Zienswijze 18 TVW_Alg_opm_en_vragen
Tekst van het document
Zaaknr: 262036 In: 210908 (Meer) algemene opmerkingen en vragen m.b.t. (op meerdere plekken terugkerende onderwerpen in) de concept-TransitieVisie Warmte (TVW)
ALG01: CO2-neutraliteit (= aardgasvrij?) In de nota wordt, onder meer op blz. 06, met zoveel worden gezegd dat het doel van de TVW is om de CO2-uitstoot aanzienlijk te verlagen. In navolging van de rijksoverheid wordt “het afscheid van aardgas en andere fossiele brandstoffen en het inzetten van nieuwe duurzame vormen van warmte” als belangrijk middel gezien. Er ontstaat complexiteit als aardgasvrij worden ook een doel op zichzelf is met het oog op het leegraken van de Nederlandse gasvelden. <EC: in de TVW staat “spelen een rol”.> Opvallend is dat de aanduiding CO2-neutraliteit alleen in de titel wordt genoemd, niet in de teksten van hoofdstuk 2. Op blz. 17 regel 02-05 wordt weliswaar ingegaan op het uitgangspunt dat de warmtetransitie moet leiden “tot significante vermindering van CO2uitstoot” maar ik mis verderop in de concept-TVW de in regel 07 in het vooruitzicht gestelde “concrete invulling” in hoofdstuk 7. Met name doel ik op wat staat in regel 03-04: er “wordt bij alle voorgestelde alternatieven voor aardgas bekeken wat de impact op het klimaat en het milieu is. Het warmtealternatief moet dus altijd een duurzame oplossing zijn die bijdraagt aan de doelstelling om de CO2-uitstoot te verlagen.” Die uitwerking is van belang omdat het in een hoog tempo afstappen van het gebruik van aardgas tot effect kan hebben dat vooralsnog de CO2-uitstoot juist toeneemt.
Daarop wijst hoogleraar Energy Technology David Smeulders van de TU Eindhoven in een artikel in VNG Magazine nummer 4, 3 maart 2020. In een interview geeft hij aan dat “door de snelheid waarmee de overheid de gebouwde omgeving van het gas wil afkoppelen en elektrificeren, ….. de CO2-uitstoot in de komende jaren alleen maar toe(neemt).” Tenzij die redenering als niet kloppend wordt aangemerkt is dus een consequentie om het gelijk stellen van CO2neutraliteit en aardgasvrij los te laten en te bepalen waaraan prioriteit wordt gegeven: CO2neutraliteit of aardgasvrij. Wat mij betreft is het vanuit de centrale doelstelling van het Klimaatakkoord logisch om te kiezen voor CO2-neutraliteit en CO2-reductie te bestempelen als weg daar naartoe. Totdat er een duidelijk overzicht is waarin tot uiting komt “wat de impact op het klimaat en het milieu is“ (blz. 17 regel 4) is er tegen de achtergrond van het voorgaande reden om in ieder geval hoofdstuk 2 daarop aan te passen, evenals wat is opgenomen in de regels 02 en 03 op blz. 06, waarbij de rechtstreekse koppeling wordt gelegd tussen de ambitie van een CO2neutraal Gouda in 2040 en het “dan” aardgasvrij zijn van de stad. Dan ontstaat er ook consistentie met wat op blz.
50 in regel 26 is opgenomen: “De gekozen warmteoplossingen moeten leiden tot een significante vermindering van CO2.” Dat staat daar naar ik verwacht niet voor niets onder de titel Uitgangspunten en randvoorwaarden als paragraaf in het hoofdstuk over de Uitvoeringsstrategie. Om CO2-reductie te bereiken is de warmtetransitie maar één van de middelen. Wellicht blijkt het mogelijk samen met andere inspanningen om de ambitie dat Gouda per 2040 CO2neutraal is te bereiken. Persoonlijk zou ik dat toejuichen. Omdat die doelstelling feitelijk een breder terrein bestrijkt dan dat van de energietransitie bepleit ik om aan die ambitie een aparte strategienota te wijden. Realiteitsbesef vanuit de bovenstaande benadering van prof. Smeulders in combinatie met de problemen die ik voorzie met het kunnen behalen van een planning die uitgaat van 2040 als eerste jaar van een ‘aardgasloos Gouda’ (zie ALG02) én met de vooralsnog niet opgeloste problemen rond de financiering van alle betrokken kosten (zie ALG06 en ALG07)
1
brengt mij ertoe te bepleiten dat de doelstelling om in 2040 aardgasvrij te zijn los te laten resp. daar een later jaartal (dat realistisch is) voor te nemen. Het valt op dat niet is opgenomen hoe tussentijds en eind 2039 bepaald zal worden in hoeverre de doelstelling is bereikt. Dat is in een strategie-document naar mijn mening een belangrijke omissie.
ALG 02: Planning Om een goede planning te kunnen maken én die gedurende de looptijd te monitoren ten behoeve van de verschillende partijen is nodig dat een schema wordt opgesteld waarin indicatief per jaar is opgenomen ten aanzien van hoeveel woningen en andere gebouwen in de onderscheiden stadsdelen wordt beoogd/ingeschat dat die worden ‘verduurzaamd’ en hoeveel ‘van het gas af zullen gaan’. Na bekend worden van de eerste realisatiegegevens kunnen de realisatiecijfers in dat schema worden opgenomen. Het ontbreekt in de concept-TVW aan toelichting waarom, uitgaande van een mogelijke werkingstermijn van 5 jaar, niet op indicatieve basis de stadsdelen worden benoemd die gedurende die termijn in aanmerking komen voor het maken van een start met de voorbereiding van een uitvoeringsplan. Bovendien ontbreekt het in de concept-TVW aan vermelding op welke wijze en door welk orgaan van de gemeente het beginjaar van die start alsnog zal worden bepaald. Mede onder verwijzing naar wat ik heb opgenomen onder ALG03 ben ik er voorstander van dat het vaststellen van het startjaar voor een specifieke buurt plaatsvindt door de gemeenteraad. Als dat niet in de TVW zelf wordt vastgelegd wordt dat naar mijn weten automatisch een bevoegdheid van het college van B&W.
