Bijlage 2 Reactienota zienswijzen volksvertegenwoordigingen ontwerp GR PGND.pdf
Tekst van het document
Reactienota – antwoorden op vragen van volksvertegenwoordigingen op ontwerp-gemeenschappelijke regeling Perspectief Groningen en NoordDrenthe Op 9 januari 2026 is de ontwerp-gemeenschappelijke regeling Perspectief Groningen en Noord-Drenthe voor zienswijzen voorgelegd aan de volksvertegenwoordigingen. Hierna volgt een weergave van de ontvangen zienswijzen en de reactie. Nr. 1.
Zienswijze Algemene zienswijze zoals voorgesteld door regioberaad Mandaat (Artikelen 4c, 6.1.c, 13.6 en 16 d) Het enkele feit dat de mogelijkheid van mandaat aan de werkorganisatie van de gemeenschappelijke regeling is opengelaten en ook mandaat of machtiging of volmacht aan andere organisaties dan de beoogde stichting mogelijk zijn, is niet voldoende. Zeker in geval er bestaande organisaties aan te wijzen zijn die daartoe bij uitstek geëquipeerd zijn en de uitvoering efficiënt en effectief ter hand kunnen nemen. Deze bestaande organisaties zouden ook expliciet kunnen worden benoemd in de toelichting bij de regeling. In het geval er geen bestaande uitvoeringsorganisatie is en een nieuwe (werk)organisatie moet worden ingericht, heeft het sterk de voorkeur dat deze door de GR wordt ingesteld en niet door de stichting of een andere organisatie die op afstand staat van de volksvertegenwoordigingen (aangezien deze niet vallen onder de actieve informatieplicht).
Reactie
Essentieel is dat in de mandaatregeling van de gemeenschappelijke regeling als uitgangspunt wordt vastgelegd dat een voorbehoud wordt gemaakt voor politiek gevoelige of financieel omvangrijke en ingrijpende handelingen die niet in mandaat, of met een machtiging of volmacht verricht moeten kunnen worden. Dit moet een verantwoordelijkheid blijven van de GR (en openstaan voor een zienswijzeprocedure).
Uitvoering van maatregelen valt altijd onder de verantwoordelijkheid van het openbaar lichaam (zie artikel 13 en 16, en hoofdstuk 4 van de toelichting). Daarmee is steeds de reguliere verantwoording van toepassing. Ten behoeve van deze verantwoording moeten uitvoerende organisaties de informatie aanleveren die nodig is voor deze verantwoording en bijbehorende rechtmatigheidscontroles. Het benoemen van organisaties in de toelichting op de gemeenschappelijke regeling maakt de afstand tot volksvertegenwoordigingen niet groter of kleiner.
De zienswijze leidt niet tot aanpassingen. In het algemeen kan gezegd worden dat mandaat een instrument is dat omkleed is met waarborgen uit de Algemene wet bestuursrecht. Het mandaat of de instructie daarbij moet duidelijk maken waar de grens van het mandaat ligt (welk bedrag is omvangrijk, welk besluit is ingrijpend). Het bestuur van het openbaar lichaam maakt deze afwegingen per te mandateren bevoegdheid. Een mandaatregeling wijzigt niets in de verantwoordelijkheid van het bestuur: het bestuur van het openbaar lichaam blijft verantwoordelijk voor besluitvorming en uitvoering, ook als sprake is van besluitvorming of uitvoering in mandaat. Een mandaatregeling regelt de dagelijkse uitvoering van taken. Het is geen strategischof beleidskader. Om die reden staat een mandaatregeling niet open voor zienswijzen, het gaat om de uitvoering door het bestuur van het openbaar lichaam van taken en bevoegdheden die eerder gegeven zijn.
Alhoewel op dit moment partijen als NOM en SNN of betrokken overheden voor de hand liggende uitvoerende organisaties kunnen zijn, zijn er redenen om ze niet als zodanig te benoemen in de toelichting.
Bij de inzet van andere organisaties moet steeds beoordeeld worden of dat binnen de kaders van de aanbestedings- en staatssteunregels mogelijk is. Op voorhand is niet te bepalen, welke organisaties wanneer en in welke gevallen ingezet kunnen worden. Dat is ook niet zorgvuldig en kan zelfs strijd met aanbestedings- en staatssteunregels opleveren. Daarom kunnen bestaande organisaties niet genoemd worden in de gemeenschappelijke regeling.
2.
3.
Uitwerking programma en plannen (artikel 7) Het is van belang dat niet alleen in de gemeenschappelijke regeling specifiek is vastgelegd dat het bestuur van de GR de meerjarenplannen, jaarplannen, afwegingskaders en regelingen vaststelt, maar ook dat die plannen en regelingen zo specifiek mogelijk zijn. Daarbij zal altijd enige afwegingsruimte noodzakelijk zijn dus die moet ook worden geboden, maar dat hoeft niet in de weg te staan aan SMART geformuleerde plannen aangezien hier achteraf verantwoording over moet worden afgelegd.
