Bijlage 1 Financiele verordening 2024 was wordt lijst.pdf
Tekst van het document
Onderstaande tabel laat de wijzigingen zien ten opzichte van de teksten uit de Financiële verordening 2023 (actualisatie) (vastgesteld op 3 april 2024). Links staat de oorspronkelijke tekst, rode tekstdoorhalingen geeft aan dat deze tekst in de nieuwe verordening is verwijderd. Rode tekst geeft wijziging of toevoeging van tekst aan. WAS Financiële verordening 2023 (actualisatie) (vastgesteld op 3 april 2023)
WORDT Financiële verordening 2024
Artikel 4. Inrichting begroting en jaarstukken
Artikel 4. Inrichting begroting en jaarstukken
Bij de begroting worden onder elk van de programma’s de lasten en baten per deelprogramma en beleidsveld weergegeven en bij de jaarstukken worden onder elk van de programma’s de gerealiseerde lasten en baten per deelprogramma en beleidsveld weergegeven. 2. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting worden de nieuwe investeringen onderscheiden naar routine-investeringen en overige investeringen. 3. In de jaarstukken wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten gepresenteerd. Artikel 6. Autorisatie begroting en investeringskredieten 1. Autorisatie a. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per deelprogramma; b. Het college autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per beleidsveld; 2. Voor routine-investeringen, opgenomen in de uiteenzetting van de financiële positie, worden met de vaststelling van de begroting de kredieten vastgesteld. Voor de overige investeringen, opgenomen in de uiteenzetting van de financiële positie, zijn de bedragen slechts indicatief. Kredieten hiervoor worden in de loop van het jaar door middel van een afzonderlijk raadsbesluit vastgesteld. 3.
Voor investeringen in de loop van het begrotingsjaar die niet in de begroting zijn opgenomen, legt het college vooraf aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een investeringskrediet ter vaststelling voor aan de raad. 4. Het college informeert in ieder geval vooraf de raad en neemt pas een besluit, nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen voor zover het betreft niet bij begroting vastgestelde afzonderlijke verplichtingen inzake
Bij de begroting worden onder elk van de programma’s de lasten en baten per deelprogramma weergegeven en bij de jaarstukken worden onder elk van de programma’s de gerealiseerde lasten en baten per deelprogramma weergegeven. 2. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting worden de nieuwe investeringen onderscheiden naar routine-investeringen en overige investeringen. 3. In de jaarstukken wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten gepresenteerd. Artikel 6. Autorisatie begroting en investeringskredieten 1. Autorisatie a. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per deelprogramma; b. in uitzondering op artikel 6.1.a verleent de raad het college mandaat om bij de volgende reserves in de jaarrekening mutaties op te voeren zonder dat daar door de raad een toereikend bedrag in de begroting is goedgekeurd, inzake: 1. toevoeging aan de Reserve Budgetoverheveling van overschotten bij de jaarrekening bij de volgende posten: 1-1 Samenwerkingsverbanden 1-2 Middelen in het gemeentefonds voor taakmutaties bij de decembercirculaire Deze mutaties worden in de jaarrekening toegelicht bij de reservemutaties / het overzicht samenwerkingsverbanden. 2.
De onttrekking voor het jaar T+1 van bovenstaande stortingen op te nemen in de begrotingswijzigingen bij het raadsvoorstel van de jaarrekening van het jaar T. c. Het college autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per beleidsveld; 2. Voor routine-investeringen, opgenomen in de uiteenzetting van de financiële positie, worden met de vaststelling van de begroting de kredieten vastgesteld. Voor de overige investeringen, opgenomen in de uiteenzetting van de financiële
Wijzigingen FV 2024
aankoop en verkoop van goederen en diensten met politieke relevantie en het aangaan van meerjarige verplichtingen met politieke relevantie.
positie, zijn de bedragen slechts indicatief. Kredieten hiervoor worden in de loop van het jaar door middel van een afzonderlijk raadsbesluit vastgesteld. 3. Voor investeringen in de loop van het begrotingsjaar die niet in de begroting zijn opgenomen, legt het college vooraf aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een investeringskrediet ter vaststelling voor aan de raad. 4. Het college informeert in ieder geval vooraf de raad en neemt pas een besluit, nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen voor zover het betreft niet bij begroting vastgestelde afzonderlijke verplichtingen inzake aankoop en verkoop van goederen en diensten met politieke relevantie en het aangaan van meerjarige verplichtingen met politieke relevantie.
-
Artikel 13. Rapportagegrenzen controlerend accountant 1. De raad stelt door middel van de financiële verordening vast op welke wijze hij door middel van het accountantsverslag wil worden geïnformeerd over afwijkingen met betrekking tot getrouwheid. 2. De rapportagegrens voor afwijkingen (fouten en onzekerheden) op het niveau van individuele jaarrekeningposten / stromen betreft 500 duizend euro. 3. De rapportagegrens voor reclassificaties in balansposten betreft 12 miljoen euro.
Artikel 13. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording 1. De raad stelt door middel van de financiële verordening vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid. 2. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteren burgemeester en wethouders aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 3% van de totale lasten van de gemeente, inclusief de toevoegingen aan de reserves. 3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen, met een resultaatsimpact, (fouten of onduidelijkheden) groter dan 475 duizend euro nader toegelicht voor zover deze niet vallen onder de acceptabele afwijkingen uit artikel 15 lid 4.
Artikel 14. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording 1. De raad stelt door middel van de financiële verordening vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid. 2. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteren burgemeester en wethouders aan de raad over afwijkingen boven een verantwoordingsgrens van 3% van de totale lasten van de gemeente, inclusief de toevoegingen aan de reserves. 3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen, met een resultaatsimpact, (fouten of onduidelijkheden) groter dan 500 duizend euro nader toegelicht voor zover deze niet vallen onder de acceptabele afwijkingen uit artikel 15 lid 4.
Artikel 18 Waardering en afschrijving vaste activa 1. Activering:
Artikel 19 Waardering en afschrijving vaste activa 1. Activering:
Wijzigingen FV 2024
a. Kosten voor het afsluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio worden niet geactiveerd, maar direct ten laste van de exploitatie gebracht. b. Investeringen met een individuele aanschafwaarde onder de 10 duizend euro worden niet geactiveerd. Uitgezonderd hiervan zijn investeringen met een aanschafwaarde onder de 10 duizend euro die worden gedaan als onderdeel van een investering waarvoor een investeringskrediet is verstrekt. c. Rente op investeringsprojecten voor gebouwen en parkeergarages wordt geactiveerd. Rente op overige investeringsprojecten wordt in beginsel niet geactiveerd tenzij hiertoe specifiek door de raad wordt besloten.
