CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Rapport Ecologische afweging doorfietsroute.pdf

gemeenteraad 27 januari 2021, gemeente GroningenBij agendapunt: f: Voorkeurstracé doorfietsroute Assen-Groningen (gedeelte Witte Molen - de Punt) (raadsvoorstel 16-12-2020)16.871 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voorkeur: Geen

29

5

Toetsing Wet natuurbescherming: Houtopstanden

5.1 Toetsingskader Houtopstanden buiten de bebouwde kom zijn beschermd binnen de Wet natuurbescherming. In het kader van de Wet natuurbescherming omvat ‘houtopstanden’ het volgende: ‘zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen’ (artikel 1.1 Wnb). Als een houtopstand zich binnen de bebouwde kom bevindt, is niet de Wet natuurbescherming van toepassing, maar de gemeentelijke verordening (APV of Bomenverordening) van de gemeente binnen welke grenzen betreffende houtopstand is gelegen. Deze bescherming geldt ook wanneer velling van een (klein) deel van dergelijke beplantingen beoogd wordt. Bij velling van houtopstanden buiten de bebouwde kom (waarop het beschermingsregime van de Wnb van toepassing is) dient van de voorgenomen velling kennisgeving worden ingediend bij het ministerie van LNV. In geval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende (d.w.z. de eigenaar van de grond) zorg voor het ‘op bosbouwkundig verantwoorde wijze’ herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand.

Per provincie kunnen verschillende specifieke regels voor herbeplanting gelden (artikel 4.3 lid 3 Wnb). Bovenstaand is niet nodig wanneer de houtopstanden vallen onder de volgende categorieën zoals opgenomen in artikel 4.1 Wnb: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed; f. uit populieren of wilgen bestaande: 1°. wegbeplantingen; 2°. beplantingen langs waterwegen, en 3°. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g. het dunnen van een houtopstand; h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1°. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2°. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3°. zijn aangelegd na 1 januari 2013. 5.2 Inventarisatie en toetsing Binnen het gehele plangebied van de doorfietsroute komen veel bomen voor. Het volledige plangebied bevindt zich buiten de bebouwde kom en vallen onder de definitie van houtopstanden in het kader van de wet natuurbescherming.

Na eventuele kap dient herplant plaats te vinden als de bomen deel uitmaken van een bos met een oppervlakte van minimaal 10 are of wanneer ze onderdeel uitmaken van een bomenrij met minimaal 20 bomen. Waar en de hoeveelheid van de herplant hangt af van de uiteindelijke voorkeursvariant en het aantal bomen dat daarvoor gekapt moet worden. Naast een ontheffing dient met het bevoegd gezag (de Provincie) worden bepaald welke locatie het

30

meest geschikt is voor herplant. Een plan voor het herplanten van bomen dient verder uitgewerkt te worden na de keuze van de voorkeursvariant. Binnen bouwsteen noord zijn voornamelijk bomen aanwezig in stroken aan de oost- en westzijde van het Noord-Willemskanaal ten noorden van de Oosterbroekburg. Voor elke variant binnen bouwsteen noord geldt dat er mogelijk ergens bomen gekapt moeten worden. Met name de varianten 1B en 2A zullen resulteren in bomenkap. Deze varianten lopen namelijk deels door een bestaande houtwal aan de oostzijde van het NoordWillemskanaal. •

Voorkeur: Variant 1A / 2B / 3

In bouwsteen midden volgen de varianten 1A en 1B bestaande verharding. Mocht het nodig zijn bomen te kappen voor deze varianten is dit erg minimaal. Binnen bouwsteen midden zijn voornamelijk bomen aanwezig in een strook tussen de oostoever van het NoordWillemskanaal en de A28. Dit betekent dat er voor de varianten 2A en 2B een aanzienlijke hoeveelheid bomen gekapt moet worden. Dit geldt ook voor variant 3 die de Punterweg aan de oostzijde van de A28 door een bos volgt. De bestaande verharding is te smal voor de doorfietsroute waardoor bomenkap noodzakelijk is. •

Voorkeur: Variant 1A / 1B

Binnen bouwsteen zuid is nog niet bekend of en eventueel waar bomen gekapt worden. Op de oostoever van het Noord-Willemskanaal zijn geen bomen aanwezige (varianten 2A, 2B en 3) en is geen bomenkap nodig. Op de westoever volgen de varianten 1A en 1B de bestaande doorgaande weg waar bomenrijen aanwezig zijn. •

Voorkeur: Variant 2A / 2B / 3

31

6

Toetsing Provinciale Natuurbeleidskaders (NNN / migratie)

6.1

Toetsingskader

6.1.1 NNN De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het “nee, tenzij-principe”. In onderstaand schema (afbeelding 6.1) is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN-uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren. Deze toetsing geeft inzicht in de ligging van NNN-gebieden ten opzichte van de varianten en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. Een “nee, tenzij-toets” behoeft alleen te worden doorlopen indien er sprake is van een ROprocedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied.

Afbeelding 6.1: Het ”nee, tenzij"-principe van het compensatiebeginsel. 6.1.2 Migratieroutes Naast de feitelijke beleidsmatige toetsing van NNN zal tevens de robuustere functie van het gebied beschouwd worden. De locatie van het plangebied bevindt zich parallel aan de A28. Aan weerszijden van de A28 bevinden zich grote natte natuurgebieden. Voor de migratie van soorten in deze gebieden (o.a. otter, bever, das en amfibieën) vormt de A28 een grote barrière. In 2016 (Faunavoorzieningen A28 Groningen-De Punt, inrichtingsplan faunavoorzieningen, Sweco, 348032) zijn voor aanwezige doelsoorten mogelijkheden voor ontsnippering in kaart gebracht. Een deel van de maatregelen voor ontsnippering is reeds gerealiseerd. De ontsnipperingsmaatregelen binnen het plangebied zijn beschreven in paragraaf 6.2. In het kader van de ontsnippering zal onder de Provinciale beleidskaders tevens een toetsing plaatsvinden op de effecten van de realisatie van de doorfietsroute op migrerende soorten binnen het plangebied. 6.2

NNN Inventarisatie

Areaal De varianten in bouwsteen Noord liggen allen geheel of voor een groot deel binnen de begrenzing van NNN. Dit geldt ook voor de varianten in bouwsteen Midden. De varianten in deze bouwstenen en de NNN zijn weergegeven in afbeelding 6.2. In bijlage 2 zijn de beheertypenkaarten (inclusief ambitie) en de bijbehorende typische soorten opgenomen.

32

De varianten binnen bouwsteen zuid liggen allen buiten de begrenzing van NNN. Functie en migratie De migratieroutes ter plaatse van bestaande passages onder de A28 bevinden zich in alle drie de bouwstenen. De hieronder genoemde locaties van passages zijn genummerd weergegeven in afbeelding 6.2. Afbeelding 6.3 is afkomstig uit het rapport uit 2016 en hierop zijn de passages eveneens weergegeven evenals de migratieroutes. • Bouwsteen Noord: Tussen het tankstation en de Witte Molen ligt een brede duiker met loopplanken waar de Drentsche Aa onder de A28 doorgaat. De duiker wordt gebruikt door dieren die langs oevers migreren (zoals otters en bevers). Tevens is in de aanwezige stuw tussen het Noord-Willemskanaal en de Drentsche Aa naast de Witte Molen een vispassage aanwezig en wordt door middel van een vispassage de aftakking van de Drentsche Aa naar de Glimmermadepolder gekoppeld met de Drentsche Aa. Deze aftakking staat tevens door middel van een onderleider onder het NoordWillemskanaal in verbinding met Polder Lappenvoort-Oosterland. De gebieden voor en langs de in-/ uitgang van de duiker hebben hierdoor ook een functie in het faciliteren van beschutte looproutes richting duiker of vanuit de duiker Dieren die via de onderdoorgang nabij de Witte molen de A28 passeren zijn zowel soorten als otter en bever, (beek)vissen en mogelijk ook amfibieën en kleine zoogdieren.

