CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Financieel Meerjarenbeeld 2025-2028.pdf

gemeenteraad 17 juli 2024, gemeente GroningenBij agendapunt: *: FINANCIEEL MEERJARENBEELD 2025-2028 EN VOORJAARSBRIEF 20243.955 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Financieel Meerjarenbeeld 2025-2028

Gemeente Groningen, juni 2024

Financieel meerjarenbeeld 2025-2028

Inhoudsopgave

1. Inleiding

2

2. Uitgangspunten in het meerjarenbeeld

3

3. Verschil met het meerjarenbeeld in de gemeentebegroting 2024

6

1

Financieel meerjarenbeeld 2025-2028

1. Inleiding In het financieel meerjarenbeeld geven we aan wat de verwachte financiële ontwikkelingen zijn in de komende jaren. We presenteren een financieel meerjarenbeeld in het voorjaar en een actualisatie in de gemeentebegroting 2025. In het voorjaar wordt een eerste schatting van de financiële ruimte gemaakt. Die financiële ruimte wordt beïnvloed door de ontwikkeling van het gemeentefonds, de loon- en prijsstijgingen, renteontwikkelingen, de opbrengst van de gemeentelijke belastingen en overige mee- en tegenvallers. We vergelijken het actuele meerjarenbeeld met het meerjarenbeeld dat in de gemeentebegroting 2024 aan uw raad is voorgelegd. De laatst bekende informatie vanuit het gemeentefonds (meicirculaire 2024) is verwerkt in het meerjarenbeeld. Daarnaast is in het meerjarenbeeld rekening gehouden met de rente effecten en andere autonome ontwikkelingen (nominale compensatie, belastingopbrengsten en dergelijke). Het effect van de meicirculaire 2024 van het gemeentefonds kon in dit financiële meerjarenbeeld nog worden betrokken. Dat betekent dat de verwachte loon- en prijsontwikkelingen (conform het Centraal Economisch Plan, CPB) zijn verwerkt in de ramingen. Verder is door het Rijk aangegeven dat al vanaf 2024 op basis van BBP wordt geïndexeerd. Deze overgang is budgetneutraal verwerkt.

De oploop van de opschalingskorting wordt vanaf 2026 geschrapt: hier tegenover staat dat er voor 675 miljoen euro wordt gekort op het accres van 2025. Per saldo resteert dan nog een tekort (ravijn) vanaf 2026 van ruim 2,3 miljard euro waarvoor nog geen oplossing is geboden. Ook het nieuwe kabinet biedt geen oplossing voor de financiële problematiek vanaf 2026 in het hoofdlijnenakkoord. Het verschil tussen het geactualiseerde meerjarenbeeld en het meerjarenbeeld zoals opgenomen in de begroting 2024 ziet er als volgt uit: (bedragen x € 1.000)

Saldo MJB bij begroting 2024 Ontwikkelingen Actueel meerjarenbeeld

2025 0 7.908 7.908

2026 -22.000 29.076 7.076

2027 -20.881 30.587 9.706

2028 -29.349 31.477 2.128

Het financieel meerjarenbeeld is verbeterd. De belangrijkste ontwikkelingen zijn: - Sinds 2020 wordt de septembercirculaire niet meer in de begroting verwerkt. Verwerking van deze circulaire in dit meerjarenbeeld betekent een voordeel van 7,5 miljoen euro in 2025 oplopend tot 12,0 miljoen euro in 2028. - Eind september 2023 heeft het ministerie van SZW het definitieve budget BUIG voor 2023 vastgesteld en het voorlopige budget 2024 bekend gemaakt. Dit leidt tot een structureel voordeel van 4 miljoen euro per jaar. - Na het verschijnen van het Centraal Economisch Plan (CEP) is de loon- en prijscompensatie vanaf 2025 bepaald waarmee directies de koopkracht van budgetten waardevast kunnen houden. Voor een deel van 2025 (eerste kwartaal) is voor de loonontwikkeling gerekend met de nog lopende cao. Het financiële effect in 2025 is voordeel van 4,7 miljoen euro, in 2026 een voordeel van 6,6 miljoen euro, in 2027 een voordeel van 300 duizend euro en vanaf 2028 ontstaat een nadeel van 60 duizend euro. - De ontwikkeling van onze belastinginkomsten zijn gerelateerd aan de ontwikkeling van de lonen en prijzen. Op basis van de geactualiseerde raming van het CPB daalt naar verwachting de Lpostijging in 2025 t/m 2028 en daarmee de inkomsten uit belastingen. De negatieve bijstelling bedraagt -1,6 miljoen euro in 2025, -2,5 miljoen euro in 2026, -1,8 miljoen euro vanaf 2027.