Het past bij het formuleren van een transietieVisie warmte heel goed om ook te beschrijven hoe de sturing op basis van de realisatie zal plaatsvinden. In dat licht mis ik de beschrijving van het beoogde instrumentarium om de onderlinge samenhang tussen afzonderlijke uitvoeringsplannen in de gaten gehouden. Die samenhang is ook al relevant in de planningsfase. Daarom is het van belang vanwege mogelijke interferentie te regelen dat omliggende stadsdelen worden geïnformeerd over de vorderingen van de voorbereiding van uitvoeringsplannen en dat ook de bewoners en andere belanghebbenden uit de omliggende stadsdelen hun mening kunnen geven over het concept-besluit tot vaststelling van een uitvoeringsplan zoals dat volgens de tekst op blz. 59 regel 51 aan de gemeenteraad zal worden voorgelegd. De in hoofdstuk 6 de concept-TVW opgenomen planning/fasering van de warmtetransitie in Gouda vind ik onnodig vaag, met een wel heel magere uitleg en in een bepaald opzicht in afwijking van de afspraak als bedoeld onder a. op blz. 27 van het Klimaatakkoord. Daar wordt gesproken over duidingen ten aanzien van “wijken waarvan de transitie voor 2030 is gepland” en dat is een andere benadering dan “vanaf 2022” en “vanaf 2025”. De laatste aanduidingen kunnen er namelijk ook op neerkomen dat stadsdelen pas ná 2030 aan bod komen.
Naar mijn mening staat de in de concept-TVW verwerkte wijze van planning op zijn minst op gespannen voet met de vermelding op blz. 27 van het Klimaatakkoord: “De gemeente bepaalt in samenspraak met de betrokken stakeholders de planning van de (stapsgewijze) aanpak richting aardgasvrij”. De planning kan toch ook anders!? Per in bijlage F bij de concept-TVW onderscheiden stadsdeel kan naar mijn idee een als zodanig benoemde GLOBALE INDICATIE worden gegeven van het jaar waarin zal worden gestart met de voorbereiding van een uitvoeringsplan. Vervolgens kan dan worden aangegeven dat er een tenminste één keer per jaar een apart planningsdocument wordt uitgebracht, waarin concreet wordt vermeld in welk(e) stadsde(e)l(en) het komend jaar zal
2
worden begonnen en wat de al dan niet aangepaste GLOBALE INDICATIE ten aanzien van de overige stadsdelen vervolgens is. Het is in het kader van de transparantie in elk geval van belang om in de concept-TVW expliciet te vermelden welk orgaan de feitelijke beslissing neemt over het jaar waarin daadwerkelijk va start wordt gegaan. Voor zover ik weet is dat, bij het ontbreken van een referte aan een bevoegdheid van de gemeenteraad, automatisch een bevoegdheid van het college van B&W. Mocht dat de bedoeling zijn dan is het voor bewoners wenselijk te weten of de gemeenteraad in enigerlei vorm wel wordt betrokken bij door B&W voorgenomen besluiten op dit vlak. Nu de vormgeving van de participatie/inspraak van bewoners buiten de concept-TVW is gehouden is belangrijk in deze verhandeling te vermelden dat ik duidelijkheid wil over de wijze waarop bewoners van een betrokken stadsdeel een inbreng kunnen leveren ten aanzien van het jaar waarin de voorbereiding van een uitvoeringsplan feitelijk van start zal gaan. Veel onduidelijk ontstaat bij mij rond de indeling middellange termijn, lange termijn en natuurlijk tempo. Op blz. 52 regel 11 staat: “Het hele traject in een buurt duurt gemiddeld 10 jaar.” Op diezelfde blz. 52 staat in regel 05 dat ieder jaar in beginsel 1 nieuwe WUP wordt gestart. De korte termijn, die start in 2022, omvat volgens blz.
41 zeker 2 stadsdelen en mogelijk een derde. Opvallend is dat daarover staat: “Het startmoment voor verdere verkenning in deze buurt is niet vastgesteld.” Maar als in 2022 tegelijk in 2 stadsdelen wordt gestart (wellicht vanwege de beperkte omvang van 1 van die 2) dan valt er, afhankelijk of alsnog wordt besloten in 2023 of 2024 in [een deel van] de Sport- en Molenbuurt een start te maken, een gat van 1 of 2 jaar tot aan de start van de middellange termijn in 2025. Die start loopt, vanwege het aantal op blz. 43 regel 49-51 genoemde stadsdelen bij een gemiddelde van 1 WUP per jaar door tot na 2030, wanneer met de stadsdelen vallend onder de lange termijn gestart zou moeten worden. Maar als uiterlijk eind 2039 het laatste stadsdeel aardgasvrij moet zijn, dan moet bij een trajectduur van 10 jaar de start hebben gelegen in 2029. Een start in 2030 of later leidt tot overschrijding van de voor 2040 geformuleerde doelstelling. Een ander element van de planning dat tot discussie aanleiding geeft is gerelateerd aan de te behalen aantallen. Op blz. 39, regel 11, van de concept-TVW staat dat het klimaatakkoorddoel van 2030 is dat minimaal 20% van de huidige woningvoorraad dan is verduurzaamd en/of aardgasvrij. Ook staat er dat het zo’n 6.900 woningen betreft. Op blz. 52 van de concept-TVW staat vanaf regel 11 vermeld: “Het hele traject in een buurt duurt gemiddeld 10 jaar.