Voor land- en moerasdieren die aan de westzijde van de A28 de onderdoorgang in – of uitgaan vormt aan de noordzijde het natte bosgebied dat grenst aan het tankstation De Witte Molen de verbinding met het achterland. Aan de zuidzijde is dit de Glimmermade polder. De huidige functie van de Glimmermadepolder voor dieren als otter en bever is vooral een gebied waar ze zich tijdelijk ophouden. Voor amfibieën kan het een meer permanent leefgebied zijn. Uitgaande van een toekomstige vernatting van deze polder en bijbehorende inrichting kan het gebied belangrijker worden voor otter en bever, maar het is te klein om als volledig leefgebied te fungeren. Vanuit de Glimmermadepolder zal dus altijd migratie blijven plaatsvinden in zowel westelijke en oostelijke (via de onderdoorgang) richting, als in zuidelijke en mogelijk noordelijke richting, waarbij de Glimmermadepolder een step stone vormt in de migratieroute. • Ten noorden van Bouwsteen Noord: Ten noorden van tankstation Witte Molen wordt een nieuwe faunapassage aangelegd in de vorm van een grote tunnelbak met zowel een droge als een natte verbinding. Hiervoor loopt momenteel de planning voor de uitvoering. Deze faunapassage ligt ten noorden van het plangebied van de doorfietsroute en daarmee buiten de scope van dit onderzoek.

• Bouwsteen Midden: Tussen de Oosterbroekweg en de Groningerstraat ligt de zuidelijke onderdoorgang van de Drentsche Aa onder de A28. De onderdoorgang bestaat uit een brede duiker met aangebrachte loopplanken ter bevordering van de migratie van onder andere otter. Deze verbinding is vooral voor dieren die langs of in het natte profiel migreren zoals otter en bever. Voor dieren die aankomen uit het oosten is langs de A28 slecht een vrij smalle strook met gras bomen en ruigte aanwezig. Dieren zullen in de meeste gevallen het Noord-Willemskanaal overzwemmen, waar ze in geval van keuze voor variant 1A/B eerst het de doorfietsroute tegenkomen en vervolgens open gebied met sloten, plassen en bosjes. In de huidige situatie is hier al een pad van circa 3 m breed aanwezig. • Bouwsteen Noord/Midden: fietstunnel Oosterbroekweg. Dit is een bestaande fietstunnel waar in het voor ontsnippering nog geen specifieke maatregelen zijn getroffen voor het passeren van fauna, maar die al wel gebruikt wordt door dieren van droog habitat. De optimalisatie van de tunnel als passage voor fauna door het aanbrengen van toeleidende structuren en rasters staat wel op de planning. Dieren die deze tunnel gebruiken, komen van beide zijden uit open gebieden met ook bosjes, sloten en plassen. Aan beide zijden zijn in de huidige situatie ook al diverse wegen en paden

33

•

aanwezig die naar de tunnel leiden. Van deze bestaande wegen wordt geheel (2B en 3) of deels (1A, 1B, 2A) gebruik gemaakt door de varianten. Bouwsteen Midden: Toekomstige droge passage/ tunnel onder nieuwe op-/afrit afslag 37 Eelde. Op termijn wordt de afslag van de A28 richting Eelde vernieuwd waardoor een aantal scherpe bochten worden verwijderd ten behoeve de verkeersveiligheid. Omdat bij de realisatie van de nieuwe op- en afritten knelpunten ontstaan voor de migratie van dieren wordt op deze locatie een nieuwe fauna passage aangelegd. Deze passage wordt ten noorden van de Groningerstraat onder de A28 gerealiseerd. De soorten zullen voornamelijk bewegen door de aanwezige ruigte langs de oostzijde van het Noord-Willemskanaal

Koppelkansen NVO en kade Waterschap Hunze en Aa’s heeft binnen bouwsteen Noord een aantal kansrijke locaties aangewezen voor de aanleg van een natuurvriendelijke oever (NVO) waarbij de oever aan de oostzijde van het Noord-Willemskanaal gecombineerd zou kunnen worden met de aanleg van de doorfietsroute. Naast de opgave voor een NVO is er een opgave de kades op te hogen binnen bouwsteen noord (varianten 1B en 2A). Ook voor de ophoging van de kades is bij variant 1B een sterke koppelkans. In de figuren 6.4 en 6.5 zijn dwarsdoorsnedes weergegeven. Deze koppelkansen zijn in hoofdstuk 7 meer gedetailleerd beschreven. 2

1

3

5

4 . Afbeelding 6.2: NNN (transparant groen) ten opzichte van de varianten binnen de Bouwstenen Noord (links) en midden (rechts). De nummers van de passages zijn in rood weergegeven.

34

Afbeelding 6.3: Aanwezige faunapassages met bijbehorende migratieroutes tussen de Punt en Witte Molen (Sweco, 2016).

35

Afbeelding 6.4: Ruimtebeslag voor de combinatie NVO en de kadeverhoging zonder (boven) en met de doorfietsroute (1B, onder).

Afbeelding 6.5: Ruimtebeslag voor variant 2A in combinatie met de aanleg van de NVO en kade verhoging. 6.3

NNN Analyse en toetsing effecten

6.3.1 Toetsing bouwsteen Noord Hoewel alle varianten grotendeels door NNN verlopen, zijn er wel verschillen van invloed op mogelijke effecten. Variant 1A ligt aan de westkant van het Noord-Willemskanaal en gaat vrijwel volledig door NNN. Het zuidelijk deel verloopt tot aan de Drentsche Aa over een bestaande asfaltweg. Noordelijk van de Drentsche Aa gaat deze variant over een graspad langs het NoordWillemskanaal. De overige varianten (1B, 2A, 2B en 3) verlopen, gezien vanaf zuid tot aan de Witte Molen door NNN. Voor 2B en 3 is dit over een bestaand pad. Ten noorden van Witte Molen verlopen alle varianten, behalve 1A, over een bestaand verhard pad dat buiten NNN ligt. In afbeelding 6.6 zijn verschillende varianten binnen bouwsteen noord weergegeven ten opzichte van NNN.

36

Afbeelding 6.6: varianten (aangegeven in zwart) bouwsteen noord te nopzichte van NNN (transparant groen). Areaal Het areaalverlies per variant is weergegeven in tabel 6.1. Variant 1A neemt ten opzichte van de andere varianten het grootste areaal NNN in beslag. Hiervan verloopt een groot deel over een bestaande asfaltweg die iets smaller is dan de doorfietsroute zal worden. Het grootste areaalverlies vindt plaats in het noordelijke gedeelte over het graspad. Dit betreft nog in te richten natuur, met daarnaast Kruiden- en faunarijk grasland (beheertype). Het areaalverlies van de varianten 1B en 2A is veel kleiner dan dat van 1A. Bij variant 3 ligt het oppervlakteverlies alleen in de verbreding van het bestaande pad. Voor de uiteindelijk gekozen variant zal het verlies van areaal moeten worden gecompenseerd. Tabel 6.1 Areaalverlies NNN per variant in bouwsteen Noord Nieuwe doorsnijding Verbreding bestaande Totaal NNN (m2) weg in NNN (m2)* Variant 1A 5.500 m2 3.500 m2 9.000 m2 Variant 1B 4.200 m2 1.500 m2 5.700 m2 Variant 2A 4.200 m2 1.500 m2 5.700 m2 Variant 2B 0 m2 1.500 m2 1.500 m2 Variant 3 0 m2 1.500 m2 1.500 m2 *Gebaseerd op de totale breedte van het nieuwe pad ongeacht of bestaande verharding wordt gevolgd of niet.

