CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023.DEF.docx

Commissie Samenleving 27 november 2023, gemeente GoudaBij agendapunt: Oordeelsvorming: Verordening Maatschappelijke ondersteuning Jeugdhulp 202318.040 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Een familiegroepsplan is een plan dat ouders/gezinnen samen met familie, vrienden en anderen uit hun omgeving kunnen maken om een vraag of probleem aan te pakken. In dat plan kunnen ouders aangeven hoe ze zelf de opvoed- en opgroeisituatie voor hun kind(eren) willen verbeteren. Bij de bevestiging van de ontvangst van de melding wijst het college de jeugdige en diens ouders op de mogelijkheid van het inleveren van een familiegroepsplan. 2. De jeugdige en diens ouders worden, voordat het gesprek plaatsvindt, geïnformeerd over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning in de ontvangstbevestiging van de aanvraag. 3. De jeugdige en diens ouders worden gewezen op de mogelijkheid om te kiezen voor een pgb en de gevolgen als daarvoor wordt gekozen. Pgb is een middel voor cliënten om zelf jeugdzorg in te kopen. Het gesprek Om een zorgvuldig besluit te nemen, worden eerst alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag onderzocht. In deze verordening noemen we dit ‘het gesprek’ of ‘het onderzoek’. Als het nodig is voor het onderzoek, kunnen ook meerdere gesprekken achter elkaar worden gevoerd. Het gesprek is erop gericht een totaalbeeld van de situatie te krijgen. We kijken naar alle verschillende leefgebieden van de jeugdige en diens ouders. De mate van zelfredzaamheid kan per leefgebied verschillend zijn en problemen op verschillende leefgebieden kunnen elkaar beïnvloeden.

Ook komen procedures aan de orde voor een deskundige beoordeling als het om individuele voorzieningen gaat. Het kan bij jeugdigen bijvoorbeeld gaan om diagnostiek om voor een psychiatrische behandeling of voor een verblijf in 24uursopvang in aanmerking te komen. Dat zijn zwaarwegende beslissingen waarvoor professioneel onderzoek en een gedegen afweging nodig zijn. De volgende onderwerpen komen aan bod tijdens het gesprek: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en (gezins-/leef-) situatie van de jeugdige en diens ouders en het probleem of de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. het vermogen van de jeugdige en diens ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden. Hierbij komen de belastbaarheid en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger aan de orde; d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; e. de mogelijkheden om ondersteuning te verlenen met gebruikmaking van een algemene voorziening; f. de mogelijkheden om een maatwerk of een individuele voorziening te verstrekken; g. de manier waarop een eventuele, individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; pagina 16

h. hoe rekening te houden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt; i. de gevolgen van een eventuele keuze voor een persoonsgebonden budget. Als het kan, is het gesprek bij de jeugdige en diens ouders thuis, om een goed totaalbeeld te krijgen. De uitkomsten van het gesprek wegen mee bij de beoordeling. Eigen kracht De eigen kracht van de cliënt staat voorop. De Jeugdwet bepaalt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een voorziening kan nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken. Er kan door het gesprek echter ook vastgesteld worden dat de inzet van eigen kracht, sociaal netwerk of een algemene voorziening voldoende is. In dat geval hoeft er geen individuele voorziening te worden ingezet. Een verdere uitwerking van het onderzoek naar de eigen kracht van de jeugdige, diens ouders en/of diens sociale netwerk vindt plaats in nadere regels. Beslistermijn Met het vijfde lid wordt duidelijk vastgelegd dat voor de totale procedure van aanvraag tot het besluit over een individuele voorziening een termijn van acht weken geldt.

Het college kan de beslistermijn op grond van artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht éénmaal verlengen als de beschikking niet binnen acht weken kan worden afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld bij een ingewikkelde situatie waar een zorgvuldig onderzoek gedaan moet worden en/of als voor een diagnose een langere termijn nodig is. Wel noemt het college dan een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de jeugdige en diens ouders de beschikking krijgen. Van een verlenging doet het college mededeling aan de aanvrager. Daarbij geeft het college de termijn aan waarbinnen de beschikking wordt verzonden. Artikel 6 Melding en gesprek Wmo Melding Een cliënt kan een hulpvraag via een melding indienen bij het college. Eigen regie Bij het doen van een melding en in het onderzoek daarna staat de eigen regie van de inwoner centraal. Eigen regie is het vormgeven aan de autonomie van de inwoner; deze mag keuzes maken op grond van wat hij denkt, voelt en wil. De eigen regie wordt gestimuleerd door het college op de volgende manieren: 1. Het college laat een inwoner die een melding doet weten dat zij een persoonlijk plan in kunnen dienen. 2. Voor het gesprek krijgt de inwoner in de ontvangstbevestiging van de melding informatie over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. 3.

De inwoner krijgt informatie over de mogelijkheid om te kiezen voor een pgb en de gevolgen als daarvoor wordt gekozen. Pgb is een middel voor cliënten om zelf de ondersteuning in te kopen. Het gesprek Om een zorgvuldig besluit te nemen, worden eerst alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag onderzocht. In deze verordening noemen we dit ‘het keukentafelgesprek’. Als dat nodig is voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. Het gesprek is erop gericht een totaalbeeld van de situatie te krijgen. We kijken naar alle verschillende leefgebieden van de cliënt. De mate van zelfredzaamheid kan per leefgebied verschillend zijn en problemen op verschillende leefgebieden kunnen elkaar beïnvloeden. De volgende onderwerpen komen aan bod tijdens het gesprek: a) de behoeften, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en (gezins-/leef)situatie van de cliënt en het probleem of de hulpvraag; b) het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c) het vermogen van de cliënt om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden. Hierbij komen de belastbaarheid en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger aan de orde; d) de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; pagina 17

e) de mogelijkheden om ondersteuning te verlenen met gebruikmaking van een algemene voorziening; f) de mogelijkheden om een maatwerk of een individuele voorziening te verstrekken; g) de manier waarop een eventuele, individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; h) hoe rekening te houden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt; i) de mogelijkheid om te kiezen voor een pgb; j) de gevolgen van een eventuele keuze voor een pgb. Als het kan, is het gesprek bij de inwoner thuis, om een goed totaalbeeld te krijgen. De uitkomsten van het gesprek wegen mee bij de beoordeling. Beslistermijn Met het zesde lid wordt duidelijk vastgelegd dat voor de totale procedure van melding tot het besluit over een maatwerkvoorziening een termijn van acht weken geldt. Het college kan de beslistermijn op grond van artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht éénmaal verlengen als de beschikking niet binnen acht weken kan worden afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld bij een ingewikkelde situatie waar een zorgvuldig onderzoek gedaan moet worden en/of als voor een diagnose een langere termijn nodig is. Wel noemt het college dan een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de inwoner de beschikking krijgen.