- In de meicirculaire 2024 is het accres bijgesteld, de oploop van de opschalingskorting vanaf 2026 vervallen, het accres incidenteel gekort in 2025, de onderuitputting van het BCF bijgesteld en zijn onderliggende maatstaven geactualiseerd.

2

Financieel meerjarenbeeld 2025-2028

2. Uitgangspunten in het meerjarenbeeld Om te komen tot een eenduidig meerjarenbeeld is een aantal uitgangspunten vastgesteld. Deze uitgangspunten worden in dit hoofdstuk uiteengezet. Algemeen Als extra budget nodig is werkt dit kostenverhogend. Daarom wordt dit weergegeven als een negatief bedrag. Extra inkomsten en besparingen worden als positieve bedragen weergegeven. Alle bedragen in de tabellen zijn in duizendtallen tenzij anders wordt vermeld. Autonome ontwikkelingen Het uitgangspunt is dat in het meerjarenbeeld wordt aangegeven hoe de financiële ruimte zich ontwikkelt in de komende jaren bij ongewijzigd beleid van de gemeente. Alleen autonome ontwikkelingen worden opgenomen. Voor die ontwikkelingen worden twee criteria gehanteerd: ▪ de ontwikkeling is, voor de gemeente, niet beïnvloedbaar; ▪ de (negatieve) financiële gevolgen van de ontwikkeling kunnen niet door de organisatie zelf worden opgevangen, bijvoorbeeld door het verhogen van de tarieven. Knelpunten (tekorten) bij de uitvoering van bestaand beleid dienen in principe te worden opgevangen binnen de betreffende sector. Dit is mogelijk als sprake is van een keuzemogelijkheid bij de uitvoering van het beleid (is het mogelijk het beleid aan te passen en daarmee kosten te besparen). In dat geval worden dergelijke knelpunten niet in het meerjarenbeeld opgenomen.

Ook de volgende posten worden niet in het Meerjarenbeeld opgenomen: • Prijsstijgingen; er wordt per directie een nominale vergoeding verstrekt • Organisatiekosten; deze dienen te worden bekostigd uit efficiencyverbeteringen • PM-posten; posten die niet kwantificeerbaar zijn, kunnen niet worden meegenomen. Extra beleid en hervormingen voorgaande jaren In het meerjarenbeeld is de inzet van de extra beleidsgelden en hervormingen uit voorgaande jaren voor de komende jaren verwerkt. Raming (incidentele) dekking In het meerjarenbeeld is een raming opgenomen van de (incidentele) dekkingsbronnen. In 2025 gaat het om het terugramen van een aantal incidentele posten die zijn opgenomen in de begrotingen van 2022, 2023 en 2024 en de middelen in de meerjarenbegroting voor de jaarschijven 2025-2028. Nominale ontwikkelingen De nominale ontwikkelingen geven weer wat de verwachte stijging van lonen en prijzen is. Deze is gebaseerd op een gewogen gemiddelde van de verwachte loonontwikkeling en inflatie voor de komende jaren. De loon- en prijsontwikkelingen in voorgaande jaren worden nagecalculeerd. Loonontwikkeling Werkgevers en vakbonden hebben een akkoord gesloten over een nieuwe CAO die loopt van 1 januari 2024 t/m het eerste kwartaal van 2025. De afgesloten CAO voor 2024 werkt voor 2025 nog door voor 0,94%.

Voor de andere drie kwartalen in 2025 rekenen we met een loonontwikkeling conform het CEP (0,75 x 4,40%) van 3,3%. De loonontwikkeling 2025 komt daarmee uit op 4,24%. Vanaf 2026 volgen we de loonontwikkeling conform het CEP2024 (loonvoet sector overheid).