37

Functie en migratie Ten aanzien van de functie van het gebied waar de varianten doorlopen, zijn wel verschillen. Bij variant 1A blijft het naastgelegen bosje in stand en verandert alleen een graspad in de doorfietsroute. De doorfietsroute is voor de migrerende dieren geen onneembare hindernis, maar omdat het deels ter hoogte van een onderdoorgang en migratieroute ligt, is het aan te bevelen hier rekening mee te houden. Door een FUP te maken ter hoogte van de passage en hier de fietsroute wat verder van de oever af aan te leggen, wordt de migratieroute niet negatief beïnvloed. De mitigerende maatregelen zijn op kaart weergegeven in afbeelding 6.7. De andere varianten verlopen allen door de Glimmermadepolder. Variant 1B loopt direct langs het kanaal parallel aan een bestaande bosstrook (N14.02: Hoog- en laagveen bos). Er is voldoende ruimte voor de doorfietsroute. Variant 2A loopt deels gelijk aan variant 1B, maar volgt in tegenstelling tot variant 1B ten noorden van de Oosterbroekbrug de oostrand van de aanwezige houtwal tot aan de bestaande verharding (waar variant 2A samen komt met de varianten 1B, 2B en 3). Ook hier hoeven geen bomen te worden gekapt. Binnen Variant 1B ligt een sterke koppelkans met de aanleg van een natuurvriendelijke oever (NVO) en een kade.

Ook voor variant 2A is een koppeling mogelijk, maar omdat deze verder uit de oever ligt is dit alleen een koppeling met een kade (zie figuren in de 6.3 en 6.4 in paragraaf 1.3, de inventarisatie). De aanleg van de varianten 1B en 2A samen met een kade en NVO leiden wel tot de kap van een strook van de aanwezige houtwal. Deze kap zal echter ook plaatsvinden als niet voor betreffende varianten wordt gekozen, net als dat de natuurvriendelijke oever ook gerealiseerd zal worden als een andere variant wordt gekozen. De koppelkansen hebben geen invloed op de ecologische effecten van de varianten 1B en 2A. Variant 1B is gunstiger dan 2A ten aanzien van mogelijke verstoring van de open Glimmermadepolder en het aantal te kappen bomen in verband met het ruimtebeslag. Variant 2A gunstiger is dan 1B omdat hier tussen de ‘barrières’ Noord-Willemskanaal en de doorfietsroute de beschutting van een bosje ligt. Zonder de koppelkansen wordt er niet gekapt maar is het ook aan te bevelen de bosrand te versterken. De varianten 2B en 3 lopen binnen bouwsteen noord volledig gelijk. Deze varianten volgen langs de gehele lengte binnen bouwsteen noord bestaande verharding. Op de plek waar deze varianten bij het kanaal uitkomen lopen ze noordwaarts verder ook gelijk met de varianten 1B en 2A.

Hoewel deze varianten een bestaande weg volgen binnen de Glimmermadepolder, zal enerzijds door het upgraden van de natuurwaarden en het vernatten van deze polder (en daardoor aantrekkelijker voor fauna) en anderzijds door een intensiever gebruik van de doorfietsroute dan in de huidige situatie de mogelijke verstoring en versnippering iets toenemen. Dit geldt in mindere mate ook voor de varianten 1B en 2A. Voor alle varianten die door de Glimmermadepolder lopen geldt dat migratie naar de gebieden ten westen gelegen van het Noord-Willemskanaal, altijd een oversteek van de doorfietsroute vereist is. Hoewel dit voor de meest soorten een hindernis is die wel genomen kan worden, zijn er mogelijkheden om dit te voorkomen. Als onder beide fietsbrughoofden aan de noordzijde van de Glimmermadepolder ruimte is voor dieren om passeren en een FUP wordt aangelegd (mogelijk voldoet de NVO) en bij de herinrichting van de polder de route richting de brug wordt gestimuleerd, wordt oversteken van het pad zoveel mogelijk voorkomen. Dieren, zoals otter en bever, die vanuit de duiker onder de A28 rechtstreeks door migreren kunnen ook onder de brug door. Voor de landdieren die door de fietstunnel Oosterbroekweg de A28 onderlangs passeren, moet de aansluiting met de begeleidende structuren aan de westkant van de tunnel in stand blijven.

De verbetering van de toegankelijkheid via de zijkanten van de tunnel en de toeleidende structuren voor dieren staat op de planning waarmee de goede inbedding nog

38

belangrijker is. Voor bouwsteen Noord is dit vooral de Glimmermadepolder en het gedeelte richting de brug over het Noord-Willemskanaal. Voor het vergelijken van de varianten onderling geldt hier in grote lijnen hetzelfde als hierboven beschreven.

Afbeelding 6.7 Benodigde mitigatie om migratie te vergemakkelijken (Bouwsteen noord) Samengevat • Variant 1A geen onderscheidend areaalverlies ten opzichte van andere varianten, bestaand graspad westoever Noord-Willemskanaal verandert de doorfietsroute, mitigatie om oversteek pad te vergemakkelijken mogelijk door FUP en op die locatie wat bredere strook tussen oever en de doorfietsroute. • Variant1B areaal zie 1A. Ten opzichte van 2A iets gunstigere ligging ten aanzien van verstoring. Mitigatie om oversteek pad te vergemakkelijken mogelijk door begeleiding richting fietsbrug met oeverstroken onder brughoofden. Ook versterken bosrand is aan te bevelen. • Variant 2A areaal zie 1A, iets meer verstoring richting polder ten opzichte van 1B, mitigatie zie 1B. • Variant 2B areaal gunstig, bestaand pad. Midden in polder en iets meer verstoring. Mitigatie zie 1B. • Variant 3 gelijk aan 2B. Alle varianten behalve 1A gaan door de Glimmermadepolder. Door de beoogde herinrichting krijgt de polder een belangrijkere functie voor soorten wat tegenstrijdig is met

39

een intensivering van de fietsroute door deze polder. De herinrichting, de koppelkansen met NVO en kade bieden aan de andere kant ook juist mogelijkheden om de NNN-waarden de versterken. •

Voorkeur: Variant 2B / 3

6.3.2 Toetsing bouwsteen Midden De meeste varianten (1A, 1B, 2A en 2B) lopen over een vergelijkbare lengte en alleen in de noordelijk deel van bouwsteen midden door NNN (zie afbeelding 6.2). Tussen deze varianten zijn wel verschillen die invloed hebben op mogelijke effecten. Variant 3, ten oosten van de A28 kruist een aanzienlijk langer deel van NNN. Varianten 2A en 2B volgen binnen bouwsteen midden geen verharding en lopen over de luwe zone veel bomen en ruigte op de oostoever van het kanaal. Voor 2A en 2B geldt dat deze binnen NNN over areaal verlopen waar thans nog geen pad aanwezig is. Beide verlopen van zuid naar noord eerst een deel over de luwe oeverzone van het Noord-Willemskanaal en verder noordelijk door de westrand (2A) en door de oostelijk kant (2B) van een bosje. De varianten 1A, 1B en 3 verlopen volledig over bestaande verharding. Voor variant 3 moeten ten behoeve van de verbreding wel bomen worden gekapt. Areaal Voor de varianten 1A en1B is het areaalverlies van NNN klein en ongeveer gelijk omdat deze ter plaatse van bestaande verharding worden gerealiseerd. Dit geldt ook voor variant 3 met een nog wat kleiner oppervlakteverlies, maar hiervoor moeten wel bomen binnen NNN worden gekapt. Voor de varianten 2A en 2B is het oppervlakteverlies het grootst en gaan delen van een oeverstrook en een bosje verloren voor de realisatie van het de doorfietsroute.