Van een verlenging doet het college (liefst schriftelijk) mededeling aan de aanvrager. Daarbij geeft het college de termijn aan waarbinnen de beschikking wordt verzonden. Artikel 7 Verslag Jeugdhulp Ondertekening De ondertekening, als bedoeld in lid 4, voor een aanvraag voor een individuele voorziening Jeugdhulp moet door minimaal één betrokkene ondertekend worden. Hieronder staat in welke fase er wel/geen handtekening nodig is: Fase van aanvragen: Elke belanghebbende kan een aanvraag indienen. De aanvraag moet door de belanghebbende worden ondertekend. In Gouda wordt gewerkt met het Plan van Aanpak dat wordt ondertekend. Fase van onderzoek: Als duidelijk is welke jeugdhulp nodig is, inventariseert de gemeente of de jeugdige en/of de ouders instemmen met de inzet van die jeugdhulp. Zo weet de gemeente of de noodzakelijke hulp kan worden ingezet. Fase van hulpverlening: Het is echter niet nodig dat de gemeente van jeugdigen en ouders handtekeningen vragen voor het verlenen voor de noodzakelijke jeugdhulp. Niet de gemeente, maar de jeugdhulpverlener is verantwoordelijk om te zorgen dat de vereiste toestemming aanwezig is. De jeugdhulpverlener beoordeelt of de vereiste toestemming voor het verlenen van jeugdhulp aanwezig is. Het geven van toestemming kan mondeling of schriftelijk. Zonder de vereiste toestemming kan de jeugdhulpverlener de hulp niet starten.

De jeugdhulpverlener moet volgens de toestemmingsregels handelen. De jeugdhulpverlener (en niet de gemeente) kan daarop worden aangesproken. Ontbreekt de vereiste toestemming, dan moet de gemeente afwegen of het uitblijven van jeugdhulp de ontwikkeling van de jeugdige ernstig bedreigd. Als dat het geval is moet de gemeente de Raad voor de Kinderbescherming vragen onderzoek te doen. Wet Maatschappelijke Ondersteuning Achtergrondinformatie Deze bepaling is opgenomen, omdat een zorgvuldige dossiervorming en een procedurebeschrijving belangrijk zijn. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. In de toelichting op de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14 33 841, nr.3) staat dat de gemeente de uitkomsten van het onderzoek schriftelijk aan de cliënt geeft, zodat deze een aanvraag kan doen voor een maatwerk- of individuele voorziening. Inhoud van het verslag

pagina 18

Een goed verslag maakt het voor de gemeente mogelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag, en maakt de communicatie met de cliënt duidelijker. Het gespreksverslag gaat over de afspraken die tussen het college en de cliënt zijn gemaakt. Het verslag kan gaan over meerdere gesprekken. Hoe het verslag eruitziet, hangt af van de uitkomsten van het onderzoek. Als er geen maatwerkvoorziening of individuele voorziening nodig is, zal het verslag bijvoorbeeld beperkt zijn. Bij meer ingewikkelde onderzoeken is een uitgebreider verslag nodig. Arrangement Als het gewenst is, kan de gemeente het verslag met onderzoeksuitkomsten ook gebruiken als een gezamenlijk overeengekomen plan, een arrangement. Hierin zijn alle gemaakte afspraken en de verplichtingen vastgelegd. De gemeente en de cliënt ondertekenen dan samen het plan. Opmerkingen of wijzigingen aan het verslag Later kunnen opmerkingen of aanpassingen worden gedaan in het verslag of feitelijke onjuistheden worden hersteld (artikel 7, derde lid). Het kan namelijk zo zijn, dat een inwoner na het gesprek nog onderzoekt wat er in de omgeving mogelijk is om ondersteuning te ontvangen of dat de inwoner nog een aanvullende opmerking heeft. Daarnaast staat dit lid dat de inwoner regie heeft over de eigen aanvraag en dus medezeggenschap heeft over de inhoud van het verslag.

De aanvraag voorzien moet zijn van naam, adres, dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt aangevraagd Het adres in de aanvraag hoeft niet het adres te zijn waar de aanvrager woont. De aanvrager kan ook een ander adres kiezen, bijvoorbeeld het adres van zijn gemachtigde. Bij een digitale aanvraag hoeft niet precies te staan welke beschikking wordt gevraagd, maar de hulpvraag moet voldoende duidelijk zijn. Omdat op de aanvraag een besluit moet volgen, moet de aanvrager hierop zijn hulpvraag aangeven. Artikel 8 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist Het verzoek voor toegang tot jeugdhulp kan ook lopen via een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Dit is geregeld in artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Jeugdwet. In de praktijk bepalen zij vaak niet welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen door naar een van de jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente een dienstverleningsovereenkomst heeft afgesloten. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt op basis van zijn professionele autonomie welke voorziening nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Hierbij vindt overleg plaats met de jeugdige of ouder.

