CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Eindrapport onderzoek Cooperatieve Wijkraad Oosterparkwijk.pdf

Politieke woensdag (Dag agenda) 17 februari 2021, gemeente GroningenBij agendapunt: 3: Het 'Gronings model voor wijk- en dorpsdemocratie' (raadsvoorstel 17 februari 2021)15.449 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Eindrapport Evaluatie Coöperatieve Wijkraad Oosterparkwijk Groningen

April 2020

R. Mennes B. Bieleman

K. Kloosterman

Colofon ãBreuer&Intraval ãOnderzoek, Informatie en Statistiek Groningen April 2020 Opdrachtgever: Gemeente Groningen Breuer&Intraval / OIS Groningen - Tussentijds verslag: Evaluatie Coöperatieve Wijkraad Oosterparkwijk Groningen

2

VOORWOORD Om bewoners zich weer samen ‘eigenaar’ van hun eigen straat, buurt en wijk te laten voelen, wil de gemeente Groningen beslissingen hierover weer dichterbij Stadjers brengen. Hiervoor hebben de afgelopen jaren verschillende experimenten plaatsgevonden, waaronder de Coöperatieve Wijkraad Oosterparkwijk. In de Coöperatieve Wijkraad hebben zowel wijkbewoners (11) als raadsleden (6) zitting. De bewoners zijn willekeurig geselecteerd door middel van loting. Daarnaast is er een panel van 400 personen die ook aselect zijn geloot. Ralph Mennes en Bert Bieleman van Breuer&Intraval en Klaas Kloosterman van Onderzoek, Informatie en Statistiek Groningen hebben samen het experiment Coöperatieve WijkRaad Oosterparkwijk geëvalueerd. Klaas Kloosterman en Bert Bieleman hebben in eerste instantie de onderzoeksopzet opgesteld en vervolgens samen met Ralph Mennes het onderzoek uitgevoerd. Klaas Kloosterman is daarbij verantwoordelijk geweest voor de resultaatmeting, terwijl Ralph Mennes de procesevaluatie voor zijn rekening heeft genomen. De gezamenlijk opgestelde conclusies zijn het resultaat van de onderlinge informatie-uitwisseling tussen de onderzoekers en de daarop volgende constructieve discussies.

Tijdens het onderzoek hebben we regelmatig overleg gehad over de voortgang van het onderzoek met Frank Brander (gemeente Groningen), Joop Hofman (Rode Wouw) en Liesbeth van de Wetering (gemeente Groningen) over de voortgang van het onderzoek. Graag willen wij hen bedanken voor de betrokken en deskundige wijze waarop zij het onderzoek hebben begeleid. Daarnaast gaat onze dank uit naar de leden van de Coöperatieve Wijkraad voor de medewerking aan de diverse interviews en het mogen bijwonen van diverse overleggen. Ook willen wij de leden van het wijkpanel bedanken voor het invullen van meerdere enquêtes. Zonder hen was dit onderzoek niet mogelijk geweest.

Namens Breuer&Intraval, Bert Bieleman en Ralph Mennes

Namens Onderzoek, Informatie en Statistiek Groningen, Klaas Kloosterman

INHOUDSOPGAVE

1

Achtergrond

1

2

Resultaatmeting

13

3

Procesevaluatie

19

4

Conclusies

31

Bijlage 1: Uitkomsten resultaatmeting Coöperatieve Wijkraad Bijlage 2: Wat betekent statistisch significant? Bijlage 3: Overzicht activiteiten CWR in de wijk

39 55 57

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Onderzoeksvragen Onderzoeksopzet Realist Evaluation Resultaatmeting Procesevaluatie

De Statistische schaal De Deliberatieve schaal De Ervaringsschaal Secundaire maten Leefbaarheid en Sociale cohesie Conclusie Resultaatmeting

Statistische dimensie Deliberatieve dimensie Ervaringsdimensie Onvoorzien neveneffecten Randvoorwaarden

Statistische dimensie Deliberatieve dimensie Ervaringsdimensie Nevenopbrengsten Ten slotte

1 1 2 6 9

13 15 16 16 18

19 21 26 29 29

31 32 33 34 35

1. ACHTERGROND

Om de leefbaarheid binnen woonwijken te maximaliseren wil de gemeente Groningen beslissingen, en daarmee daadwerkelijke macht, weer dichterbij Stadjers brengen. Zo kunnen bewoners zich weer sámen ‘eigenaar’ van hun eigen straat, buurt en wijk voelen, zij zijn immers de experts van hun eigen wijk. In dit kader hebben de afgelopen jaren meerdere experimenten plaatsgevonden, waaronder de Coöperatieve WijkRaad Oosterparkwijk (CWR).1 In de CWR hebben zowel wijkbewoners (11) als raadsleden (6) samen zitting. De wijk wordt in dit experiment gezien als een coöperatie waarvan alle bewoners lid zijn. Bewoners zijn voor deelname aan de CWR willekeurig geselecteerd op basis van loting. Daarnaast is er een panel van 400 personen die ook aselect zijn geloot. De CWR beslist over (delen van) de wijkagenda en de inzet van budgetten voor de wijk. Voor belangrijke beslissingen kan het panel worden geconsulteerd. Breuer&Intraval en Onderzoek, Informatie en Statistiek Groningen hebben samen het experiment ‘Coöperatieve WijkRaad Oosterparkwijk’ geëvalueerd. Oktober 2019 hebben we een tussentijds verslag gepresenteerd op basis van de 0- en 1-meting (periode najaar 2017 voorjaar 2019). In dit eindrapport doen we verslag van de 0-, 1- en 2-meting.

Hieronder bespreken we de onderzoeksvragen en de opzet van het onderzoek, waarbij we gebruik hebben gemaakt van Realist Evaluation, een procesevaluatie en een resultaatsmeting. Tevens gaan we aan de hand van de Realist Evaluation in op de interventielogica. De bevindingen van de resultaatsmeting en de procesevaluatie worden in de volgende hoofdstukken gepresenteerd.

1.1 Onderzoeksvragen De evaluatie van de CWR kent twee hoofdvragen, gericht op het proces van de invoering van de CWR en op de resultaten van de CWR:2 1. In hoeverre worden door de Coöperatieve WijkRaad goede besluiten genomen voor ‘de Oosterparkwijk’? 2. In hoeverre wordt door de Coöperatieve WijkRaad een ontwikkeling in gang gezet waardoor er steeds (meer) betere besluiten binnen de wijk (kunnen) worden genomen?

1.2 Onderzoeksopzet Om een betrouwbaar antwoord kunnen geven op de geformuleerde onderzoeksvragen hebben we naast een procesevaluatie en een resultaatsmeting ook gebruik gemaakt van de 1 Voor meer informatie over de CWR, zie: http://cooperatievewijkraad050.nl 2 Deze basisevaluatie heeft betrekking op hetgeen in ieder geval moet worden onderzocht om inzicht te verkrijgen in de uitvoering en de resultaten van de CWR (“need to know”).

Achtergrond

1

methode Realist Evaluation van Pawson en Tilley.3 Hiermee wordt niet alleen duidelijk of een interventie werkt, maar juist ook waarom de beoogde resultaten al dan niet zijn behaald c.q. welke mechanismen hierbij een rol spelen. De aanpak en uitkomsten hiervan zullen we in deze paragraaf als eerste bespreken. Vervolgens gaan we in op de wijze waarop we de resultaatsmeting en de procesevaluatie hebben uitgevoerd. De resultaten daarvan worden respectievelijk in hoofdstuk 2 en 3 gepresenteerd.