Voor de uiteindelijk gekozen variant zal het verlies van areaal moeten worden gecompenseerd. Tabel 6.2 Areaalverlies NNN per variant in bouwsteen Midden Nieuwe doorsnijding Verbreding bestaande Totaal NNN (m2) weg in NNN (m2) * Variant 1A 0 m2 5.600 m2 5.600 m2 Variant 1B 0 m2 5.600 m2 5.600 m2 Variant 2A 5.600 m2 0 m2 5.600 m2 Variant 2B 5.600 m2 0 m2 5.600 m2 Variant 3 0 m2 4.900 m2 4.900 m2 *Dit is gebaseerd op de totale breedte van de nieuwe doorfietsroute, ongeacht of deze over bestaande verharding komt.

40

Functie en migratie Voor de varianten die over bestaande verharding verlopen, verandert vooral de intensiteit van het gebruik van de doorfietsroute (deze neemt toe). Voor variant 3 verandert er weinig aan de locaties waar migratie plaatsvindt. De onderdoorgang onder de A28 van de Drentsche Aa richting Noord-Willemskanaal (passage 3 in paragraaf 1.2) blijft volledig functioneel omdat de doorfietsroute over het water heengaat en de passerende soorten hieronder door gaan. Voor de varianten 1A en 1B verandert eveneens weinig, al moeten de dieren die het Noord-Willemskanaal oversteken nu wel een drukkere doorfietsroute oversteken. Deze varianten zijn daarom iets ongunstiger dan variant 3. Maar net als bij bouwsteen Noord kan dit effect worden verminderd door tussen de doorfietsroute en het water ter hoogte van de onderdoorgang wat meer ruimte te laten en hier een FUP te realiseren (zie afbeelding 6.8). Voor de varianten 2A en 2B geldt dat deze ter hoogte van de onderdoorgang over de oostoever van het Noord-Willemskanaal verlopen. Als dit via een brug verloopt, verandert er niks aan de functionaliteit van de onderdoorgang. Als dit niet het geval is, vormt het oversteken van de nieuwe doorfietsroute geen grote, maar wel een extra belemmering.

De doorfietsroute beslaat een groot deel van de oeverstrook waardoor deze minder geschikt wordt voor verplaatsing door dieren in noord-zuid richting. Dit betekent ook dat de aansluiting richting fietstunnel Oosterbroekweg minder goed functioneert. Verder moet voor deze varianten een gedeelte van het bosje tussen het Noord-Willemskanaal en de A28 worden gekapt. Door de fietsroute dwars door (2B) of tegen het bosje aan (2A) te realiseren wordt niet alleen de functie van het bosje als buffer tussen de A28 en het kanaal verminderd, maar ook dat de functie als aansluiting voor landdieren naar de fietstunnel verslechtert. Variant 2A is iets gunstiger. Ook de ruigte op de oever van het kanaal zuidelijk van het bosje zal verdwijnen door de aanleg van de doorfietsroute. Dit is voor de varianten 2A en 2B gelijk. De compensatie van dit bosareaal in NNN zal bij voorkeur daar plaatsvinden waar het migratieroutes van soorten kan versterken.

41

Afbeelding 6.8 Benodigde mitigatie om migratie te vergemakkelijken (Bouwsteen midden) Samengevat • Variant 1A bestaande verharding. Gelijk areaalverlies als 1B en 3, minder dan 2A en 2B, fietspad westzijde Noord-Willemskanaal wordt drukker, mitigatie om oversteek pad te vergemakkelijken mogelijk door FUP ter hoogte onderdoorgang en op die locatie wat bredere strook tussen de oever de doorfietsroute; • Variant1B zie 1A; • Variant 2A wel areaalverlies, gelijk aan 2B. Als er ter hoogte van de onderdoorgang geen brug komt wordt de migratieroute hier enigszins belemmerd. Ook het verdwijnen van de rust in de oeverstrook en bosje is ongunstig. Dit is ook ongunstig voor de aansluiting met de fietstunnel. Variant 2A is in dat opzicht iets beter dan variant 2B; • Variant 2B zie 2A, maar iets ongunstiger omdat 2B midden door het aanwezige bosje verloopt; • Variant 3 is de meest gunstige. Er is nauwelijks areaalverlies en ten aanzien van de bestaande migratieroutes verandert er niets. •

Voorkeur: Variant 1A / 1B

42

6.3.3 Toetsing bouwsteen Zuid In bouwsteen Zuid, ten zuiden van de Groningerstraat, liggen alle varianten buiten begrenzing NNN waardoor negatieve effecten op de kernwaarden niet zijn te verwachten. Op grond van de effecten op NNN zijn de varianten niet onderscheidend ten opzichte van elkaar. Tevens zijn hier geen belangrijke migratieroutes gedefinieerd voor beschermde en of doelsoorten. •

Voorkeur: Geen

43

7

Koppelkansen natuurontwikkeling

Naast de wettelijke beleidskaders bestaan binnen het plangebied de mogelijkheden aan te sluiten bij overige ontwikkelingen met betrekking tot natuur. Zo ligt er een opgave voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers, het ophogen van de kades en liggen vernatting van de Glimmermadepolder en Polder Lappenvoort-Oosterland in het vooruitzicht en wordt gezocht naar aansluiting bij de geplande ontsnipperingsmaatregelen. 7.1 Natuurvriendelijke oevers / kaden Binnen het plangebied van de doorfietsroute liggen opgaven voor waterschap Hunze en Aa’s voor de aanleg van 500 meter natuurvriendelijke oevers (NVO’s) ten behoeve van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en is een opgave voor het ophogen van de aanwezige kades. In afbeelding 7.1 zijn globaal de kansrijke locaties aangegeven voor zowel ophoging van de kaden als voor natuurvriendelijke oevers of voor beiden. De opgave voor NVO’s bestaat binnen het plangebied uit minimaal 500 meter (enkele) kanaallengte.

Afbeelding 7.1: potentieel geschikte locaties NVO’s (groen gearceerd) en ophogen kaden (rood omkaderd), bron: waterschap Hunze en Aa’s Waterschap Hunze en Aa’s streeft ernaar om in de NVO’s in het Noord-Willemskanaal een luwe zone toe te voegen, waar ondergedoken waterplanten zich kunnen vestigen en handhaven. Voor een goede ontwikkeling van waterplanten hoort een waterdiepte die varieert tussen de 0,3 en 1 meter met een minimale breedte van 4 meter. Aan de landzijde

44

zal een overgang worden gecreëerd van het watermilieu, naar land met voornamelijk helofyten (zoals riet). Achter de bestaande (vlak onder het water afgekorte) damwand zal de bodem worden ontgraven van circa 0,8 tot 1 meter, waarna de bodem over een breedte van 4 meter geleidelijk oploopt naar een waterdiepte van circa 0,3 tot 0,8 meter. Vanaf dit punt zal de bodem met een talud van 1:2 op gaan lopen en over te laten gaan in het kadetalud van eveneens een talud van 1:2. De kruin van de kade dient ten minste 4 meter breed te zijn zodat het onderhoud aan de oever vanaf de kruin van de kade kan worden uitgevoerd. Het onderhoudspad moet een minimale breedte hebben van 4 meter en moet over een breedte van 5 meter obstakel vrij zijn zodat de kraan kan draaien. Binnen bouwsteen noord zijn door waterschap Hunze en Aa’s een aantal locaties aangewezen als kansrijk voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers. In afbeelding 7.2 is een kansrijke zone binnen bouwsteen noord weergegeven die gecombineerd kan worden met de doorfietsroute (variant 1B). Deze kansrijke locatie voorziet in de opgave voor een lengte van de NVO van minimaal 500 m.