3

Financieel meerjarenbeeld 2025-2028

Prijsontwikkeling De prijsontwikkeling is gebaseerd op de prijsmutatie materiële overheidsconsumptie (imoc). Voor 2025 houden we conform de informatie van het Centraal Planbureau (CEP2024) rekening met een prijsontwikkeling van 2,2%. Ook in de jaren vanaf 2026 volgen we de raming van het CEP2024. Nominale compensatie Voor de toekenning van de nominale compensatie telt de loonontwikkeling mee voor 80% en de prijsmutatie voor 20%. Dit leidt voor 2025 tot het volgende percentage nominale compensatie: Nominale compensatie Loon Prijs Totaal

Perc. 4,24% 2,20%

Factor 80% 20%

Percentage 3,39% 0,44% 3,83%

De nacalculatie voor loon en prijsontwikkelingen voorgaande jaren bedraagt -0,39%. Indexatie budget jeugdzorg Met het invoeren van landelijke contractstandaarden voor de inkoop van jeugdzorg zijn afspraken gemaakt over de manier van indexeren en met welk indexcijfer gerekend moet worden. De index die de RIGG toepast voor via de open house gecontracteerde jeugdhulpaanbieders wijkt tot op heden af van de landelijk voorgeschreven bepaling. De RIGG stelt voor om de landelijk voorgeschreven index van 90% OVA en 10% ppc (=prijsindex materiële kosten) ook voor de via open house gecontracteerde jeugdhulpaanbieders te laten gelden. De indexatie jeugdzorg wordt daarmee 4,96% vanaf 2025. Als er bestuurlijk andere afspraken worden gemaakt actualiseren we onze raming in de begroting 2025. Tarieven Loon- en prijsstijgingen zorgen ervoor dat de kosten voor uitvoering van de gemeentelijke taken hoger worden. Als we de gemeentelijke budgetten niet aanvullen, kunnen we de taken niet meer allemaal uitvoeren en moeten we bezuinigen. Tegenover de kostenstijgingen staat normaal gesproken een stijging van de uitkering uit het gemeentefonds en een stijging van de gemeentelijke inkomsten uit belastingen en leges. De belangrijkste inkomstenbron is de OZB belasting.

Om onze gemeentelijke budgetten op niveau te houden om de gemeentelijke taken te kunnen uitvoeren is het nodig om ook de gemeentelijke inkomsten te verhogen met de loon- en prijsontwikkeling. Dit doen we elk jaar. Nacalculatie voorgaande jaren betreft normaliter de twee jaren voorafgaand aan het begrotingsjaar. Bij uitzondering strekt de nacalculatie voorgaande jaren zich ook uit over 2022 vanwege de grote prijsbijstelling die nog is doorgevoerd in de cijfers van het Centraal Planbureau. Deze ‘uitgebreide’ nacalculatie is in dit meerjarenbeeld toegepast op zowel de baten als de lasten. Stijging tarieven Tariefstijging 2025 Nacalculatie 2024 Nacalculatie 2023 Nacalculatie 2022 Totaal tariefstijging 2025

2025 3,83% -0,55% -0,36% 0,52% 3,44%

4

Financieel meerjarenbeeld 2025-2028

Rente Voor 2025 worden de volgende rentepercentages gebruikt: Gehanteerde rentepercentages 2025 Rente langlopende leningen 2,50% Rente omslag percentage (ROP) 1,70% Grondexploitatie (Grex) rente 1,70% Bij de bepaling van het ROP is als uitgangspunt gehanteerd een verwacht resultaat van nul voor 2025. De percentages van 2025 worden ook toegepast op de volgende jaren. Algemene uitkering De actualisatie van de algemene uitkering is gebaseerd op de laatst ontvangen gemeentefonds circulaire. De laatst ontvangen circulaire betreft de meicirculaire 2024 en is verwerkt in dit financieel meerjarenbeeld. Het accres is bijgesteld op basis van de geactualiseerde loon- en prijsontwikkelingen (Centraal Economisch Plan, CPB). Verder is door het Rijk aangegeven dat al vanaf 2024 op basis van BBP wordt geïndexeerd. Deze overgang is budgetneutraal opgenomen in de algemene uitkering. De oploop van de opschalingskorting wordt vanaf 2026 geschrapt: hier tegenover staat dat er voor 675 miljoen euro wordt gekort op het accres van alle gemeenten in 2025. Per saldo resteert dan nog een tekort (ravijn) vanaf 2026 van ruim 2,3 miljard euro waarvoor nog geen oplossing is geboden. Ook het nieuwe kabinet biedt geen oplossing voor de financiële problematiek vanaf 2026 in het hoofdlijnenakkoord.