Het opstellen van een wijkuitvoeringsplan duurt gemiddeld 2 jaar ….. De uitvoering zelf duurt gemiddeld 8 jaar.” Als in 2022 wordt gestart met de voorbereidingen van een uitvoeringsplan dan zal het op basis van de aangehaalde uitspraken gemiddeld tot 2032 duren voordat de betrokken woningen daadwerkelijk aardgasvrij zijn. Uitgaande van de aantallen woningen die worden genoemd in Bijlage F bij de concept-TVW zouden uiterlijk 2032 zo’n (1.087 + 284=) 1.371 woningen voor welke een korte termijn aanpak is bedacht + een deel van de 1.029 woningen voor welke een “natuurlijk tempo” geldt + tenminste een deel van de 5.480 woningen in Plaswijck voor welke de “gefaseerde aanpak” geldt aardgasvrij kunnen zijn. Mocht alles héél voorspoedig verlopen waardoor in 2032 álle woningen vallend onder natuurlijk tempo en gefaseerde aanpak al aardgasvrij zijn dan kan het in 2032 maximaal gaan om (1.371 + 1.029 + 5.480 =) 7.880 woningen. Dat is
3
zo’n 1.000 woningen meer ten opzichte van de doelstelling van 6.900 woningen in 2030, maar het is dan wel 2 jaar later. Teruggerekend komt het er dan op neer dat de doelstelling van 6.900 woningen in 2030 alleen te halen is als het lukt om álle woningen die zijn ingedeeld onder korte termijn, natuurlijk tempo én gefaseerde aanpak aardgasvrij te krijgen óf als het lukt om te bereiken dat het mogelijk forse deel van de (6/8 * (1.029 + 5.480 =) 6.509 =) 4.882 woningen die in 2030 nog niet aardgasvrij zijn dan tenminste “verduurzaamd” is. Het voorgaande roept de vraag op: wordt het zeer waarschijnlijk geacht dat in 2030 ook al een fors deel van de woningen die zijn ingedeeld onder natuurlijk tempo en gefaseerde aanpak aardgasvrij zullen zijn? Zo nee, wordt het dan zeer waarschijnlijk geacht dat het aantal in 2030 nog niet gerealiseerde woningen die zijn ingedeeld onder natuurlijk tempo en/of gefaseerde aanpak zal worden gecompenseerd door tenminste eenzelfde aantal woningen dat dan al wel ‘verduurzaamd’ is (waardoor de doelstelling als haalbaar wordt gezien)? Als de eerste vraag in de vorige alinea met nee wordt beantwoord, wordt dan onderkend dat er een forse opgave ligt om het benodigd aantal verduurzaamde woning te behalen? Als dat het geval is, waarom is er dan in paragraaf 7.2 (gemeentebrede aanpak) zo weinig uitwerking gegeven aan de support van pandeigenaren bij het zetten
van concrete stappen, zoals collectieve aanbesteding? Hetzelfde geldt voor de “doelgerichte communicatie”, welk begrip zelfs alleen maar met die twee woorden wordt aangeduid, hetgeen vragen oproept over de werkelijke betekenis ervan. In het voorgaande ben ik ervan uitgegaan dat het begrip ‘verduurzaamd’ gelijk staat aan ‘aardgasvrij ready’. Dat laatste staat in de concept-TVW omschreven, het eerste niet. Het is verwarrend en niet transparant dat in de concept-TVW stadsdelen worden aangeduid met de namen van CBS-buurten terwijl volgens de tekst op blz. 36, regel 11-13, andere aantallen woningen zijn aangehouden. Het zou logisch zijn dat tenminste éénmalig een omzettingstabel wordt gepresenteerd waarin duidelijk wordt welke aantal vanuit welke CBSbuurt aan welke andere CBS-buurt(en) wordt/worden toegeschreven. Het verschil in het totaal aantal (zo’n 1.500) dient naar mijn mening apart te worden verklaard. Uit de aan het eind van document opgenomen Tabel 1 komt naar voren wat de verschillen per buurt zijn. Omdat het gaat om een belangrijke doelstelling in de concept-TVW pleit ik ervoor om de behaalde resultaten in een dashboard te verwerken dat ook voor burgers te volgen valt.
Wat mij betreft is daarvan de bedoeling dat tenminste één keer per kwartaal per onderscheiden stadsdeel wordt vermeld welk percentage van de genoemde aantallen inmiddels is gerealiseerd, onderscheiden naar verduurzaamd en naar aardgasvrij. Het is logisch daarbij aan te sluiten op de ‘voortgangstool’ waarvan sprake is op blz. 28 van het Klimaatakkoord.
ALG03: Actualisering van de TVW De termijn waarbinnen de TVW zal worden geactualiseerd is niet éénduidig in de conceptTVW.
4
Op meerdere plekken1 is sprake van een termijn van minimaal 5 jaar. Op blz. 61 regel 01 wordt echter gesproken over “elke 5 jaar”. Hier ontbreekt dus de toevoeging ‘tenminste’. Paragraaf 7.7.7 komt echter over als meest bepalend binnen de TVW wat betreft de termijn dus juist hier past precisie. Ik ervaar bij de aanduidingen van minimaal 5 jaar een andere benadering dan opgenomen op blz. 48 onder 6. Governance en doorontwikkeling: “Nieuwe inzichten worden verwerkt in de TVW zodra deze zich voordoen.” Deze laatste benadering onderschrijf ik en is meer in overeenstemming met andere tekstgedeelten in de concept-TVW, met name de aanduiding “reeks van plannen” op blz, 06 regel 33 en het gebruik van het begrip “regelmatig” op blz. 08 regel 51. Ik bepleit een grotere nadruk op ‘actualisering zodra er aanleiding is’ dan op een minimum van 5 jaar, dat toch wel een lange periode is. Opvallend is dat in de RES Midden-Holland wordt uitgegaan van een actualisering van eens per 2 jaar. Actualisering van de TVW is naar mijn mening ook het meest in aanmerking komend voor de definitieve vastlegging van het startjaar voor de voorbereiding van een uitvoeringsplan voor een specifiek stadsdeel. Dat biedt goede kansen op behoud van het totaaloverzicht en samenhang én betekent dan ook dat de planning van de start een bevoegdheid blijft van de gemeenteraad.