Afbeelding 7.2: Kansrijke zone voor natuurvriendelijke oevers binnen Bouwsteen Noord (aangegeven in gearceerd groen). Door op deze locatie de NVO, de kade en de doorfietsroute te combineren is relatief weinig ruimtebeslag nodig en kunnen de wachtsteigers aan de westoever van het NoordWillemskanaal intact blijven. Als de aanleg van de NVO, de kade en de doorfietsroute niet gecombineerd worden blijft de mogelijkheid voor alleen de realisatie van de NVO en de verhoogde kade op deze locatie. In afbeelding 7.3 is het ruimtebeslag zichtbaar gemaakt op deze locatie, zonder de doorfietsroute. Deze situatie kan ontstaan als variant 1A, 2B of 3 tot voorkeursvariant wordt benoemd.

45

Op deze afbeelding is duidelijk zichtbaar dat ook zonder de realisatie van de fietsroute op deze locatie bomen gekapt zullen worden als de NVO en de nieuwe kade worden aangelegd.

Afbeelding 7.3: Ruimtebeslag voor de combinatie van een NVO en de kadeverhoging zonder doorfietsroute. Door de realisatie van de NVO, kadeverhoging en de doorfietsroute juist wel te combineren op deze oostoever zal een groter ruimtebeslag nodig zijn, maar dit is minimaal ten opzichte van de realisatie zonder doorfietsroute (circa 3 m). In afbeelding 7.4 is een impressie van het ruimtebeslag weergegeven als de werkzaamheden gecombineerd worden met de realisatie van variant 1B. Bij variant 1B zal een kleine (extra) strook van de houtwal verloren gaan, maar blijft de houtwal in voldoende omvang aanwezig om de verstoring richting de Glimmermadepolder te beperken of zelfs te voorkomen.

Afbeelding 7.4: Ruimtebeslag voor de combinatie NVO en de kadeverhoging inclusief doorfietsroute volgens variant 1B. Bij variant 2A worden de NVO en doorfietsroute niet gecombineerd en juist uit elkaar gehaald. Hierdoor ontstaat meer ruimte voor de NVO, maar is een groter ruimtebeslag nodig. Een weergave van het ruimtebeslag als de functies worden gescheiden volgens variant 2A is weergegeven in afbeelding 7.5. Naast een groter ruimtebeslag treedt versnippering op in de aanwezige houtwal en de aansluiting richting de Glimmermadepolder.

46

Afbeelding 7.5: Ruimtebeslag voor variant 2A in combinatie met de aanleg van de NVO en kade verhoging. •

Voorkeur: Variant 1B

Binnen bouwsteen midden zijn door waterschap Hunze en Aa’s meerdere locaties aangewezen als kansrijk voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers (afbeelding 7.1). Het betreffen de west- en oostoever ten zuiden van de Oosterbroekbrug. Aan de westoever is ruimte voor ca. 300m NVO, waarna de weg dichter langs het kanaal komt en onvoldoende ruimte meer aanwezig is. Op deze locatie is in de huidige situatie een beverburcht aanwezig en is een brede houtwal aanwezig tussen de varianten van de doorfietsroute (1A en 1B), waardoor de functie als NVO niet gecombineerd kan worden. Aan de oostzijde van het Noord-Willemskanaal is binnen bouwsteen Midden op een groot deel een oever aanwezig die voldoet als natuurvriendelijke oever. Door hier de oever te vernieuwen ontstaan weinig meerwaarde voor ecologie vanuit de doelstellingen voor de Kaderrichtlijn Water. Hierdoor behoeft deze locatie niet de voorkeur. •

Voorkeur: Variant 1A / 1B

Bouwsteen zuid heeft geen koppelkansen voor wat betreft de aanleg van NVO’s of kadeverhoging. •

Voorkeur: Geen

7.2 Ontsnipperingsmaatregelen Er staan geen concrete ontsnipperingsmaatregelen gepland binnen bouwsteen noord. Wel gaat er een wijziging plaatsvinden in het aanwezige raster ten noorden van de Witte Molen (ter hoogte van het tankstation) op de oostzijde van het Noord-Willemskanaal zodat aanwezige dieren zich ook kunnen bewegen binnen de groenstrook langs de A28 zonder dat ze op de weg terecht komen. Het raster wordt aangesloten op het raster van Rijkswaterstaat direct langs de A28. Geen van de varianten heeft negatief effect op deze maatregel. De varianten van de doorfietsroute zijn op dit onderdeel niet onderscheidend van elkaar. Wel kan door de keuze van variant 3 geleidende structuren in het landschap worden versterkt om de werking van de fietstunnel in de Oosterbroekweg (afbeelding 7.6) als migratieroute te versterken (Sweco, 2016).

47

Afbeelding 7.6: Fietstunnel Oosterbroekweg •

Voorkeur: Variant 3

Binnen het gebied van bouwsteen midden staat op termijn een nieuwe faunapassage gepland bij de vernieuwing van de afrit van de A28 ter hoogte van Eelde bij de Groningerstraat. De aanleg van de fietsroute zal naar verwachting geen mogelijke koppelkansen hebben. Wel kan voorkomen worden dat de nog aan te leggen faunapassage zo weinig mogelijk invloed ondervindt van de doorfietsroute. •

Voorkeur: Geen

In bouwsteen zuid zijn geen concrete maatregelen voorgenomen ten behoeve van ontsnippering. Binnen deze bouwsteen zijn derhalve geen koppelkansen voor ontsnippering en behoeft daarom geen verdere toetsing van de varianten van de doorfietsroute. •

Voorkeur: Geen

7.3 Natuurontwikkeling polder Lappenvoort-Oosterland en Glimmermadepolder In polder Lappenvoort-Oosterland zijn ontwikkelingen voorzien die mogelijk leiden tot een hoger waterpeil in de polder. Voor de planontwikkelingen is een viertal scenario’s geformuleerd, maar op dit moment is nog geen zicht op de exacte ontwikkelingen. Wel wordt polder Lappenvoort-Oosterland ingezet als waterberging. Bij extreem hoge waterstanden moet de inlaatconstructie, die in de kade ligt tussen het Noord-Willemskanaal en de polder worden open gegraven om het overtollige water te bergen. Direct ecologisch effect is hier niet te verwachten, behalve aanvullende verstoring door de werkzaamheden na het herstel van de doorsteek en de doorfietsroute (variant 1A) op deze locatie (door stikstofuitstoot en de mogelijke verstoring van o.a. broedvogels). De andere varianten hebben binnen bouwsteen noord geen raakvlakken met polder Lappenvoort-Oosterland. De Glimmermadepolder zal in de toekomst (net als polder Lappenvoort-Oosterland) worden vernat. Doel van deze ontwikkeling is het stimuleren van natuur en de functie vergroten als stepping stone in de migratieroutes voor met name de bever en de otter. Hoe de nieuwe situatie eruit komt te zien is vooralsnog niet bekend, maar uitgangspunt is dat de bever en otter deze polder kunnen gebruiken als tijdelijk verblijfplaats tijdens de migratie tussen natuurgebieden.