2. Afschrijving: 2-1 Methode van afschrijving: Materiele vaste activa worden in principe lineair afgeschreven. Hiervan uitgezonderd zijn de hierna genoemde soorten vaste activa die annuïtair worden afgeschreven. a. Aanleg en vervanging van rioleringen; b. Investeringen in publieke parkeervoorzieningen; c. Investeringen met een specifieke (rijks-) regelgeving. d. Maatschappelijk vastgoed waarvoor door het college voor het desbetreffende object is vastgesteld dat er sprake moet zijn van minimaal kostprijsdekkende verhuur
Immateriële activa worden als volgt afgeschreven: e. Geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling worden lineair in 5 jaar afgeschreven. f. Bijdragen in activa van derden worden lineair afgeschreven in maximaal de afschrijvingsduur die bij de derde voor de desbetreffende activa wordt gehanteerd. g. Op voorbereidingskosten van grondexploitaties wordt niet afgeschreven. Uiterlijk 5 jaar na investering vindt inbreng in de grondexploitatie plaats dan wel worden de geactiveerde kosten afgeboekt ten laste van het jaarresultaat. 2-2 Startmoment van afschrijving Afschrijving gaat in met ingang van het jaar volgend op het jaar waarin de investering gereed komt/ de verwerving plaatsvindt.
a. Kosten voor het afsluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio worden niet geactiveerd, maar direct ten laste van de exploitatie gebracht. b. Investeringen met een individuele aanschafwaarde onder de 10 duizend euro worden niet geactiveerd. Uitgezonderd hiervan zijn investeringen met een aanschafwaarde onder de 10 duizend euro die worden gedaan als onderdeel van een investering waarvoor een investeringskrediet is verstrekt. c. Rente op investeringsprojecten voor gebouwen en parkeergarages wordt geactiveerd. Rente op overige investeringsprojecten wordt in beginsel niet geactiveerd tenzij hiertoe specifiek door de raad wordt besloten. d. Kosten van de sloop van een bestaand gebouw dienen als onderdeel van het nieuwe materiele actief te worden geactiveerd indien op dezelfde locatie een nieuw gemeentelijk gebouw wordt gerealiseerd. 2. Afschrijving: 2-1 Methode van afschrijving: Materiele vaste activa worden in principe lineair afgeschreven. Hiervan uitgezonderd zijn de hierna genoemde soorten vaste activa die annuïtair worden afgeschreven. a. Aanleg en vervanging van rioleringen; b. Investeringen in publieke parkeervoorzieningen; c. Investeringen met een specifieke (rijks-) regelgeving; d. Maatschappelijk vastgoed waarvoor door het college voor het desbetreffende object is vastgesteld dat er sprake moet zijn van minimaal kostprijsdekkende verhuur; e.
Grootschalige gebouwen met een bovenstedelijke functie. Immateriële activa worden als volgt afgeschreven: f. Geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling worden lineair in 5 jaar afgeschreven. g. Bijdragen in activa van derden worden lineair afgeschreven in maximaal de afschrijvingsduur die bij de derde voor de desbetreffende activa wordt gehanteerd. h. Op voorbereidingskosten van grondexploitaties wordt niet afgeschreven. Uiterlijk 5 jaar na investering vindt inbreng in de grondexploitatie plaats dan wel worden de geactiveerde kosten afgeboekt ten laste van het jaarresultaat. 2-2 Startmoment van afschrijving Afschrijving gaat in met ingang van het jaar volgend op het jaar waarin de investering gereed komt/ de verwerving plaatsvindt.
2-3 Afschrijvingstermijn:
Wijzigingen FV 2024
De materiële vaste activa worden afgeschreven in het aantal jaren zoals weergegeven in bijlage 1 Afschrijvingstermijnen bij deze verordening. Voor activa die niet met name genoemd zijn stelt het college de afschrijvingstermijn vast op basis van een realistische schatting van de levensduur. 2-4 Afschrijvingsbedrag: Uitgangspunt bij afschrijven is dat de volledige aanschafwaarde wordt afgeschreven. In uitzondering hierop wordt bij vastgoed met maatschappelijke functie afgeschreven tot aan de restwaarde. De hoogte van de restwaarde wordt ingesteld afhankelijk van de functie van het vastgoed en dan alleen bij verwachte instandhouding van het vastgoed na afloop van de gebruiksduur. De restwaarde voor het bestaande bezit per 31-122018 is gebaseerd op de stichtingskosten van fundering en ruwbouw van het referentiegebouw uit het Bouwkostenkompas. Daarbij is rekening gehouden met sloopkosten op basis van kengetallen uit het Bouwkostenkompas. Voor alle toekomstige vastgoedobjecten wordt de restwaarde per individueel object vastgesteld, rekening houdend met de verwachte sloopkosten. 2-5 Overige bepalingen: a. Vervanging van onderdelen van investeringen in vastgoed, dan wel aanpassingen in het vastgoed, wordt uitgevoerd via een voorziening voor groot onderhoud. b.
Vernieuwingen aan een vastgoedobject (significante kwaliteitsverbetering/uitbreiding of om te voldoen aan wet- en regelgeving) worden geactiveerd als vast onderdeel van het vastgoedobject (bedrag investering vernieuwing wordt op de aanschafwaarde van het vastgoed bijgeboekt). Afschrijving op dit totaalbedrag vindt plaats over de restant afschrijvingstermijn van de oorspronkelijke investering. c. Indien de situatie onder lid b daartoe aanleiding geeft dan kan de resterende afschrijvingstermijn van het vastgoedobject, op basis van de notitie activeren, afschrijven en levensduurverlenging, worden aangepast aan de nieuwe situatie. 3. Waardering: De raad besluit op voordracht van het college de indeling van vastgoed naar maatschappelijke dan wel bedrijfseconomische functie. Vastgoed met een maatschappelijke functie, waarvoor niet (langer) een intentie tot duurzame exploitatie is en waarbij de directe opbrengstwaarde lager is dan de boekwaarde, wordt afgewaardeerd tot die directe opbrengstwaarde.