5

Financieel meerjarenbeeld 2025-2028

3. Verschil met het meerjarenbeeld in de gemeentebegroting 2025 Het laatste meerjarenbeeld is opgesteld bij het opstellen van de gemeentebegroting 2024. Het financiële meerjarenbeeld is in 2024 verbeterd ten opzichte van het meerjarenbeeld zoals opgenomen in de begroting 2024. De grotere mutaties betreffen de ontwikkeling van het gemeentefonds, lonen en prijzen en de BUIG. 2025 0 7.908 7.908

Saldo MJB bij begroting 2024 Ontwikkelingen Actueel meerjarenbeeld

2026 2027 -22.000* -20.881** 29.076 30.587 7.076 9.706

2028 -29.349 31.477 2.128

*) Van het overschot in 2024 en 2025 gebruiken we 1,3 miljoen om het tekort in 2026 terug te brengen tot het aanvaardbare tekort van 22 miljoen. Het resterende overschot in 2024 en 2025 (13,6 miljoen) sparen we voor de strategische investeringsprojecten **) De stand is 250 lager dan vermeld in begroting 2024 doordat opgave 118 (begroting 2023) abusievelijk t/m 2026 was verwerkt i.p.v. t/m 2030

De ontwikkelingen per jaar bestaan uit de volgende mutaties en deze worden daarna toegelicht. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19

Gemeentefonds, septembercirculaire 2023 BUIG Nominale compensatie Gemeentefonds, meicirculaire 2024 Belastingen Rente-effecten Dividenden Enexis Areaalontwikkeling Voorziening afkoopsom graven BTW op riolering Leges op reisdocumenten Leerlingenvervoer Energie Terugloop kapitaallasten GR – PG&Z GR – Noordelijk belastingkantoor GR – Groninger Archieven GR – Veiligheidsregio Groningen GR – Omgevingsdienst Groningen Totaal ontwikkelingen

2025 7.500 4.051 4.731 -6.900 -1.646 29 435 -65 -39 p.m.

2026 6.650 4.138 6.630 13.425 -2.457 802

2027 12.000 4.227 314 15.550 -1.771 375

2028 12.000 4.227 -60 18.475 -1.844 -365

-125 -26 p.m.

-215 -24 p.m.

374 400 -4 -455 -16 39 -426 -100 -7.908

416 400 -9 -301 -225 59 -251 -50 29.076

419 400 -16 -128 -244 45 -295 -50 30.587

-310 -25 p.m. -159 211 400 -21 60 -250 48 -860 -50 31.477

1. Gemeentefonds, septembercirculaire 2023 De raming van het gemeentefonds is geactualiseerd op basis van de septembercirculaire 2023. Het geraamde accres is ten opzichte van de meicirculaire 2023 bijgesteld voor een hogere geraamde loon- en prijsontwikkeling. De extra opbrengst bedraagt 5,9 miljoen euro in 2025, 5,4 miljoen euro in 2026, 10,7 miljoen euro in 2027 en 2028. Bijstelling van de verwachte ruimte onder het plafond van het BTW compensatiefonds leidt tot een voordeel van 0,65 miljoen euro vanaf 2025. Overige ontwikkelingen leiden tot een voordeel van 950 duizend euro in 2025 aflopend tot 650 duizend euro vanaf 2027. Per saldo is het voordeel 7,5 miljoen euro in 2025, 6,65 miljoen euro in 2026 en 12,0 miljoen euro vanaf 2027. 2. BUIG Eind september 2023 heeft het ministerie van SZW het definitieve budget BUIG voor 2023 vastgesteld en is het voorlopig budget BUIG voor 2024 bekendgemaakt. Per brief (kenmerk 3238672023) is de raad hierover geïnformeerd. Dit leidt tot een structureel voordeel van 4 miljoen euro.