De raakvlakken van de toekomstige ontwikkelingen zijn verder toegelicht in de toetsing van NNN en migratieroutes voor diverse soorten. •

Voorkeur: Variant 1B

48

8

Conclusies

8.1 Voorkeursvariant ecologie In bovenstaande hoofdstukken is per bouwsteen en toetsingscategorie een beoordeling gedaan en een voorkeursvariant bepaald. Om vanuit de toetsing en de benoemde voorkeursvarianten een overall voorkeursvariant voor wat betreft ecologie aan te kunnen wijzen is een weging meegegeven aan de criteria. Deze weging is tot stand gekomen door bovenstaande resultaten voor te leggen aan de werkgroep ecologie en gezamenlijk te bepalen welke variant de uiteindelijke voorkeur zal krijgen. Door de werkgroep ecologie is duidelijk gemaakt dat het meeste gewicht moet worden gegeven aan de toekomstige ontwikkelingen in het gebied, waarbij de aanleg van de fietsroute door slimme combinaties juist voor kansen voor natuur zorgt. Dit aspect is met name in bouwsteen noord aan de orde, waar de ontwikkelingen ten behoeve van versterking van de natuurwaarden, plaats gaan vinden in de Glimmermade Polder en de Polder Lappenvoort – Oosterland en de doorfietsroute voornamelijk door NNN loopt. Tevens is dit deel van het plangebied een belangrijke schakel in de migratieroutes (noord-zuid en oost-west) van dieren tussen de omliggende natuurgebieden. Voor de overige bouwstenen geldt voornamelijk dat de voorkeur uit gaat naar het volgen van bestaande verharding met zo weinig mogelijk verlies van areaal of kwaliteit van natuurwaarden.

Het is mogelijk dat de gekozen voorkeursvariant natuur niet voor alle toetsing categorieën de meest gunstige is. In deze gevallen dient in een verdere uitwerking van de voorkeursvariant rekening gehouden te worden met de aanwezige natuurwaarden en dient bepaald te worden voor welke soorten ontheffing nodig is en welke vervolgstappen genomen moeten worden voor de gebiedsbescherming (NNN / Natura 2000). Belangrijk is de doorkijk naar toekomstige ontwikkelingen die de natuurwaarden vergroten en het zodanig inpassen van de voorkeursvariant dat de kansen zoveel mogelijk worden versterkt. De voorkeursvariant over de gehele lengte van het tracé van de doorfietsroute tussen De punt en Witte molen is variant 1B. Met name voor bouwsteen noord is de keuze voor variant 1B onderbouwd met het oog op de toekomstige ontwikkelingen die gaan plaatsvinden in de Glimmermadepolder. De voornaamste argumenten voor het kiezen van deze variant als voorkeur zijn hieronder weergegeven. 1. Aansluiting bij toekomstige ontwikkelingen in de Glimmermadepolder, waar versterking van de natuurwaarden op gaat treden. Het gebied zal worden ingericht met een belangrijke functie voor migratie van diverse soorten en het karakter krijgen van leefgebied. Voor kleinere soorten zal het gebied gaan functioneren als volledig leefgebied en voor soorten als o.a.

de bever en de otter betreft het voornamelijk de functie van tijdelijk leefgebied. Het gebied wordt hierdoor ontwikkeld tot ‘stepping stone’ in de migratieroutes en de migratie van dieren versterkt; 2. Koppelkans met de natuurvriendelijke oever (NVO) zodat minder bomen gekapt hoeven te worden door functies te combineren dan wanneer de functies gescheiden worden. De te kappen bomen worden dan voor drie functies gekapt: NVO, kadeverhoging en doorfietsroute. Daarnaast ontstaat door de functies te combineren een koppelkans voor het werk met werk maken; 3. Een natuurlijke barrière werking van de aanwezige houtwal tussen de doorfietsroute en de nog in te richten Glimmermadepolder zodat verstoring geminimaliseerd wordt. Als koppelkans kan de bomenrij nog versterkt worden zodat deze beter functioneert als migratieroute, foerageergebied voor otter en bever en kan dienen als overwinteringsplek voor amfibieën; 4. Door het beperkte autoverkeer gebruik te laten maken van de variant 1B kan de bestaande weg door de Glimmermadepolder in de toekomst afgewaardeerd

49

worden en zal deze weg beter passen in de nog in te richten Glimmermadepolder (minder asfalt/versnippering); 5. Er kan aansluiting gezocht worden bij de aanwezige fietstunnel onder de A28 door de landschappelijke structuren te versterken en zo de werking als fauna passage te optimaliseren. De voorkeursvariant 1B volgt binnen bouwsteen midden en bouwsteen zuid de aanwezige verharding. De aanwezige verharde weg wordt in de huidige situatie aanzienlijk gebruikt waardoor de opwaardering tot de doorfietsroute hoogstens tot beperkte en veelal te mitigeren effecten op natuurwaarden zal leiden. Voor de voorkeursvariant 1B dient nog wel een uitwerking plaats te vinden van de exact te treffen mitigerende maatregelen om de versnippering tegen te gaan en moet mogelijk nog ontheffing aangevraagd worden in het kader van de Wet Natuurbescherming. De maatregelen en koppelkansen om aanwezige natuurwaarden te versterken zijn hierboven genoemd. Zo treedt er door de realisatie een (beperkte) versnippering op voor met name amfibieën. In principe kunnen deze de fietsroute oversteken, maar is er een risico op aanrijding met fietsers. Om in de verdere uitwerking rekening te houden met de mogelijkheden voor het aanbrengen van passages (amfibie tunnels), dient de kade ca. 30cm hoger te worden aangelegd en moet op nader te bepalen locaties de fietsroute niet direct langs de oever gerealiseerd worden.

Op deze manier wordt ruimte gecreëerd voor migrerende dieren tussen de te nemen hindernissen. 8.2 Aanbevelingen Vanuit de toetsing in deze ecologische afweging zijn een aantal aanbevelingen geformuleerd voor het vervolgonderzoek en of proces. 8.2.1 Aanvullend onderzoek Vanuit de uitgevoerde ecologische afweging zijn nog een aantal onzekerheden die voorafgaand aan de realisatie aanvullend onderzocht moeten worden. Deze onderzoeken kunnen gaan plaatsvinden voor het voorkeurstracé. Zodra een profiel beschikbaar is kan de precieze impact van de doorfietsroute worden vastgesteld. Zodra dit profiel bekend is kan de exacte impact op de natuurwaarden worden bepaald. De volgende onderzoeken zijn nodig. • Natuurbeleidskaders: ‘Nee, tenzij toets’; • Wet Natuurbescherming: Aanvullend natuuronderzoek; • Wet Natuurbescherming: Aerius berekening. Uit deze aanvullende onderzoeken kan blijken dat een ontheffing en / of toestemming in het kader van de Wet natuurbescherming of de beleidskaders van de Provincie nodig is voor het kunnen realiseren van de doorfietsroute op het tracé sluis De Punt – Witte Molen.

8.2.2 Compensatie/mitigatie Zoals ook al is beschreven in hoofdstuk 6 zullen voor de uiteindelijke voorkeursvariant (vooralsnog wordt uitgegaan van variant 1B) een aantal mitigerende maatregelen getroffen moeten worden om zo mogelijk negatieve effecten voor planten en dieren te kunnen verminderen of uit te sluiten. De globale locaties voor deze maatregelen zijn weergegeven in afbeeldingen 6.7 en 6.8 onder de toetsing van NNN. In tabel 8.1 is een korte beschrijving weergegeven over de benoemde maatregelen, voor welke soort en het aantal of de omvang. Uitgangspunt is dat het realiseren van toeleidende structuren binnen de Glimmermadepolder onderdeel uitmaken van de herinrichting van dit gebied en geen onderdeel uitmaakt van de realisatie van de doorfietsroute.