2-3 Afschrijvingstermijn: De materiële vaste activa worden afgeschreven in het aantal jaren zoals weergegeven in bijlage 1 Afschrijvingstermijnen bij deze verordening. Voor activa die niet met name genoemd zijn stelt het college de afschrijvingstermijn vast op basis van een realistische schatting van de levensduur. 2-4 Afschrijvingsbedrag: Uitgangspunt bij afschrijven is dat de volledige aanschafwaarde wordt afgeschreven. In uitzondering hierop wordt bij vastgoed met maatschappelijke functie afgeschreven tot aan de restwaarde. De hoogte van de restwaarde wordt ingesteld afhankelijk van de functie van het vastgoed en dan alleen bij verwachte instandhouding van het vastgoed na afloop van de gebruiksduur. De restwaarde voor het bestaande bezit per 31-122018 is gebaseerd op de stichtingskosten van fundering en ruwbouw van het referentiegebouw uit het Bouwkostenkompas. Daarbij is rekening gehouden met sloopkosten op basis van kengetallen uit het Bouwkostenkompas. Voor alle toekomstige vastgoedobjecten wordt de restwaarde per individueel object vastgesteld, rekening houdend met de verwachte sloopkosten. 2-5 Overige bepalingen: a. Vervanging van onderdelen van investeringen in vastgoed, dan wel aanpassingen in het vastgoed, wordt uitgevoerd via een voorziening voor groot onderhoud. b.
Vernieuwingen aan een vastgoedobject (significante kwaliteitsverbetering/uitbreiding of om te voldoen aan wet- en regelgeving) worden geactiveerd als vast onderdeel van het vastgoedobject (bedrag investering vernieuwing wordt op de aanschafwaarde van het vastgoed bijgeboekt). Afschrijving op dit totaalbedrag vindt plaats over de restant afschrijvingstermijn van de oorspronkelijke investering. c. Indien de situatie onder lid b daartoe aanleiding geeft dan kan de resterende afschrijvingstermijn van het vastgoedobject, op basis van de notitie activeren, afschrijven en levensduurverlenging, worden aangepast aan de nieuwe situatie. 3. Waardering: De raad besluit op voordracht van het college de indeling van vastgoed naar maatschappelijke dan wel bedrijfseconomische functie. Vastgoed met een maatschappelijke functie, waarvoor niet (langer) een intentie tot duurzame exploitatie is en waarbij de directe opbrengstwaarde lager is dan de boekwaarde, wordt afgewaardeerd tot die directe opbrengstwaarde.
Wijzigingen FV 2024
4. Erfpacht Afkoopsommen bij voortdurende erfpacht worden via de resultaatbestemming aan de bestemmingsreserve afkoopsommen toegevoegd. Aan zowel de bestemmingsreserve afkoopsommen als aan de erfpachtgronden waarvoor afkoopsommen zijn ontvangen, wordt geen rente toegerekend. Aan erfpachtgronden waar jaarlijks een canon voor wordt ontvangen, wordt wel rente toegerekend.
4. Erfpacht Afkoopsommen bij voortdurende erfpacht worden via de resultaatbestemming aan de bestemmingsreserve afkoopsommen toegevoegd. Aan zowel de bestemmingsreserve afkoopsommen als aan de erfpachtgronden waarvoor afkoopsommen zijn ontvangen, wordt geen rente toegerekend. Aan erfpachtgronden waar jaarlijks een canon voor wordt ontvangen, wordt wel rente toegerekend.
Artikel 20. Lokale heffingen, tarieven en kostprijs 1. Het college biedt de raad eens in de 4 jaar een tarievenonderzoek aan. Dit onderzoek is gericht op de kostendekkendheid van de publiek- en privaatrechtelijke tarieven. 2. De raad stelt de tarievennota vast. 3. Het college biedt jaarlijks de verordeningen en tarieventabellen aan de raad aan ter vaststelling van de tarieven voor de leges en heffingen, waarin onder meer de druk van de lokale belastingen en heffingen met betrekking tot de woonlasten is opgenomen. Het beleid voor de tarieven en de kwijtschelding is opgenomen in de paragraaf Lokale heffingen van de programmabegroting. a. Voor het bepalen van de hoogte van rechten en heffingen van de gemeente Groningen wordt een kostenverdeelstaat gehanteerd. In de kostenverdeelstaat worden naast de directe kosten ook de indirecte kosten (waaronder de overhead) toegerekend op basis van een verdeelsleutel. De verdeelsleutel voor toerekening van overhead werkt op basis van het aantal fte’s dat wordt ingezet ten behoeve van het recht of de heffing. b. Bij de indirecte kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa, de kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa en voor bouwleges, rioolrechten en afvalstoffenheffing de compensabele BTW.
Artikel 21. Lokale heffingen, tarieven, kostprijs en overhead 1. Het college biedt de raad eens in de 4 jaar een tarievenonderzoek aan. Dit onderzoek is gericht op de kostendekkendheid van de publiek- en privaatrechtelijke tarieven. 2. De raad stelt de tarievennota vast. 3. Het college biedt jaarlijks de verordeningen en tarieventabellen aan de raad aan ter vaststelling van de tarieven voor de leges en heffingen, waarin onder meer de druk van de lokale belastingen en heffingen met betrekking tot de woonlasten is opgenomen. Het beleid voor de tarieven en de kwijtschelding is opgenomen in de paragraaf Lokale heffingen van de programmabegroting. a. Voor het bepalen van de hoogte van rechten en heffingen van de gemeente Groningen wordt een kostenverdeelstaat gehanteerd. In de kostenverdeelstaat worden naast de directe kosten ook de indirecte kosten (waaronder de overhead) toegerekend op basis van een verdeelsleutel. De verdeelsleutel voor toerekening van overhead werkt op basis van het aantal fte’s dat wordt ingezet ten behoeve van het recht of de heffing. b. Bij de indirecte kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa, de kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa en voor bouwleges, rioolrechten en afvalstoffenheffing de compensabele BTW. 4.
Het college zet in de nota overhead de keuzes uiteen wat de gemeente Groningen hanteert als definitie van overhead en vermeldt de keuzes die de gemeente Groningen maakt ten aanzien van het bepalen van overhead.
