20240306 vragen voor het vragenuur van 6 maart 2024.pdf
Tekst van het document
Vragen voor het vragenuur van 6 maart 2024 van 15.30 – 16.20 uur I Vragen van de GL-fractie over beoogde straatnamen in de Suikerzijde (Robert Lagestee) Afgelopen donderdag publiceerde het Dagblad van het Noorden een artikel over de beoogde straatnamen voor De Suikerzijde.[1] In het interview met de straatnamencommissie werden een aantal voorbeelden genoemd. Opvallend is dat er meer mannen dan vrouwen genoemd worden. Momenteel zijn er in Groningen al 418 straten vernoemd naar mannen en slechts 47 naar vrouwen. [2] Er moet dus een inhaalslag gemaakt worden en de raad heeft dat in het verleden ook uitgesproken.[3] De Suikerzijde biedt ons een kans om voor meer evenredige vertegenwoordiging te zorgen. Gelet op in het verleden aangenomen moties over het onderwerp straatnamen, onder andere de Motie Divers Straatbeeld uit maart 2021, heeft GroenLinks de volgende verhelderende vragen aan de wethouder: 1. In hoeverre klopt het beeld dat in het artikel wordt geschetst dat het lastig is om vrouwen te vinden die een straat naar zich vernoemd kunnen krijgen? 2. Hoe verhouden de beoogde straatnamen in De Suikerzijde zich tot de aangenomen moties en daarmee de wens om voor een evenredige verdeling te zorgen? 3. In hetzelfde artikel staat dat twee leden van de straatnamencommissie binnenkort stoppen.
Ook wordt er genoemd dat de commissie vaak expertise van buiten moet inwinnen op bepaalde onderwerpen - bijvoorbeeld met betrekking tot het Groningse slavernijverleden. Ziet de wethouder een kans om door middel van het diverser maken van de commissie minder afhankelijk te zijn van extern advies? VOETNOTEN: 1. 2. 3.
https://www.dvhn.nl/groningen/stad/Groningse-pioniers-worden-ge%C3%ABerd-in-straten-nieuweSuikerzijde-28915740.html https://server1.geodienst.xyz/straatnamen/index.html https://gemeenteraad.groningen.nl/documenten/Motie/M-5-Divers-straatbeeld-Dat-is-een-stad-waarmensen-willen-wonen-GroenLinks-D66-PvdA-CU.pdf
II Vragen van de fracties van de PvdD en D66 (Janette Bosma) over het slavernijverleden Afgelopen woensdag, 28 februari, vond de presentatie van de uitkomsten van het onderzoek naar de rol van Groningen en in het bijzonder die van het Groningse Stadsbestuur in het slavernijverleden via de WIC en VOC in overzeese gebieden plaats. Uit het onderzoek blijkt dat Groningse bestuurders een belangrijke rol hebben gespeeld in de handel in en de exploitatie op plantages van tot slaaf gemaakte mensen. Dit gebeurde onder meer via een eigen Kamer “Stad en Lande”, binnen de Nederlandse West-Indische Compagnie (WIC). Tevens werd uit het onderzoek helder dat er ook grote belangen en directe invloed was vanuit de Groningse bestuurders in de VOC via vertegenwoordiging in de Kamer Zeeland van de VOC. De Groningse betrokkenheid bij het slavernijverleden is voor velen onbekend. Dit vinden wij problematisch, gezien de huidige doorwerking van het slavernijverleden in onze samenleving. De bewustwording zou volgens de fracties van Partij voor de Dieren en D66 moeten worden vergroot. Dit leidt bij de bovengenoemde fracties tot de volgende vragen. 1. Hoe ziet het college de rol van educatie bij het vergroten van de bewustwording rondom het slavernijverleden en de zichtbaarheid van dat verleden in de openbare ruimte? En, is het
college voornemens om educatie en meer zichtbaarheid in de openbare ruimte deel uit te laten maken van het Actieplan Antiracisme? In het huidige Stadhuis hangen vele portretten van oud-burgemeesters, onder wie een aantal direct betrokken waren bij de Groningse kamer van de WIC (bijvoorbeeld Joachim Alting) en mogelijk ook de VOC. 2. Is het college het met de indienende partijen eens dat het toevoegen van informatie aan hun portretten over hun betrokkenheid bij het slavernijverleden goed is in teken van bewustwording en educatie? 3. Zo ja, vindt het college het een goed idee de onderzoekers te vragen of zij de lijst met namen van de stadsbestuurders die afgebeeld zijn op de portretten in het Stadhuis, zouden willen toetsen op betrokkenheid van betreffende personen op banden met slavernij via WIC of VOC? III Vragen van de fracties van de PVV en de VVD over het waarschuwing- en alarmeringssysteem (Kelly Blauw en Ietje Jacobs) Onlangs heeft het minister van Justitie en Veiligheid het besluit genomen om het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS: ook wel bekend als het luchtalarm op de eerste maandag van de maand) eind volgend jaar af te schaffen. Demissionair minister Yesilgöz liet in een brief aan de Kamer weten dat de onderhoudscontracten van het alarmeringssysteem aflopen. Daarna wordt het duurder om het systeem te onderhouden.