50

Maatregel

Soorten

FUP en enige afstand oever

Amfibieëntunnel

Bever, otter, ree, amfibieën Vogels, amfibieën, bever, otter Amfibieën

Afrastering

Amfibieën

Onderdoorgang brug

Otter, bever, amfibieën

Versterken bosrand

Omvang / aantal 4 - 5 stuks

Prijs/ eenheid € 10.000

Totaal

Opmerkingen

€ 50.000

550 meter

€5

€ 5.500

Damwand inkorten, 2e wand landinwaarts, steen/zand/leem pakket Takkenrillen, bijplanten, beheerswerk

1 - 2 stuks

€ 1.400

€ 2.800

500 - 1000 meter 1 stuk

€ 40

€ 40.000

€-

€-

TOTAAL

€ 98.300

7 m breed op maaiveldhoogte (ACO) Combinatiegaas kleinwild en grootwild /amfibieën In ontwerp landhoofd meenemen, geen meerkosten Directe bouwkosten

De doorfietsroute zal bij het volgen van variant 1B in bouwsteen noord leiden tot een verlies aan areaal NNN. Het betreft een globale oppervlakte van 4.200 m2. Deze oppervlakte zal in een compensatieplan moeten worden verwerkt en moet elders worden gecompenseerd conform de beleidsnotitie ‘Spelregels EHS, Beleidskader voor compensatiebeginsel, EHSsaldobenadering en her begrenzen EHS’, opgesteld door het Rijk en de Provincies. Het compensatieplan maakt onderdeel uit van de ‘Nee tenzij toets’. Een globale berekening van de kosten voor de compensatie van het areaal NNN is weergegeven in Bijlage 3. De globale kosten voor deze compensatie zijn berekend op basis van de richtlijnen van BIJ12 en bedragen € 53.000,-.

51

Toestemming verlening stikstofdepositie

Beheertypen en indicerende soorten NNN Beschrijvingen beheertypen (bron: BIJ12) N12.02: Kruiden- en faunarijk grasland: Kruiden- en faunarijk grasland omvat graslanden die kruidenrijk zijn, maar niet tot de schraallanden, vochtig hooiland, zilt grasland en overstromingsgrasland of glanshaverhooiland behoren. De vegetatie kan behoren tot allerlei verbonden van graslandvegetaties; ondermeer kamgrasvegetaties of de meer algemene witbolgraslanden. Diverse soorten ruigte en struweel kunnen in dit grasland voorkomen. Het grasland wordt meestal extensief beweid of gehooid en niet of slechts licht bemest. N14.02: Hoog- en laagveenbos: Hoog- en laagveenbos is bos op natte standplaatsen op venige bodem met dominerende soorten als zwarte els, zachte berk en grauwe wilg. Soms zijn deze bossen heel structuurrijk, soms vrij uniform. Hoog- en laagveenbos omvat bossen en struwelen en komt in vrijwel alle landschapstypen voor, waarbij hoogveenbossen tot de meest zeldzame broekbossen behoren. Water speelt een grote rol binnen het beheertype en bepaalt voor een groot deel de begroeiing. Aaneengesloten struwelen komen vooral voor in hoog- en laagveengebieden met soorten als grauwe wilg, gagel en zwarte appelbes. Op open plekken domineren moerasplanten. Hoog- en laagveenbossen kennen een hoge diversiteit bij veel structuurvariatie en de afwezigheid van verdroging.

In Hoog- en laagveenbossen met elzen ontstaat deze variatie bij een hoge ouderdom door het ontstaan van hogere wortelkluiten en poelen na het omvallen van oude bomen. Hoog- en laagveenbos met berken is relatief ijl en open en is van belang voor reptielen en amfibieën. N10.02: Vochtig hooiland: Vochtig hooiland is ontstaan door de ontginning van moerassen of natte bossen en door langdurig gebruik als hooiland. Vochtig hooiland komt voor op natte veen- en kleibodems met een redelijke draagkracht. Het gaat om bloemrijke graslanden, vaak geel van soorten als ratelaar, gewone rolklaver, moerasrolklaver, geel walstro, scherpe boterbloem, kruipende boterbloem of dotterbloem. Vochtighooiland is minder zeggenrijk dan nat schraaland. Ze zijn nu niet meer interessant voor boeren door hun lage productie en eiwitarm gewas, maar ze behoorden ooit tot de betere graslanden. N03.01: Beek en bron: Het beheertype Beek en bron komt voor op de zand- en lössgronden van noord, oost en zuid Nederland en in de duinen. Het gaat om kleine stromende wateren met hun bronnen, zoals Regge, Dinkel, Berkel, Dommel, en Swalm, die uiteindelijk uitmonden in een rivier, in oost- en zuid Nederland, of op een (voormalig) estuarium (Drentse Aa, Boorne in noord Nederland). Ieder bekenstelsel kent brongebieden, bovenlopen, een of twee middenlopen en een benedenloop.

Bronnen en bovenlopen liggen vaak heel verspreid en hoog in het landschap en zijn vaak gedeeltelijk ge- of vergraven. Middenlopen liggen vaak wat dieper in laagten en trekken daardoor ook veel grondwater aan. De benedenlopen liggen in vlakke veengebieden en overstromingsvlakten, ze kunnen zo breed worden dat ze lijken op kleine rivieren (Eem, Dieze, Reitdiep). N10.01: Nat schraalland: Nat schraalland is, net als Vochtig hooiland, zeer oud boerengrasland. Nat schraalland is echter minder productief en de bodem is heel slap. De graslanden zijn daardoor slecht toegankelijk, ze kunnen ’s winters onder water staan maar zullen ’s zomers oppervlakkig uitdrogen. Door jaarlijks te hooien blijft het voedselarme karakter behouden. De variatie in

de graslanden is groot. Blauwgraslanden en kleine zeggenvegetaties worden tot nat schraalland gerekend. Hiermee in mozaiek voorkomende dotterbloemhooilanden en veldrusschraallanden worden ook tot nat schraalland gerekend. N14.03: Haagbeuken- en essenbos: Haagbeuken- en essenbos wordt gedomineerd door diverse boomsoorten zoals haagbeuk, gewone es, esdoorn en gladde iep. Het betreft rijke bossen op klei- of leemgrond en/of op bodems waar aanrijking plaatsvindt met basen door periodiek hoge grondwaterstanden buiten de invloed van beek of rivier. Vegetatiekundig behoren de bossen tot het Haagbeukenverbond, Iepenrijke Eiken-Essenverbond en Verbond van Els en Es. De bijbehorende struwelen maken ook onderdeel uit van dit type. Het bostype is vaak rijk in structuur en kent een opvallende voorjaarsflora. Haagbeuken- en essenbos komt op verschillende bodemtypen voor met een basisch en vochtig tot vrij nat karakter.