Actieve informatieplicht (artikel 9) Van belang is dat vóór de inwerkingtreding van de GR adequate afspraken worden gemaakt over de invulling van de actieve informatieplicht aan de volksvertegenwoordigingen. Dit moet een verantwoordelijkheid zijn van de GR en niet van de afzonderlijke deelnemende partijen in de GR of van de bestuurders in de GR met de eigen volksvertegenwoordigingen. Deze afspraken zijn nodig omdat de volksvertegenwoordigingen gelijktijdig en op gelijke wijze behoren te worden geïnformeerd willen zij hun controlerende rol goed in kunnen
Bovendien is het openbaar lichaam er in ieder geval voor de komende dertig jaar. We weten niet welke bestaande organisaties gedurende die periode blijven bestaan of zullen ontstaan. Ook om die reden kunnen we uitvoeringsorganisaties niet benoemen. De zienswijze leidt niet tot aanpassingen. In algemene zin zullen de meerjarenplannen, jaarplannen, afwegingskader en regelingen zo concreet en specifiek mogelijk zijn om doelgerichte uitvoering, verantwoording, monitoring en evaluatie mogelijk te maken. De Wet Groningen, de Economische Agenda en de gemeenschappelijke regeling stellen inhoudelijke en procedurele eisen aan de plannen en regelingen die het bestuur vaststelt. Regelingen die een aanspraak voor derden bieden, zoals een subsidieregeling, moeten onder meer voldoen aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht daaraan stelt. Verder wordt in artikel 13r van de Wet Groningen vastgelegd hoe de monitoring (Staat van Groningen en Noord-Drenthe) plaatsvindt; dit leidt ook tot verantwoording. Het algemeen en dagelijks bestuur van het openbaar lichaam moeten ervoor zorgen dat de plannen en regelingen aan de gestelde eisen voldoen. Zij moeten hier desgevraagd verantwoording over afleggen. Wanneer de meerjarenplannen, jaarplannen en jaarverslagen daartoe aanleiding geven, kunnen volksvertegenwoordigingen aansturen op een hogere mate van concreetheid.
De zienswijze leidt niet tot aanpassingen. De ontwerp-gemeenschappelijke regeling bepaalt op welke onderdelen de actieve informatieplicht geldt. Daarnaast geldt de algemene wijze waarop leden van het algemeen bestuur inlichtingen moeten verstrekken aan het orgaan waar zij vandaan komen en de desbetreffende volksvertegenwoordiging. Deze bestuursorganen bepalen de wijze waarop de inlichtingen worden verstrekt.
vullen en ook omdat de stichting en andere (uitvoerings)organisaties niet onder dezelfde actieve informatieplicht vallen.
4.
Zienswijze (artikel 10 en 25) Bij de afspraken over de zienswijzenprocedures zal geborgd moeten worden dat de volksvertegenwoordigingen hierin een actieve rol kunnen vervullen. Dat vraagt twee dingen; een langere zienswijzeperiode en de mogelijkheid van tenminste één zienswijze per zittingsperiode. 1. Voor oprichting en wijziging van een gemeenschappelijke regeling geldt een wettelijke zienswijze termijn van 8 weken. Voor de zienswijze op de begroting is dat 12 weken. Er wordt op aangedrongen om voor het meerjarig uitvoeringsplan en voor de evaluatie eveneens een 12 weken zienswijze termijn vast te stellen. 2. Het eerste meerjarenplan kent straks een looptijd van drie jaar. Daarna wordt het een vijfjarenplan. De evaluatie loopt hieraan parallel. Dit kan tot gevolg hebben dat in één zittingsperiode van een raad of staten/AB waterschap géén zienswijze wordt gevraagd over een meerjarenplan en evaluatie en de betreffende volksvertegenwoordigingen een belangrijk controle-instrument wordt ontzegd. Dit dient te worden voorkomen. Een optie is om de doorlooptijden vast te stellen op 3 jaar.
5.
Participatie (artikel 11) Het vormgeven van de participatie is nu een “kan” bepaling die ligt bij het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regeling. Van belang is enerzijds dat er een uitgewerkt participatieplan is opgenomen in het meerjarenplan en dat in de jaarplannen per afzonderlijk jaar een concrete uitwerking hiervan wordt opgenomen. Anderzijds is van belang dat de verantwoordelijkheid voor participatie bij het AB blijft liggen en niet bij de Stichting. Ongeacht waar de uitvoering is belegd, blijft de Gemeenschappelijke Regeling hiervoor eindverantwoordelijk.