Artikel 24. Lokale heffingen Als informatie over lokale heffingen in de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de onderdelen die op grond van het BBV verplicht zijn voor de paragraaf lokale heffingen, in ieder geval op: a. de mate van kostendekkendheid van de heffingen; b. de lokale lastendruk in vergelijking tot de lastendruk bij andere grote Nederlandse gemeenten.
Artikel 25. Lokale heffingen Als informatie over lokale heffingen in de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de onderdelen die op grond van het BBV verplicht zijn voor de paragraaf lokale heffingen, in ieder geval op: a. de mate van kostendekkendheid van de heffingen; b. de lokale lastendruk in vergelijking tot de lastendruk bij andere grote Nederlandse gemeenten.
Wijzigingen FV 2024
c. per tarief wordt inzichtelijk gemaakt hoeveel overhead wordt toegerekend.
c. per tarief wordt inzichtelijk gemaakt hoeveel overhead wordt toegerekend.
Artikel 33. Intrekken oude verordening De Financiële verordening gemeente Groningen 2022 wordt ingetrokken.
Artikel 34. Intrekken oude verordening De Financiële verordening gemeente Groningen 2023 (actualisatie) wordt ingetrokken.
Artikel 34. Inwerkingtreding en citeertitel a. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2023. b. Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Groningen 2023 (actualisatie).
Artikel 35. Inwerkingtreding en citeertitel a. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2024. b. Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Groningen 2024.
Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 3 april 2024.
Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 18 december 2024.
Bijlage 1 Afschrijvingstermijnen
Bijlage 1 Afschrijvingstermijnen
I. Investeringen met economisch nut:
I. Investeringen met economisch nut
40 jaar Nieuwbouw gebouwen uitgezonderd kernvastgoed
40 jaar Nieuwbouw gebouwen uitgezonderd kernvastgoed
Schoolgebouwen van na 1 januari 2000 Aanleg en uitbreiding van begraafplaatsen Aanleg van havens
Schoolgebouwen van na 1 januari 2000 Grootschalige gebouwen met een bovenstedelijke functie Aanleg en uitbreiding van begraafplaatsen
Lichtmasten op sportparken
Aanleg van havens Lichtmasten op sportparken
Voor Automatisering:
Voor Automatisering:
5 jaar
5 jaar
Lokaal netwerk actief
ICT-hardware en netwerkapparatuur
II. Investeringen met maatschappelijk nut:
II. Investeringen met maatschappelijk nut:
40 jaar Bruggen, viaducten en tunnels
40 jaar Bruggen, viaducten en tunnels
Waterwegen en waterbouwkundige werken
Waterwegen en waterbouwkundige werken
Wegen, straten, pleinen, fietspaden, voetpaden
Wegen, straten, pleinen, fietspaden, voetpaden
Parken en plantsoenen
Parken, bomen en plantsoenen
Ondergrondse kabels
Ondergrondse kabels
Wijzigingen FV 2024
Toelichting op de artikelen Artikel 4. Inrichting begroting en jaarstukken In dit artikel zijn aanvullend op het BBV-bepalingen opgenomen voor de inrichting van de begroting. Het artikel schrijft voor, dat de baten en lasten onder de programma’s in de begroting per deelprogramma en beleidsveld worden weergegeven.
Artikel 4. Inrichting begroting en jaarstukken In dit artikel zijn aanvullend op het BBV-bepalingen opgenomen voor de inrichting van de begroting. Het artikel schrijft voor, dat de baten en lasten onder de programma’s in de begroting per deelprogramma worden weergegeven.
In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te bepalen, dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de investeringen wordt gegeven. Dit is nodig om ook de autorisatie van investeringskredieten mogelijk te maken. Bij investeringen moet ook worden gedacht aan grondexploitaties.
In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te bepalen, dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de investeringen wordt gegeven. Dit is nodig om ook de autorisatie van investeringskredieten mogelijk te maken. Bij investeringen moet ook worden gedacht aan grondexploitaties.
In het derde lid wordt voor de jaarrekening het inzicht in de uitputting van investeringskredieten geregeld.
In het derde lid wordt voor de jaarrekening het inzicht in de uitputting van investeringskredieten geregeld.
Artikel 6. Autorisatie begroting en investeringskredieten Dit artikel bevat regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de begroting en van de investeringskredieten. Op 30 maart 2021 heeft de raad ingestemd met vanaf de begroting 2023 autoriseren op deelprogrammaniveau. In de financiële verordening is dit verwerkt in het eerste lid van artikel 6. Het college autoriseert op beleidsveldniveau. Op grond van artikel 189 van de Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel 192 van de Gemeentewet besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting. De gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht (derde lid van artikel 189 van de Gemeentewet). De raad kan kiezen op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt.
Artikel 6. Autorisatie begroting en investeringskredieten Dit artikel bevat regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de begroting en van de investeringskredieten. Op 30 maart 2021 heeft de raad ingestemd met vanaf de begroting 2023 autoriseren op deelprogrammaniveau. In de financiële verordening is dit verwerkt in het eerste lid van artikel 6. Het college autoriseert op beleidsveldniveau. Op grond van artikel 189 van de Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel 192 van de Gemeentewet besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting. De gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht (derde lid van artikel 189 van de Gemeentewet). De raad kan kiezen op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt.
Naast lopende uitgaven doet een gemeenten investeringen, waaronder investeringen in grondexploitaties. Ook uitgaven voor investeringen moeten door de raad worden geautoriseerd. Het tweede lid bepaalt dat voor routine-investeringen het krediet meteen bij de begroting wordt vastgesteld. Voor de overige investeringen in de begroting wordt in de loop van het jaar, op het moment dat er voldoende duidelijkheid bestaat
Naast lopende uitgaven doet een gemeenten investeringen, waaronder investeringen in grondexploitaties. Ook uitgaven voor investeringen moeten door de raad worden geautoriseerd. Het tweede lid bepaalt dat voor routine-investeringen het krediet meteen bij de begroting wordt vastgesteld. Voor de overige investeringen in de begroting wordt in de loop van het jaar, op het moment dat er voldoende duidelijkheid bestaat
Wijzigingen FV 2024
omtrent de uitvoering, door de raad een krediet vastgesteld. Zo kan de raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering staat wel in de begroting, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Daarnaast komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens naar voren die bij het opstellen van de begroting nog niet waren voorzien.
