CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2023 BVR 211222 getekend.pdf

Raadsvergadering 21 december 2022, gemeente GoudaBij agendapunt: Verordening onroerende-zaakbelastingen 20231.647 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

De raad van de gemeente Gouda; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 november 2022, numm 6386; gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; besluit tot vaststelling van:

Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2023

Artikel 1 Belastingplicht 1. Onder de naam ‘onroerende-zaakbelastingen’ worden voor binnen de gemeente gelegen onro zaken twee directe belastingen geheven: a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonli gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. 2. Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven (ve gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verd gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebr b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als g door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroere ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aa die zaak ter beschikking is gesteld. 3.

Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt rec aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kad vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of bep recht is.

Artikel 2 Belastingobject 1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de We waardering onroerende zaken. 2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofds van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaa worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volled dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 3 Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1. 2. Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de W waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald me overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 4 Vrijstellingen 1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerkin gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, waarde van: a. voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begr open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebru b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het ho van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoon 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;

e.

2.

3.

natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander me van kunstwerken; g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellin diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden behe door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzonderin de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschad van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken. j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst va gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te gebruikt voor het geven van onderwijs; k.

straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelde monumenten, fonteinen, banken, abri’s, hekken en palen; l. plantsoenen, parken en waterpartijen die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gem het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onro zaken die dienen als woning; n. ongebouwde eigendommen, welke uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van de sportbe en welke in eigendom of beheer zijn van de gemeente of een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, dat deze eigendommen exploiteert zonder winstoogmerk. De vrijstelling voor de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft kracht eigendom, bezit of beperkt recht.

In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende z hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 5 ______ Belastingtarieven Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. 1. Het percentage bedraagt voor: 0,2752% de gebruikersbelasting a. de eigenarenbelasting b. 0,0841% voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 1. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,3451% 2. Belastingaanslagen van € 5,-- of minder worden niet opgelegd. Voor de toepassing van 2. de vorige volzin wordt het totaal van de op één aanslag verschuldigde bedragen voor belastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag. Artikel 6

Wijze van heffing

De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.

Artikel 7 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen word betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand v op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee m later. 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt dat, ingeval het totaalbedrag van de op één aan verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan dan € 75,--., doch minder dan € 10.000,--, en zolang de verschuldigde bedragen door middel automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, de aanslagen moeten worden in maximaal acht termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens één maand later. 3. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde te

Artikel 5 Belastingtijdvak 1. Ter zake van vaste standplaatsen wordt een tarief per kwartaal geheven en is het belastingtijdvak aan een kalenderkwartaal. 2. In andere dan in het eerste lid genoemde gevallen wordt het recht per dag geheven.

Artikel 6 Wijze van heffing De rechten worden geheven door middel van een mondelinge kennisgeving, een gedagtekende kennisgeving, waaronder mede wordt verstaan een stempelafdruk, een zegel, een nota of ander sch een kennisgeving langs elektronische weg. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, door toeze uitreiking van de schriftelijke kennisgeving of langs elektronische weg aan de belastingschuldige k gemaakt. Artikel 7 1. 2. 3.

Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang voor de per kwartaal verschuldigde rechten Het recht is verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang v belastingplicht. Indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingtijdvak, wordt het recht berekend aantal marktdagen dat belastingplichtige in dat belastingtijdvak gebruik maakt van de vaste stand Indien de belastingplicht eindigt in de loop van het belastingtijdvak, bestaat aanspraak op onthe het aantal marktdagen dat belastingplichtige in dat belastingtijdvak, buiten zijn wil, geen gebru kunnen maken van de vaste standplaats.

Artikel 8 Termijn van betaling 1. De rechten moeten worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 6: a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving dan wel inge toezending daarvan binnen één maand na de dagtekening van de kennisgeving. 2. De rechten welke bij wege van aanslag worden geheven, moeten worden betaald binnen één m de dagtekening van het aanslagbiljet. Artikel 9 Kwijtschelding Bij de invordering van de marktgelden wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 10 Overgangsrecht De ‘Verordening marktgelden 2022’ van 9 december 2021 wordt ingetrokken met ingang van de in artike tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing b belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel 11 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023. Artikel 12 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening marktgelden 2023'.

Aldus besloten in de openbare vergadering van 21 december 2022. De raad der gemeente voornoemd,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=25b208fd-3603-46b1-91f1-69a36adda812