De wens om gelijktijdig en op gelijke wijze geïnformeerd te worden over de uitvoering van de meerjarig uitvoeringsplannen en jaarplannen is terecht. De gemeenschappelijke regeling biedt de ruimte om daar praktisch vorm aan te geven. Het overleg met het regioberaad kan ook een effectieve manier zijn om volksvertegenwoordigingen gelijktijdig en op gelijke wijze te informeren. De zienswijze leidt tot aanpassingen 1) De zienswijzetermijn in artikel 10, het tweede lid en artikel 25, derde lid is gewijzigd in twaalf weken. 2) De doorlooptijd wordt niet gewijzigd om de volgende redenen: a) Het meerjarig uitvoeringsplan is de basis voor het uitvoeringsprogramma Rijk (zie hoofdstuk 3 van de toelichting en onderdeel A van de bijlage daarbij). In artikel 1 onder f van de gemeenschappelijke regeling is bepaald dat het meerjarig uitvoeringplan tenminste elke vijf jaar wordt vastgesteld. Daarmee kon de beleidscyclus van het meerjarig uitvoeringsplan gelijk oplopen met die van het Uitvoeringsplan Rijk. In artikel 13q lid 4 van de Wet Groningen is namelijk bepaald, dat het Uitvoeringsplan Rijk ook tenminste elke vijf jaar wordt vastgesteld. Ook de evaluatie is gekoppeld aan deze 5-jarige cyclus. b) Een kortere beleidscyclus kan bovendien ongewenste consequenties hebben. Beleid moet een mate van voorspelbaarheid en continuïteit hebben.
Een te snelle doorlooptijd doet hier afbreuk aan en is dan ook niet gebruikelijk. Bovendien leidt het tot hogere uitvoeringskosten. c) Het vasthouden aan de vijfjarige beleidscyclus leidt niet tot het ontzeggen van een controle-instrument voor volksvertegenwoordigingen. Controlemogelijkheden zijn er net als de verantwoordings- en inlichtingeninstrumenten, voortdurend. Dat kan naar aanleiding van aangeleverde informatie of op eigen initiatief. Het indienen van zienswijzen op het meerjarig uitvoeringsplan is een beïnvloedingsinstrument vóór besluitvorming. De zienswijze leidt tot aanpassingen Artikel 11 is gewijzigd in ‘Het algemeen bestuur bepaalt in afstemming met de stichting voor de Economische Agenda wanneer en op welke wijze inwoners van de deelnemende gemeenten of belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld hun mening te geven over het meerjarig uitvoeringsplan en het jaarplan.’ Hiermee is vastgelegd dat participatie moet plaatsvinden en dat het algemeen bestuur aangeeft op welke wijze. Het is echter ook van belang dat participatie effectief is en dat de juiste partijen en individuen op de juiste momenten betrokken worden. Daarom is
Andere organisaties dan de Stichting die onderdelen van de plannen uitvoeren, dienen eveneens te voldoen aan de participatie-eisen.
6.
7.
Samenstelling Dagelijks Bestuur (artikel 12) Het Dagelijks Bestuur wordt aangewezen door het Algemeen Bestuur. Ook het aantal leden wordt door hen bepaald. Het is van belang dat er een waarborg komt voor een evenwichtige samenstelling waarin alle betrokken partijen zich herkennen.
Stichting (artikel 16) In de ontwerpregeling ontbreekt een toelichting op de samenstelling van het stichtingsbestuur, als het gaat om omvang, inrichting governance, voorzitterschap en de ondersteuning door een werkorganisatie. Ook is onduidelijk welke middelen de Stichting zelf verkrijgt of zou kunnen verkrijgen. Zonder deze informatie en kennis van de inhoud van de (concept)statuten van de Stichting is het niet mogelijk een goed beeld te krijgen van de exacte verdeling van alle rollen, taken en bevoegdheden binnen de governance. Dit is randvoorwaardelijk voor het verlenen van toestemming voor de GR. Daarom wordt erop aangedrongen deze informatie op te nemen in de reactienota op de zienswijzen en beschikbaar te stellen vóórdat de toestemmingsprocedure voor de GR start.
afstemming met de stichting nodig en wordt niet in de gemeenschappelijke regeling zelf aangegeven hoe participatie plaatsvindt. Om ook aan de zijde van de stichting te waarborgen dat participatie plaats vindt, is in de ontwerp-statuten voor de stichting voor de Economische Agenda een bepaling opgenomen dat de stichting bij uitvoering van haar activiteiten participatie op gestructureerde wijze vorm moet geven en dat de wijze waarop daar uitvoering aan is gegeven onderdeel is van de verantwoording aan de GR (artikel 2, derde lid ontwerpstatuten). De zienswijze leidt tot aanpassingen Alhoewel artikel 14 Wet gemeenschappelijke regelingen waarborgen biedt voor de samenstelling van het dagelijks bestuur en de ontwerp-regeling daaraan voldoet, wijzigt artikel 12, eerste lid van de regeling als volgt: Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en daarnaast uit - één lid afkomstig uit de gemeenten Het Hogeland, Oldambt, Eemsdelta; - één lid afkomstig uit de gemeenten Westerkwartier en Midden-Groningen; - één lid afkomstig uit de gemeente Groningen; - één lid afkomstig uit de gemeenten Westerwolde, Pekela, Veendam en Stadskanaal; - één lid afkomstig uit de gemeenten Aa en Hunze, Tynaarlo en Noordenveld; - één lid afkomstig uit de waterschappen. De zienswijze leidt tot aanpassingen We komen tegemoet aan de zienswijze door de ontwerp-statuten beschikbaar te stellen.