1.3 Realist Evaluation De methodologie van Realist Evaluation is erop gericht te begrijpen op welke wijze de interventie (in dit geval de CWR) het gedrag probeert te veranderen en welke situatie geschikt is om deze verandering teweeg te brengen.4 Ook is de methode een goed en gedegen alternatief wanneer het moeilijk of onmogelijk is een goede controlegroep samen te stellen. Ook in die gevallen blijkt het mogelijk betrouwbare conclusies te kunnen trekken over de werkzaamheid van de interventie op basis van de onderzoeksresultaten. Bij Realist Evaluation proberen we er achter te komen via welke mechanismen een gedragsverandering tot stand kan komen.5 De exacte werking van deze mechanismen berust op theoretische aannames. Voor de reconstructie van de interventielogica is het van belang de aannames en hypothesen te achterhalen waaruit duidelijk wordt hoe de interventie geacht wordt te werken.6 Het gaat om het in kaart brengen van de ‘als-dan’ redenering van de initiatiefnemers die ten grondslag ligt aan de interventie.7

Vaststellen doel van de CWR Belangrijk bij een interventie, en daarom ook bij de evaluatie van de CWR, is dat duidelijk is wat het doel ervan is. Aan de CWR zijn twee basisdoelen verbonden waarop ons onderzoek zich heeft gericht: 1. Er worden goede besluiten door de CWR genomen voor de Oosterparkwijk (resultaat). 2. Er wordt een ontwikkeling in gang gezet en onderhouden waardoor er steeds betere besluiten voor de wijk kunnen worden genomen (proces). Het eerste doel is een ‘stip op de horizon’; het resultaat waar de CWR naar streeft. In hoeverre wordt dat ‘meetbaar’ bereikt? Het tweede doel heeft betrekking op de weg naar het resultaat; de inrichting van het proces van de CWR. Lukt het tijdens de looptijd van het experiment om

3 Pawson, R., N. Tilley (1997). Realist Evaluation. Sage, London. 4 Idem. 5 Glebbeek, A.C. en E. Sol (2014). The evaluation of re-employment programmes. Between impact assessment and theorybased approaches. In: Oxford Handbooks Online, June 2014. Forthcoming in Handbook of Job Loss and Job Search, Oxford University Press. 6 Bieleman, B., M. Boendermaker, R. Nijkamp en J. Snippe (2012) Dwars door verbanden. Evaluatie pilot aanpak multiprobleemgezinnen stad Groningen. St. INTRAVAL, Groningen-Rotterdam. Boendermaker, M., J. Snippe, A. Kruize, B. Bieleman (2015). Kansen met beleid. Beleidsreconstructie en evaluatiekader modernisering kansspelbeleid. St. INTRAVAL, Groningen-Rotterdam. 7 Knaap, P. van der (2010). Veiligheidsbeleid: onderbouwd en effectief? De meerwaarde van beleidstheorieën voor beleid en beleidsevaluatie. In: Tijdschrift voor veiligheid, 9 (1).

Breuer&Intraval / OIS – Basisevaluatie Coöperatieve WijkRaad Oosterparkwijk

2

de voorwaarden en omstandigheden te optimaliseren die nodig zijn om goede besluiten voor de wijk te kunnen nemen?

Goede besluiten en de weg er naar toe Allereerst zijn we nagegaan hoe ‘goede besluiten’ moeten worden gedefinieerd. Als duidelijk is wat wordt beoogd komt de volgende stap: hoe kan dat resultaat worden bereikt? Hoe moet de interventie eruit komen te zien? Hiervoor hebben we interviews gehouden met de initiatiefnemers en relevante documenten verzameld en bestudeerd.

Interviews opstellers We hebben in coproductie met de initiatiefnemers de interventielogica gereconstrueerd. In gesprekken met hen zijn we onder andere de definitie van goede besluiten, de aanpak, de overwegingen, de achterliggende gedachten en de voornaamste mechanismen van de interventie nagegaan.

Bestuderen relevante documenten Daarnaast hebben we in wetenschappelijke literatuur naar argumenten en tegenargumenten gezocht voor de aannames die zijn gedaan. Tevens zijn we verder nagegaan of de CWR in potentie tot de beoogde resultaten zou kunnen leiden.8

Interventielogica Met behulp van de resultaten van de interviews met de initiatiefnemers van de CWR en de documentstudie hebben we de reconstructie van de interventielogica nader ingevuld. We stellen vast dat aan de grondslag van een goed besluit (één van de hoofddoelen van de CWR) een drietal dimensies ten grondslag liggen: een statistische, een deliberatieve en een ervaringsdimensie. Om deze dimensies te kunnen realiseren, zijn verschillende kenmerken (voor het resultaat) en stimulatoren (in het proces) van belang.

Statistische dimensie De eerste dimensie die we onderscheiden is de statistische dimensie. Deze dimensie gaat ervan uit dat de kans dat de CWR een andere beslissing neemt dan de wijk zou hebben genomen acceptabel klein is, omdat de CWR is samengesteld door loting én omdat voor belangrijke beslissingen een eveneens geloot panel van 400 wijkbewoners wordt geconsulteerd. De statistische dimensie bepaalde de noodzaak van het wijkpanel. De onderstaande kenmerken en stimulatoren hebben dan ook betrekking op de CWR en het wijkpanel samen. Kenmerken: • CWR vormt een goede afspiegeling (representatie c.q. vertegenwoordiging) van de wijk. • Genoeg CWR-leden betrokken. • Veel verschillende (groepen) burgers betrokken. • Voldoende minder actieve burgers betrokken.

8 Pater, C.J., H.W. Sligte en E. van Eck (2012). Verklarende evaluatie. Een methodiek. Kohnstamm Instituut, Amsterdam.

Achtergrond

3

Stimulatoren: • Diversiteit: De samenstelling van de CWR is divers wat betreft het type leden (opleiding, leeftijd, inkomen, waar zij wonen in de wijk). Hierdoor zijn er veel verschillende meningen aanwezig, ook afwijkende en kritische meningen.

In het ontwerp van de CWR zijn de volgende aspecten expliciet opgenomen om de kenmerken van de statistische dimensie te realiseren: • De CWR is samengesteld door loting; de 11 wijkbewoners in de CWR kunnen zich er niet voor aanmelden en worden niet gekozen. Zij worden in plaats daarvan ‘ingeloot’. Elke wijkbewoner heeft daardoor een even grote kans om in de CWR te komen. De beslissing om al dan niet daadwerkelijk zitting te nemen in de CWR is aan de ingelote wijkbewoners zelf. • Voor belangrijke beslissingen kan door de CWR gebruik worden gemaakt van een wijkpanel; het wijkpanel kan door de CWR (digitaal) worden geconsulteerd over zaken die de wijk aangaan. Ook de wijkbewoners in het wijkpanel (maximaal 400) worden ingeloot.

Deliberatieve dimensie De tweede onderscheiden dimensie is de deliberatieve dimensie. Deze dimensie representeert de noodzaak dat de door de CWR genomen besluiten weloverwogen zijn. Hieraan wordt tegemoetgekomen als er voldoende van gedachten is gewisseld, er voldoende kennis is verzameld voordat een besluit wordt genomen en dat de kennis die ten grondslag ligt aan besluiten voldoende is afgewogen. Kenmerken: • Voldoende overleg. • Genoeg kennis verzameld over het onderwerp. • Voor- en tegenargumenten zijn goed afgewogen. Stimulatoren: • Gelijkheid: Alle CWR-leden (zowel bewoners als gemeenteraadsleden) hebben evenveel ruimte en mogelijkheden om hun opvattingen, verlangens en behoeften te formuleren. • Oprechtheid: Deelnemers zijn zo eerlijk mogelijk over relevante informatie, hun standpunten, meningen, ervaringen, belangen, verlangens, twijfels, et cetera. • Vrijheid: Er is geen sprake van sociale druk, intimidatie, chantage, omkoping, of andere drukmiddelen die mensen tegenhouden oprecht deel te nemen aan de CWR. • Rationaliteit: Deelnemers reageren inhoudelijk op de inbreng van de andere deelnemers en geven elkaar rationele en begrijpelijke redenen (rechtvaardigingen) voor hun standpunten. Alle relevante argumenten worden door de deelnemers evenveel overwogen. • Groepsomvang: De groepen waarin gedelibereerd worden zijn niet te groot, en niet te klein.

Ervaringsdimensie De derde en laatste dimensie die we onderscheiden is de ervaringsdimensie. Deze dimensie houdt in dat de beslissingen die door de CWR worden genomen alsmede de

Breuer&Intraval / OIS – Basisevaluatie Coöperatieve WijkRaad Oosterparkwijk

4

wijze waarop het besluitvormingsproces plaatsvindt als legitiem worden ervaren. Zo ontstaat er empathie voor de beweegreden van andere burgers, de besluitvorming binnen de CWR en voor de besluitvorming binnen de gemeente(raad). Kenmerken: • Wijkbewoners kunnen zich vinden in de meeste besluiten. • Wijkbewoners begrijpen waarom bepaalde besluiten zijn genomen. • Wijkbewoners hebben het gevoel dat ze bij het nemen van besluiten invloed hebben gehad op de totstandkoming daarvan (of hadden kunnen hebben). • Wijkbewoners kunnen begrip opbrengen voor de meeste besluiten (ook als ze het er niet mee eens zijn). Stimulatoren: • Interne transparantie: De deelnemers begrijpen de omstandigheden waarin de CWR opereert. Ze begrijpen het doel, het onderwerp en wat er met de resultaten gebeurt. De positie en rol van de CWR en haar leden is duidelijk. • Externe transparantie: De rest van de wijk (zowel bewoners als instanties) en de gemeenteraad begrijpen de opzet en rol van de CWR, weet hoe zij deel uit kunnen maken van het besluitvormingsproces en heeft inzicht in hoe de CWR tot haar oordeel is gekomen. • Interactie wijk: Er is sprake van een goede interactie tussen CWR en de rest van de wijk. De CWR werkt samen met andere partijen in de wijk, de wijk levert input aan de CWR en neemt tegelijkertijd kennis van de werkzaamheden van de CWR.