De aanbieder verstrekt aan de gemeente een kennisgevingsbericht over het opstarten van de jeugdhulp waarna er door de gemeente een formeel besluit wordt genomen. Het besluit wordt door de gemeente verstuurd naar zowel de jeugdhulpaanbieder als de jeugdige. Deze toegang wordt in de Jeugdwet geregeld en komt daarom verder niet terug in deze verordening. Het uitgangspunt is dat rekening wordt gehouden met de ingekochte jeugdhulp van de gemeente. Het college hoeft de keuze voor een niet-gecontracteerde aanbieder niet te vergoeden, zo lang er soortgelijke jeugdhulp geleverd kan worden vanuit het gecontracteerde aanbod. Willen de jeugdige of diens ouders desondanks hulp ontvangen van de nietgecontracteerde aanbieder, dan kan hiervoor een pgb worden aangevraagd. De zorgaanbieder moet zich bij het beoordelen van de jeugdhulpvraag na een verwijzing houden aan het woonplaatsbeginsel, afspraken die hij met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie en met de regels die daarover zijn neergelegd in de Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp 2023 en/of Regeling maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Gouda 2023.

Artikel 9 Toegang jeugdhulp via Veilig Thuis, gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI) Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie of justitiële jeugdinrichting

pagina 19

De uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering maakt het voor een gecertificeerde instelling mogelijk zelfstandig te bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5, lid 1, van de Jeugdwet). Wel moet er overleg zijn met de gemeente. Bij jeugdreclassering mag niet alleen de gecertificeerde instelling dit doen, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is verantwoordelijk voor de inzet van jeugdhulp die volgens deze instanties nodig is om een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uit te voeren. De gemeente heeft hier dus een leveringsplicht (zie artikel 2.4, lid 2, aanhef en onder b, van de Jeugdwet). Het uitgangspunt is dat rekening wordt gehouden met de ingekochte jeugdhulp van de gemeente. Deze toegang wordt in de Jeugdwet geregeld en komt daarom verder niet terug in deze verordening. Toegang via Veilig Thuis Via Veilig Thuis kan ook toegang worden verkregen tot (onder andere) jeugdhulp.

Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt als dat nodig is op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling of huiselijk geweld, motiveert zo nodig ouders tot het accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. De toegang tot jeugdhulp via deze weg staat beschreven in de Jeugdwet en wordt daarom niet verder toegelicht in deze verordening en toelichting. Artikel 10 Diagnostiek en behandeling van Ernstige Dyslexie De toeleiding naar diagnostiek en behandeling van ernstige dyslexie (ED) heeft een aparte werkwijze. De toeleiding geschiedt conform de meest recente versie van ‘samenwerking in uitvoering Jeugd en Wmo in M-H’; Het besluit geeft toegang voor diagnostiek en behandeling. Behandeling is uitsluitend mogelijk indien uit de uitgevoerde diagnostiek blijkt dat sprake is van ernstige enkelvoudige dyslexie.

Artikel 11 Toegang beschermd wonen en opvang Gemeenten in de regio Midden-Holland hebben afgesproken dat de gemeente Gouda in deze regio de toegang verzorgt voor beschermd wonen en opvang. De gemeente Gouda maakt voor de voorzieningen voor beschermd wonen, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en Jongeren onder Dak afspraken met aanbieders en heeft verschillende toegangsroutes ingericht die het beste passen bij de voorzieningen en de doelgroepen. Voor beschermd wonen en vrouwenopvang verzorgt de gemeente Gouda ook de bovenregionale en landelijke toegang. HOOFDSTUK 3 CRITERIA EN WEIGERINGSGRONDEN Artikel 12 Criteria voor een individuele voorziening voor jeugdhulp De Jeugdwet (artikel 2.9, onderdeel a) bepaalt dat de gemeenteraad in de verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is met de uitwerking van deze verplichting een kader gegeven. Belangrijk is dat er na het vaststellen van de hulpvraag, het in kaart brengen van de problemen en het vaststellen van de benodigde hulp, er gekeken wordt in hoeverre de inwoner en/of het eigen sociale netwerk van de betrokkene ondersteuning kan bieden (eigen kracht).

Dit is een van de belangrijkste uitgangspunten van de Jeugdwet: het inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, diens ouders en hun omgeving (artikel 2.1, onderdeel d van de Jeugdwet). Als ouders jeugdhulp vragen voor taken waarvan het ‘gebruikelijk’ is dat ze dit zelf oppakken, hoeft de gemeente geen jeugdhulp toe te kennen. Mits voldoende duidelijk is dat ze die taken ook kúnnen oppakken. De eigen mogelijkheden van de ouders zijn dan toereikend. Pas als blijkt dat de jeugdige of zijn ouders er zelf en met hulp van de omgeving niet of maar voor een deel uitkomen, moet het college een voorziening treffen. Het college hoeft geen voorziening toe te kennen: pagina 20

•

als er sprake is van voldoende eigen kracht en als de uitvoering van de hulpvraag in alle redelijkheid van de cliënt en diens sociale netwerk verwacht kan worden. In de regeling is het onderzoek naar eigen kracht nader uitgewerkt;

•

als er een algemene (vrij toegankelijke) voorziening beschikbaar is die volledig tegemoet komt aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders.

In de nadere regeling is vastgelegd hoe er invulling gegeven wordt aan de toetsing van eigen kracht en gebruikelijke hulp. Lid 2 De eerste zin van lid 2 bevat de woorden ‘voor zover’. Als het eigen netwerk of een andere voorliggende voorziening maar een gedeelte van de hulpvraag kan oplossen, treft de gemeente nog steeds een voorziening voor de rest van de hulpvraag. Lid 3 tot en met 5 Het is de verantwoordelijkheid van jeugdigen en ouders zelf om zich op tijd te melden bij het college. Zodat het college ook goed onderzoek kan doen naar de ervaren problemen. In deze bepaling zijn regels opgenomen voor de situatie dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) reeds zelf jeugdhulp ingeschakeld hebben en daarna pas een aanvraag indienen bij het college voor deze hulp. Het college kan onder enkele uitzonderlijke omstandigheden dan alsnog een voorziening verstrekken voor deze hulp, voor een periode tot maximaal 3 maanden vóór de aanvraag. Voorwaarde voor het alsnog verstrekken van een voorziening is dat de jeugdige/ouder op het moment dat ze zich melden, nog steeds tot de doelgroep van de Jeugdwet behoren. Er moet met andere woorden nog steeds sprake zijn van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen. Is dat niet het geval, dan heeft college namelijk ook geen jeugdhulpplicht.