-
omtrent de uitvoering, door de raad een krediet vastgesteld. Zo kan de raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering staat wel in de begroting, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Daarnaast komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens naar voren die bij het opstellen van de begroting nog niet waren voorzien. Aan het eind van het jaar worden ontvangsten voor taakmutaties bij de decembercirculaire gemeentefonds en middelen die we met de decembercirculaire ontvangen als centrumgemeente via decentralisatieuitkeringen toegevoegd aan de nieuw in te stellen Reserve Budgetoverheveling. Het is in december namelijk niet meer mogelijk om dat geld nog in te zetten. Daarnaast worden de resultaten van de samenwerkingsverbanden (wanneer deze bekend zijn) toegevoegd aan deze nieuwe reserve. Deze middelen ontvangen we namens de hele regio, maar worden vaak niet binnen hetzelfde jaar ingezet. Deze toevoegingen worden in de jaarrekening toegelicht bij de reservemutaties. In het raadsvoorstel van de decembercirculaire wordt aangegeven om welke middelen het gaat.
Overigens geldt voor incidentele middelen gemeentefonds een twee jarige bestedingstermijn, conform het kader voor Resultaatbepaling en bestemming, om te voorkomen dat budgetten langjarig worden meegesleept. Voor samenwerkingsverbanden worden de middelen die in de reserve gestort zijn, opgenomen in het overzicht samenwerkingsverbanden als bijlage bij de jaarrekening. Zo blijft het inzicht bestaan in welke budgetten zijn overgeheveld. In het raadsvoorstel bij de jaarrekening worden de begrotingswijzigingen om deze bedragen weer te onttrekken opgenomen en toegelicht, zodat in het jaar T+1 de uitgavenbudgetten voor taakmutaties en de resultaten op de samenwerkingsverbanden weer beschikbaar zijn. Artikel 13 Rapportagegrenzen controlerend accountant De gemeenteraad is formeel opdrachtgever van de accountant. In dit artikel zijn rapportagegrenzen vastgelegd boven welk bedrag de gemeenteraad geïnformeerd wil worden over afwijkingen. Hierin is
Wijzigingen FV 2024
het verschil gemaakt tussen afwijkingen met resultaatimpact en reclassificaties in de balansposten. Deze reclassificaties betreffen afwijkingen op balansposten in de jaarrekening zonder resultaatsimpact, geen verschuivingen tussen (deel) programma’s betreffen en tevens geen ander beeld van de jaarrekening geven. Artikel 13 Uitgangspunten rechtmatigheidsverantwoording Bij de verantwoording over rechtmatigheid wordt gekeken naar negen criteria. Burgemeester en wethouders leggen verantwoording af over alle negen criteria in de jaarrekening. Zie Kadernota rechtmatigheid 2023, oktober 2023, voor de criteria en bijbehorende toelichting. De eerste zes criteria zijn niet opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording. Deze betreffen verantwoording met betrekking tot getrouwheid en rechtmatigheid. Ze komen tot uitdrukking in de balans en het overzicht van baten en lasten. Dit zijn het calculatiecriterium, valuteringcriterium, adresseringscriterium, volledigheidscriterium, aanvaardbaarheidscriterium en leveringscriterium. Daarnaast is er een aantal criteria waarbij de verantwoording specifiek gaat over rechtmatigheid.
Deze komen wel tot uitdrukking in de rechtmatigheidsverantwoording: - begrotingscriterium: de financiële handelingen passen binnen het kader van de geautoriseerde begroting; - voorwaardencriterium: voorwaarden in wet- en regelgeving worden nageleefd, zoals subsidievoorwaarden; - misbruik en oneigenlijk gebruik criterium: er vindt een toetsing op juistheid en volledigheid van gegevens die door derden zijn verstrekt plaats, met het oog op het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik.
Artikel 14 Uitgangspunten rechtmatigheidsverantwoording Bij de verantwoording over rechtmatigheid wordt gekeken naar negen criteria. Burgemeester en wethouders leggen verantwoording af over alle negen criteria in de jaarrekening. Zie Kadernota rechtmatigheid 2024, oktober 2024, voor de criteria en bijbehorende toelichting. De eerste zes criteria zijn niet opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording. Deze betreffen verantwoording met betrekking tot getrouwheid en rechtmatigheid. Ze komen tot uitdrukking in de balans en het overzicht van baten en lasten. Dit zijn het calculatiecriterium, valuteringcriterium, adresseringscriterium, volledigheidscriterium, aanvaardbaarheidscriterium en leveringscriterium. Daarnaast is er een aantal criteria waarbij de verantwoording specifiek gaat over rechtmatigheid. Deze komen wel tot uitdrukking in de rechtmatigheidsverantwoording: - begrotingscriterium: de financiële handelingen passen binnen het kader van de geautoriseerde begroting; - voorwaardencriterium: voorwaarden in wet- en regelgeving worden nageleefd, zoals subsidievoorwaarden; - misbruik en oneigenlijk gebruik criterium: er vindt een toetsing op juistheid en volledigheid van gegevens die door derden zijn verstrekt plaats, met het oog op het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik.
Eerste lid In relatie tot de invoering van de rechtmatigheidsverantwoording is in het eerste lid opgenomen dat de raad bij aanvang van iedere raadsperiode vaststelt op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken geïnformeerd wil worden over rechtmatigheid (Kadernota rechtmatigheid 2023, oktober 2023).
Eerste lid In relatie tot de invoering van de rechtmatigheidsverantwoording is in het eerste lid opgenomen dat de raad bij aanvang van iedere raadsperiode vaststelt op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken geïnformeerd wil worden over rechtmatigheid (Kadernota rechtmatigheid 2024, oktober 2024).
Tweede lid In het tweede lid stelt de raad de verantwoordingsgrens vast, waarboven burgemeester en wethouders moeten rapporteren aan de raad (Kadernota rechtmatigheid 2023, oktober 2023). Deze
Tweede lid In het tweede lid stelt de raad de verantwoordingsgrens vast, waarboven burgemeester en wethouders moeten rapporteren aan de raad (Kadernota rechtmatigheid 2024, oktober 2024). Deze
Wijzigingen FV 2024
grens moet tussen 0 en 3% liggen van de totale lasten van de gemeente, inclusief de dotaties aan de reserves.
grens moet tussen 0 en 3% liggen van de totale lasten van de gemeente, inclusief de dotaties aan de reserves.