Dat doen we tegelijkertijd met het aanbieden van de definitieve gemeenschappelijke regeling en de vraag of u toestemming geeft aan de regeling. In de toelichting op artikel 13 is opgenomen dat het dagelijks bestuur wordt voorgesteld criteria als objectiviteit en onafhankelijkheid in de profielschetsen op te nemen. Zowel uit de GR als uit de ontwerp-statuten voor de stichting blijkt dat de stichting beleidsvoorbereidend en adviserend werkt en alleen taken uitvoert voor zover het daar de opdracht of het mandaat voor krijgt van het bestuur van het openbaar lichaam Perspectief Groningen en Noord-Drenthe.
8.
9.
10.
Gelet op de stevige adviesrol van de Stichting is het verder van belang dat criteria als objectiviteit en onpartijdigheid onderdeel zijn van de profielschets voor de selectie van de leden van het bestuur van de op te richten Stichting. Evaluatie (artikel 25 en 10) In de ontwerpregeling is de basis gelegd voor een evaluatie. Het is van belang dat de volksvertegenwoordigingen hierbij actief worden betrokken. Juist omdat die evaluatie niet alleen zal zien op de benodigde aanpassingen van de regeling zelf, maar belangrijker, ook op de uitvoering van het (eerste driejarig en daarna vijfjarig) meerjarenprogramma. Daarmee vormt de evaluatie een cruciale (eerste) toets op de werking van de gehele governance in de praktijk. Dit onderstreept nog eens het belang zoals verwoord onder zienswijze (tweede punt) om de evaluatie bijvoorbeeld elke 3 jaar uit te voeren. Toelichting In de toelichting is de passage opgenomen “De uitvoeringsstructuur voorziet erin dat de regionale overheden meebeslissen”. Vraag is hier wat het woord ‘meebeslissen’ inhoudt aangezien de regionale overheden in de GR beslissen en het Rijk agendalid is. Dit vraagt om een nadere uitleg
Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen De evaluatie van de gemeenschappelijke regeling (artikel 25 en 10) gaat over de werking van de regeling (zie onderdeel C toelichting GR bij artikel 25). Het meerjarig uitvoeringsplan wordt tenminste elke vijf jaar vastgesteld en gaat over de concretisering van de Economische Agenda. Zie verder het antwoord op zienswijze 4.
De zienswijze leidt niet tot aanpassingen De minister van BZK is agendalid in het algemeen bestuur en heeft daarin geen stemrecht (artikel 8, vierde lid ontwerp-GR). Dat wil echter niet zeggen dat het kabinet geen beslissingsbevoegdheid heeft. Het Rijk stelt het meerjarig uitvoeringsplan én het Uitvoeringsprogramma Rijk vast (zie hoofdstuk 3 van de toelichting en onderdeel A van de bijlage bij de toelichting). Meebeslissen betekent dus dat het algemeen bestuur van het openbaar lichaam én de Ministerraad het meerjarig uitvoeringsplan vaststellen.
Gemeenteraad Eemsdelta Zienswijzen 1 t/m 9 Gemeenteraad Groningen
Voor de reactie, zie zienswijzen 1 t/m 9.
Zienswijzen 1 t/m 9 en aanvullend:
Voor de reactie, zie zienswijzen 1 t/m 9.
Bij zienswijze 7 Gelet op het belang van de Kunst- en Cultuursector voor Groningen en de Groningse en Noord-Drentse samenleving wordt gehecht aan het opnemen van deze sector in het bestuur van de op de richten Stichting.
De zienswijze leidt niet tot aanpassingen Overeenkomstig de vastgestelde Economische Agenda wordt het bestuur van de stichting gevormd op basis van voordracht door kennisinstellingen, bedrijfsleven en overheid. Het staat kennisinstellingen, bedrijfsleven of overheid vrij om een bestuurder voor te dragen met affiniteit met of kennis van de kunst- en cultuursector. De Economische Agenda en het ontwerp-meerjarig uitvoeringsplan onderschrijven overigens het inhoudelijke belang van deze sector.