Dat is belangrijk in relatie tot de te behalen aantallen gebouwen die voortvloeien uit de geformuleerde doelstellingen. Zie daaromtrent wat ik heb opgenomen onder ALG02 Planning.
ALG04: Benamingen waaronder verkenningsbuurt, verkenningsblok, startbuurt, wijkuitvoeringsplan Terwille van consistentie binnen de TVW meen ik dat er éénduidigheid moet komen in het gebruik van begrippen en gekoppeld aan een duidelijke ‘definitie’ ervan. Opname in de begrippenlijst is wat mij betreft een prima en duidelijke plek. In de voorbereidende fase, die aan het opstellen van de concept-TVW vooraf ging, was sprake van verkenningsbuurt en startbuurt met een duidelijk verschil in betekenis. Toen werd het schema dat nu op blz. 38 in figuur 11 staat gepresenteerd met in de onderste balk de aanduiding startbuurt en in de betekenis dat daar dan zou worden begonnen met het opstellen van een uitvoeringsplan. Nu komt het begrip startbuurt nog maar voor op 2 plekken: blz. 42 regel 01 en blz. 08 regel 06. De beschrijving op blz. 42 geeft een indicatie van de betekenis: “Deze buurten worden pas startbuurten bij gedragen overeenstemming van de meerderheid van betrokkenen over de kosten, de betaalbaarheid, de wijze van financiering en de benodigde technische inpassingen in de openbare ruimte en in de panden.” Op welk moment in het proces die overeenstemming dan zal worden geconstateerd en welke processtappen daar dan op volgen is voor mij niet duidelijk. De hiervoor aangehaalde tekst komt me echter niet consistent over t.o.v. blz.
08 regel 06 waar sprake is van de keuze van een startbuurt (en dat past in de benaderingswijze die gold in vorenbedoelde voorbereidende fase. De informatie over het procesverloop na aanwijzing van een buurt/cluster waar enigerlei start zal plaatsvinden ervaar ik als niet-consistent. 1 Zie:
04.14: “Daarom herzien we de Transitievisie Warmte ten minste elke vijf jaar.” 08.51: “De TVW zal regelmatig, maar minimaal eens in de vijf jaar geactualiseerd worden.” 34.10-11: “Het eindbeeld zal daarom (net als de TVW) minimaal elke vijf jaar worden geactualiseerd” 48.03 onder 6: “De TVW wordt minimaal iedere 5 jaar geactualiseerd” 61.05-06: “De Transitievisie Warmte wordt minimaal iedere 5 jaar geactualiseerd.” 62.09: “wordt de TVW minimaal iedere 5 jaar aangescherpt en verdiept”
5
Alleen en pas op blz. 52 (regel 01-02) wordt duidelijk: “De eerste stappen in dit proces zijn het uitvoeren van haalbaarheidsonderzoeken en het opstellen van een wijkuitvoeringsplan in de verkenningsblokken”. Hoe die stappen zich procesmatig en in de tijd tot elkaar verhouden staat in mijn beleving op die pagina verschillend beschreven. De procesbeschrijving in Figuur 20 op blz. 52 benoemt als zodanig niet het opstellen van een plan van aanpak maar benoemt een haalbaarheidsonderzoek als (de voorlaatste) stap en dus onderdeel van het “proces wijkuitvoeringsplan met participatie”. Daar staat echter tegenover dat op blz. 08 in de regels 35-37 staat: “Als het in een verkenningsblok inderdaad haalbaar blijkt om als eerste van het aardgas af te gaan, wordt voor deze buurt vervolgens een ‘wijkuitvoeringsplan’ gemaakt.” Ten aanzien van bedrijventerreinen is op blz. 56 regel 10-21 de fasering van een uitvoeringsplan beschreven. Daarbij wordt het verrichten van haalbaarheidsonderzoeken als fase 2 en het ontwikkelen van een aanpak als fase 3 bestempeld. Voor buurten waar een warmtenet een mogelijk alternatief voor aardgaslevering is staat op blz. 53 in regel 07-08 vermeld: “In de eerste maanden van het proces vindt onderzoek plaats naar de haalbaarheid en betaalbaarheid van een warmtenet”.
Ik bepleit een éénduidige en volledige beschrijving van de stappen vanaf de start van transitie-activiteiten in een cluster/buurt en dat daarin duidelijk wordt beschreven hoe en door wie wordt besloten óf tot het opstellen van een plan van aanpak voor een uitvoeringsplan wordt besloten en later tot het opstellen het betreffende plan zelf wordt besloten. Verwarrend vind ik dat op de bladzijden 47 (regel 22) en 48 (in het blok dat begint op regel 03 bij 02. Aanpak verkenningsblokken) alleen maar wordt gesproken over opstelling van uitvoeringsplannen m.b.t. verkenningsblokken/-buurten. Voor wat betreft de mogelijke invloed van belanghebbenden op de keuze van de eerste clusters van panden is van belang dat duidelijk is of die keuze al vaststaat of dat de gemeenteraad die keuze bepaalt via vaststelling van de TVW. Op blz. 19 regel 01-02 staat namelijk “In de warmtetransitie van Gouda zijn in de eerste fase verkenningsbuurten en in de tweede fase verkenningsblokken aangewezen.” Die aanwijzing zou dus al hebben plaatsgevonden maar er staat niet vermeld wanneer en hoe en door wie. Onduidelijk is waartoe de criteria dienen die op blz. 19 vanaf regel 07 zijn benoemd.