Verder moet het college nog in staat zijn de noodzaak en passendheid van de ingeschakelde hulp te beoordelen. Als het college na onderzoek vaststelt dat andere hulp hier meer op zijn plek was geweest, hoeft het geen voorziening te verstrekken. Ook hoeft het college geen voorziening te verstrekken als het niet meer mogelijk is deze beoordeling te maken. Het komt dan voor risico van de jeugdige/ouders zelf dat ze zich niet eerder bij het college hebben gemeld. Artikel 13 Criteria voor een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning Gemeenten hebben enige vrijheid bij maatwerkvoorzieningen. Dit komt omdat de behoefte van inwoners per gemeente kan verschillen (denk aan religie, leeftijden, dorp of stad), omdat de ondersteuning aan inwoners verschillend is georganiseerd (zoals de aanwezigheid van een sociaal team) en omdat gemeenten verschillende soorten huizen en buurten hebben. Met die vrijheid kan de gemeente inspelen op wat de eigen inwoners nodig hebben. De gemeente moet wel met geschikte en toepasbare afwegingen en duidelijk afbakenen wanneer iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. Lid 1 Het eerste lid laat alle afwegingen zien waar de gemeente rekening mee houdt bij de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening.

Dit is het algemene afwegingskader dat in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 centraal staat. De nadruk ligt eerst op de eigen kracht en hulp van anderen en daarna pas op een maatwerkvoorziening die geheel gericht is op de persoonlijke situatie van de cliënt. Als er een voorziening uit een ander wettelijk kader wordt ingezet, moet deze een passende bijdrage leveren aan het zorgen voor een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot eigen regie, zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Lid 2 Het tweede lid geeft aan dat de gemeente voorziening verleent die gekeken naar het geld dat ervoor gevraagd wordt de meest voordelige oplossing is die het beste past bij de hulpvraag. We spreken dan van een “goedkoopst adequate” voorziening. Sommige voorzieningen zijn duurder, maar niet beter voor de cliënt. Deze voorzieningen kan de gemeente niet vergoeden. Als de inwoner toch gebruik wil maken van deze duurdere voorziening, dan moet de inwoner het prijsverschil zelf betalen. Tegelijkertijd kan een voorziening duurder is dan een vergelijkbare voorziening, maar langer meegaat en daardoor uiteindelijk goedkoper en dus voordeliger is. In dat geval is een duurdere voorziening wel te overwegen. De kwaliteit van de voorziening moet altijd aansluiten bij een verantwoord niveau.

Levering kan plaatsvinden via zorg in natura of via het verstrekken van een pgb.

pagina 21

Lid 3 Het derde lid omschrijft dat de gemeente een aanvraag kan weigeren als de cliënt door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid het middel is verloren. De eigen verantwoordelijkheid van de cliënt speelt hier een rol. Als voorbeeld wordt gegeven een in woning aangebrachte verstelbare keuken of andere dure voorziening. De meerwaarde hiervan moet worden meeverzekerd in de opstalverzekering. Als bij woningbrand blijkt dat dit niet is meeverzekerd, kan de cliënt geen beroep doen op de verordening. De voorziening is voor de persoonlijke situatie van de inwoner, daarom worden geen groepsvoorzieningen verstrekt. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en - voorzieningen beschikbaar. Of een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning gericht op zelfredzaamheid en/of participatie wordt verstrekt, hangt ook af van de hulpvraag. Hierbij wordt meegewogen of ondersteuning langdurig noodzakelijk is. Lid 4 Het vierde lid geeft aan dat ook financiële tegemoetkomingen kunnen worden gezien als maatwerkvoorziening. In een tweetal uitspraken heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen dat de definitie van maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, ruim genoeg is om ook een financiële tegemoetkoming te kunnen omvatten (uitspraken van 12 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:395 en ECLI:NL:CRVB:2018:396).

Daarom wordt gesproken over een “financiële maatwerkvoorziening als verstrekkingswijze”. De Centrale Raad van Beroep stelt als voorwaarde dat de financiële maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving van de aanvrager. Dit geldt ook voor de mogelijkheid zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven. Hieruit kan worden afgeleid dat de (forfaitaire) financiële tegemoetkoming niet kostendekkend behoeft te zijn. Het derde lid is opgenomen om de inzet van een financiële maatwerkvoorziening te beperken tot die gevallen waarin de inzet een duidelijke meerwaarde heeft of waar geen alternatief in natura voorhanden is. De financiële maatwerkvoorziening is een geschikt instrument bij kosten waarvan de hoogte vooraf lastig te bepalen is. Lid 5 Het vijfde lid heeft betrekking op de mogelijkheid om deskundig oordeel en advies in te winnen om tot een goede afweging te komen. Artikel 14 Criteria voor beschermd wonen en opvang Lid 4 De Maatschappelijke opvang is bedoeld als laatste oplossing om dakloosheid te voorkomen. Andere oplossing die dakloosheid kunnen voorkomen, zoals opvang in het eigen netwerk of het zelf kunnen financieren van onderdak op een alternatieve locatie, zijn voorliggend. Gemeente Gouda is aangesloten bij het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang.

Dit betekent dat opvang in Gouda alleen geboden wordt aan de inwoner als regio MiddenHolland de regio is waarbinnen de opvang en herstel van de inwoner het meest kansrijk is. De Maatschappelijke opvang betreft het tijdelijk bieden van onderdak om dakloosheid te voorkomen, totdat de inwoner kan doorstromen naar vervolghuisvesting. Lid 6 Jonge mensen die dak- of thuisloos worden zijn extra kwetsbaar. Daarom biedt de regio Midden-Holland, aanvullend op onderdak in de Maatschappelijke opvang, begeleiding aan dak- of thuisloze jongeren van 18 tot en met 23 jaar. Deze begeleiding via Jongeren onder Dak is voor jongeren in de jongerenopvang én thuisloze jongeren die elders verblijven. Om het traject te laten slagen, is het van belang dat de jongere gemotiveerd is om mee te werken aan het herstel. Artikel 15 Weigeringsgronden In dit artikel staan redenen waarom de gemeente een voorziening kan weigeren. Zo biedt de gemeente zoveel mogelijk duidelijkheid aan inwoners over de voorwaarden voor het wel of niet toekennen van voorzieningen. Lid 1