Derde lid Het derde lid geeft aan boven welk bedrag afzonderlijke afwijkingen nader moeten worden toegelicht (rapportagegrens).
Derde lid Het derde lid geeft aan boven welk bedrag afzonderlijke afwijkingen nader moeten worden toegelicht (rapportagegrens).
Artikel 18. Waardering en afschrijving vaste activa In artikel 212 lid 2a van de Gemeentewet is opgenomen dat de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Uitgangspunt is dat in de Financiële verordening alleen die aangelegenheden worden geregeld waarbij de raad beleidsvrijheid heeft. Onderwerpen die in de wet (BBV) zijn geregeld en die dwingend moeten worden opgevolgd, komen niet in de Financiële verordening aan de orde.
Artikel 19. Waardering en afschrijving vaste activa In artikel 212 lid 2a van de Gemeentewet is opgenomen dat de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Uitgangspunt is dat in de Financiële verordening alleen die aangelegenheden worden geregeld waarbij de raad beleidsvrijheid heeft. Onderwerpen die in de wet (BBV) zijn geregeld en die dwingend moeten worden opgevolgd, komen niet in de Financiële verordening aan de orde.
In het eerste lid is geregeld hoe met bijzonderheden voor activering wordt omgegaan. Die bijzonderheden zijn het omgaan met de kosten met betrekking tot financiële vaste activa en de voorwaarden die gelden voor het activeren van activa.
In het eerste lid is geregeld hoe met bijzonderheden voor activering wordt omgegaan. Die bijzonderheden zijn het omgaan met de kosten met betrekking tot financiële vaste activa en de voorwaarden die gelden voor het activeren van activa.
Geactiveerd worden aanschaffingen en investeringen met een meerjarig nut. Voorwaarde voor activering is dat de raad een investeringskrediet heeft verstrekt. Uit het oogpunt van het in de hand houden van de administratieve lasten is er een grensbedrag voor activering (10 duizend euro) vastgesteld. Dit grensbedrag geldt niet voor investeringen beneden dit grensbedrag die onderdeel uitmaken van een (totaal)investering.
Geactiveerd worden aanschaffingen en investeringen met een meerjarig nut. Voorwaarde voor activering is dat de raad een investeringskrediet heeft verstrekt. Uit het oogpunt van het in de hand houden van de administratieve lasten is er een grensbedrag voor activering (10 duizend euro) vastgesteld. Dit grensbedrag geldt niet voor investeringen beneden dit grensbedrag die onderdeel uitmaken van een (totaal)investering.
Rente op investeringsprojecten voor gebouwen en parkeergarages wordt geactiveerd, rente op overige investeringsprojecten wordt in beginsel niet geactiveerd. Rente wordt daarmee alleen geactiveerd wanneer in het kader van vervolgacties de noodzaak aanwezig is om over de integrale kosten van een investering, dus inclusief de bouwrente, te beschikken.
Rente op investeringsprojecten voor gebouwen en parkeergarages wordt geactiveerd, rente op overige investeringsprojecten wordt in beginsel niet geactiveerd. Rente wordt daarmee alleen geactiveerd wanneer in het kader van vervolgacties de noodzaak aanwezig is om over de integrale kosten van een investering, dus inclusief de bouwrente, te beschikken. In dit lid is onder d) aangegeven hoe moet worden omgegaan met sloopkosten van een bestaand gebouw indien op dezelfde locatie een nieuw gemeentelijk gebouw wordt gerealiseerd. Hierbij wordt met gemeentelijk gebouw bedoeld dat het gebouw eigendom is van de gemeente.
In het tweede lid is de afschrijving op vaste activa geregeld. Aangegeven is welke methoden per soort activa worden gehanteerd, welke termijnen bij specifiek benoemde immateriële vaste activa gelden, tot welke waarde wordt afgeschreven en
In het tweede lid is de afschrijving op vaste activa geregeld. Aangegeven is welke methoden per soort activa worden gehanteerd, welke termijnen bij specifiek benoemde immateriële vaste activa gelden, tot welke waarde wordt afgeschreven en
Wijzigingen FV 2024
wat het startmoment is van afschrijving. Daar waar door het College voor een maatschappelijk vastgoedobject kostprijsdekkende verhuur wordt vastgesteld, wordt de annuïtaire afschrijvingsmethodiek toegepast. Het kenmerk van de annuïtaire methode is dat er jaarlijks gelijkblijvende kapitaallasten zijn, dit is passend binnen de methodiek van de kostprijsdekkende verhuur.
wat het startmoment is van afschrijving. Daar waar door het College voor een maatschappelijk vastgoedobject kostprijsdekkende verhuur wordt vastgesteld, wordt de annuïtaire afschrijvingsmethodiek toegepast. Het kenmerk van de annuïtaire methode is dat er jaarlijks gelijkblijvende kapitaallasten zijn, dit is passend binnen de methodiek van de kostprijsdekkende verhuur. In lid e is als subcategorie opgenomen ‘Grootschalige gebouwen met een boven-stedelijke functie. Hieronder wordt verstaan gebouwen / complexen met minimaal 10.000 vierkante meter bruto vloeroppervlak die voor het overgrote deel (tegen betaling) publiek toegankelijk zijn en zijn gericht op sport, cultuur of zakelijke evenementen met een boven-stedelijke functie.
Voor wat betreft tot welke waarde wordt afgeschreven (restwaarde), is aangegeven voor welke activa een restwaarde kan worden ingesteld en de wijze waarop de restwaarde daarbij dan wordt vastgesteld. Restwaarde is alleen mogelijk bij vastgoed. Bij de bepaling van de restwaarde wordt rekening gehouden met de functie van het vastgoed en de verwachte instandhouding na afloop van de gebruiksduur. In de berekening van de restwaarde wordt ook rekening gehouden met de te verwachten sloopkosten. De afschrijvingstermijnen voor de materiele vaste activa zijn in de bijlage 1 bij de verordening uiteengezet. In de bijlage wordt onderscheid aangebracht tussen voertuigen op co2 brandstof en elektrisch aangedreven voertuigen en machines. Elektrisch aangedreven voertuigen en machines kennen een langere levensduur. Onder ‘overige bepalingen met betrekking tot afschrijving’ is de wijze van omgaan met vervanging van onderdelen van investeringen in vastgoed en de uitbreidingsinvesteringen beschreven. Doordat de gemeente geen componentenmethode toepast voor het vastgoed worden de vervangingen, conform het bijbehorende onderhoudsplan, uit de onderhoudsvoorziening betaald. Als er daadwerkelijke uitbreidingsinvesteringen plaatsvinden dan wordt deze investering bijgeboekt op de aanschafwaarde van het vastgoed.