Gaat het om criteria die zijn gebruikt en/of om criteria die zullen worden gebruikt bij het in de loop der tijd bepalen van de volgorde waarin de verschillende staddelen als ‘verkenningsblok’ zullen worden aangewezen? In de huidige tekst worden begrippen als “verkenningsblok” en ”verkenningsbuurt” naast elkaar gebruikt. Het begrip ‘blok’ vind ik in dit verband verwarrend. Het zal, zeker na enkele jaren, zelden of niet (meer) gaan om een “blok” woningen (en andere gebouwen) in de vaak gebruikte betekenis van aaneengebouwde panden. Daarom stel ik voor óf bij kleinere hoeveelheden bij elkaar gelegen woningen te spreken over ‘verkenningsbuurtje’ (naast ‘verkenningsbuurt’ bij grotere aantallen) óf alleen te spreken over ‘verkenningsclusters’. Met als uitzondering een vermelding op blz. 08 in regel 26 wordt steeds het begrip wijkuitvoeringsplan gebruikt. En dat terwijl een wijk als grondgebied voor plannen niet meer in beeld is. Wat is erop tegen om een andere benaming te gebruiken? Bijvoorbeeld clusteruitvoeringsplan (CUP) of transitieuitvoeringsplan (TUP).
ALG05: Vaststelling en inhoud van de uitvoeringsplannen Pas op blz. 59 (regel 50-51) wordt duidelijk wie een uitvoeringsplan vaststelt: namelijk de gemeenteraad. Het behoort naar mijn mening in de (start-)TVW thuis dat voor de
6
verschillende betrokkenen duidelijk is hoe het vaststellingsproces (inclusief de voorbereiding van de besluitvorming) zal verlopen. Daarbij hoort dan ook dat duidelijk is wie op welke bepaalt wat “actieve buurtbewoners” zijn, waarop wordt gedoeld op blz. 41 regel 33. Datzelfde geldt ten aanzien van de vaststelling van wat “de meerderheid van betrokkenen” is, zoals opgenomen op blz. 42 regel 02. Komt er daartoe een (buurt)raadpleging? Heeft iedere bewoner een stem of gaat dat per huishouden? Heeft een ondernemer en een woningcorporatie een evenzware stem als een huishouden/bewoner? In relatie daarmee bepleit ik duidelijkheid over wat wordt bedoeld met “de” participatie zoals benoemd op blz. 41 regel 34. Meer specifiek: wordt hier geduid op de nog vast te stellen participatiestra¬tegie of gaat het om een los daarvan staande uitwerking specifiek voor het betreffende verkennings¬blok? En zo ja, hoe verhoudt dat zich dan tot de meer algemene participatiestrategie? Een specifiek punt van aandacht is de relatie tussen uitvoeringsplannen en omgevingsplannen, waarop wordt geduid op blz. 53 regel 15.
Wordt het uitvoeringsplan eerst afzonderlijk vastgesteld of als integraal onderdeel van het omgevingsplan? Als het uitvoeringsplan als integraal onderdeel van een omgevingsplan wordt vastgesteld, waarom is daar dan niet nader op ingegaan? Bijvoorbeeld door een beschrijving van de procesgang met betrekking een omgevingsplan en de verwerking van uitvoeringsplannen daarbij op te nemen in een bijlage. Ik bepleit dat de betreffende informatie alsnog wordt ingevoegd. Een ander specifiek punt van aandacht is de relatie met de aanwijzing van een exploitant van “het warmtenet”, zoals aangeduid op blz. 53 regel 13. Er is in de concept-TVW niet op ingegaan hoe, gelet op het daarvoor onder 7. bepaalde, het kan werken dat de aanwijzing van een exploitant zal plaatsvinden los van de vaststelling van een uitvoeringsplan resp. omgevingsplan conform het bepaalde onder 4 en 5-6. Ik bepleit aanvullende tekst met toelichting. Pas in het kader over de ‘Warmtewet 2.0’ wordt duidelijk dat de gemeente een warmtebedrijf aanwijst.
Is het voornemen dat die aanwijzing plaatsvindt door de gemeenteraad of door het college van B&W? Kan die exploitant een door/met bewoners opgezette energiecoöperatie zijn? Zo nee, wat is daarvoor dan de motivatie? Zo ja, waarom is de slide, die in de gemeentelijke presentatie op 12 juli is gebruikt en werd gepresenteerd rond het tijdstip 12:20, waarin staat dat energiecoöperaties als “voortrekker” worden beschouwd, dan niet vertaald in de tekst van de concept-TVW? Dus bepleit ik aanvullende tekst waardoor het nu al, gezien de relatief korte periode dat aanwijzing van een exploitant in een ‘startbuurt’ al aan de orde kan zijn, duidelijk is hoe de gemeente aan totstandkoming en functioneren van dergelijke coöperaties wil bijdragen. Mocht dat niet lukken dan bepleit ik dat in de TVW wordt vastgelegd dat daaromtrent in het eerste kwartaal 2022 een strategie-document voor besluitvorming door de gemeenteraad zal worden opgesteld waarin wordt aangegeven hoe de gemeente wil omgaan met (mede) door bewoners opgezette energiecoöperaties voor de exploitatie van warmtenetten.