Volgens de minister biedt de sirene tegenwoordig nauwelijks nog voordelen. Uit onderzoek blijkt dat het geluidssignaal minder mensen bereikt dan de mobiele meldingen. Een minderheid van de 25 veiligheidsregio’s vindt dat zorgelijk. Ook de Veiligheidsregio Groningen heeft zorgen. Zij zouden graag zo'n systeem toch intact willen houden zeker mbt de gebieden waar met risico's gewerkt wordt (haven Delfzijl bijvoorbeeld). Als er een crisis is, moet je de burgers echt allemaal kunnen bereiken, dat doe je enerzijds via een NL-Alert en daarnaast ook nog met sirenes. Op het afschaffen van het waarschuwings- en alarmeringssysteem zijn diverse reacties gekomen, onder anderen van de voorzitter van het Fonds Slachtofferhulp en van portefeuillehouders van de diverse Veiligheidsregio’s, waar onder de Veiligheidsregio Groningen. Deels wordt gesteld dat een NLalert veel nauwkeuriger is, je krijgt een boodschap wat te doen en welke calamiteit er plaatsvindt. Terwijl is gebleken tijdens de recente watersnood in Limburg dat mensen niet wisten wat ze moesten doen, advies is sluit ramen en deuren en blijf binnen en men ging massaal de straat op om te kijken wat er aan de hand was. Terwijl het nadeel van een NL- alert is dat niet iedereen een mobiele telefoon heeft, niet overal bereik is en er makkelijker andere berichten mee kunnen worden gestuurd.
Daarnaast is het tijdperk anders, daar waar voorheen een ramp de reden voor een noodsignaal was hebben we nu te maken met een oorlog op ons continent en is een oorlogsdreiging niet geheel uit te sluiten. 1. 2. 3.
Is het college het met ons eens dat het beter is om een systeem intact te houden waarop naast de NL-Alert ook het luchtalarm wordt ingezet? Met name voor de degene die wat minder een mobiele telefoon gebruiken of altijd bij zich hebben zoals ouderen. Is het ook mogelijk dat er een uitzondering gemaakt kan worden voor de gebieden waar met risico’s gewerkt wordt? Dus dat daar altijd een dergelijk luchtalarm systeem gebruikt moet worden. Is het college het met ons eens dat het er nu op lijkt dat kosten boven veiligheid gaan en dit niet wenselijk is?
4. Zijn er gebieden in onze gemeente waarvan we op voorhand kunnen zeggen dat het bereik van mobiele telefonie zodanig is dat er een veiligheidsrisico optreedt als een NL-alert de enige manier van alarmeren is? Zo ja, is dit de komende 22 maanden op te lossen of gaat u in gesprek over een alternatieve wijze van alarmeren. 5. Hoe schat u het risico in dat mensen om welke reden dan ook een NL-alert niet binnen krijgen of niet op de juiste waarde kunnen schatten en welke mogelijkheden bent u bereid om -eventueel samen met het Ministerie van Veiligheid en Justitie- te nemen zodat de alertheid van onze inwoners optimaal wordt?