6

Financieel meerjarenbeeld 2025-2028

3. Nominale compensatie Nacalculatie van de loon- en prijsontwikkeling over 2022 t/m 2024 betekent een verlaging van de budgetten met 0,39%. Het voordeel voor de algemene middelen bedraagt 2 miljoen euro vanaf 2025. Na het verschijnen van het Centraal Economisch Plan (CEP) wordt de loon- en prijscompensatie vanaf 2025 bepaald waarmee directies de koopkracht van budgetten waardevast kunnen houden. Voor een deel van 2025 (eerste kwartaal) is voor de loonontwikkeling gerekend met de nog lopende cao. Voor 2025 en 2026 is er een voordelige bijstelling van de nominale compensatie dat vooral wordt verklaard door een lagere verwachte loonontwikkeling in het CEP. Daarentegen verwacht het CPB voor 2027 een hogere loonontwikkeling dan eerder was voorzien. Daarnaast neemt het budget dat jaarlijks waardevast wordt gehouden toe doordat extra middelen voor knelpunten en opgaven beschikbaar worden gesteld en door de loon- en prijsontwikkelingen. Het financiële effect dat per saldo ontstaat is een voordeel van 4,7 miljoen euro in 2025, een voordeel van 6,6 miljoen euro in 2026, een voordeel van 0,3 miljoen euro in 2027 en een nadeel van 0,1 miljoen euro vanaf 2028. 4. Gemeentefonds, meicirculaire 2024 De begroting 2025 wordt gebaseerd op de uitkomsten van de meicirculaire 2024.

Op dat moment worden niet alleen de mutaties van de circulaire verwerkt maar worden ook de onderliggende maatstaven geactualiseerd naar de laatste inzichten. Voorlopig is de verwachte ontwikkeling: (bedragen x €1 miljoen) Verwachte ontwikkeling accres Ontwikkeling maatstaven Rijksvoorjaarsnota 2024

2025 -4,9 8,8 -10,8 -6,9

2026 -7,3 8,8 11,9 +13,4

2027 -9,1 11,6 13,1 +15,6

2028 -8,6 12,9 +14,2 +18,5

Verwachte ontwikkeling accres In de meicirculaire 2024 en Rijksvoorjaarsnota is het accres gemeentefonds herzien op basis van het CEP (Centraal Economisch Plan) van het CPB. Doordat de verwachte loon- en prijsontwikkeling de komende jaren is verlaagd zal het Lpo-accres eveneens dalen. Ook het volume-accres dat vanaf 2027 wordt verstrekt neemt af door een lagere (8-jaars gemiddelde) BBP-groei in het CEP t.o.v. het MEV. De nadelige bijstelling bedraagt -4,9 miljoen euro in 2025 oplopend tot -8,6 miljoen euro in 2028. Ontwikkeling maatstaven De decembercirculaire gaf een voordelige bijstelling door bijstelling van de maatstaf ‘Huishoudens met een laag inkomen’. Dit betekent een voordeel van bijna 8 miljoen euro. De vraag op dat moment was of we dit voordeel structureel konden ramen. Op basis van nadere analyse van de onderliggende data is geconcludeerd dat het voordeel structureel is. Bij de actualisatie van de maatstaven die het gemeentefonds verdelen is hiermee meerjarig rekening gehouden. Voor 2022 is een herziene opgave van de belastingcapaciteit 2022 ontvangen. Deze capaciteit blijkt hoger dan geraamd wat resulteert in een nadeel van 3 miljoen euro per jaar. De maatstaven die samenhangen met het aantal inwoners en woonruimten zijn geactualiseerd op basis van een herziene meerjarige prognose van O&S (Onderzoek en Statistiek).

Op basis van de meicirculaire zijn eveneens meerdere maatstaven bijgesteld en is de uitkeringsfactor meerjarig geactualiseerd. Per saldo is de voordelige bijstelling 8,8 miljoen euro in 2025 oplopend tot 12,9 miljoen euro in 2028.

7

Financieel meerjarenbeeld 2025-2028

Rijksvoorjaarsnota 2024 Medio april is de Rijksvoorjaarsnota 2024 verschenen. Hierin wordt aangekondigd dat vanaf 2026 de oploop van de opschalingskorting (675 miljoen euro) komt te vervallen. Als tegenprestatie wordt het accres over 2025 door het Rijk eenmalig gekort met 675 miljoen euro. Voor de gemeente Groningen betekent dit een nadeel van 10,8 miljoen in 2025 en een voordeel van 10,8 miljoen euro vanaf 2026. Vanaf 2024 baseert het Rijk de ontwikkeling van het gemeentefonds op basis van de ontwikkeling van het BBP. Omdat dit niet passend is voor de ontwikkeling van de zorgkosten reserveert het Rijk alvast 75 miljoen euro in 2026 oplopend tot 300 miljoen euro in 2029. De werkelijke omvang van de compensatie en de wijze van verdelen moet nog worden uitgewerkt. Voor Groningen verwachten we een voordeel van 1,125 miljoen euro in 2026 oplopend tot 4,5 miljoen euro in 2029. 5. Belastingen De ontwikkeling van onze belastinginkomsten zijn gerelateerd aan de ontwikkeling van de lonen en prijzen. Op basis van de geactualiseerde raming van het CPB daalt naar verwachting de Lpo-stijging in 2025 t/m 2028 en daarmee de inkomsten uit belastingen. Een lager verwachte loonontwikkeling is hiervan de voornaamste oorzaak. Ook vindt er voor de belastingtarieven nacalculatie plaats van de tarieven over voorgaande jaren.