De afschrijving vindt dan plaats over de restant afschrijvingstermijn van de oorspronkelijke investering. In lid c wordt geregeld dat er situaties zijn waarin de afschrijvingstermijn van het object kan worden aangepast. Hiervoor is de notitie activeren, afschrijven en levensduurverlenging opgesteld. In het derde lid is de indeling van vastgoed naar maatschappelijke dan wel bedrijfseconomische functie geregeld. De raad besluit op voordracht van
Voor wat betreft tot welke waarde wordt afgeschreven (restwaarde), is aangegeven voor welke activa een restwaarde kan worden ingesteld en de wijze waarop de restwaarde daarbij dan wordt vastgesteld. Restwaarde is alleen mogelijk bij vastgoed. Bij de bepaling van de restwaarde wordt rekening gehouden met de functie van het vastgoed en de verwachte instandhouding na afloop van de gebruiksduur. In de berekening van de restwaarde wordt ook rekening gehouden met de te verwachten sloopkosten. De afschrijvingstermijnen voor de materiele vaste activa zijn in de bijlage 1 bij de verordening uiteengezet. In de bijlage wordt onderscheid aangebracht tussen voertuigen op co2 brandstof en elektrisch aangedreven voertuigen en machines. Elektrisch aangedreven voertuigen en machines kennen een langere levensduur. Onder ‘overige bepalingen met betrekking tot afschrijving’ is de wijze van omgaan met vervanging van onderdelen van investeringen in vastgoed en de uitbreidingsinvesteringen beschreven. Doordat de gemeente geen componentenmethode toepast voor het vastgoed worden de vervangingen, conform het bijbehorende onderhoudsplan, uit de onderhoudsvoorziening betaald. Als er daadwerkelijke uitbreidingsinvesteringen plaatsvinden dan wordt deze investering bijgeboekt op de aanschafwaarde van het vastgoed.
De afschrijving vindt dan plaats over de restant afschrijvingstermijn van de oorspronkelijke investering. In lid c wordt geregeld dat er situaties zijn waarin de afschrijvingstermijn van het object kan worden aangepast. Hiervoor is de notitie activeren, afschrijven en levensduurverlenging opgesteld. In het derde lid is de indeling van vastgoed naar maatschappelijke dan wel bedrijfseconomische
Wijzigingen FV 2024
het college over de indeling van het vastgoed naar functie. Deze indeling heeft geen directe gevolgen voor de waardering, met uitzondering van de situatie van vastgoed met een maatschappelijke functie waarvoor niet (langer) een intentie tot duurzame exploitatie is: indien de directe opbrengstwaarde lager is dan de boekwaarde vindt afwaardering plaats tot die directe opbrengstwaarde. De raad stelt de indeling van vastgoed naar maatschappelijke dan wel bedrijfseconomische functie vast. De kwalificatie van het gebouw (materieel vast actief met economische nut) naar bedrijfseconomische functie dan wel maatschappelijke functie, vindt plaats op basis van de doelstelling van het aanhouden van het vastgoed, gebaseerd op het overwegende gebruik van het betreffende vastgoed. De volgende criteria worden gebruikt voor de indeling van vastgoed naar maatschappelijke dan wel bedrijfseconomische functie: a. Wanneer het activum wordt aangehouden om bewust winst te realiseren en/of waardestijgingen te realiseren, dan is sprake van een activum met een bedrijfseconomische functie; b. Bij een duurzaam negatieve exploitatie kan een maatschappelijke functie worden verondersteld; c. Het bijdragen aan de publieke taak in de zin van BBV art.
61 lid1b wil zeggen dat er een algemeen belang mee is gediend, liggende in de sfeer van de uitvoering van een overheidstaak en dienen daarmee een maatschappelijke functie. Vastgoed met een maatschappelijke functie waarbij geen intentie meer is tot duurzame exploitatie en waarbij de directe opbrengstwaarde lager is dan de boekwaarde wordt afgewaardeerd tot de directe opbrengstwaarde. De commissie BBV geeft geen limitatieve opgave met betrekking tot de toewijzing van de functie aan het vastgoed. Belangrijk uitgangspunt bij de toewijzingen van de functies, is de omschrijving van het bedrijfseconomisch vastgoed, “vastgoed dat wordt aangehouden om bewust winst te creëren en/of waardestijging te creëren”. Daarmee wordt al het vastgoed wat niet een bedrijfseconomische functie kent, als vastgoed met een maatschappelijke functie beschouwd. De commissie BBV geeft twee mogelijkheden voor de verwerking van de afkoop van een voortdurend erfpachtrecht: 1. Vaste schuld methode; de afkoop als vooruit ontvangen bedrag opnemen onder de vaste schuld en gedurende de looptijd jaarlijks de ‘canonopbrengst’ hieruit als bate via de exploitatie laten lopen ter
functie geregeld. De raad besluit op voordracht van het college over de indeling van het vastgoed naar functie. Deze indeling heeft geen directe gevolgen voor de waardering, met uitzondering van de situatie van vastgoed met een maatschappelijke functie waarvoor niet (langer) een intentie tot duurzame exploitatie is: indien de directe opbrengstwaarde lager is dan de boekwaarde vindt afwaardering plaats tot die directe opbrengstwaarde. De raad stelt de indeling van vastgoed naar maatschappelijke dan wel bedrijfseconomische functie vast. De kwalificatie van het gebouw (materieel vast actief met economische nut) naar bedrijfseconomische functie dan wel maatschappelijke functie, vindt plaats op basis van de doelstelling van het aanhouden van het vastgoed, gebaseerd op het overwegende gebruik van het betreffende vastgoed. De volgende criteria worden gebruikt voor de indeling van vastgoed naar maatschappelijke dan wel bedrijfseconomische functie: a. Wanneer het activum wordt aangehouden om bewust winst te realiseren en/of waardestijgingen te realiseren, dan is sprake van een activum met een bedrijfseconomische functie; b. Bij een duurzaam negatieve exploitatie kan een maatschappelijke functie worden verondersteld; c. Het bijdragen aan de publieke taak in de zin van BBV art.