Gemeenteraad Midden-Groningen Zienswijzen 1 t/m 9 en aanvullend:
Voor de reactie, zie zienswijzen 1 t/m 9.
11.
Allereerst is het van belang dat de kosten voor overhead inzichtelijk worden gemaakt en worden betrokken bij de evaluatie. Het is wenselijk dat de overheadkosten laag blijven, zodat beschikbare middelen primair aan de uitvoering ten goede komen.
De zienswijze leidt niet tot aanpassingen Het belang om de uitvoeringskosten inzichtelijk te maken en om de middelen primair te besteden aan de realisatie van de doelen, onderschrijven we. De uitvoeringsstructuur moet doelgericht (‘lean and mean’) worden ingericht. Uitvoeringskosten worden inzichtelijk gemaakt. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam moet zich namelijk houden aan wettelijke voorschriften. In dit geval is sprake van een samenwerking tussen gemeenten, provincie en waterschappen. Op grond van artikel 81, zevende lid Wgr zijn de artikelen 190 tot en met 219 Provinciewet dan van toepassing. In deze bepalingen staan regels voor onder meer de begroting en de jaarrekening en wordt verwezen naar het Besluit begroting verantwoording provincies en gemeenten (BBV) dat ook van toepassing is. De geraamde overheadkosten moeten worden opgenomen in de begroting (artikel 17 BBV) en de gerealiseerde overheadkosten in de jaarrekening (artikel 27 BBV). Het begrip overheadkosten is in het BBV gedefinieerd (artikel 1: alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces). Het jaarplan van de stichting moet onder meer de begroting bevatten, waaronder middelen die nodig zijn voor de bedrijfsvoering van de stichting (artikel 7 GR).
12.
Daarnaast is het van belang dat er bij de uitvoering van de Economische Agenda gebruikgemaakt wordt van de kennis en deskundigheid van de culturele sector. Bijvoorbeeld in een adviserende rol aan het bestuur van de gemeenschappelijke regeling.
Volksvertegenwoordigingen worden in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan de evaluatie zienswijzen te geven op het functioneren van de regeling (artikel 25, tweede lid GR). De zienswijze leidt niet tot aanpassing We onderschrijven het belang van betrokkenheid van alle relevante organisaties en sectoren bij de uitvoering van de Economische Agenda. De stichting moet hier bij de beleidsvoorbereiding vorm aan geven (zie artikel 11 GR, de toelichting op artikel 11 en artikel 2, derde lid ontwerp-statuten). De stichting maakt een voorstel voor het algemeen bestuur van het openbaar lichaam. In dat voorstel moet de betrokkenheid of participatie al zijn verwerkt. De adviescommissie van portefeuillehouders economie adviseert het bestuur van het openbaar lichaam. In de Economische Agenda heeft de culturele sector een belangrijke rol in het behalen van de doelen. De Agenda is de basis voor de meerjarig uitvoeringsplannen en daaruit volgende jaarplannen. De stichting moet om deze reden de culturele sector betrekken bij het meerjarig uitvoeringsplan.
Gemeenteraad Het Hogeland Zienswijzen 1 t/m 9
Voor de reactie, zie zienswijzen 1 t/m 9.
Gemeenteraad Oldambt Zienswijzen 1 t/m 9 en aanvullend:
Voor de reactie, zie zienswijzen 1 t/m 9.
Bij zienswijze 7 Overweeg om meer sectoren toe te laten in het bestuur van de stichting. De Kunstraad Groningen heeft hierover een brief gestuurd naar de beoogde deelnemers van de gemeenschappelijke regeling. Het is goed dat het bestuur van de stichting zo breed mogelijk wordt. Denk hierbij ook bijvoorbeeld aan cultuur en sport. Gemeenteraad Westerkwartier
Voor de reactie, zie zienswijze 10.
Zienswijzen 1 t/m 9 en aanvullend:
Voor de reactie, zie zienswijzen 1 t/m 9.
14.
Bij de verdere uitwerking en uitvoering dienen de governance- en uitvoeringsstructuur niet complexer en mag niet minder inzichtelijk; soberheid en transparantie moeten leidend zijn.
15.
Voor de kosten in geld en tijd een plafond stellen aan de overhead (bestuurlijke, organisatorische en ondersteunende inzet), zodat beschikbare middelen primair aan de uitvoering ten goede komen.
16.
Het Wetterskip Fryslän, gelet op het beheergebied binnen de gemeente Westerkwartier, tijdig en structureel betrekken bij de voorbereiding en uitvoering waar dat relevant is.
