CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2020.pdf

Commissie Samenleving 13 januari 2021, gemeente GoudaBij agendapunt: Aanbesteding doelgroepenvervoer11.790 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De extra individuele aanpassingen komen dan voor rekening van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Bij vervanging geldt hetzelfde onderscheid. Moet een complete aangepaste keuken worden vervangen omdat deze afgeschreven is, dan valt dat onder de ADL- financiering. Moet een individuele aanpassing worden vervangen, dan valt dat onder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 3.e. Het kan zijn dat in een medisch advies nadrukkelijk staat dat de cliënt moet verhuizen naar een woning die voldoet aan de gestelde criteria in het medisch advies. Verzuimt de cliënt dit te doen, dan kan de gemeente een voorziening weigeren. Als voorbeeld: een cliënt vraagt een verhuiskostenvergoeding aan voor een nieuwe woning. De nieuwe woning is via 5 trappen te bereiken,

15

Gemeenteblad 2019 nr. 317987

30 december 2019

maar de cliënt heeft chronische knieproblemen en is kortademig. Het medisch advies vermeldt dat de woning traploos moet zijn. De cliënt komt dan niet in aanmerking voor een verhuisvergoeding (CRvB 15-07-2015, nr. 14/3154 Wmo). Artikel 12 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering De gemeente heeft geld om kwetsbare inwoners de zorg of ondersteuning te geven die zij nodig hebben. Het spreekt voor zich dat de gemeente wil voorkomen dat cliënten een voorziening ten onrechte ontvangen, of dat er sprake is van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om misbruik te voorkomen en hiertegen op te treden. 1. De Jeugdwet (artikel 8.1.2, eerste lid) vermeldt dat de jeugdige of zijn ouders de gemeente alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor het verlenen van een persoonsgebonden budget. Dit geldt ook voor voorzieningen in natura. Ook de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (artikel 2.3.8) kent een informatieplicht, voor zowel het persoonsgebonden budget als voor een voorziening in natura. Ook bij jeugdhulp of voorzieningen in natura moeten voldoende gegevens en inlichtingen worden verstrekt om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan.

De praktijk wijst uit dat een cliënt soms, bijvoorbeeld vanwege zijn beperking, niet altijd in staat is zelf te beoordelen of er zich omstandigheden voorgedaan hebben die van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening. In die gevallen ziet artikel 13 er op toe dat periodiek het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s op rechtmatigheid beoordeeld worden. 2. In sommige gevallen kan de gemeente een besluit intrekken of herzien. Het gaat hier om een 'kan'bepaling. De gemeente is niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Onderdeel f betreft een uitbreiding ten opzichte van de Jeugdwet (artikel 8.1.4, eerste lid), zowel wat betreft individuele voorzieningen (in natura) als pgb. Op grond hiervan kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat de cliënt langer dan 6 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling langdurige zorg op basis waarvan het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan wijzigen of intrekken, als de verzekerde langer dan – in dat geval – 2 maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de wet of de Zorgverzekeringswet. 3.

Intrekking of herziening van een voorziening kan plaatsvinden vanwege de conclusie dat ten onrechte of teveel hulp is verleend. Dit artikel regelt dat de gemeente dan bevoegd is de geldwaarde terug te vorderen van de teveel of ten onrechte genoten voorziening in natura of verstrekt persoonsgebonden budget. Het vierde lid is eveneens een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen 6 maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Artikel 13 Onderzoek naar de kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Op grond van artikel 2.3.9 van de Wmo 2015 moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning. Het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 biedt hiervoor onvoldoende houvast, om welke reden artikel 13 is opgenomen.

Op grond van deze bepaling moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 2.3.9 ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed, ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder. Artikel 14 Aanwijzen toezichthouder jeugd Anders dan in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, ontbreekt in de Jeugdwet een bepaling inzake het aanwijzen van een toezichthouder. Om die reden is in dit artikel geregeld dat het college personen kan aanwijzen die belast zijn met toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet.

16

Gemeenteblad 2019 nr. 317987

30 december 2019

Artikel 15 Opschorting betaling uit het pgb Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kan een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat (conform artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015): 1. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; 2. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb, of; 3. de jeugdige of zijn ouders het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.

Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of diens ouders niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste 13 weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht en onder de Wet langdurige zorg. Op grond van het tweede lid kan het college de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder f, van de verordening.

Deze bepaling is toegevoegd, omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien. HOOFDSTUK 4 Bijdrage in de kosten voor maatschappelijke ondersteuning Artikel 16 Bijdrage in de kosten voor maatschappelijke ondersteuning De gemeente Gouda kiest ervoor om een eigen bijdrage te heffen voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s. Hiervoor geldt het abonnementstarief van in totaal maximaal € 19,00 per maand (per 1 januari 2020). Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze bij de cliënt. Er wordt geen eigen bijdrage gevraagd voor een woonvoorziening voor een minderjarige cliënt, omdat Gouda ervoor kiest de Jeugdwet te volgen; in de Jeugdwet is bepaald dat er geen eigen bijdrage wordt gevraagd voor voorzieningen aan minderjarigen. Voor financiële tegemoetkomingen wordt geen eigen bijdrage gevraagd, omdat hier sprake is van een verstrekking in de vorm van geld. Gebruikers van het collectief vervoer betalen een bijdrage aan de vervoerder. Om deze reden wordt collectief vervoer uitgezonderd van de eigen bijdrage.