pagina 22

1.a. Het kan zijn dat de cliënt geen voorziening krijgt, als deze ondersteuning via een andere wettelijke regel voorhanden is. Het gaat om een ‘aanspraak op’, wat betekent dat de inwoner de voorziening niet al daadwerkelijk heeft, maar wel dat hij de voorziening moet kunnen krijgen. 1.b. Het kan zijn dat de inwoner met een hulpvraag zelf al de voorziening heeft geregeld, voordat de gemeente hierover een besluit heeft genomen. De gemeente kan de voorziening dan niet meer volgens het beleid verstrekken (de cliënt heeft dan al voldoende ondersteuning) en heeft geen invloed meer op de voorziening, wat een reden tot weigering kan zijn. Een uitzondering hierop is als de gemeente aan de inwoner schriftelijke toestemming heeft gegeven om voor het besluit al de voorziening te regelen of als achteraf de noodzaak alsnog kan worden vastgesteld. In de verordening is in artikel 11 hier meer over uitgewerkt voor cliënten die een ondersteuningsvraag hebben op grond van de Jeugdwet. 1.c als de inwoner niet mee wil werken aan het onderzoek, bestaat het risico dat het college onvoldoende onderzoek kan doen nar de hulpvraag. Het gevolg hiervan is dat daardoor niet duidelijk wordt welke hulp noodzakelijk is. Dit kan leiden tot afwijzing van de aanvraag tot jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning.

De meewerkplicht kan het volgende beslaan: • meewerken aan het onderzoek om vast te stellen welke hulp nodig is; • met het college gesprekken voeren over de hulpvraag (dit kan dus ook betekenen dat met een jeugdige wordt gesproken); • rapportages aanleveren die door derden zijn gemaakt; • toestemming geven voor het voeren van gesprekken met (eerdere) hulpverleners ; • toestemming geven de inwoner te observeren Lid 2 2. Als de ondersteuning is afgerond, verstrekt het college geen voorziening. Lid 3 3.a. Een voorbeeld om het uit te leggen: een inwoner heeft astma en vraagt een woonvoorziening om normaal gebruik te kunnen maken van de woning. Uit het onderzoek blijkt dat vocht- en tochtproblemen komen door achterstallig onderhoud en de gebruikte materialen. In dat geval kan de gemeente een woonvoorziening weigeren. Bij achterstallig onderhoud is de eigenaar verantwoordelijk voor het saneren van de woning. Huurt de cliënt de woning, dan moet hij de verhuurder aanspreken. Als de inwoner goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te laten wegnemen en met het oog op de gezondheidstoestand van de cliënt er binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van de gebreken is, ligt het voorgaande anders. 3.c.

Een ADL- woning bevat een aantal standaard aanpassingen, zodat de woning geschikt is voor mensen in een rolstoel met zware lichamelijke beperkingen. Een voorbeeld is een aangepaste keuken. Het kan zijn dat de standaard aanpassingen voor een individuele bewoner niet voldoende zijn. De extra individuele aanpassingen komen dan voor rekening van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Bij vervanging geldt hetzelfde onderscheid. Moet een complete aangepaste keuken worden vervangen omdat deze afgeschreven is, dan valt dat onder de ADL- financiering. Moet een individuele aanpassing worden vervangen, dan valt dat onder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 3.e. Het kan zijn dat in een medisch advies nadrukkelijk staat dat de cliënt moet verhuizen naar een woning die voldoet aan de gestelde criteria in het medisch advies. Verzuimt de cliënt dit te doen, dan kan de gemeente een voorziening weigeren. Als voorbeeld: een cliënt vraagt een verhuiskostenvergoeding aan voor een nieuwe woning. De nieuwe woning is via 5 trappen te bereiken, maar de cliënt heeft chronische knieproblemen en is kortademig. Het medisch advies vermeldt dat de woning traploos moet zijn. De inwoner komt dan niet in aanmerking voor een verhuisvergoeding (CRvB 15-07-2015, nr. 14/3154 Wmo).

3.f Een aanvraag voor een woonvoorziening mag worden afgewezen als de verhuizing niet medisch noodzakelijk is en er naar het oordeel van het college ook geen andere belangrijke reden voor de verhuizing was. Lid 4 pagina 23

Als iemand uitsluitend dakloos is, wordt geen voorziening voor beschermd of beschut wonen verstrekt. Lid 5 Het kan zijn dat een dak- of thuisloze jongere die zich meldt al in een begeleidingstraject zit of dat er een aanbod van een andere organisatie ook passend is. In dat geval wordt geen Jongeren onder Dak traject gestart. Het Jongeren onder Dak traject vindt vaak gelijktijdig met opvang plaats. Het is daarmee meer dan alleen onderdak en begeleiding binnen de opvang. Voor het slagen van dit traject is het daarom van belang dat er geen sprake is zware verslaving en/of psychische problematiek en/of gedragsproblematiek. HOOFDSTUK 4 KWALITEITSEISEN ZORG IN NATURA Artikel 16 Kwaliteitseisen voorzieningen Diensten: De gemeente is verplicht in de verordening aan te geven welke eisen zij stelt aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 2.1.3 tweede lid en jeugdwet artikel 2.11). De gemeente en aanbieder zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van die voorzieningen. De eis voor een goede kwaliteit van een voorziening biedt de gemeente veel ruimte om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.