• Interactie wijkpanel: Er is sprake van een goede interactie tussen CWR en het wijkpanel. De CWR raadpleegt het wijkpanel om behoefte uit de wijk op te halen en besluiten te legitimeren.

Secundaire opbrengsten in de wijk Als alle drie dimensies worden gerealiseerd, zullen zich naar verwachting positieve opbrengsten in de wijk voordoen op het gebied van leefbaarheid, veiligheid en sociale cohesie. Daarom zijn ook deze overkoepelende uitkomsten meegenomen in de interventielogica. We merken hierbij wel op dat deze aspecten in de wijk door vele zaken - en niet alleen door de CWR - kunnen en zullen worden beïnvloed. Bovendien zijn deze opbrengsten niet het primaire doel van de CWR. We spreken daarom van ‘secundaire opbrengsten’.

Resumé In figuur 1 is schematisch de interventielogica weergegeven die als basis dient voor ons onderzoek.

Achtergrond

5

Figuur 1 Schematische weergave interventielogica

Dimensies Statistisch

Deliberatief

Kenmerken en stimulatoren Kenmerken • CWR vormt een goede afspiegeling van de wijk • Genoeg CWR-leden betrokken • Veel verschillende (groepen) burgers betrokken • Voldoende minder actieve burgers betrokken

Kenmerken • Voldoende overleg • Genoeg kennis verzameld over het onderwerp • Voor- en tegenargumenten zijn goed afgewogen

Doelen

Secundaire opbrengsten

Stimulatoren • Diversiteit

Stimulatoren • Gelijkheid • Oprechtheid • Vrijheid • Rationaliteit • Groepsomvang

1. Er worden goede besluiten door de CWR genomen voor de wijk (resultaat)

Leefbaarheid ⇧

Veiligheid ⇧

Ervaring

Kenmerken • Wijkbewoners kunnen zich vinden in de besluiten • Wijkbewoners begrijpen waarom besluiten zijn genomen • Wijkbewoners hebben het gevoel dat ze bij het nemen van besluiten invloed hebben gehad • Wijkbewoners kunnen begrip opbrengen voor de meeste besluiten

Stimulatoren • Interne transparantie • Externe transparantie • Interactie met wijkpanel • Interactie met de wijk

2. Er worden steeds betere besluiten genomen door de CWR (proces)

Sociale cohesie ⇧

1.4 Resultaatmeting In deze paragraaf zetten we uiteen hoe we hebben gemeten in hoeverre de belangrijkste doelstelling van het project de Coöperatieve Wijkraad is behaald. Hiervoor hebben we een 0-, 1- en 2-meting uitgevoerd. Doel van de metingen is om na te gaan of de eerste doelstelling van de CWR - “Er worden goede besluiten door de CWR genomen voor de Oosterparkwijk.” - is gerealiseerd. Daarbij geldt dat een goed besluit van de Coöperatieve WijkRaad een zo democratisch mogelijk besluit is. Democratisch betekent hier: een besluit genomen door de meeste mensen (veel en divers) na het beste overleg.

Responsgroepen De resultaatmeting is afgenomen bij twee verschillende bij het onderzoek betrokken groepen: 1. Leden van de Coöperatieve Wijkraad én leden van het Wijkpanel. 2. Een representatieve groep inwoners van de Oosterparkwijk (18 jaar en ouder).

Meetbaar maken van de (sub)doelen van de Coöperatieve wijkraad. Voor de resultaatmeting is gebruik gemaakt van een vragenlijst. Daarbij hebben we drie dimensies onderscheiden die gelieerd zijn aan het criterium (doel) van de ‘goede besluiten’: de statistische, de deliberatieve en de ervaringsdimensie. Aan die dimensies ontleden we meerdere stellingen die we hebben getoetst in de resultaatmeting. Daarnaast zijn nog stellingen voorgelegd (7) over het wonen in de Oosterparkwijk, stellingen (6) over het contact tussen verschillende groepen wijkbewoners en stellingen (3) omtrent participatie in de buurt. Hiermee zijn de secundaire opbrengsten (leefbaarheid, veiligheid en sociale cohesie) gemeten.

Breuer&Intraval / OIS – Basisevaluatie Coöperatieve WijkRaad Oosterparkwijk

6

Respons De respons op de vragenlijst staat vermeld in tabel 1. Met name de respons van 10% van de wijkbewoners op de vragenlijst (2-meting) of minder valt tegen. Het ophogen van de steekproef (van 1.000 bij de 0-meting naar 2.000 en 3.000 op respectievelijk de tweede en derde meting) had tot gevolg dat het aantal ingevulde vragenlijsten toenam. Het responspercentage bleef min of meer gelijk. Zelfs bij de derde meting toen de CWR wat meer bekendheid in de wijk had verworven en een door de burgemeester ondertekende brief werd gestuurd, nam de respons nauwelijks toe. De respons van de leden van de CWR en het wijkpanel ligt beduidend hoger. Zij zijn ook meer betrokken bij de CWR. Voor de 0-meting zijn 245 personen benaderd, het aantal leden dat op het moment van toetsing deel uitmaakte van de CWR en het wijkpanel. De vragenlijsten zijn voor de 1- en 2 meting verstuurd naar respectievelijk 410 en 419 personen verstuurd. De relatieve hoge respons op de 0-meting heeft misschien te maken met het feit dat leden van wijkraad en wijkpanel vrijwel meteen nadat ze hadden ingestemd met hun lidmaatschap een uitnodiging kregen voor de 0-meting. Het omgekeerde effect zien we bij de derde meting: wijkpanelleden voelen zich op een gegeven moment waarschijnlijk toch wat minder verbonden met de CWR.

Ook was er sprake van ‘technische non-respons’; leden van het wijkpanel waren bijvoorbeeld al verhuisd (zonder zich af te melden voor het panel). Tabel 1 Responsoverzicht enquêtes resultaatmeting

CWR en leden wijkpanel 155 van de 245 (59%) 123 van de 410 (30%) 85 van de 419 (20%)

0-meting 1-meting 2-meting

Wijk 90 van de 1.000 (9%) 133 van de 2.000 (7%) 310 van de 3.000 (10%)

Descriptieven We hebben de respondenten naar een aantal achtergrondkenmerken gevraagd. Achtereenvolgend geven we verdeling naar leeftijd/ geslacht, het opleidingsniveau en een indeling naar belangrijkste bezigheden (werk/ studie) van de respondenten. We kijken eerst naar de leeftijden van de respondenten. De respondenten uit de groep Wijkbewoners zijn gemiddeld iets jonger dan die in de CWR en het wijkpanel. Tabel 2 Indeling naar leeftijd en geslacht van de respondenten

CWR en leden wijkpanel man <25 25-45 45-65 >65

Achtergrond

vrouw 3% 27% 39% 30%

35% 43% 23%

Wijk

totaal 1 23 30 19

man vrouw totaal 5% 13% 28 42% 39% 117 34% 30% 93 19% 18% 54

7

In de tabel 3 vergelijken we het opleidingsniveau van beide respondentgroepen. Er zijn geen grote verschillen in opleidingsniveau tussen de respondentgroepen. Als we kijken naar de belangrijkste dagelijkse bezigheden van de respondenten, valt op dat in de responsgroep van de wijkbewoners wat meer studenten zitten en wat minder pensioengerechtigden. Tabel 3 Opleidingsniveau van de respondenten

CWR en leden wijkpanel geen lagere school lbo mavo/ vmbo mbo havo/ vwo hbo wo onbekend

Wijk

8% 8% 8% 10% 30% 27% 7%

2% 3% 3% 7% 6% 17% 32% 24% 5%

In tabel 4 zien we de percentages man/vrouw en leeftijdscategorieën voor respectievelijk wijk, het Wijkpanel, de respons op de laatste vragenlijst vanuit respectievelijk het Wijkpanel en de wijk. Tabel 4 Vergelijking totalen en respons wijk en wijkpanel Totaal Respons Leeftijd mannen