ALG06: Betaalbaarheid en woonkostenneutraliteit Op twee plekken, blz. 16 regel 34; blz. 49 regel 46, wordt betaalbaarheid voor eindgebruikers en met name bewoners én als absolute voorwaarde geformuleerd én direct gekoppeld aan het begrip woonlastenneutraliteit. Aan dát begrip, dat binnen paragraaf 7.1 als randvoorwaarde wordt bestempeld, wordt echter gekoppeld dat het een “streven” is (zie in dat opzicht ook blz. 04 regel 18). Dat ervaar ik als strijdig en niet transparant en daarom bepleit ik nadere invulling van de ‘belofte’ van betaalbaarheid, met name in relatie tot de toezegging op blz. 42, regel 01-02: “.Deze buurten worden pas startbuurten bij gedragen overeenstem-
7
ming van de meerderheid van betrokkenen over ……. de betaalbaarheid …..”. Zie ook de tekst op de slide die is gebruikt tijdens de digitale informatiebijeenkomst op 12 juli jl. (voorkomend rond het tijdstip 23:42): “We gaan pas over op een duurzaam alternatief als aan alle randvoorwaarden is voldaan” Op de bladzijden 16 en 49 wordt woonlastenneutraliteit in een voetnoot gedefinieerd als “dat de financieringskosten of huurverhoging als gevolg van energiebesparende maatregelen gelijk is aan of lager dan de besparing op de energiekosten”. Die invulling van Woonlastenneutraliteit geeft echter nog geen echte duidelijkheid. Belangrijk element dat ontbreekt is duidelijkheid over de data die voor een kostenvergelijking worden aangehouden: alleen de kosten ten tijde van de daadwerkelijke investering? Of wordt hierbij ook een inschatting gemaakt van de hoogte van de energiekosten gedurende de loop van de economische afschrijvingstermijn van de betrokken investeringen? Bovendien wordt alleen gesproken over “energiebesparende maatregelen” terwijl niet wordt aangegeven hoe een besparing wordt bepaald bij overschakeling naar een andere energiebron dan aardgas, waarbij (bijvoorbeeld in het geval van een warmtenet) de distributie en/of transportkosten anders en wellicht hoger zullen liggen. Ook is, in relatie tot de tekst op blz.
50 regel 35, niet duidelijk welke kosten in de vergelijking worden betrokken. Duidelijkheid is met name vereist ten aanzien van kosten die al in een eerder stadium door individuele huishoudens/pandeigenaren zijn gedaan in het kader van energiebesparing/het “aardgasvrij ready” worden. Er is inmiddels een ‘harde’ reden om te verlangen dat duidelijkheid wordt gegeven over de hardheid van de benoeming van betaalbaarheid als randvoorwaarde. Begin juli heeft minister Ollongren van BZK de resultaten naar buiten gebracht van drie onderzoeken die betrekking hebben op de betaalbaarheid van de energietransitie. Volgens een redactioneel artikel op www.publiekdenken.nl blijkt uit die rapporten “dat de zeilen tot 2030 bijgezet moeten worden. Niet alleen moeten er meer middelen beschikbaar worden gesteld. Ook een beter passende wet- en regelgeving, adequate beprijzing van CO2 en het ontzorgen van huiseigenaren moeten de voor 2030 gestelde doelen van de energietransitie dichterbij brengen.” Vanwege de huidige demissionaire status van het kabinet is er mijns inziens weinig kans op dat al snel duidelijk wordt of kabinet en parlement bereid zullen zijn de kennelijk vereiste extra middelen beschikbaar te stellen.
Als met mij de kans groot wordt geacht dat het voorlopig zal ontbreken aan voldoende financiële bijdragen vanuit de rijksoverheid en ook dat het gemeentebestuur dat ‘gat’ niet uit eigen middelen zal opvullen dan is het in mijn ogen logisch dat daar de “uitvoeringsstrategie” op wordt ingericht. Ik bepleit dat daartoe diverse tekstdelen van de concept-TVW worden aangepast.
ALG07: Rol (energie)coöperaties Op blz. 49 regel 40-42 staat: “De ontwikkeling van lokale energiecoöperaties zal een belangrijke pijler van de warmtetransitie zijn. Dit zorgt ervoor dat bewoners en ondernemers (deels) eigenaar en/of beheerder van hun eigen collectieve warmtesysteem worden.” Daarvoor stond al op blz. 16 regel 24-26: “In de toekomst zullen mogelijk andere vormen van eigendom een rol spelen; bewoners van één buurt gaan misschien samen een warmtenet aanbesteden en worden dan samen eigenaar.” En op blz. 58 regel 17-18 wordt, naar het lijkt met enthousiasme, gemeld: “In Nederland zijn al meer dan 600 buurtinitiatieven/coöperaties aan de slag met het verduurzamen en het aardgasvrij maken van hun directe omgeving.” Ik ben blij dat voor buurt-/wijkgerichte energiecoöperaties een belangrijke rol wordt gezien. Het valt echter op dat er geen specifieke aandacht is in de concept-TVW voor het stimuleren van de totstandkoming van dergelijke energiecoöperaties. Ik bepleit dat een aanvullende tekst wordt opgenomen waarin tot uiting komt op welke wijze op ondersteuning van
8
gemeentewege mag worden gerekend. Daarbij denk ik met name aan de aan oprichting verbonden kosten waarvoor een achtergestelde lening beschikbaar gesteld zou kunnen worden en aan éénmalige vergoeding van lidmaatschappen van bijvoorbeeld EnergieSamen. Gelet op de gebruikelijke ‘opstarttijd’ van zo’n coöperatie en het nut dat een coöperatie kan hebben bij collectieve inkoop rond energiebesparende maatregelen én de democratische structuur ervan die kan bijdragen aan het benodigde draagvlak en de legitimiteit rond besprekingen over de transitie hoop ik dat een praktische ondersteuning vanuit de gemeente snel van de grond komt.