De negatieve bijstelling bedraagt -1,6 miljoen euro in 2025, -2,5 miljoen euro in 2026, -1,8 miljoen euro vanaf 2027. 6. Rente-effecten In onze actuele rentevisie gaan we voor de jaren vanaf 2025 uit van rente op nieuwe langlopende leningen van 2,5%. In de begroting 2024 en de daarin opgenomen meerjarenramingen gingen we nog uit van een rente van 3%. De lagere rente vertaalt zich in een lager Rente Omslag Percentage (ROP). We hanteren vanaf 2025 een percentage van 1,70 % (dit was in de begroting 2024 nog 1,75 %). Het voordelige prijseffect van een lager rentepercentage op nieuwe leningen en een lagere doorbelasting van ROP-rente leidt tot een per jaar enigszins wisselend rente-effect. In 2025 is het voordeel 29 duizend euro, in 2026 een voordeel van 802 duizend euro en in 2027 een voordeel van 375 duizend euro. Voor het jaar 2028 is er ook sprake van een hoeveelheidseffect (i.v.m. de naar verwachting hogere financieringsbehoefte door een stijgende boekwaarde). Daardoor is er in dat jaar sprake van een per saldo nadelig effect van 365 duizend euro. 7. Dividenden In 2025 is sprake van een incidenteel voordeel van 435 duizend euro omdat we het verwachte dividend over onze Enexis hebben verwerkt. (Het dividend wordt incidenteel geraamd omdat we in ons weerstandsvermogen rekening hebben gehouden met de opbrengst van een eventuele verkoop).

Het jaarverslag van de BNG is nog niet gepubliceerd. Als een bijstelling van onze dividendverwachting nodig is zullen we dit bij een latere actualisatie van het financieel meerjarenbeeld betrekken. 8. Areaalontwikkeling De benodigde budgetten voor het onderhoud aan de openbare ruimte door ontwikkelingen in het areaal is geactualiseerd ten opzichte van de begroting 2024. In 2025 leidt dit tot een nadeel van 65 duizend euro, in 2026 een nadeel van 125 duizend euro, in 2027 een nadeel van 215 duizend euro en in 2028 een nadeel van 310 duizend euro. 9. Voorziening afkoopsom graven Het afgekochte grafonderhoud loopt via een voorziening, conform voorschriften van het BBV. Jaarlijks vindt er een onttrekking aan de voorziening plaats ter hoogte van het in dat jaar benodigde onderhoudsbedrag. Daarnaast storten we jaarlijks een bedrag bij voor een (nieuw tiende) jaar. De hoogte van deze jaarlijkse bijstorting wordt elk jaar, bij het opstellen van de begroting, geactualiseerd op basis van gedetailleerde overzichten van al het afgekochte onderhoud.

8

Financieel meerjarenbeeld 2025-2028

De voorziening moet in de jaarrekening van voldoende omvang zijn om de kosten voor de komende tien jaren te kunnen dekken. Dit betekent een beperkt hogere jaarlijkse dotatie aan de voorziening. 10. BTW op riolering P.m. 11. Leges op reisdocumenten In 2014 is de geldigheidsduur van reisdocumenten verlengd van 5 naar 10 jaar. Hierdoor lopen de inkomsten terug. Een deel van de lagere inkomsten wordt gecompenseerd door lagere personele inzet. In 2028 verwachten we ten opzichte van 2027 een inkomstendaling van 223 duizend euro. De verwachte kostendaling is 64 duizend euro zodat het nadeel 159 duizend euro bedraagt in 2028. 12. Leerlingenvervoer De uitgaven voor het leerlingenvervoer vallen lager uit ten opzichte van eerdere prognoses. Het voordeel ontstaat door een lagere aantal declarabele kilometers en een lagere indexering van de kosten. Het voordeel bedraagt 374 duizend euro in 2025 aflopend tot 211 duizend euro vanaf 2028. 13. Energie In de begroting 2024 is rekening gehouden met een structurele stijging van de energielasten met 5,1 miljoen euro in het meerjarenbeeld. De verwachting is dat de marktprijzen voor de langere termijn een gunstig beeld laten zien ten opzichte van ons huidige inkooptarief. De eerder extra opgenomen energielast van 5,1 miljoen euro verlagen we daarom met 400 duizend euro vanaf 2025. 14.