Wijk

Wijkpanel

Wijkpanel

wijk

<25

26%

11%

3%

5%

25-45

45%

44%

27%

42%

45-65

20%

32%

39%

34%

>65

9%

13%

30%

19%

Totaal Leeftijd vrouwen

Wijk

Respons

Wijkpanel

Wijkpanel

wijk

<25

26%

8%

25-45

44%

53%

35%

39%

45-65

20%

34%

43%

30%

>65

10%

5%

23%

18%

Wijkpanel

Wijkpanel

Totaal Geslacht

Wijk

13%

Respons wijk

Man

48%

52%

46%

41%

Vrouw

52%

48%

54%

59%

Breuer&Intraval / OIS – Basisevaluatie Coöperatieve WijkRaad Oosterparkwijk

8

Leeftijd/geslacht Als we kijken naar deelname aan het Wijkpanel, dan zijn dat vooral ‘oudere’ mannen (ouder dan 45) en vrouwen tussen 25 en 65 jaar. Jongeren (18-25) lijken niet zoveel op te hebben met deelname aan het Wijkpanel. Als ze al in het Wijkpanel zitten hebben ze relatief weinig belangstelling om vragenlijsten in te vullen. De respons vanuit de wijk lijkt meer op de populatie qua leeftijd zoals we die in de wijk aantreffen dan de respons vanuit het Wijkpanel. Zo is bij de respons van het Wijkpanel 66% van de vrouwen ouder dan 45 jaar. In de wijk zelf ligt dit percentage op 30%. Geslacht Als we kijken naar geslacht zien we dat in de Oosterparkwijk iets meer vrouwen (52%) wonen dan mannen (48%). Bij de deelnemers aan het Wijkpanel liggen die percentages net omgekeerd. Vanuit dat Wijkpanel vullen meer vrouwen dan mannen de aangeboden vragenlijst in. Dat aandeel vrouwen ligt bij de respons uit de wijk nog weer wat hoger.

1.5 Procesevaluatie Het belangrijkste doel van de procesevaluatie is samen met de CWR onderzoeken en vaststellen wat het beste werkt in de Oosterpark om het proces van het nemen van goede besluiten voor de wijk te optimaliseren. Aan de CWR lag nog geen in beton gegoten methodiek ten grondslag. De hoofdlijnen waren helder, maar hoe een en ander moet worden ingekleurd was bewust nog niet ingevuld. Door het terugkoppelen van de onderzoeksbevindingen kon de procesevaluatie bijdragen aan de ontwikkeling van de methodiek van de CWR. Voor de procesevaluatie zijn verschillende werkzaamheden verricht.

Respons loting CWR en wijkpanel Voor de CWR zijn gedurende de periode van het experiment 174 wijkbewoners ingeloot (zie figuur 2). Daarvan bleken 26 in een straat te wonen waar al een bestaand CWR-lid woonde, waardoor zij niet deel konden nemen aan de CWR. De overige 148 bewoners zijn allen persoonlijk benaderd om in de CWR zitting te nemen. In totaal hebben 20 van deze bewoners (verspreid over de experimentperiode) ‘ja’ gezegd tegen deelname aan de CWR. Figuur 2 Respons ingelote wijkbewoners CWR 174 wijkbewoners ingeloot

148 wijkbewoners benaderd

20 Wijkbewoners zitting genomen in CWR

26 bewoners niet benaderd, omdat zij in dezelfde straat wonen als een reeds zittend CWR-lid

Voor het inloten van het wijkpanel zijn twee steekproeven getrokken van elk 1.000 personen. Na het verwijderen van dubbelingen blijken in totaal 1.932 unieke personen te zijn benaderd voor het wijkpanel. Hiervan zijn 440 tot het panel toegetreden; een respons van 23%.

Achtergrond

9

Interviews CWR-leden Bij alle CWR-leden - zowel de wijkbewoners als de gemeenteraadsleden – zijn face-to-face meerdere interviews afgenomen in de vorm van een informeel gesprek. Daarbij onderscheiden we drie soorten interviews c.q. gesprekken: • Startgesprekken (voorafgaand aan de deelname van een CWR-lid): in dit gesprek wordt vooral ingegaan op de redenen die aspirant-leden van de CWR noemen om aan het experiment mee te doen en de verwachtingen die zij daarvan hebben. • Vervolggesprekken (zo’n zes tot twaalf maanden na het vorige gesprek): in dit gesprek wordt met name aandacht besteed aan hoe het gaat en of de ervaringen van het CWR-lid overeenkomen met de verwachtingen. • Eindgesprekken (bij beëindiging van deelname van een CWR-lid): in dit gesprek worden de ervaringen van het CWR-lid besproken en (vooral) wat de redenen zijn voor het beëindigen van deelname.

Respons interviews In figuur 3 is schematisch weergegeven hoeveel interviews van elke soort bij elke meting zijn gehouden. Er zijn bij de 0-meting in totaal 26 mensen gesproken. Er zijn 24 startgesprekken gevoerd met aspirant CWR-leden. Met twee andere aspirant-leden zijn ook interviews gehouden, maar zij nam en uiteindelijk geen of maar zeer kort zitting in de CWR (uitval). Hierdoor hebben er geen vervolg- of eindgesprekken met deze leden plaatsgevonden, maar de informatie uit dit eerste gesprek is wel in het onderzoek meegenomen. Bij de 1-meting hebben we 23 personen gesproken (5 startgesprekken, 12 vervolggesprekken en 6 eindgesprekken). Bij de 2-meting hebben 16 interviews plaatsgevonden (1 startgesprek, 11 vervolggesprekken en 4 eindgesprekken). Figuur 3 Responsoverzicht interviews procesevaluatie

0-meting

1-meting

2-meting

Totaal

24 startgesprekken

5 startgesprekken

1 startgesprek

30 startgesprekken

0 vervolggesprekken

12 vervolggesprekken

11 vervolggesprekken

23 vervolggesprekken

0 eindgesprekken

6 eindgesprekken

4 eindgesprekken

10 eindgesprekken

2 uitgevallen

Breuer&Intraval / OIS – Basisevaluatie Coöperatieve WijkRaad Oosterparkwijk

2 uitgevallen

10

Bijwonen bijeenkomsten wijkraad In de wijkraad zitten wijkbewoners en raadsleden, die regelmatig bij elkaar komen. De onderzoekers zijn bij meerdere (zowel besloten als openbare) vergaderingen, kwartaaldagen en bijeenkomsten aanwezig geweest. Zo hebben wij een algemeen beeld kunnen verkrijgen van hoe de overleggen zijn ingericht en hoe het uitvoeringsproces in de praktijk is verlopen.

Interviews betrokkenen Bij de in- en uitvoering van de CWR zijn naast de leden van de wijkraad meer personen betrokken. Enkele leden van de initiatiefgroep (actief in de voorbereidende fase van de CWR) alsmede ondersteuners van de CWR zijn daarom tijdens de in- en uitvoering van de CWR geïnterviewd. In de interviews zijn we ingegaan op hun ervaringen met het verloop van het experiment en hebben we aandacht besteed aan de vraag hoe zij oordelen over de CWR als methode voor meer en betere participatie en zeggenschap van wijkbewoners.

Dossierstudie Naast het bijwonen van bijeenkomsten en het houden van (groeps)gesprekken hebben we ook de verslagen opgevraagd van de bijgewoonde en de andere overlegmomenten van de wijkraad en andere betrokkenen. De verslagen van de overlegmomenten en andere relevante documenten hebben ons van aanvullende informatie voorzien over hoe het proces verloopt.

Achtergrond

11

Breuer&Intraval / OIS – Basisevaluatie Coöperatieve WijkRaad Oosterparkwijk

12

2. RESULTAATMETING Zoals genoemd in het vorige hoofdstuk moet de resultaatmeting uitwijzen in hoeverre het belangrijkste doel van de Coöperatieve Wijkraad – het nemen van goede besluiten – wordt bereikt. Voor dit doel zijn drie schalen ontwikkeld met elk een aantal items. Dit zijn: 1. Statistische Schaal (5 items): deze meet of er genoeg (en genoeg verschillende) groepen mensen betrokken worden bij het nemen van besluiten. 2. Deliberatieve Schaal (6 items): deze meet of er voldoende (goed) overleg heeft plaatsgevonden voordat er besluiten zijn genomen. 3. Ervaringsschaal: (5 items): deze meet of wijkbewoners begrip hebben voor de uiteindelijk genomen beslissingen en de manier waarop de besluitvorming tot stand komt.