Beheertypenkaarten (ambitie)

Indicerende soorten Beheertype Omschrijving N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland

Flora bochtige klaver, echte koekoeksbloem, gewone brunel, gewone margriet, grote ratelaar, kamgras, karwijvarkenskervel, klavervreter, klein vogelpootje, knolvossenstaart, knoopkruid, moerasstruisgras, muizenoor, polei, spits havikskruid, waterkruiskruid, witte munt, zwarte zegge

Fauna Vlinders: argusvlinder, bruin blauwtje, bruine vuurvlinder, bruin zandoogje, geelsprietdikkopje, groot dikkopje, hooibeestje, kleine parelmoervlinder, zwartsprietdikkopje

N14.02

Hoog- en laagveenbos

draadzegge, eenarig wollegras, galigaan, glanzend veenmos (m), hoogveenveenmos (m), kamvaren, kleine veenbes, koningsvaren, laurierwilg, lavendelhei, moeraslathyrus, moeraswolfsmelk, paardenhaarzegge, poelruit, rood veenmos (m), rijsbes, slank wollegras, slanke zegge, sterzegge, stijf veenmos (m), stijve zegge, violet veenmos (m), wateraardbei, waterdrieblad, waterviolier, wilde gagel, wrattig veenmos (m)

Vogels: blauwborst, boomkruiper, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, grote bonte specht, kleine bonte specht, matkop, nachtegaal, wielewaal

N10.02

Vochtig hooiland

addertong, adderwortel, beemdooievaarsbek, bevertjes, bleke zegge, bosbies, brede orchis, draadrus, gevlekte orchis, gevleugeld hertshooi, gewone dotterbloem, grote pimpernel, gulden boterbloem, harlekijn, herfsttijloos, karwijselie, kleine valeriaan, klimopwaterranonkel, melkviooltje, moeraskartelblad, moerasstreepzaad, moesdistel, noords walstro, noordse zegge, platte bies, polei, rietorchis, rode ogentroost, trosdravik, verfbrem, vleeskleurige orchis, waterkruiskruid, herfsttijloos, weidekervel, weide-vergeet-mij-nietje, welriekende nachtorchis, wilde kievitsbloem, zilte rus, zwartblauwe rapunzel

Vlinders: aardbeivlinder, bont dikkopje, bruine vuurvlinder, donker pimpernelblauwtje, moerassprinkhaan, pimpernelblauwtje, zilveren maan, zompsprinkhaan Broedvogels: gele kwikstaart, grutto, kemphaan, kwartelkoning, tureluur, watersnip

N03.01

Beek en bron

beekpunge, bittere veldkers, doorgroeid fonteinkruid, drijvende waterweegbree, duizendknoopfonteinkruid, gesteeld sterrenkroos, gewone dotterbloem, glanzig fonteinkruid, groot blaasjeskruid, groot bronkruid, grote waterranonkel, haaksterrenkroos, klimopwaterranonkel, kransvederkruid, naaldwaterbies, ongelijkbladig fonteinkruid, paarbladig goudveil, plat fonteinkruid, puntig fonteinkruid, rossig fonteinkruid, smalle waterweegbree, teer vederkruid, verspreidbladig goudveil, vlottende bies, vlottende waterranonkel, waterviolier, witte waterkers, witte waterranonkel

Vissen: barbeel, beekforel (zeer zeldzaam), beekprik, bermpje, elrits, gestippelde alver (zeer zeldzaam), kopvoorn, kwabaal, rivierdonderpad, riviergrondel, rivierprik, serpeling, sneep, vlagzalm (zeer zeldzaam), winde Libellen: beekrombout, beekoeverlibel, blauwe breedscheenjuffer, bosbeekjuffer, bronslibel, gewone bronlibel, weidebeekjuffer, zuidelijke oeverlibel

N14.03

Haagbeukenen essenbos

aardbeiganzerik, amandelwolfsmelk, berghertshooi, blaasvaren, bleek bosvogeltje, bleeksporig bosviooltje, bleke zegge, borstelkrans, bosbingelkruid, bosboterbloem, bosdravik, bosereprijs, bosgeelster, boslathyrus, bosmuur, bosroos, boszegge, bottelroos, bruinrode wespenorchis, christoffelkruid, daslook, dichte bermzegge, donderkruid, donkersporig bosviooltje, eenbes, eenbloemig parelgras, fraai hertshooi, geelgroene wespenorchis, gele anemoon, gele kornoelje, gele monnikskap, gevlekt hertshooi, gewone bermzegge, groene bermzegge, grote keverorchis, gulden boterbloem, heelkruid, klein heksenkruid, herfsttijloos, hokjespeul, kleine kaardebol, knollathyrus, knolribzaad, kraagroos, kruidvlier, kruisbes, kruisbladwalstro, lansvaren, lievevrouwebedstro, mannetjesorchis, muskuskruid, rood peperboompje, ruig hertshooi, ruig klokje, ruwe dravik, schedegeelster, slanke sleutelbloem, stengelloze sleutelbloem, stijve naaldvaren, stijve

Broedvogels: appelvink, boomklever, boomleeuwerik, fluiter, groene specht, kleine bonte specht, middelste bonte specht, nachtegaal, wielewaal, zwarte specht

steenraket, tongvaren, torenkruid, tweestijlige meidoorn, viltroos, vingerzegge, vliegenorchis, vogelnestje, wegedoorn, welriekende agrimonie, wild kattekruid, winterlinde, wit bosvogeltje, witte engbloem, witte rapunzel, zwartblauwe rapunzel N10.01

Nat schraalland

addertong, armbloemige waterbies, bevertjes, blauwe knoop, bleke zegge, blonde zegge, bonte paardenstaart, brede orchis, breed wollegras, draadgentiaan, draadrus, draadzegge, dwergbloem, dwergrus, gele zegge, gevlekte orchis, gewone vleugeltjesbloem, groenknolorchis, grondster, grote muggenorchis, heidekartelblad, honingorchis, karwijselie, kleine valeriaan, klimopwaterranonkel, klokjesgentiaan, knolsteenbreek, knotszegge, koprus, kranskarwij, kruipende moerasweegbree, liggende vleugeltjesbloem, melkviooltje, moeraskartelblad, moerasstreepzaad, moeraswespenorchis, moesdistel, noordse zegge, paardenhaarzegge, parnassia, plat blaasjeskruid, rietorchis, ronde zegge, schildereprijs, schubzegge, Spaanse ruiter, sterzegge, teer guichelheil, tweehuizige zegge, veenmosorchis, vetblad, vleeskleurige orchis, vlozegge, waterdrieblad, weidekervel, welriekende nachtorchis, wijdbloeiende rus, zwartblauwe rapunzel

Dagvlinders & sprinkhanen: Aardbeivlinder, bruine vuurvlinder, gentiaanblauwtje, moerassprinkhaan, zilveren maan, zompsprinkhaan Broedvogels: gele kwikstaart, grutto, kemphaan, kwartelkoning, tureluur, watersnip

Indicatieve berekening kosten compensatie NNN

Oppervlakte in NNN

Traject Brug Dr. Aa - Witte Molen Witte Molen - Oosterbroeksebrug Oosterbroekseweg - Hooidijk

Maatregel Verbreden pad met 2 meter Nieuw pad profiel 7 meter Verbreden weg met 1 meter

Lengte in m Breedte in m Afname NNN in m2 Afname NNN in ha € per ha 220 2 440 600 7 4200 875 1 875

Totaal

Aantal jaren Kosten

5515

Aankoop compensatiegrond

0,55

€ 60.600,00

€ 33.420,90

Inrichtingskosten nieuwe compensatienatuur

0,55

€ 10.000,00

€ 5.515,00

0,04 0,42 0,09

€ 0,00 € 1.342,66 € 27,38

Natuurbeheer 25 jaren

Totaal

Brug Dr. Aa - Witte Molen N00.01, nog om te vormen naar natuur Witte Molen - Oosterbroeksebrug N10.02, vochtig hooiland Oosterbroekseweg - Hooidijk N14.02 Vochtige bossen

220 600 875

2 7 1

440 4200 875

25 25 25

€ 0,00 € 14.097,93 € 59,89 € 53.093,72

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/4151/documents/59256