De zienswijze leidt niet tot aanpassingen We zijn het met eens met de stelling. De verwachting is dat we met de voorgestelde regeling en structuur in de toekomst vooruit kunnen. Mochten er toch aanpassingen nodig zijn dan kun u daar als volksvertegenwoordiging via de betreffende procedures invloed op uitoefenen. De zienswijze leidt niet tot aanpassingen We zijn het ermee eens dat beschikbare middelen primair aan de uitvoering ten goede moeten komen. We willen echter niet dat een plafond in tijd of geld leidend gaat zijn en dat de besteding van een vooraf gesteld percentage een streven zal worden terwijl het voor minder kan. Een plafond mag bovendien niet ten kostte gaan van andere uitgangspunten zoals zorgvuldigheid, doelmatigheid of rechtmatigheid. Ook moeten we kijken naar de inzet van middelen op langere termijn: gedegen inzet in bijvoorbeeld de voorbereiding van een regeling brengt kosten met zich mee maar kan ervoor zorgen dat de uitvoering ervan sneller, eenvoudiger en doelmatiger is en op termijn de uitvoeringskosten daardoor lager. Zie ook de reactie bij zienswijze 11. De zienswijze leidt niet tot aanpassingen Waterschappen hebben, zoals zij vaker doen, onderling afgesproken dat de deelnemende waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa’s de belangen van het Wetterskip behartigen.
Op die manier wordt in materiële zin tegemoetgekomen aan de zienswijze, maar hoeft de GR niet aangepast te worden.
13.
17.
In het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam moet sprake zijn van een herkenbare en evenwichtige vertegenwoordiging, passend bij de verbindende rol die Westerkwartier in de regio vervult. Gemeenteraad Veendam
Voor de reactie, zie zienswijze 6.
Zienswijzen 1 t/m 9
Voor de reactie, zie zienswijzen 1 t/m 9.
Gemeenteraad Pekela Zienswijzen 1 t/m 9 en aanvullend:
Voor de reactie, zie zienswijzen 1 t/m 9.
18.
Te benadrukken dat de actieve informatieplicht centraal bij de GR wordt belegd, met gelijktijdige en gelijke informatievoorziening aan alle raden, inclusief de stichting.
19.
Daarnaast roepen we op om gehoor te geven aan de oproep vanuit de cultuursector, net als het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en de overheden een formele positie dient te krijgen in de op te richten stichting. Gemeenteraad Stadskanaal
De zienswijze leidt niet tot aanpassingen De informatieplicht ligt bij de GR. De stichting is geen verantwoording of inlichtingen schuldig aan volksvertegenwoordigingen. De stichting heeft een opdrachtnemersrelatie met het bestuur van het openbaar lichaam. De verantwoording van het bestuur van het openbaar lichaam is geregeld in de GR (artikel 9 en hoofdstuk 4.5 toelichting GR). Zie verder de reactie op zienswijze 3. Voor de reactie, zie zienswijze 10.
20.
21.
Zienswijzen 1 t/m 9 en aanvullend:
Voor de reactie, zie zienswijzen 1 t/m 9.
Adviescommissie De gemeenteraad van Stadskanaal vindt het van belang dat raden, staten en Algemene Besturen van Waterschappen betrokken zijn en blijven bij de gemeenschappelijke regeling. Berenschot geeft in zijn rapport “Verkenning en advies governance Economische Agenda” het advies om een gemeenschappelijke adviescommissie in te stellen (p.37), zodat er politieke grip georganiseerd wordt. Wij dringen erop aan om de mogelijkheid tot het instellen van een gemeenschappelijke adviescommissie vanuit de gemeenteraden, Provinciale Staten en Algemene Besturen van de Waterschappen toe te voegen aan de gemeenschappelijke regeling. Gemeenteraad Westerwolde
Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen De gevraagde mogelijkheid om een adviescommissie van volksvertegenwoordigingen in te stellen, wordt al geboden in artikel 17 van de regeling en volgt uit de Wet gemeenschappelijke regelingen, zie ook hoofdstuk 4.7 van de toelichting. Het algemeen en dagelijks bestuur kunnen een dergelijke adviescommissie instellen.
Zienswijzen 1 t/m 9 en aanvullend:
Voor de reactie, zie zienswijzen 1 t/m 9.
Uitvoeringskosten / overhead
Voor de reactie, zie zienswijze 15.
Van belang is dat in de financiële kaders van de gemeenschappelijke regeling expliciet wordt vastgelegd dat uitvoeringskosten (waaronder apparaatslasten/overhead van het openbaar lichaam én van de aan de GR gekoppelde stichting, alsmede uitvoeringskosten bij subsidieverstrekking) eenduidig worden gedefinieerd en afzonderlijk worden geraamd en verantwoord in begroting en jaarrekening. Daarnaast wordt verzocht een streef- dan wel maximumpercentage voor uitvoeringskosten vast te leggen ten opzichte van de jaarlijks aan het openbaar lichaam toegekende middelen, met verplichte motivering en expliciete besluitvorming bij (dreigende) overschrijding. Daarbij wordt uitgegaan van een streefpercentage van maximaal 10% voor uitvoeringskosten, met verplichte motivering en expliciete besluitvorming indien dit percentage wordt overschreden. Gemeenteraad Aa en Hunze 22.