61 lid1b wil zeggen dat er een algemeen belang mee is gediend, liggende in de sfeer van de uitvoering van een overheidstaak en dienen daarmee een maatschappelijke functie. Vastgoed met een maatschappelijke functie waarbij geen intentie meer is tot duurzame exploitatie en waarbij de directe opbrengstwaarde lager is dan de boekwaarde wordt afgewaardeerd tot de directe opbrengstwaarde. De commissie BBV geeft geen limitatieve opgave met betrekking tot de toewijzing van de functie aan het vastgoed. Belangrijk uitgangspunt bij de toewijzingen van de functies, is de omschrijving van het bedrijfseconomisch vastgoed, “vastgoed dat wordt aangehouden om bewust winst te creëren en/of waardestijging te creëren”. Daarmee wordt al het vastgoed wat niet een bedrijfseconomische functie kent, als vastgoed met een maatschappelijke functie beschouwd. De commissie BBV geeft twee mogelijkheden voor de verwerking van de afkoop van een voortdurend erfpachtrecht: 3. Vaste schuld methode; de afkoop als vooruit ontvangen bedrag opnemen onder de vaste schuld en gedurende de looptijd jaarlijks de ‘canonopbrengst’ hieruit als bate via de exploitatie laten lopen ter
Wijzigingen FV 2024
dekking van de jaarlijkse financieringslast; 2. Het financieringsmodel; de jaarlijks ontvangen afkoopsommen worden direct (via de resultaatbestemming) aan een bestemmingsreserve afkoopsommen toegevoegd. Deze bestemmingsreserve dient ter duurzame financiering (dekking) van maximaal de grondwaarde waarvan de erfpacht is afgekocht. In lid vier is bepaald dat de tweede mogelijkheid wordt gehanteerd, het ‘financieringsmodel’.
dekking van de jaarlijkse financieringslast; 4. Het financieringsmodel; de jaarlijks ontvangen afkoopsommen worden direct (via de resultaatbestemming) aan een bestemmingsreserve afkoopsommen toegevoegd. Deze bestemmingsreserve dient ter duurzame financiering (dekking) van maximaal de grondwaarde waarvan de erfpacht is afgekocht. In lid vier is bepaald dat de tweede mogelijkheid wordt gehanteerd, het ‘financieringsmodel’.
Artikel 20. Lokale heffingen, tarieven en kostprijs Tarievenonderzoek: Doel van het tarievenonderzoek is een beeld te verkrijgen over de juistheid en volledigheid van toerekening van kosten in combinatie met de kostendekkendheid van de publiek- en privaatrechtelijke tarieven.
Artikel 21. Lokale heffingen, tarieven, kostprijs en overhead Tarievenonderzoek: Doel van het tarievenonderzoek is een beeld te verkrijgen over de juistheid en volledigheid van toerekening van kosten in combinatie met de kostendekkendheid van de publiek- en privaatrechtelijke tarieven.
Tarievennota, verordeningen en tarieventabellen: De tarievennota is de basis voor de gemeentelijke belastingheffing voor de komende periode.
Tarievennota, verordeningen en tarieventabellen: De tarievennota is de basis voor de gemeentelijke belastingheffing voor de komende periode.
Paragraaf Lokale heffingen van de programmabegroting: Doel van de paragraaf Lokale heffingen is onder andere het formaliseren van de gemeentelijke beleidslijn voor de lokale belastingen en heffingen, inzicht geven in de geraamde inkomsten en de kostendekkendheid.
Paragraaf Lokale heffingen van de programmabegroting: Doel van de paragraaf Lokale heffingen is onder andere het formaliseren van de gemeentelijke beleidslijn voor de lokale belastingen en heffingen, inzicht geven in de geraamde inkomsten en de kostendekkendheid.
Kostprijsberekening: Om de raad op eenvoudige wijze meer inzicht te geven in de totale kosten van de overhead voor de gehele organisatie wordt in het nieuwe BBV voorgeschreven dat in de programmabegroting een apart overzicht moet worden opgenomen van de kosten van de overhead oftewel het taakveld ’04 ondersteuning organisatie’. In de overige programma’s worden alleen de kosten opgenomen die betrekking hebben op het primaire proces. Het BBV hanteert als definitie van overhead: alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces. Bij elk tarief wordt duidelijk welk bedrag aan overhead is toegerekend.
Kostprijsberekening: Om de raad op eenvoudige wijze meer inzicht te geven in de totale kosten van de overhead voor de gehele organisatie wordt in het nieuwe BBV voorgeschreven dat in de programmabegroting een apart overzicht moet worden opgenomen van de kosten van de overhead oftewel het taakveld ’04 ondersteuning organisatie’. In de overige programma’s worden alleen de kosten opgenomen die betrekking hebben op het primaire proces. Bij elk tarief wordt duidelijk welk bedrag aan overhead is toegerekend.
Artikel 25. Lokale heffingen Als informatie over lokale heffingen in de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de onderdelen die op grond van het BBV verplicht zijn voor de paragraaf lokale heffingen, in ieder geval op: a. de mate van kostendekkendheid van de heffingen;
Artikel 26. Lokale heffingen Als informatie over lokale heffingen in de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de onderdelen die op grond van het BBV verplicht zijn voor de paragraaf lokale heffingen, in ieder geval op: a. de mate van kostendekkendheid van de heffingen; b. per tarief wordt inzichtelijk gemaakt hoeveel overhead wordt toegerekend.
Met ingang van de begroting 2025 worden de uitgangspunten voor het bepalen van overhead weergegeven in een aparte nota ‘overhead’.
Wijzigingen FV 2024
b. de lokale lastendruk in vergelijking tot de lastendruk bij andere grote andere grote Nederlandse gemeente. c. per tarief wordt inzichtelijk gemaakt hoeveel overhead wordt toegerekend.
Wijzigingen FV 2024