Secundaire opbrengsten in de wijk Daarnaast hebben we 16 items opgenomen die vragen naar de ervaren leefbaarheid, veiligheid en sociale cohesie in de Oosterparkwijk. Deze hebben we meegenomen omdat, als we een positieve ontwikkeling zien met betrekking tot de drie bovengenoemde schalen, we ook een positieve ontwikkeling verwachten voor ervaren leefbaarheid, veiligheid en sociale cohesie. De opgenomen items betreffen 7 stellingen over de Oosterparkwijk, 6 stellingen over het contact tussen verschillende groepen bewoners en 3 over participatie in de buurt. De uitkomsten van de drie metingen zijn te vinden in bijlage 1. In dit rapport vergelijken we de verschillen in de antwoorden op de nulmeting (begin van de CWR) en de derde meting (einde van het experiment). We gaan statistisch toetsen of de verschillen tussen nul- en derde meting significant zijn of niet. Dat betekent dat we kijken naar de kans dat de antwoorden van respectievelijk de CWR leden en de groep wijkbewoners die meedoen aan ons onderzoek gelden voor de gehele CWR en álle wijkbewoners. Als die kans groter is dan 90% noemen we zo’n uitkomst significant. De statistische toets die we gebruiken om dit vast te kunnen stellen, is de Chi-kwadraat toets.1

2.1 De Statistische Schaal ‘Genoeg (en genoeg verschillende) groepen mensen worden betrokken bij het nemen van besluiten in de wijk.’ De Statistische Schaal bestaat uit vijf stellingen: Bij de besluiten die in de wijk worden genomen … …worden voldoende wijkbewoners betrokken. …wordt genoeg moeite gedaan om minder actieve wijkbewoners te vragen wat zij van een onderwerp vinden. … is te weinig aandacht voor de mening van de wijkbewoners. … wordt aan zoveel mogelijk verschillende mensen in de wijk om hun mening gevraagd. … wordt ook geluisterd naar wijkbewoners die normaal niet zo snel op de voorgrond treden. 1 Zie ook bijlage 2

Resultaatmeting

13

De scores op de schaal komen tot stand door de scores op de vijf stellingen bij elkaar op te tellen2 en te delen door vijf. Elke stelling krijgt dus hetzelfde gewicht mee. De gemiddelde score op de vijf stellingen bepaalt de score op de Statistische Schaal. Scores op de Statistische Schaal Als we de schaal gaan toetsen zien we onderstaand resultaat voor de combinatie CWR/ Wijkpanel en voor de wijkbewoners. Het eerste oranje balkje (41%) in de figuur betekent dus dat gemiddeld genomen (over de vijf stellingen van de Statistische Schaal) 41% van de leden van de CWR/Wijkpanel het - op de 2-meting - eens was met de samengestelde score over de stellingen. Figuur 2.1 Ontwikkelingen op de ‘Statistische dimensie’ (1= CWR + Wijkpanel, 2 = Wijkbewoners).

Statische dimensie 60% 50% 40% 30% 20% 10%

nulmeting

t tn ie

ns

2. W ee

2. Ee n

2. On ee

ns

2. Ee n

s/ on ee

s

t tn ie

ns

1. W ee

1. On ee

s/ on ee

1. Ee n

1. Ee n

s

ns

0%

derde meting

De verschillen tussen nul- en derde meting, zoals zichtbaar in figuur 1, zijn voor beide groepen (net) niet significant. Dit betekent dat de gevonden uitkomsten weliswaar tenderen in de gewenste richting, namelijk meer mensen zijn het bij de derde meting eens met de stellingen en minder mensen oneens, maar we weten niet 90% zeker dat dit geldt voor het hele CWR/Wijkpanel en/of alle wijkbewoners. De scores op de nul- en derde meting van de vijf onderliggende stellingen zijn terug te vinden in bijlage 1. Als we bij deze stellingen verschillen vinden tussen de nul- en derde meting is dit aangegeven met een * (significant verschil p<0,1) of ** (sterk significant verschil p<0,05).3 2 Sommige items moeten eerst gespiegeld worden voordat je ze bij een totaal kunt optellen. De zogenaamde

negatief geformuleerde stellingen. Voor deze vijf items geldt dat voor stelling 3: ‘Bij de besluiten die in de wijk worden genomen is te weinig aandacht voor de mening van wijkbewoners’. 3 Dat we bij sommige stellingen wel verschillen vinden tussen nul- en derde meting, en bij de schaal die op die stellingen is gebaseerd niet, is niet vreemd. Bij een schaalconstructie vinden we vaak iets minder variantie in scores dan bij de onderliggende stellingen. Je zou kunnen zeggen dat die varianties op de onderliggende stellingen in een schaalconstructie de neiging hebben ‘een beetje tegen elkaar uit te middelen’.

Breuer&Intraval / OIS – Basisevaluatie CWR Oosterparkwijk

14

2.2 De Deliberatieve Schaal ‘Heeft er voldoende (goed) overleg plaatsgevonden voordat er besluiten zijn genomen?’ De Deliberatieve Schaal is gebaseerd op de volgende zes items: Er worden in de wijk besluiten genomen… …als er genoeg kennis over het onderwerp is verzameld. … zonder dat er van verschillende kanten naar het onderwerp is gekeken. … als de voors- en tegens van verschillende opties goed zijn doorgenomen. … als er voldoende overleg is geweest over het onderwerp. … zonder dat het onderwerp voldoende met de inwoners van de wijk is doorgesproken. … als er moeite is gedaan om met zoveel mogelijk partijen over het onderwerp te spreken.

Scores op de Deliberatieve Schaal Als we kijken naar de Deliberatieve Schaal zien we onderstaand resultaat voor de combinatie CWR/ Wijkpanel en de Wijkbewoners. Figuur 2.2 Ontwikkelingen op de ‘Deliberatieve dimensie’ (1= CWR + Wijkpanel, 2 = Wijkbewoners).

Deliberatieve dimensie 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10%

nulmeting

t tn ie

ns

2. W ee

2. On ee

ns

s

s/ on ee

2. Ee n

2. Ee n

t tn ie

ns

1. W ee

1. On ee

s/ on ee

1. Ee n

1. Ee n

s

ns

0%

derde meting

De verschillen tussen nul- en derde meting zijn significant voor beide groepen (p< 0,05). Dat betekent dat nu meer mensen vinden dat “er voldoende (goed) overleg heeft plaatsgevonden voordat er besluiten zijn genomen” dan toen de Coöperatieve Wijkraad net was begonnen. De verschillen tussen de uitkomsten bij de Wijkbewoners zijn kleiner dan die bij de CWR + Wijkraad. Belangrijk om hierbij te vermelden is dat van de drie dimensies die zijn getoetst de deliberatieve (het beste overleg) het dichtste ligt bij de kern van wat de Coöperatieve Wijkraad beoogt, namelijk het nemen van goede besluiten.

Resultaatmeting

15

2.3 De Ervaringsschaal ‘Hebben betrokkenen begrip voor de uiteindelijk genomen beslissingen en de manier waarop de besluitvorming tot stand komt?’ De Ervaringsschaal is gebaseerd op de volgende vijf items: Voor de meeste besluiten in de wijk geldt dat … … ik me daar persoonlijk in kan vinden. … ik niet begrijp waarom juist dat besluit is genomen. … ik niet het gevoel heb dat ik er invloed op heb gehad (of had kunnen hebben). … ik er begrip voor kan opbrengen, ook als ik het er niet mee eens ben. … ik het geen goede beslissing voor de wijk vind.

Scores op de Ervaringsschaal De verschillen tussen nul- en derde meting op de Ervaringsschaal staan vermeld in figuur 3. Figuur 2.3 Ontwikkelingen op de ‘Ervaringsdimensie’ (1= CWR + Wijkpanel, 2 = Wijkbewoners).

Ervaringsdimensie 60% 50% 40% 30% 20% 10%

nulmeting

t tn ie

ns

2. W ee

2. On ee

2. Ee n

s/ on ee

2. Ee n

ns

s

t tn ie

ns

1. W ee

1. On ee

ns s/ on ee

1. Ee n

1. Ee n

s

0%

derde meting

De metingen laten geen significante verschillen zien voor de CWR/het Wijkpanel en ook niet voor de Wijkbewoners.

2.4 Secundaire maten Leefbaarheid en Sociale cohesie In de vragenlijst zijn nog een aantal andere stellingen opgenomen. Het gaat hier om wat ook wel ‘secundaire’ of afgeleide maten worden genoemd. De reden hiervoor is dat we veronderstellen dat, als het de bewoners lukt om steeds betere besluiten voor de wijk te nemen, de leefbaarheid en de Sociale cohesie in de wijk ook zal toenemen. Dat gaan we testen door de sores op de meegenomen stellingen over Leefbaarheid en Sociale cohesie van de

Breuer&Intraval / OIS – Basisevaluatie CWR Oosterparkwijk

16

derde meting te vergelijken met die van de nulmeting. Deze stellingen zijn overgenomen uit de enquête Leefbaarheid en Veiligheid die elke twee jaar in de hele gemeente wordt afgenomen. Nu kunnen we twee zaken met elkaar vergelijken: 1. Zijn de scores op Leefbaarheid en Sociale cohesie in de Oosterparkwijk verbetert? Verschil tussen nul- en derde meting. 2. Zijn de scores op Leefbaarheid en Sociale cohesie in de Oosterparkwijk meer verbetert (of verslechtert) dan elders in de stad? Deze paragraaf probeert op beide vragen een antwoord te geven. 2.4.1 Zijn de scores op Leefbaarheid en Sociale cohesie in de Oosterparkwijk verbeterd? Leefbaarheid en Sociale cohesie 1. De Oosterpark is een prettige buurt/wijk. Als we kijken naar de figuren op blad 17 tot en met blad 29 in bijlage 1, vinden we daar geen ondersteuning voor. Voor één van de uitgevraagde stellingen vinden we wel een significant verschil. De leden van de CWR en het Wijkpanel zijn het in de derde meting vaker eens met de stelling “Ik heb weinig contact met andere bewoners in de buurt”. Een uitkomst die dus anders uitvalt dan we hadden verwacht. Leefbaarheid en Sociale cohesie 2. De mate van contact tussen de verschillende bewonersgroepen in de wijk Oosterpark We zien geen verschil in de mate van contact tussen de verschillende bewonersgroepen bij de nul- en derde meting. Leefbaarheid en Sociale cohesie 3.