23.
1 t/m 9, met dien verstande dat:
Voor de reactie, zie zienswijzen 1 t/m 9
Zienswijze 6 luidt: Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden de leden van het dagelijks bestuur aan. Noord-Drenthe maakt volwaardig deel uit van Nij Begun. Dit betekent dat ook in de GR de belangen van Noord-Drenthe (gemeenten Aa en Hunze, Tynaarlo en Noordenveld) stevig moeten zijn geborgd. Naar onze overtuiging is hiervoor noodzakelijk dat NoordDrenthe beschikt over een gegarandeerde zetel in het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam. Alleen op die manier kan Noord-Drenthe daadwerkelijk mede richting geven aan de ontwikkeling en uitvoering van de meerjarige uitvoeringsplannen van de stichting. Een zetel uitsluitend in het algemeen bestuur biedt hiervoor onvoldoende waarborgen. Het is dus van belang dat er een waarborg komt voor een evenwichtige samenstelling van het dagelijks bestuur waarin alle betrokken partijen zich herkennen. Gemeenteraad Noordenveld
Voor de reactie, zie zienswijze 6.
Zienswijzen 1 t/m 9 en aanvullend:
Voor de reactie, zie zienswijzen 1 t/m 9.
Het borgen van een zetel voor Noord-Drenthe in het dagelijks bestuur:
Voor de reactie, zie zienswijze 6.
24.
25.
Om er voor te zorgen dat er een goede spreiding van vertegenwoordiging van het gebied wordt gewaarborgd, vindt onze gemeente het van cruciaal belang dat er een zetel voor de Noord-Drentse gemeente in het dagelijks bestuur is gewaarborgd. Van daaruit verzoeken we u met klem om onder Artikel 12 en derde lid toe te voegen met de volgende tekst: Voor een goede spreiding van vertegenwoordiging van het gebied zal het dagelijks bestuur, bestaan uit minimaal 1 lid vanuit de Groninger gemeenten en 1 lid vanuit de Noord Drentse gemeenten aangevuld met de door het algemeen bestuur ingestelde aantal leden. Koppeling sociale agenda De raad vindt het van belang dat de samenhang tussen de economische en sociale agenda gezocht blijft worden. Ook snappen wij dat de structuur van beide agenda's niet met elkaar te vergelijken zijn. Toch willen we u vragen om samen met de kwartiermaker sociaal domein te kijken naar mogelijkheden om deze samenhang te waarborgen, en hierover een terugkoppeling te geven aan de gemeenteraden. Gemeenteraad Tynaarlo
Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen. Deze zienswijze vraagt niet direct om een wijziging van de gemeenschappelijke regeling. U wordt geïnformeerd over de uitvoeringsstructuur voor de Sociale Agenda. De samenhang met de Economische Agenda komt dan ook aan de orde.
Zienswijzen 1 t/m 9 en aanvullend:
Voor de reactie, zie zienswijzen 1 t/m 9.
Belang van een geborgde zetel in het Dagelijks Bestuur voor NoordDrenthe In de huidige ontwerp Gemeenschappelijke Regeling wordt het Dagelijks Bestuur gekozen door het Algemeen Bestuur. Omdat de Noord-Drentse gemeenten een minderheid vormen ten opzichte van de Groningse gemeenten, is het van cruciaal belang dat in een vroege fase wordt vastgesteld dat Noord-Drenthe (bestaande uit de gemeenten Noordenveld, Aa en Hunze en Tynaarlo) een geborgde zetel ontvangt in het Dagelijks Bestuur. Dit stelt ons in staat om in de ontwikkelfase van de meerjarige uitvoeringsplannen en jaarplannen betere sturing te geven aan de stichting. Indien onze rol beperkt blijft tot het Algemeen
Voor de reactie, zie zienswijze 6.
Bestuur, zullen onze stemmen weinig invloed hebben op de besluitvorming. Om ervoor te zorgen dat er een goede spreiding van vertegenwoordiging van het gebied wordt gewaarborgd, vindt onze gemeente het van cruciaal belang dat er een zetel voor de NoordDrentse gemeente in het dagelijks bestuur is gewaarborgd. Van daaruit verzoeken we u met klem om onder Artikel 12 en derde lid toe te voegen met de volgende tekst: Voor een goede spreiding van vertegenwoordiging van het gebied zal het dagelijks bestuur, bestaan uit minimaal 1 lid vanuit de Groninger gemeenten en 1 lid vanuit de Noord Drentse gemeenten aangevuld met de door het algemeen bestuur ingestelde aantal leden. Provinciale staten Groningen Zienswijzen 1 t/m 9, met dien verstande dat:
Voor de reactie, zie zienswijzen 1 t/m 9.
26.