ALG08: Proceswarmte Op blz. 08 regel 11-12 wordt gesteld: “De proceswarmte die ingezet wordt in de industrie wordt niet geanalyseerd in deze TVW. Dit is een heel specifieke opgave.” Hoe aan die opgave vorm en inhoud wordt gegeven komt niet aan de orde. Dat ervaar ik als een belangrijke omissie. Ook voor proceswarmte wordt aardgas gebruikt en het gebruik van aardgas is op basis van hoofdstuk 2 van de concept-TVW de centrale insteek (hetgeen ik betreur; zie mijn opmerkingen onder ALG01) en heeft dus ook effect op de CO2-uitstoot (tenzij vast staat dat al die uitstoot wordt afgevangen). Daarnaast wijs ik op het vóórkomen van de letter W in TVW: TransitieVisie Warmte. Op een pagina van het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) staat overigens: “In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de gemeente in de eerste transitievisie warmte in ieder geval voor wijken die tot en met 2030 gepland zijn, zal opnemen: hoeveel woningen en andere gebouwen tot en met 2030 worden geïsoleerd en/of aardgasvrij worden gemaakt ……”. De informatie in paragraaf 4.1 biedt geen inzicht in de nominale omvang van het aardgasgebruik voor proceswarmte. Daardoor kan de verhouding tussen ‘verwarmings-warmte’ en proceswarmte niet worden bepaald en dus ook niet in welke mate het relevant is aan die twee vormen aandacht te besteden in het licht van de CO2-reductie. Uitgaande van de tekst op blz.
24 regel 15-19 zou de warmtevraag van bedrijven in 2019 zo’n 430 TJ moeten zijn geweest. Dan zou het verbruik door de industrie zo’n (1.324-429=) 895 TJ moeten zijn geweest. Dat is zo’n 78% van het gebruik in woningen. Zo’n omvang rechtvaardigt naar mijn mening juist dat daar in het kader van de transitievisie warmte op wordt ingegaan.
ALG09: Verschil tussen warmtevraag en potentie alternatieve bronnen in 2040 Het wekt bevreemding dat na berekening van de nominale totale potentie van alternatieve bronnen voor aardgas op blz. 32 het ontbreekt aan het leggen van de relatie met de eerder in dit hoofdstuk 4 berekende totale warmtevraag. Op blz. 29 regel 05 is aangehaald dat de verwachte warmtevraag in 2040 zo’n 1.300 TJ bedraagt. Op blz 24 is in paragraaf 4.1.4 aangegeven dat die omvang uitgaat van maximale benutting van de besparingsmogelijkheden en exclusief aardgasgebruik door de industrie. Als de uitkomst van paragraaf 4.2.5 is dat er maximaal 690 TJ door gebruik van alternatieve bronnen van aardgas kan worden behaald, dan beschouw ik het als een belangrijke omissie dat niet is aangegeven hoe het verschil tussen 1.300 en 690 = 610 TJ overbrugd kan worden resp. welke conclusies uit dat verschil worden getrokken.
ALG10: Gebruik expertgroep(en) In het kader van (onder meer) de onderhavige energietransitie moeten op meerdere momenten complexe afwegingen worden gemaakt, waarbij moeilijk tot niet vergelijkbare
9
grootheden in het geding zijn. Een voorbeeld daarvan is de Multi Criteria Analyse (MCA). Vanwege de transparantie bepleit ik om in voorkomende situaties expliciet te benoemen dat bij gebrek aan (kwantitatief bepaalbare) objectiviteit gebruik wordt gemaakt van intersubjectiviteit via de inzet van een expertgroep. Van belang vind ik dat daaraan wel wordt gekoppeld dat die groep zich in een vooral kwalitatieve rapportage verantwoord ten opzichte van de organen die met besluitvorming op basis van de uitkomsten zijn belast.
ALG11: Gebruik aanduiding “Gemeente Gouda” Er wordt meerdere keren gesproken over “Gemeente Gouda” in de derde persoonsvorm; vooral in hoofdstuk 7. Dat bevordert de ‘nabijheid’ niet, het creëert (onnodig) afstand. Het is plaatsbaar vanuit de informatie in de colofon dat de tekst is opgesteld door de extern adviseur DeWarmteTransitieMakers maar de TVW is geen analytische, van buitenaf beschouwende rapportage. In geef in overweging om, ook daar waar wordt gesproken over “de gemeente”, tenminste regelmatig de uitdrukking “ons gemeentebestuur” te gebruiken.
ALG12: Opmaken lijst van volgens TVW voorgenomen acties om stand van zaken te kunnen monitoren Op heel wat plekken in de concept-TVW staan voorgenomen activiteiten vermeld. Mocht het niet de bedoeling zijn om die op korte termijn op te nemen in een activiteitenplan dan dring ik erop aan om ten behoeve van de monitoring door alle betrokkenen (en niet in de laatste plaats ten behoeve van de sturing onder verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders) een lijst te laten opstellen waar die activiteiten in zijn opgenomen inclusief referentie aan het betrokken tekstdeel in de TVW.