Voorzieningen: Kwaliteitseisen waaraan hulpmiddelen moeten voldoen De verdragen betreffen: - 93/42/EEG (Richtlijn Medische Hulpmiddelen) - 89/336/EEC (Richtlijn voor niet-ingebouwde acculaders voor elektrische rolstoelen/scooters) - 73/23/EEC (Laagspanningsrichtlijn, voor niet-ingebouwde acculaders voor elektrische rolstoelen/scooters) - 85/364/EEC (Aansprakelijkheidsrichtlijn) - 99/44/EEC (Garantie op consumentenproducten) De wettelijke bepalingen betreffen: - Wet Medische Hulpmiddelen, Opdrachtnemer kan aantonen dat zijn product aan de Essentiële Eisen voldoet - Eisen uit de Verkeerwet 1994 Normen voor hulpmiddelen die genoemd zijn in de Richtlijn Medische Hulpmiddelen betreffen (o.a.): - EN 12183 (Handbewogen rolstoelen) - EN 12184 (Elektrische rolstoelen en scooters) - EN ISO 10535 (patiëntentilliften) − EN 12182 (Hulpmiddelen gehandicapten in het algemeen) Normen voortkomend uit de code VVR betreffen: - ISO 7176-19 (Norm voor botsveilige rolstoelen) - ISO 10542-1 t/m 5 (Normen voor botsveilige vastzetsystemen voor de rolstoel en inzittende, van toepassing als Opdrachtnemer de Eindgebruiker vervoert). Eventuele andere verdragen, wetten en normen die van toepassing zijn op (de verstrekking van) medische hulpmiddelen binnen de Wmo 2015, zijn ook op deze opdracht van toepassing.

Artikel 17 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden De gemeente heeft contracten met aanbieders om de voorzieningen voor de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 te laten uitvoeren (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet en artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). Bij de verordening zijn regels voor een goede verhouding tussen de kwaliteit en prijs van een voorziening opgesteld (artikel 2.11 van de Jeugdwet en artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wet

pagina 24

maatschappelijke ondersteuning 2015). Daarbij wordt rekening gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat de laagste prijs voor de uitvoering leidend is, vermeldt het artikel een aantal andere aspecten waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van de reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden om de voorziening te leveren. Hiervoor is een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen. Lid 1 Het college houdt bij de vaststelling van de tarieven rekening met de in dit artikel genoemde elementen. Lid 2 In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015: • •

een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt - die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of - die geldt als ondergrens voor de vaste prijs.

Als het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Lid 3 Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, als bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Lid 4 Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. HOOFDSTUK 5 PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB) Artikel 18 Aanvraag pgb en pgb-plan Als een cliënt in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij een pgb-plan opstellen. In lid 3 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen zijn in dat plan. Bijna alle onderdelen staan in de wet. In de Jeugdwet noemt in artikel 8.1.1 en de Wmo 2015 in artikel 2.3.6 staat namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb.

Deze criteria komen terug in het pgb-plan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Artikel 19 Beoordeling pgb-aanvraag Lid 2 d Als er sprake is van aantoonbare fraude in de afgelopen vier jaar voorafgaand aan de aanvraag, wordt er geen pgb verstrekt. Lid 2 e Als de zorgverlener ook de regie op de zorg en/of het beheer van het budget uitvoert, komt “de redelijke waardering van belangen voor de budgethouder” mogelijk in het gedrang: de zorgverlener stuurt zichzelf aan en controleert zichzelf.

pagina 25

Lid 2 f In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 en de aanvraag van de cliënt. Lid 2 g Het pgb-plan wordt met cliënt besproken. Als de cliënt een bespreking weigert, kan het zijn dat het college onvoldoende informatie heeft om te beoordelen of de cliënt voldoende vaardig is om het pgb te beheren. Lid 3 en 4 In zowel Wmo2015 (2.3.6 lid 2) als de Jeugdwet (8.1.1 lid 2) staat dat het vaststellen van voldoende pgb vaardigheid gaat over de waardering van zijn belangen: kan de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger) voldoende zelfstandig beslissingen nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. In de regeling wordt nader uitgewerkt welke vaardigheden getoetst wordt en op welke manier. Mocht de gemeente van oordeel zijn dat de persoon niet in staat is om de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren dan kan de gemeente een aanvraag voor het pgb weigeren. Het gaat dan bijvoorbeeld om het kunnen voeren van een deugdelijke administratie.

Lid 4 Er wordt verwezen naar de regeling waarin de pgb-vaardigheden verder zijn uitgewerkt met daarbij ook een toelichting op de manier waarop deze vervolgens worden getoetst. Artikel 20 Voorwaarden inkopen ondersteuning uit sociaal netwerk Lid 1 In het eerste lid worden de voorwaarden gesteld om in aanmerking te komen voor een pgb voor jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning welke geleverd wordt door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. Het college is namelijk van mening dat de gewenste ondersteuning van goede kwaliteit moet zijn. Ook als deze geleverd wordt door een persoon uit het sociaal netwerk. Lid 2 Uit artikel 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet volgt dat bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Dit lid geeft aan dat de jeugdhulp ook door een persoon behorend tot het sociaal netwerk kan worden gedaan en geeft daar voorwaarden aan. De jeugdhulp die gericht is op ggz-behandeling is uitgesloten. Dat betekent dat deze vorm van jeugdhulp niet door personen binnen het sociaal netwerk kan worden geboden. De reden hiervoor is dat de objectiviteit die noodzakelijk is voor een dergelijke vorm van jeugdhulp niet gegarandeerd is en daarmee de jeugdhulp niet voldoet aan de kwaliteitseisen.

Artikel 21 Hoogte van een pgb In de verordening moet in ieder geval worden bepaald hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel c van de Jeugdwet, 2.1.3 en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). Het bedrag moet hoog genoeg zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp uit het sociale netwerk komt. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wmo 2015 blijkt dat er verschillende tarieven gehanteerd mogen worden voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Dit artikel bevat regels voor hoe de hoogte van de bedragen voor pgb’s voor maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen wordt bepaald. In dit artikel wordt voor de verschillende vormen van zorg en ondersteuning onderscheid gemaakt in pgb-tarief voor professionals (hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden) en het tarief voor personen uit het sociaal netwerk, waarbij gedacht kan worden aan zorg van mantelzorgers. Lid 1 Het eerste lid betreft de huurprijs over een periode van de economische afschrijftermijn (7 jaar).