Aan punt 3 is toegevoegd: Wanneer het gaat om de invulling van de actieve informatieplicht en openbaarheid van stukken en van vergaderingen, dat verder strekt dan alleen het Algemeen Bestuur en zouden ook de adviescommissie(s) hierin meegenomen moeten worden.
27.
Bij punt 4, onderdeel 2 de laatste zin (Een optie is om de doorlooptijden vast te stellen op 3 jaar.) is ververvangen door: De oplossing is om de looptijd van het Meerjarenplan en evaluatie op een vast moment in de bestuursperiode te laten plaatsvinden – eens per vier jaar – en hiervoor het tweede zittingsjaar van de staten en algemeen besturen en het derde zittingsjaar van raden te nemen. In dat jaar hebben de volksvertegenwoordigingen voldoende kennis kunnen opbouwen om de werkwijze en resultaten goed te kunnen evalueren.
De zienswijze leidt niet tot aanpassingen Adviescommissies hebben geen actieve informatieplicht aan volksvertegenwoordigingen. De adviezen van de adviescommissies zijn onderdeel van het besluitvormingsproces van het algemeen bestuur. De wijze van openbaar maken van documenten wordt nog uitgewerkt (zie het antwoord op vraag 43 van de reactienota van 23 januari 2026). Regels over de adviescommissie worden ook nog uitgewerkt. In het algemeen kan over de openbaarheid van vergaderingen gezegd worden dat in de adviescommissie vrijheid van beraadslaging mogelijk moet zijn en dat zaken die (nog) niet rijp zijn voor openbaarheid in vrijheid besproken moeten kunnen worden. Voor de reactie, zie zienswijze 4.
28.
29.
Aan punt 6 is toegevoegd: En een dagelijks bestuur dat bij voorkeur ook de afzonderlijke regio’s van Stad en Ommeland en Drenthe en Waterschappen representeert. Bij punt 8 de laatste zin (Dit onderstreept nog eens het belang zoals verwoord onder zienswijze (tweede punt) om de evaluatie bijvoorbeeld elke 3 jaar uit te voeren.) is vervangen door: Dit onderstreept nog eens het belang zoals verwoord onder zienswijze (tweede punt) om de evaluatie bijvoorbeeld elke vier jaar te laten plaatsvinden. Van belang is verder dat zo snel mogelijk en dus uiterlijk in de eerste evaluatie de volgende punten expliciet aan de orde komen: - In de op te richten stichting zijn de overheid, ondernemers en onderwijsinstellingen vertegenwoordigd. Bij de eerste evaluatie zal moeten worden gekeken of de juiste partijen zijn aangesloten bij de Stichting en of meer partijen kunnen aansluiten. - Naast de verantwoordelijkheid van het bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling om de uitvoeringskosten zo laag mogelijk te houden en de kosten van uitvoering in ondersteuning in de verantwoordingsdocumenten inzichtelijk te maken, zal bij de eerste evaluatie moeten worden bekeken of gestuurd kan worden op een maximaal percentage aan uitvoeringskosten. - In de ontwerpregeling zijn wettelijke verantwoordingsmomenten opgenomen. Wanneer het om financiële risico’s gaat is van belang deze vroegtijdig te signaleren.
Wat mist is (zicht op) de wijze waarop de financiële risico’s worden bewaakt, als intern financieel waarschuwingssysteem en/of praktisch herstelmechanisme tussen de vaste evaluatiemomenten in. Van belang is de afspraken in het te sluiten convenant over de financiële risico’s en aansprakelijkheid, ook in relatie tot de kassiersfunctie van de provincie, onderdeel te maken van de (eerste) evaluatie. Algemeen bestuur Noorderzijlvest
Voor de reactie, zie zienswijze 6.
De zienswijze leidt niet tot aanpassingen Voor de reactie, zie zienswijze 8 en aanvullend: de zienswijze gaat om zaken die volksvertegenwoordigingen mogelijk naar voren willen brengen bij de evaluatie van de regeling (artikel 25, tweede lid GR). Dat is te zijner tijd aan de volksvertegenwoordigingen zelf. In het algemeen wordt nog verwezen naar zienswijze 12 voor wat betreft het stichtingsbestuur en zienswijze 11 voor wat betreft de uitvoeringskosten. Het bewaken van de financiën volgt voor een deel uit de regels daarvoor (zie zienswijze 11) en moet voor een deel geborgd zijn in de uitwerking van concrete maatregelen, bijvoorbeeld in voorwaarden en criteria van financiering van projecten. De deelnemers sluiten een convenant over de kassiersfunctie die de provincie Groningen zal vervullen. Het concept-convenant stellen we beschikbaar ten tijde dat toestemming wordt gevraagd voor de definitieve GR.
Geen zienswijzen Algemeen bestuur Hunze en Aa’s Geen zienswijzen