ALG13: Participatie en ondersteuning Op meerdere plekken in de concept-TVW, waaronder bij de uitgangspunten en randvoorwaarden, wordt het belang van participatie benadrukt. Tegen die achtergrond kan ik het niet plaatsen dat het opstellen van een participatiestrategie, zoals zich ook al heeft afgespeeld in relatie tot het Programmaplan Energietransitie, niet zodanig tijdig is opgesteld dat deze als onderdeel van de ‘inhoudelijke’ strategie kan worden opgenomen. En dat daarmee feitelijk en praktisch de inhoudelijke en de participatiestrategie zijn ontkoppeld. Daardoor kunnen die niet in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Nu die loskoppeling niet meer ongedaan kan worden gemaakt vind ik het kwalijk dat, onder meer in het licht van wat in verderop in paragraaf 7.6 is opgenomen, in de eerste alinea van die paragraaf in het midden wordt gelaten of de participatiestrategie gereed zal zijn voordat begin 2022 de eerste activiteiten op grond van de TVW in één of meer ‘verken¬ningsblokken’ van start gaan en waarbij de betrokken partners al geacht worden een rol te vervullen. Naar mijn mening dient een toezegging te worden opgenomen die behelst dat de participatie¬stra¬tegie vóór die start zal zijn vastgesteld (en dat dus eventueel tot vertraging van die start aanleiding kan zijn).
Ik beschouw het als een belangrijke omissie dat niet is vermeld welk orgaan op welke wijze die strategie zal vaststellen. Van belang is de toepassing die zal worden gegeven aan wat is opgenomen in artikel 2 van de Algemene Inspraak- en participatieverordening Gouda (AIPV). Daarin staat: “Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inspraak of participatie wordt verleend bij de voorbereiding van beleid van de gemeente.” Het begrip “beleid” staat in die AIPV niet gedefinieerd. Op een webpagina van de Rijksuniversiteit Groningen staat een document waarin is opgenomen: “In de veelgebruikte definitie van Hoogerwerf is beleid het ‘streven naar het bereiken van bepaalde doeleinden met bepaalde middelen en bepaalde tijdkeuzen’.” Zie overigens ook de omschrijving van beleid op Wikipedia. Tegen die achtergrond is zowel de inhoud van de TVW als de inhoud van uitvoeringsplannen te beschouwen als beleid. Aangezien zowel de TVW als de uitvoeringsplannen (volgens blz. 59 regel 50-51) door de gemeenteraad zullen worden vastgesteld zou het aan
10
de gemeenteraad moeten zijn om de toepassing van de AIPV in deze gevallen te bepalen. Zonder expliciete vermelding in de TVW beschouw ik dat echter niet als de hand liggend, vooral vanwege de praktijk rond de met voornoemd Programmaplan Energietransitie samenhangende participatiestrategie die met een raadsmemo van 19 januari 2021 aan de gemeenteraad ter kennis is gebracht maar in ieder geval niet door de gemeenteraad is vastgesteld. In de concept-TVW kom ik niet tegen wat de plannen zijn/wat het beleid is in gevallen waarin de door het gemeentebestuur gewenste deelname vanuit belanghebbenden (waaronder bewoners en bedrijven) niet spontaan ontstaat. Dat beschouw ik als een omissie. In het verlengde van het uitgesproken belang van de inbreng van bewoners(groepen) wordt in de concept-TVW meerdere malen uitgesproken dat “ondersteuning” van die bewoners(groepen) zal plaatsvinden. Helaas ontbreekt het aan concretisering daarvan terwijl het verwachtingspatroon bij burgers ten aanzien van ondersteuning belangrijk kan zijn voor de mate van betrokken willen én kunnen zijn bij de onderhavige activiteiten vanwege de complexiteit ervan. Bij ondersteuning gaat het om de inzet van schaarse middelen (waaronder begrepen personele capaciteit). En juist ten aanzien van die schaarste worden in de concept-TVW herhaaldelijk zorgen geuit.
Dus is het in mijn ogen relevant dat het gemeentebestuur zicht biedt op wat de bewoners(groepen) op het gebied van ondersteuning kunnen verwachten.
11
Tabel 1: Verschillen aantallen woningen clusters volgens Bijlage F en in CBS buurten Stadsdeel
Groepsindeling in Bijlage F
Bloemendaal Bloemendaalseweg Centrum en vooroorlogse ring Goudse Poort Gouwespoor Gouwestroom Goverwelle Kort Haarlem en Kadebuurt Korte Akkeren oud Korte Akkeren overig Kromme Gouwe Middenwillens en Goudse Hout
Middellange termijn Lange termijn Lange termijn
3.674 97 3.139
Natuurlijk tempo Natuurlijk tempo Natuurlijk tempo Lange termijn Middellange termijn Middellange termijn Middellange termijn Natuurlijk tempo Deels korte termijn, deel natuurlijk tempo
0 0 0 3.509 2.824 1.812 2.820 0 284
12 2.434 2.901 2.757 1.567 90 351
Nieuwe Park Oosterwei en Vreewijk Oud Achterwillens Ouwe Gouwe en Stationsgebied Plaswijck Schielands Hoge Zeedijk Slagenbuurt Sport- en Molenbuurt Stolwijkersluis Voowillenseweg en Weth. Venteweg
Natuurlijk tempo Middellange termijn Middellange termijn Middellange termijn
391 1.254 440 3.498
1.011 1.239 450 2.836
Gefaseerde aanpak Natuurlijk tempo Middellange termijn Korte termijn Lange termijn Lange termijn
5.480 0 872 1.087 106 459
5.617 23 913 1.845 184 408
Westergouwe en Oostpolder
Natuurlijk tempo
638
705
32.384
33.714
Totaal Tellingen
Korte termijn Middellange termijn Lange termijn Natuurlijk tempo Gefaseerde aanpak Deels korte termijn, deel natuurlijk tempo
Aantal woningen volgens Bijlage F
1.087 17.194 7.310 1.029 5.480 284
Aantal woningen volgens Gouda in Cijfers 4.301 31 3.655 384
3,36% 53,09% 22,57% 3,18% 16,92% 0,88%
1.845 16.964 6.712 2.225 5.617 351
32.384 100,00%
33.714
12