Lid 2 pagina 26

Het tweede lid geeft aan op welke manier de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald. De gemeente heeft voorzieningen ingekocht. De hoogte van het budget bedraagt niet meer dan de kostprijs voor de goedkoopste adequate voorziening in natura. Toereikend voor de aanschaf betekent dat de hoogte van het persoonsgebonden budget dusdanig is dat de cliënt ermee de vastgestelde ondersteuning daadwerkelijk kan inkopen, zoals beschreven in het pgbplan. Lid 3 De tariefdifferentiatie wordt in dit artikel vastgelegd. Bij een pgb voor een professionele ZZP-er wordt uitgegaan van 80% van het laagst toepasselijke tarief dat voor een dergelijke dienst wordt gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, aangezien rekening wordt gehouden met 20% overhead bij zorgaanbieders. Lid 4 Bij het inzetten van een pgb binnen het sociale netwerk, kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst, zorgovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Voor beide type overeenkomsten geldt sinds 1 januari 2018 de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). In deze bepaling zijn de voorwaarden betreffende het tarief opgenomen waaronder dat maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp in de vorm van een pgb kan worden betrokken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.

Deze persoon uit het sociale netwerk moet een tarief hanteren dat gelijk is aan het wettelijk minimumloon gekoppeld aan diens leeftijd oplopend tot maximaal 200% van het wettelijk minimumloon. Voor hulp bij het huishouden geldt een tarief dat gelijk is aan 120% van het wettelijk minimumloon. De cliënt kan daarmee altijd aan diens arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Het pgb kan ook ingezet worden voor ondersteuning door personen uit de huiselijke kring of andere personen die niet voldoen aan de kwaliteitseisen voor formele ondersteuning, bijvoorbeeld met gebruikmaking van de Regeling dienstverlening aan huis als de cliënt de hulp bij het huishouden zelf wil regelen. De cliënt moet daarvoor wel aan de pgb-voorwaarden voldoen. Als het college een pgb niet wil toekennen vanwege het risico op overbelasting van de persoon die de ondersteuning biedt, moet het college wel aannemelijk maken dat deze persoon daadwerkelijk overbelast zal worden als hij de hulp gaat verlenen. Het is aan het college om het causaal verband aannemelijk te maken; dat wil zeggen dat het voldoende onderbouwd moet zijn dat het inzetten van pgb daadwerkelijk tot overbelasting leidt.

Artikel 22 Opschorting betaling uit het pgb Door opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kan een verzoek enkel doen bij een ernstig vermoeden dat (conform artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015): 1. de cliënt, de jeugdige of diens ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; 2. de cliënt, de jeugdige of diens ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb, of; 3. de cliënt, de jeugdige of diens ouders het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.

Van de onder punt 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de cliënt, de jeugdige of diens ouders: • niet langer op eigen kracht, dan wel met hulp uit het sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde manier uit kunnen voeren èn • niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en rekening houdend met de daarvoor geldende regels de SVB voldoende informatie geven op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming over opschorting. Verder kan voor ten hoogste 13 weken worden opgeschort. Dit sluit aan bij de termijn in artikel 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht en onder de Wet langdurige zorg. Op grond van het tweede lid kan het college de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onder f, van de verordening. Deze bepaling is toegevoegd, omdat het voor kan komen dat de cliënt pagina 27

of een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien. HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE IN DE KOSTEN VOOR MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING Artikel 23 Bijdrage in de kosten voor maatschappelijke ondersteuning Lid 1 De gemeente Gouda kiest ervoor om een eigen bijdrage te heffen voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s in het kader van de wet maatschappelijke ondersteuning. Hiervoor geldt het abonnementstarief van in totaal maximaal € 19,00 per maand (per 1 januari 2020). Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze bij de cliënt. Lid 2 Er wordt geen eigen bijdrage gevraagd voor een woonvoorziening voor een minderjarige cliënt, omdat Gouda ervoor kiest de Jeugdwet te volgen; in de Jeugdwet is bepaald dat er geen eigen bijdrage wordt gevraagd voor voorzieningen aan minderjarigen. Voor financiële tegemoetkomingen wordt geen eigen bijdrage gevraagd, omdat hier sprake is van een verstrekking in de vorm van geld. Gebruikers van het collectief vervoer betalen een bijdrage aan de vervoerder. Om deze reden wordt collectief vervoer uitgezonderd van de eigen bijdrage.

Artikel 24 Bijdrage in de kosten voor beschermd wonen en opvang Lid 2 De hoogte van de bijdrage in de kosten voor opvang wordt vastgesteld op grond van artikel 3.20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en is zodanig dat de cliënt na het betalen van de bijdrage, een bedrag overhoudt dat gelijk is aan het zak- en kleedgeld zoals genoemd in artikel 23 van de Participatiewet, vermeerderd met de standaardpremie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag en gecorrigeerd met de zorgtoeslag. HOOFDSTUK 7 WIJZIGINGEN Artikel 25 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering De gemeente heeft geld om kwetsbare inwoners de zorg of ondersteuning te geven die zij nodig hebben. De gemeente wil voorkomen dat cliënten een voorziening ten onrechte ontvangen, of dat er sprake is van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om misbruik te voorkomen en hiertegen op te treden. Lid 1 In de Jeugdwet (artikel 8.1.2, eerste lid) staat dat de jeugdige of diens ouders de gemeente alle informatie verstrekken die van belang kan zijn voor het verlenen van een persoonsgebonden budget of voorzieningen in natura.