HOOFDSTUK 5 Kwaliteitseisen Artikel 17 Kwaliteitseisen voorzieningen De gemeente is verplicht in de verordening aan te geven welke eisen zij stelt aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 2.1.3, tweede lid). De gemeente en aanbieder zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van die voorzieningen. De eis voor een goede kwaliteit van een voorziening biedt de gemeente veel ruimte om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Artikel 18 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

17

Gemeenteblad 2019 nr. 317987

30 december 2019

De gemeente heeft contracten met aanbieders om de voorzieningen voor de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 te laten uitvoeren (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet en artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). Bij de verordening zijn regels voor een goede verhouding tussen de kwaliteit en prijs van een voorziening opgesteld (artikel 2.12 van de Jeugdwet en artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). Daarbij wordt rekening gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat de laagste prijs voor de uitvoering leidend is, vermeldt het artikel een aantal andere aspecten waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van de reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden om de voorziening te leveren. Hiervoor is een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen.

Eerste lid In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Tweede lid Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, als bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Derde lid Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen.

HOOFDSTUK 6 Waardering mantelzorgers Artikel 19 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Blijkens artikel 2.1.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 wordt bij verordening bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. De wet stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. De gemeente Gouda kijkt bij deze verplichting breder: het gaat niet om waar de mantelzorger woont, maar of deze zorg wordt verleend aan iemand in de gemeente Gouda. De jaarlijkse blijk van waardering bestaat uit drie onderdelen. Ten eerste de persoonsgebonden stadspas. Een mantelzorger krijgt deze pas cadeau. Ten tweede de bijeenkomsten voor mantelzorgers. Hierbij kan gedacht worden aan de jaarlijkse dag van de Mantelzorg, een respijtdag en bijeenkomsten over thema’s die mantelzorgers bezighouden. Ten derde het bieden van praktische ondersteuning, zoals in ieder geval hulp bij het huishouden voor mantelzorgers voor maximaal 78 uur per kalenderjaar. Indien de mantelzorger hiervan gebruik wil maken, kan dit via een daartoe bestemd formulier kenbaar worden gemaakt en wordt de hulp bij het huishouden ambtshalve toegekend.

HOOFDSTUK 7 Klachten en medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Artikel 20 Klachtregeling bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Het is mogelijk een klacht in te dienen over een aanbieder. Aanbieders van maatwerkvoorzieningen moeten beschikken over een klachtregeling (artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). De aanbieder is verantwoordelijk om de cliënt te informeren over het bestaan van de klachtenregeling. In de contracten stelt de gemeente eisen aan de aanbieder om de klachtenregeling goed te laten functioneren. Cliënten moeten een klacht kunnen indienen wanneer zij zich onheus bejegend voelen.

18

Gemeenteblad 2019 nr. 317987

30 december 2019

Ontevredenheid over het gedrag van een aanbieder kan gaan over de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van een klacht open. De invulling van de klachtenregeling is aan de aanbieder. De gemeenteraad kan, zoals benoemd in de verordening, alleen bepalen ten aanzien van welke voorzieningen hij een klachtregeling of een regeling voor medezeggenschap vereist vindt. Vervolgens zijn aanbieders die dergelijke voorzieningen leveren direct verantwoordelijk voor het inrichten van deze regelingen voor hun cliënten. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien het niveau van een vorm van maatschappelijke ondersteuning dit vereist, nadere eisen aan de aanbieders van voorzieningen worden gesteld. Voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen is het klachtrecht geregeld in de Jeugdwet.

De cliënt kan ook ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. De klacht kan de cliënt bij de gemeente indienen. In de Algemene wet bestuursrecht (hoofdstuk 9) is de klachtbehandeling door een bestuursorgaan geregeld. Deze wet bepaalt onder meer dat het bestuursorgaan (het college van burgemeester en wethouders van Gouda) een klacht binnen 6 weken na ontvangst afhandelt. Eventueel kan deze termijn met maximaal vier weken worden verlengd. Artikel 21 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp De Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 (artikel 2.1.3, tweede lid, onder e) bepaalt dat in de verordening moet staan voor welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten aanwezig is, die zo kunnen meepraten over de voorgenomen besluiten van de aanbieder. Het gaat hier om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. De aanbieder is verplicht voor de genoemde voorziening een medezeggenschapsregeling op te stellen (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 3.2, eerste lid, onder b). Voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen is de medezeggenschap geregeld in de Jeugdwet.

HOOFDSTUK 8 Slotbepalingen Artikel 23 Overgangsrecht In het eerste lid is bepaald dat besluiten die berusten op de in te trekken verordening, voortaan berusten op de nieuwe verordening. In het tweede lid is bepaald dat op aanvragen ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening wordt beslist met inachtneming van de bepalingen van deze verordening. In het derde lid is voor lopende bezwaar –en beroepschriften bepaald dat deze volgens de nieuwe verordening worden afgedaan.

19

Gemeenteblad 2019 nr. 317987

30 december 2019

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=d2ee4555-b735-490b-9606-4c725db9ec33