Terugloop kapitaallasten Dit betreffen specifieke investeringen waarvan de afnemende kapitaallasten terugvallen naar meerjarenbeeld. De impact is beperkt en loopt op tot een nadeel van 21 duizend euro in 2028. 15. GR – Publieke Gezondheid & Zorg (PG&Z) Op basis van de ontwerpbegroting 2025 van PG&Z hebben we onze bijdrage geactualiseerd. In de begroting 2024 was er rekening gehouden met een meerjarige loon- en prijsontwikkeling van 2,5%. De CAO-stijging in 2023 zorgt voor verhoogde personeelskosten. Vanaf 2025 is dit meegenomen in de begroting en worden de kosten voor de gemeenten hiermee hoger. De huurkosten van het Hanzeplein nemen vanaf 2025 toe en ook dit leidt tot een hogere bijdrage. Vanaf 2026 neemt het nadeel af doordat de incidentele investering in 2025 dan weer wegvalt uit de gemeentelijke bijdrage. 16. GR - Noordelijk Belastingkantoor De bijdrage aan de verbonden partijen wordt jaarlijks via het meerjarenbeeld geactualiseerd. De bijdrage is geactualiseerd op basis van de ontwerpbegroting 2025. Het betreft bijstelling van de loonen prijsontwikkelingen en mutaties in verdeelsleutels. Naar aanleiding van een onderzoek van de waarderingskamer wordt extra ingezet gepleegd op het onderdeel ‘Waarderen WOZ-objecten’. Ook de werkzaamheden voor de naheffingsaanslagen Parkeren nemen toe.

Daarnaast is er sprake van efficiency- en schaalvoordelen doordat ook Oldambt en Pekela diensten afnemen én doordat een aantal processen met minder personele inzet uitgevoerd kan worden. Dit leidt in 2025 tot een aanvullende bijdrage van 16 duizend euro, 225 duizend euro in 2026, 243 duizend euro in 2027 en 250 duizend euro in 2028. 17. GR - Groninger archieven De bijdrage aan de verbonden partijen wordt jaarlijks via het meerjarenbeeld geactualiseerd. De bijstelling als gevolg van actualisatie van lonen en prijzen bedraagt 39 duizend euro in 2025 oplopend tot 48 duizend euro vanaf 2028.

9

Financieel meerjarenbeeld 2025-2028

18. GR - Veiligheidsregio Groningen De bijdrage aan de Veiligheidsregio Groningen neemt toe met 426 duizend euro in 2025 oplopend tot 860 duizend euro in 2028. De hogere bijdrage wordt veroorzaakt door het saldo van hogere loon- en prijscompensatie en een hogere FLO-bijdrage vanaf 2025. In voorgaande begrotingen hebben we al gespaard voor de huisvesting Sontweg. De daadwerkelijke investering vindt later plaats zodat in 2025 t/m 2027 de reservering (deels) vrijvalt in de algemene middelen. 19. GR – Omgevingsdienst Groningen Voor 2024 was afgesproken dat de taken voor vergunningsverleningen voor bodemsaneringen in 2024 nog uitgevoerd zou worden door de organisaties die dat al deden, ondanks de formele aanwijzing als basistaak. Die afspraak vervalt vanaf 2025 en ligt de uitvoering bij de Omgevingsdienst. De ervaring leert dat uitbestede taken duurder worden door de overdracht. Het nadeel hierdoor is 50 duizend euro vanaf 2025. Daarnaast worden er voor 2025 hogere inhuurkosten van 50 duizend euro verwacht omdat het nog niet lukt de personeelsbehoefte in te vullen met vaste medewerkers in plaats van inhuurkrachten.

10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/4906/documents/82862