Mate waarin mensen actief zijn in de buurt. De scores op deze secundaire maat verschillen op de derde meting niet of nauwelijks met die van de nulmeting. Om die reden laten we alleen de percentages van de derde meting zien. Aan de respondenten is gevraagd hoe vaak ze actief waren in de Oosterparkwijk. Tabel 2.1 Hoe vaak heeft u zich in de afgelopen 12 maanden actief ingezet voor uw woonbuurt?

Meerdere keren per week Eén keer per week Twee of drie keer per maand Eén keer per maand Minder dan één keer per maand Weet niet

Resultaatmeting

CWR/WR

Wijkbewoners

4% 3% 11% 16% 53% 14%

5% 3% 4% 7% 53% 28%

17

Op de vraag of respondenten zich in de toekomst wilden inzetten voor de buurt reageerden zij als volgt: Tabel 2.2 Wilt u zich actief gaan (of blijven) inzetten voor uw woonbuurt?

Ja, regelmatig Ja, af en toe Nee Weet niet

CWR/WR

Wijkbewoners

14% 62% 15% 9%

9% 37% 31% 23%

De leden van de CWR/ de Wijkraad hebben iets meer de neiging zich actief te gaan of blijven inzetten. Tot slot vroegen wij de respondenten of ze zich verantwoordelijk voelden voor de buurt. Tabel 2.3 Voelt u zich medeverantwoordelijk voor de leefbaarheid in uw buurt?

Ja Nee Weet niet

CWR/WR

Wijkbewoners

88% 7% 5%

73% 13% 14%

Met betrekking tot het zich verantwoordelijk voelen zien we geen verschuiving ten opzichte van beide vorige (nul- en eerste) metingen. 2.4.2 Zijn de scores op Leefbaarheid en Sociale cohesie in de Oosterparkwijk meer verbeterd (of verslechtert) dan elders in de stad? Op dit moment zijn er nog niet echt recente cijfers van de enquête Leefbaarheid en Veiligheid binnen. De meest recente gegevens zijn verzameld in het najaar van 2018. De Coöperatieve Wijkraad was op dat moment krap aan een jaar actief. Gemiddeld in de stad zien we in 2018 een lichte verbetering van de scores op Leefbaarheid en Sociale cohesie. Die verbetering blijft voor alsnog uit in de Oosterparkwijk. Dat geldt zowel voor de enquête Leefbaarheid en Veiligheid als ons eigen onderzoek onder buurtbewoners en CWR-leden. Het verdient aanbeveling op het moment dat de gegevens van de enquête van 2020 beschikbaar zijn nog eens naar de ontwikkeling in de Oosterparkwijk te kijken.

2.5 Conclusie Resultaatmeting Puntsgewijs volgen hier de belangrijkste uitkomsten uit de resultaatmeting: 1. De resultaatmeting geeft een positief beeld te zien met betrekking tot het hoofddoel dat de Coöperatieve Wijkraad zich heeft gesteld: “Er worden goede besluiten door de CWR genomen voor de Oosterparkwijk.”

Breuer&Intraval / OIS – Basisevaluatie CWR Oosterparkwijk

18

Voor vrijwel alle stellingen die gedurende de looptijd van het experiment zijn voorgelegd aan de CWR en het Wijkpanel enerzijds en een steekproef van wijkbewoners anderzijds, geldt dat er een positieve tendens zichtbaar is richting de gewenste uitkomst. In een aantal gevallen is er sprake van een significante vooruitgang als we de derde meting vergelijken met de eerste (nulmeting). 2. De aan beide groepen respondenten voorgelegde stellingen vormen tezamen drie schalen die zijn gemeten op verandering over tijd: • Statistische Schaal: worden er genoeg (en genoeg verschillende) groepen mensen betrokken bij het nemen van besluiten. • Deleberatieve Schaal: heeft er voldoende (goed) overleg plaatsgevonden voordat er besluiten zijn genomen. • Ervaringsschaal: hebben betrokkenen begrip voor de uiteindelijk genomen beslissingen en de manier waarop de besluitvorming tot stand komt. Voor de Deliberatieve Schaal geldt dat er significant verschil (p< 0,05) tussen beide metingen is gevonden voor zowel CWR/ Wijkpanel als de Wijkbewoners. Dit is ook de belangrijkste van de drie schalen: inhoudelijk representeert die het meest het gestelde hoofddoel.

Met betrekking tot de ontwikkeling van de Secundaire maten Leefbaarheid en Sociale cohesie constateren we het volgende: Als we kijken naar de scores op Leefbaarheid en Sociale cohesie zien we bij de derde meting dat er nog geen positieve ontwikkeling zichtbaar is t.o.v. de nulmeting. In de gemeentelijke Leefbaarheid en Veiligheidsenquête zien we ook geen ontwikkeling m.b.t. deze scores voor de Oosterparkwijk in de periode 2018-2016. Interessant is het wellicht om als de gegevens van 2020 beschikbaar zijn, die gegevens nogmaals te vergelijken met die uit de enquêtes voor de Coöperatieve Wijkraad. Dit omdat we dan gegevens hebben die qua tijdsspannen met elkaar matchen.

Resultaatmeting

19

Breuer&Intraval / OIS – Basisevaluatie CWR Oosterparkwijk

20

3. PROCESEVALUATIE

Hieronder doen we verslag van de bevindingen over de procesevaluatie aan de hand van de drie onderscheiden dimensies statistisch, deliberatief en ervaring. In de interviews met de CWR-leden hebben we steeds achtereenvolgens de volgende onderwerpen behandeld: deelname aan de CWR; doelbereiking van de CWR; samenstelling van de CWR; overlegstructuur; het wijkpanel; en de samenwerking met de rest van de wijk. Met behulp van deze informatie is inzichtelijk gemaakt hoe het proces is verlopen en in hoeverre de doelen van de CWR daarmee worden bereikt. Ook bespreken we enkele niet voorziene neveneffecten en randvoorwaarden die naar voren zijn gekomen in de interviews.

3.1 Statistische dimensie Zoals uiteengezet in het eerste hoofdstuk, bestaat het nemen van goede besluiten (hoofddoel van de CWR) uit drie dimensies. De eerste daarvan, de statistische dimensie, stelt dat de kans dat de CWR een andere beslissing neemt dan de wijk zou hebben genomen acceptabel klein moet zijn. Het kenmerk van deze dimensie is dat de CWR een goede afspiegeling vormt van de wijk. Met andere woorden, de CWR moet representatief zijn voor de wijk en andere bewoners bij het nemen van besluiten zien te betrekken. We identificeren één stimulator (versterkende factor) voor de statistische dimensie, die hand in hand gaat met de representativiteit van de CWR, namelijk de diversiteit. Hoe meer divers de samenstelling van de CWR en het wijkpanel zijn qua achtergrond van de leden en hun zienswijzen, des te groter de kans is dat alle verschillende meningen uit de wijk ook ter tafel komen en de CWR een goede afspiegeling is van de wijk.

Loting Het eerste aspect dat is opgenomen in het ontwerp van de CWR om alle perspectieven c.q. belangen in de wijk te vertegenwoordigen, is (volledig aselecte) loting. Door het toepassen van loting is de kans op deelname aan de CWR voor alle wijkbewoners gelijk. De uiteindelijke samenstelling van de CWR is erdoor, volgens de CWR-leden, erg divers geworden. Dit komt de representativiteit van de CWR ten goede. Het lotingssysteem heeft volgens de leden als grote voordeel dat de CWR niet bestaat uit wijkbewoners die zich al regelmatig inzetten voor de wijk. Vrijwel alle geïnterviewde CWR-leden geven aan dat zij zich hoogstwaarschijnlijk niet hadden aangemeld voor het experiment als niet voor het lotingssysteem was gekozen. Het feit dat zij zijn ingeloot en vervolgens persoonlijk (face-to-face) zijn benaderd heeft hen gemotiveerd om in de CWR zitting te nemen.