Ook in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (artikel 2.3.8) staat dat inwoners een informatieplicht hebben, voor zowel het persoonsgebonden budget als voor een voorziening in natura. Het college heeft voldoende informatie nodig om te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan. De praktijk wijst uit dat een cliënt soms, bijvoorbeeld vanwege zijn beperking, niet altijd in staat is zelf te beoordelen of er zich omstandigheden voorgedaan hebben die van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening. In die gevallen ziet artikel 13 erop toe dat periodiek het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s op rechtmatigheid beoordeeld worden. Lid 2 In sommige gevallen kan de gemeente een besluit intrekken of herzien. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. De gemeente is niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Onderdeel f betreft een uitbreiding ten opzichte van de Jeugdwet (artikel 8.1.4, eerste lid), zowel wat betreft individuele voorzieningen (in natura) als pgb. Op grond hiervan kan het college een beslissing aangaande een individuele pagina 28

voorziening of pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat de cliënt langer dan 6 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling langdurige zorg op basis waarvan het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan wijzigen of intrekken, als de verzekerde langer dan – in dat geval – 2 maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de wet of de Zorgverzekeringswet. Lid 3 Intrekking of herziening van een voorziening kan plaatsvinden vanwege de conclusie dat ten onrechte of teveel hulp is verleend. Dit artikel regelt dat de gemeente dan bevoegd is de geldwaarde terug te vorderen van de teveel of ten onrechte genoten voorziening in natura of verstrekt persoonsgebonden budget. Lid 4 Het vierde lid is eveneens een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen 6 maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Van een cliënt wordt verwacht dat ze binnen zes maanden hun indicatie ‘verzilveren’ door zich te melden bij de zorgpaanbieder.

Of, als het bijvoorbeeld gaat om hulp uit het sociale netwerk, het pgb binnen zes maanden gaan inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat eigenlijk een nieuwe indicatie nodig is. Voldoen cliënten niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de individuele- of maatschappelijke voorziening in te trekken. HOOFDSTUK 8 TOEZICHT EN HANDHAVING Artikel 26 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Op grond van artikel 2.3.9 van de Wmo 2015 moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen. Alleen bestaat er soms twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning. Het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 biedt hiervoor onvoldoende houvast. Op grond van dit artikel moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 2.3.9 ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s worden ingezet voor het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is.

Een onderzoek kan gaan over een cliënt of pgb-houder en over de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder. Artikel 27 Aanwijzen toezichthouder Anders dan in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, ontbreekt in de Jeugdwet een bepaling inzake het aanwijzen van een toezichthouder. Om die reden is in dit artikel geregeld dat het college personen kan aanwijzen die belast zijn met toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet. Voor de volledigheid is opgenomen dat het college ook een toezichthouder kan aanwijzen die belast zijn met toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. HOOFDSTUK 9 WAARDERING MANTELZORGERS Artikel 28 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Volgens artikel 2.1.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 wordt in de verordening bepaald op welke manier het college zorgt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. De wet stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Maar de gemeente Gouda kijkt bij deze verplichting breder: het gaat niet om waar de mantelzorger woont, maar of deze zorg wordt verleend aan iemand in de gemeente Gouda.

Mantelzorgers betrokken bij Goudse inwoners kunnen zich laten registreren als mantelzorger bij Mantelzorg Centraal Gouda. Deze registratie is nodig om de jaarlijkse blijk van waardering te krijgen. De jaarlijkse blijk van waardering bestaat uit: 1) een jaarlijkse attentie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een waardebon te besteden bij Goudse ondernemers. pagina 29

2) bijeenkomsten voor mantelzorgers. Hierbij kan gedacht worden aan de jaarlijkse dag van de Mantelzorg, een respijtdag en bijeenkomsten over thema’s die mantelzorgers bezighouden. 3) praktische ondersteuning, zoals in ieder geval hulp bij het huishouden voor mantelzorgers voor maximaal 78 uur per kalenderjaar tegen een verlaagd tarief. Als de mantelzorger hiervan gebruik wil maken, kan dit via een formulier worden doorgegeven en wordt het door de gemeente toegekend. HOOFDSTUK 10 KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP BIJ AANBIEDERS VAN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP Artikel 29 Klachtregeling bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Cliënten kunnen een klacht indienen over een aanbieder. Aanbieders van maatwerkvoorzieningen moeten beschikken over een klachtregeling (artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). De aanbieder is verantwoordelijk om de cliënt te informeren over het bestaan van de klachtenregeling. In de contracten stelt de gemeente eisen aan de aanbieder om de klachtenregeling goed te laten functioneren. Cliënten moeten een klacht kunnen indienen wanneer zij zich onheus bejegend voelen.

Ontevredenheid over het gedrag van een aanbieder kan gaan over de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van een klacht open. De invulling van de klachtenregeling is aan de aanbieder. De gemeenteraad kan, zoals benoemd in de verordening, alleen bepalen ten aanzien van welke voorzieningen hij een klachtregeling of een regeling voor medezeggenschap vereist vindt. Vervolgens zijn aanbieders die dergelijke voorzieningen leveren direct verantwoordelijk voor het inrichten van deze regelingen voor hun cliënten. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, als het niveau van een vorm van maatschappelijke ondersteuning dit vereist, nadere eisen aan de aanbieders van voorzieningen worden gesteld. Voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen is het klachtrecht geregeld in de Jeugdwet.

De cliënt kan ook ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de manier waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. De klacht kan de cliënt bij de gemeente indienen. In de Algemene wet bestuursrecht (hoofdstuk 9) is de klachtbehandeling door een bestuursorgaan geregeld. Deze wet bepaalt onder meer dat het bestuursorgaan (het college van burgemeester en wethouders van Gouda) een klacht binnen 6 weken na ontvangst afhandelt. Eventueel kan deze termijn met maximaal vier weken worden verlengd. Artikel 30 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp De Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 (artikel 2.1.3, tweede lid, onder e) bepaalt dat in de verordening moet staan voor welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten aanwezig is, die zo kunnen meepraten over de voorgenomen besluiten van de aanbieder. Het gaat hier om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. De aanbieder is verplicht voor de genoemde voorziening een medezeggenschapsregeling op te stellen (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 3.2, eerste lid, onder b). Voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen is de medezeggenschap geregeld in de Jeugdwet.

HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN Artikel 32 Overgangsrecht In het eerste lid is bepaald dat besluiten die berusten op de in te trekken verordening, voortaan berusten op de nieuwe verordening. In het tweede lid is bepaald dat op aanvragen ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening wordt beslist met inachtneming van de bepalingen van deze verordening. In het derde lid is voor lopende bezwaar- en beroepschriften bepaald dat deze volgens de nieuwe verordening worden afgedaan.

pagina 30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=3ce6c97b-6433-4c3d-8ba2-2da31ddbb265