en milieuzonering, omdat ze in beginsel niet aan te merken zijn als milieubelastende objecten. In voorliggend geval zal wel sprake zijn van enig geluid als gevolg van de woonfuncties (leefgeluiden). Voor dergelijke geluiden gelden echter geen normen. Gelet op de afstand van het plangebied ten opzichte van omliggende woningen zal dit verder niet voor belemmeringen zorgen. Daarnaast zal de aanlegfase (de bouw van de woningen) gepaard gaan met de productie van geluid.

Deze geluidproductie is tijdelijk van aard en zal zoveel mogelijk worden beperkt. Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid niet leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

8

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.

Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Beoordeling Volgens het Bkl dragen de volgende projecten niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

In voorliggend geval is sprake van de ontwikkeling van maximaal 300 woningen met minimaal twee ontsluitingswegen en circa 2.200 m² aan commerciële functies. Wanneer dit project wordt vergeleken met bovenstaande projecten, kan worden gesteld dat er geen sprake is van een ontwikkeling met een significant negatieve bijdrage aan de luchtverontreiniging. De berekening op basis van de NIBM tool toont dit ook aan, zie onderstaande afbeelding.

Het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit is ‘niet in betekenende mate’ als gevolg van het voornemen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

9

Water De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling kan samengaan met effecten op de waterhuishouding. Hieronder worden de waterhuishoudkundige aspecten van het voornemen nader beschreven. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling is er sprake van een significante verandering in de waterhuishouding van het plangebied. Voor de ontwikkeling is door Geofoxx een waterhuishoudkundig plan opgesteld1. Hieronder wordt ingegaan op de van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten. Resultaten Binnen het plangebied zal het hemelwater en vuilwater (droogweerafvoer) gescheiden worden afgevoerd. Hierbij is gekozen om het hemelwater over het maaiveld en via natuurlijk afschot te laten afstromen naar wadi’s die voornamelijk centraal in het plangebied komen te liggen. Door de ontwikkeling is in het openbaar gebied straks ongeveer 23.250 m2 verharding aanwezig. In lijn met de beringseis van 70 mm is binnen het plangebied 1.630 m3 bergingscapaciteit benodigd. Er is – als er geschoven wordt met de wandelpaden uit het stedenbouwkundig ontwerp - ruimte om dit volledig in wadi’s te berging. In de beoogde inrichting zijn wadi’s ingetekend met een gezamenlijke bergingscapaciteit van 1.650 m3. De wadi’s hebben een waterdiepte van 40 cm en een talud van 1:3.

Aangeraden wordt om de wadi’s indien mogelijk 50 cm diep te maken en te voorzien van een slokop met overstort voor in het geval de waterstanden > 0,4 m hoog zijn. De GHG is vastgesteld op -0,8 m NAP (GHG) terwijl de gemiddelde maaiveldhoogte +0,3 m+NAP is. Dat betekent dat er ook beperkt ruimte zou zijn voor ondergrondse voorzieningen indien gewenst. In het waterhuishoudkundig plan is een concept vloerpeil opgenomen van +0,45 mNAP. Op basis van de toekomstige inrichting van het plangebied is er voldoende ruimte aanwezig om deze te sluiten op de bestaande peilen op aangrenzende percelen. Ecologie In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl. Gebiedsbescherming Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan.

Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Beoordeling Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Leekstermeergebied” ligt op circa 3 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de afstand

1 Geofoxx (november 2025). Waterhuishoudkundig plan Travertijnstraat te Groningen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

10

van het plangebied tot Natura 2000 wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van direct significant negatieve effecten, zoals geluidshinder en lichthinder. Wel is in het kader van Natura 2000 de stikstofdepositie van belang. Om de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor Natura 2000gebieden in kaart te brengen is een AERIUS berekening uitgevoerd door BJZ.nu2. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Uit de uitgevoerde berekeningen is gebleken dat voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ten tijde van de aanvraag BOPA’s zal een actuele stikstofberekening worden uitgevoerd om de uitvoerbaarheid van de te vergunnen projecten te beoordelen. Op voorhand kan echter worden geconcludeerd dat hierin geen onoverkomelijke belemmeringen worden verwacht. Het plangebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten het NNN wordt geconcludeerd dat er met de voorgenomen ontwikkeling geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Om de wettelijke consequenties van de voorliggende in beeld te brengen, is een quickscan natuurwaardenonderzoek3 uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek kan niet worden uitgesloten dat in het plangebied vaste rust- en/of verblijfplaatsen en voortplantingshabitat aanwezig zijn van eekhoorn, haas, kleine marterachtigen (hermelijn en bunzing), jaarrond beschermde nesten, grote vos, vleermuizen en steenmarter. Deze soorten zijn, met uitzondering van vleermuizen en steenmarter, reeds nader onderzocht4. Op basis van de uitgevoerde nadere onderzoeken is geen omgevingsvergunning voor de flora en fauna activiteit benodigd. Mogelijk zal dit in het kader van de BOPA’s noodzakelijk zijn voor de soorten vleermuis of steenmarter. Cumulatie Cumulatie van effecten treedt op wanneer werkzaamheden in direct omliggende gebieden vergelijkbare effecten veroorzaken met de hierboven beschreven effecten en in dezelfde periode worden uitgevoerd. In voorliggend geval zijn in de directe omgeving geen ruimtelijke ontwikkelingen gaande die belangrijke milieueffecten met zich meebrengen. Cumulatie is daarom niet aan de orde.