Groepsdynamiek Dat de samenstelling van de CWR zeer divers is, maakt de CWR representatiever. Immers, een diverse groep wijkbewoners met verschillende achtergronden en meningen zijn in de CWR

Procesevaluatie

21

vertegenwoordigd. De kans dat alle verschillende meningen uit de wijk ter tafel komen is hierdoor groter. Echter, intern hebben de verschillen tussen de CWR-leden (qua gedrag, opvattingen, normen en waarden) in enkele gevallen ook tot de nodige frictie en incidenten geleid. Er is een ‘heftige groepsdynamiek’ ontstaan, waardoor enkele leden nauwelijks meer met elkaar wilden samenwerken. Enkele CWR-leden geven aan dat dit wellicht voorkomen had kunnen worden door de groep elkaar eerst beter te laten leren kennen, alvorens inhoudelijk met elkaar in discussie te gaan. Naast de diversiteit van de CWR-leden speelt ook een rol dat aan het begin van het experiment het doel, de structuur en de rollen van wijkbewoners en gemeenteraadsleden niet duidelijk waren. Hier gaan we later in dit hoofdstuk nader op in.

Zelfselectie Ondanks het feit dat de CWR een diverse groep is, zijn volgens de betrokkenen niet alle groepen uit de wijk vertegenwoordigd. Niet alle ingelote wijkbewoners wilden immers deelnemen aan de CWR. Dat niet alle groepen vertegenwoordigd zijn lijkt niet zozeer een gevolg van loting, maar van een gebrek aan draagvlak of betrokkenheid binnen specifieke groepen wijkbewoners. De geïnterviewde betrokkenen betwijfelen of alle groepen wel vertegenwoordigd zou zijn geweest bij gebruik van een ander (loting)systeem. Bovenstaande illustreert het probleem van ‘zelfselectie’, waarvan sprake kan zijn bij volledig aselecte loting. Zelfselectie wordt in dit verband veroorzaakt doordat ingelote wijkbewoners nog steeds zelf de keuze hebben om al dan niet zitting te nemen in de CWR. Zij selecteren zichzelf, omdat zij immers niet tot deelname verplicht zijn. Als alle ingelote wijkbewoners ‘ja’ hadden gezegd tegen deelname, dan was de representativiteit van de CWR vrijwel per definitie gegarandeerd, maar in de praktijk zullen sommige mensen eerder zitting nemen in de CWR dan andere. Daardoor bestaat er enerzijds een kans dat een groep bewoners met specifieke kenmerken in de CWR zitting neemt (lijkt in dit experiment niet het geval te zijn) en anderzijds een kans dat een specifieke groep bewoners niet wil deelnemen (lijkt in dit experiment wel het geval te zijn).

Wijkpanel Een tweede onderdeel om de representativiteit van de CWR te borgen betreft het zogenoemde wijkpanel. Het wijkpanel bestaat uit 400 wijkbewoners die net als de leden van de CWR (aselect) zijn ingeloot. De CWR kan het wijkpanel (digitaal) consulteren over zaken die de wijk aangaan. Het aantal van 400 wijkpanelleden is bewust gekozen, omdat dit (statistisch gezien) representatief is voor de gehele wijk. Deze redenering gaat echter alleen op als de samenstelling van het wijkpanel vergelijkbaar is met die van de gehele wijk en als de respons van het panel op vragen vanuit de CWR hoog genoeg is. Uit de resultaatmeting blijkt dat dit niet het geval is: de samenstelling van het wijkpanel wijkt af van de demografische kenmerken van de Oosterparkwijk en niet alle panelleden reageren op alle vragen. Alhoewel alle betrokkenen het wijkpanel als een uiterst nuttig toetsingsinstrument beschouwen, geven zij aan dat het in de huidige samenstelling niet de representativiteit van de wijk voor de CWR kan waarborgen. Uit de interviews komen twee oplossingsrichtingen naar voren. De ene helft van de CWR-leden is van mening dat het wijkpanel alleen echt bruikbaar is

Breuer&Intraval / OIS – Basisevaluatie Coöperatieve WijkRaad Oosterparkwijk

22

als het wordt gecombineerd met het ‘de straat op gaan’ om de wijk mee te nemen in het proces en derhalve de representativiteit te verhogen. Dat is in hun optiek tot op heden te weinig gedaan en zou dus in de toekomst meer moeten gebeuren. De andere helft van de CWR-leden geeft aan dat het in hun optiek juist niet de bedoeling is om zelf alle meningen te inventariseren in de wijk. Als het wijkpanel geen afspiegeling van de wijk is, dan zou daar in de toekomst op moeten worden bijgestuurd, zodat dit wel het geval is.

3.2 Deliberatieve dimensie De tweede onderscheiden dimensie is de deliberatieve dimensie. Aan de hand van de ontstane overlegstructuur bespreken hoe deze dimensie is ingevuld. Vervolgens zoomen we in op enkele stimulatoren (versterkende factoren) van deze dimensie om beter te begrijpen waarom dit al dan niet het geval is. De stimulatoren hebben alle betrekking op hoe het overleg c.q. de deliberatie binnen de CWR heeft plaatsgevonden. Als in een overleg sprake is van gelijkheid, oprechtheid, vrijheid en rationaliteit in combinatie met een adequate groepsomvang (niet te groot en niet te klein), dan kan optimale deliberatie plaatsvinden.

Gekozen overlegstructuur De wijze waarop overleg c.q. deliberatie plaatsvindt om tot goede besluiten voor de wijk te komen is niet vooraf vastgelegd. Er is wat dat betreft geen blauwdruk; de CWR heeft de vrijheid gekregen zelf te beslissen over de te hanteren overlegstructuur, met als spelregels dat de bijeenkomsten openbaar zijn en dat het voorzitterschap één van de wijkbewoners ten deel valt. Uiteindelijk is binnen deze kaders overlegstructuur op basis van vergaderingen ontstaan; in de beginperiode nog besloten en later - conform spelregels - openbaar. Bij de openbare vergaderingen mogen wijkbewoners en andere belangstellenden aanwezig zijn en inspreken. Buiten de vergaderingen om wordt gewerkt in werkgroepen. De vergaderfrequentie betrof aanvankelijk één keer in de twee week, maar is later verlaagd naar één keer per maand. Naast de reguliere ‘grote’ vergaderingen kent de CWR ook - later geïntroduceerde - werkgroepen (bestaande uit enkele leden van de CWR) die buiten de vergaderingen om aan specifieke thema’s werken. Zo zijn er werkgroepen voor ‘verkeer’, ‘milieu’ en ‘communicatie’.

Vergadering De overlegstructuur is volgens vrijwel alle betrokkenen ‘formeel’ geworden. Ondanks dat er geen regels waren over hoe de CWR zou moeten overleggen is al vrij snel gekozen voor de vorm van een (openbare) vergadering met een agenda en een voorzitter. Over of dit een goede keuze is geweest zijn de meningen verdeeld. Volgens sommige CWR-leden is dit een goede keuze. De eerste bijeenkomsten verliepen chaotisch. Die situatie is opgelost door een strak formeel en gestructureerd proces in te richten. Andere CWR-leden vinden de structuur te formeel. Zij geven aan het jammer te vinden dat de CWR een ‘mini-gemeenteraad’ is geworden voor de wijk. Het maakt van de CWR volgens hen een instituut zoals elk ander overheidsorgaan. Enkele wijkbewoners merken op dat mede door de aanwezigheid van gemeenteraadsleden snel is teruggegrepen op een traditionele c.q. formele manier van besluitvorming, namelijk een

Procesevaluatie

23

(openbare) vergadering. Sommige CWR-leden vinden dat niet ‘per sé verkeerd’, maar vragen zich af welke overlegvorm was ontstaan als er alleen wijkbewoners in de raad hadden gezeten. Daarentegen zeggen andere wijkbewoners dat de CWR dan waarschijnlijk nog steeds geen structuur had gehad en dat er wellicht (nog) meer persoonlijke geschillen tussen wijkbewoners waren ontstaan. Zij hechten grote waarde aan de houvast die een meer formele vergadering biedt.

Introductie werkgroepen De introductie van ‘werkgroepen’ is volgens de meeste CWR-leden een goede zet geweest. De werkgroepen bestaan uit een beperkt aantal CWR-leden die buiten de vergaderingen om bij elkaar komen om een specifiek onderwerp te behandelen. Er zijn onder andere werkgroepen voor ‘verkeer’, ‘milieu’ en ‘communicatie’ ingesteld. De werkgroepen koppelen hun voortgang bij de openbare vergaderingen terug aan de andere CWR-leden. Het is volgens de meeste CWR-leden een goede manier om sneller tot concrete acties te komen. Wel wordt hierbij opgemerkt dat er bij de terugkoppeling tijdens de ‘grote’ vergadering soms frictie ontstaat, als blijkt dat werkgroepen geen verslag hebben gemaakt van hun overleg en gedane acties. Ondanks dat de meeste betrokkenen positief zijn over de introductie van werkgroepen, benoemen zij ook een keerzijde. Het verzamelen van kennis en het overleg over mogelijke oplossingen vindt vooral plaats binnen de werkgroepen. Daardoor is het op goede wijze delen van informatie tijdens de grote vergaderingen van groot belang. In theorie bereiden de werkgroepen samen met de wijk een besluit voor en komen zij tijdens de grote vergadering met een voorstel en bijbehorende argumentatie. Op basis hiervan kan een besluit worden genomen door de voltallige CWR.

In de praktijk liet de informatiedeling en argumentatie vanuit de werkgroepen doorgaans te wensen over, aldus de CWR-leden, waardoor besluiten moeizamer of niet konden worden genomen.

Vergaderfrequentie In eerste instantie wordt door de CWR tweewekelijks vergaderd. De vergaderingen worden gehouden in de avonduren en duren ongeveer twee uur. Bij de eerste vervolgmeting blijkt dat enkele CWR-leden niet tevreden zijn over de tweewekelijkse vergaderfrequentie. In hun optiek zou er ook minder frequent kunnen worden vergaderd. Zij stellen dan dat de tweewekelijkse vergaderingen veel tijd kosten, hetgeen ten koste gaat van de contacten met andere wijkbewoners. Ook zijn er doorgaans veel afwezigen, waardoor vaak geen besluiten kunnen worden genomen. Niet alle CWR-leden zijn het hier mee eens. Voorstanders van de oorspronkelijke (hogere) vergaderfrequentie vinden dat door regelmatig te vergaderen juist vaart in de verschillende processen kan worden gehouden. Zij lijken veel waarde te hechten aan de informatiedeling tijdens de reguliere vergaderingen. Op basis van de vergaderfrequentie - ten minste één keer per maand - kan worden vastgesteld dat er, in elk geval qua kwantiteit, voldoende overleg heeft plaatsgevonden. Ook het feit dat er later werkgroepen zijn geïntroduceerd - waarvan de meesten buiten de vergaderingen om gemiddeld tweewekelijks met elkaar overleg hadden - maakt dat dit kenmerk van de

Breuer&Intraval / OIS – Basisevaluatie Coöperatieve WijkRaad Oosterparkwijk

24

deliberatieve dimensie lijkt te zijn gerealiseerd. Later in dit hoofdstuk, als we ingaan op de stimulatoren voor deliberatie, zetten we uiteen dat dit niet per sé betekent dat het overleg ook kwalitatief goed is geweest.

Besluitvormingsproces Uit de interviews met de CWR-leden blijkt dat het nemen van beslissingen vaak lang duurt en dat zij het besluitvormingsproces als ‘stroperig’ en ‘traag’ ervaren. Dat heeft volgens hen enerzijds te maken met de afspraak die is gemaakt om alle informatie te delen door het ‘op schrift’ te zetten. Er gaat vaak veel tijd verloren voordat er over een plan een beslissing kan worden genomen. Anderzijds is in de spelregels van de CWR opgenomen dat beslissingen alleen kunnen worden genomen nadat er over is gestemd. De stemming kan alleen plaatsvinden als minstens de helft van de CWR-leden aanwezig is, waarvan ten minste drie gemeenteraadsleden. Als er niet genoeg aanwezigen zijn, wordt de stemming doorgeschoven naar de volgende vergadering. Doordat alle informatie in theorie op schrift beschikbaar is en er een minimaal aantal CWR-leden aanwezig moet zijn om een besluit te kunnen nemen, kan worden beredeneerd dat er genoeg CWR-leden bij een besluit worden betrokken of - in ieder geval - betrokken hadden kunnen zijn. In de praktijk blijkt echter dat lang niet alle werkgroepen hun acties op papier zetten en dat de verslagen van die dat wel doen om verschillende redenen niet altijd worden geraadpleegd door de andere leden.

Dit ondermijnt tevens het kenmerk van de deliberatieve dimensie dat er voldoende kennis over een onderwerp is verzameld op basis waarvan een goed besluit kan worden genomen. Immers, als informatie van de werkgroepen niet goed wordt gedeeld, is de kennis niet bij iedereen voorhanden bij het nemen van een besluit.

Loting en openbaarheid vergaderingen Door het toepassen van loting hebben niet alleen burgers die zich al regelmatig inzetten voor de wijk zitting in de CWR genomen, maar zijn ook andere (normaliter minder actieve) burgers bij de besluitvorming betrokken geraakt. Met de openbaarheid van de vergaderingen is tevens geprobeerd om andere minder actieve burgers te betrekken bij de besluitvorming, maar dit lijkt minder succesvol te zijn geweest. De mogelijkheid tot inspraak is wel aan alle andere wijkbewoners geboden, maar het aantal andere wijkbewoners dat bij de openbare vergaderingen aanwezig was, bleek doorgaans niet hoog. Als wijkbewoners een bezoek brachten aan de CWR, dan was dit volgens de CWR-leden vrijwel altijd met een persoonlijke hulpvraag1 en niet vanuit algemene betrokkenheid bij de wijk. De meeste andere bezoekers van de openbare vergadering waren leden van in de wijk actieve organisaties of instanties, geïnteresseerde journalisten of betrokken onderzoekers. Enkele leden benoemen als punt van zorg dat zij soms het idee krijgen dat de CWR een verkapt ‘subsidieloket’ is geworden. Zij geven aan dat de wijkbewoners die de CWR in het eerste jaar wel hebben weten te vinden, vooral op zoek zijn naar financiële ondersteuning voor een initiatief.

Bij vergaderingen worden volgens enkele CWR-leden met grote regelmaat 1 Voorbeelden hiervan zijn diverse subsidieaanvragen, vragen over het veranderen van een parkeervergunning,

vragen over een vergunning voor een oliebollenkraam en een verzoek voor het met nieuw graszaad inzaaien van een groenperk.

Procesevaluatie

25

subsidieaanvragen behandeld. Volgens hen heeft dit te maken met het feit dat er bij de uitrol van de CWR veel nadruk is gelegd op het budget van €200.000,- waar de CWR zeggenschap over heeft. De leden die dit aandachtspunt benoemen vinden het verstrekken van subsidies aan wijkinitiatieven absoluut een goede zaak, maar zijn van mening dat de CWR niet uitsluitend daarvoor in het leven is geroepen. Mede naar aanleiding van de situatie omtrent de subsidieaanvragen heeft de CWR ‘Oosterpark, altijd een goed idee’ in het leven geroepen. In plaats van het aanvragen van subsidies tijdens de vergaderingen, kunnen wijkbewoners via de website www.stemvan.groningen.nl hun ideeën doorgeven. Vervolgens kan op de ideeën worden gestemd. De ideeën met meeste stemmen worden samen met de bedenkers ervan uitgevoerd. In totaal hebben meer dan 1.000 wijkbewoners via de website gestemd op ideeën voor de Oosterparkwijk, hetgeen heeft geresulteerd in 11 ideeën die inmiddels zijn en worden uitgevoerd. Er was veel animo voor dit initiatief met behulp waarvan wijkbewoners kunnen meebeslissen over de besteding van geld aan projecten in de wijk.2

Stimulatoren voor deliberatie Om beter te begrijpen waarom bepaalde kenmerken van de deliberatieve dimensie niet volledig zijn gerealiseerd kan worden gekeken naar enkele stimulatoren voor deliberatie. Dat wil zeggen, versterkende factoren die - als zij aanwezig zijn - een positieve invloed hebben over hoe het overleg in de CWR plaatsvindt. We behandelen achtereenvolgens: gelijkheid, oprechtheid, vrijheid, rationaliteit en groepsomvang.

Gelijkheid Er is in theorie sprake van gelijkheid in het overleg van de CWR. De CWR-leden geven aan dat zij zich vrij voelen om hun mening te geven en ook de onderzoekers constateren dat die ruimte er is tijdens de vergaderingen. Echter, niet alle CWR-leden maken daadwerkelijk gebruik van de mogelijkheid om hun mening te delen. De CWR-leden geven aan dat tijdens vergaderingen vaak dezelfde personen aanwezig zijn en aan het woord zijn. Ook zijn het in hun optiek vaak dezelfde leden die de schouders onder een plan zetten. Dat de ‘lead’ steeds bij dezelfde groep personen ligt wordt direct en indirect aan minder actieve leden duidelijk gemaakt, hetgeen tot enkele conflicten heeft geleid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/4172/documents/59716