2 BJZ.nu (oktober 2025). AERIUS-berekening. Travertijnstraat, Groningen. 3 Regelink Ecologie & Landschap (december 2022). Ecologische quickscan West End Groningen. 4 Waardenburg Ecology (december 2023). Nader ecologisch onderzoek diversie soorten bij Westend te Groningen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

11

4. CONCLUSIE Dit hoofdstuk dient als samenvatting van de conclusies van de hoofdstukken 2 en 3. In dit hoofdstuk wordt de voorgenomen activiteit aan onderstaande criteria getoetst en een eindafweging gemaakt. • • • •

De kenmerken van de activiteit; De plaats van de activiteit; De samenhang met andere activiteiten (cumulatie); De kenmerken van de aanzienlijke milieueffecten die het project kan hebben.

Kenmerken van de activiteit Het voorgenomen project betreft een woningbouwontwikkeling in het westen van de stad Groningen. Bij de kenmerken van de activiteit dient in het bijzonder de omvang van het project en de hinder als gevolg van het project in overweging te worden genoemd. Omvang Met een omvang van maximaal 300 woningen betreft het een ontwikkeling die ruim beneden de gevallen/drempelwaarden van de project m.e.r.-plicht blijft. Hinder Tijdens de uitvoering van het voorgenomen project kunnen flora en fauna hinder ondervinden van de (bouw)werkzaamheden. Geconstateerd is dat de hinder voor omwonenden slechts tijdelijk is. Uit het onderzoek naar stikstofdepositie is gebleken dat de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Plaats van de activiteit Het plangebied ligt geheel binnen het grondgebied van de gemeente Groningen. Gezien de definitie uit het Bkl kan worden geconcludeerd dat het plangebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied. De voorgenomen activiteit is niet gelegen in beschermd gebied in het kader van natuur en er zijn geen waardevolle groenstructuren aanwezig. Samenhang met andere activiteiten ter plaatse Er vinden in de directe omgeving van het plangebied geen andere (grootschalige) ontwikkelingen plaats waarmee rekening dient te worden gehouden.

Kenmerken van de aanzienlijke milieueffecten Voor de beoordeling van eventuele aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project moet, daar waar opportuun, rekenschap worden gegeven aan de volgende zaken: • • • •

Het bereik van het effect (geografische zone en de grootte van de getroffen bevolking); Het grensoverschrijdende karakter van het effect; De waarschijnlijkheid van het effect; De duur, frequentie en de onomkeerbaarheid van het effect.

Uit hoofdstuk 3 is gebleken dat de ontwikkeling op de relevante milieuaspecten verkeer, geluid, luchtkwaliteit en stikstof geen belangrijke structurele nadelige en onomkeerbare milieugevolgen met zich meebrengt. De ontwikkeling gaat ten slotte gepaard met tijdelijke hinder als gevolg van bouwwerkzaamheden, maar deze zullen na afronding volledig vervallen. Maatregelen ter vermindering van potentiële effecten (samenvattend) Water (compenserend) Vanwege de toename van verharding dient ter compensatie te worden voorzien in circa 1.630 m³ waterbergingscapaciteit. In het uitgevoerde waterhuishoudkundig plan is inzichtelijk gemaakt hoe hierin kan worden voorzien. De daadwerkelijke uit te voeren compenserende maatregelen zullen ten tijde van de omgevingsvergunningen voor het bouwen nader worden uitgewerkt. Met het nemen van de noodzakelijke compenserende maatregelen wordt het effect van het voornemen op de waterhuishouding op ‘neutraal’ ingeschaald.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

12

Ecologie (mitigerend) Tijdens de uitvoering van het voornemen kan flora en fauna hinder ondervinden. Door buiten het broedseizoen te werken of maatregelen te treffen binnen het broedseizoen wordt eventuele hinder op natuur zoveel mogelijk beperkt. Werkzaamheden die leiden tot het beschadigen/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. Met het nemen van deze maatregelen worden de effecten op beschermde soorten ingeschaald op neutraal. Ecologie (compenserend) Er dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar de vleermuis en steenmarter. Indien uit het nader onderzoek volgt dat een omgevingsvergunning voor de flora en fauna activiteit benodigd is, zullen de daarbij behorende compensatiemaatregelen genomen worden. Met het nemen deze compenserende maatregelen worden de effecten op beschermde soorten ingeschaald op neutraal. Conclusie m.e.r.-beoordeling De m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/5416/documents/92082