Verordening fysieke leefomgeving Gouda- geldend.pdf
Tekst van het document
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Lokale wet- en regelgeving
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving Gouda) Geldend van 01-01-2021 t/m heden Intitulé Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving Gouda) De raad van de gemeente Gouda; gelezen het voorstel van 15 september 2020, gelet op de artikelen 149, 154 en 156 van de Gemeentewet, artikel 3.16 van de Erfgoedwet, de artikelen 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 gelezen in samenhang met artikel 9.1 van de Erfgoedwet, de artikelen 2.1 en 2.2, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 8 van de Woningwet; besluit: vast te stellen de Verordening fysieke leefomgeving Gouda. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Bijlage I bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen.
Artikel 1.2 Bevoegd gezag Het bevoegd gezag tot het nemen van besluiten op basis van deze verordening is, tenzij anders bepaald in deze verordening, het college.
Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 2.1 Aanwijzing en registratie van cultureel erfgoed
§ 2.1.1 Aanwijzing als gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur Artikel 2.1. Aanwijzing als gemeentelijk monument 1.
Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.
2.
Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een monument als gemeentelijk monument bepalen, dat bouwhistorisch, cultuurhistorisch, tuinhistorisch, archeologisch onderzoek (archeologisch bureauonderzoek, inventariserend veldonderzoek, opgraving) wordt verricht.
3.
Dit artikel is niet van toepassing op:
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
1/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
a.
rijksmonumenten, en
b.
monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.
Artikel 2.2. Aanwijzing als gemeentelijk beeldbepalend pand 1.
Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, besluiten een monument, dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, aan te wijzen als gemeentelijk beeldbepalend pand.
2.
De in het eerste lid bedoelde aanwijzing richt zich op de verschijningsvorm of de samenhang met het stedenbouwkundig of architectonisch beeld.
3.
Het interieur wordt niet betrokken bij de aanwijzing van een beeldbepalend pand.
4.
Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een monument als gemeentelijk monument bepalen, dat bouwhistorisch, cultuurhistorisch, tuinhistorisch, archeologisch onderzoek (archeologisch bureauonderzoek, inventariserend veldonderzoek, opgraving) wordt verricht.
5.
Dit artikel is niet van toepassing op: a.
rijksmonumenten,
b.
gemeentelijke monumenten en
c.
monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.
Artikel 2.3. Aanwijzing als gemeentelijk beeldbepalende structuur 1.
Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, besluiten een (stedenbouwkundige) structuur die van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk beeldbepalende structuur.
2.
De in het eerste lid bedoelde beschrijving van een structuur richt zich op een onroerende zaak die deel uitmaakt van het cultureel erfgoed vanwege zijn verschijningsvorm of zijn samenhang met het stedenbouwkundig of architectonisch beeld.
3.
Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een monument als gemeentelijk monument bepalen, dat bouwhistorisch, cultuurhistorisch, tuinhistorisch, archeologisch onderzoek (archeologisch bureauonderzoek, inventariserend veldonderzoek, opgraving) wordt verricht.
Artikel 2.4. Voornemen tot aanwijzing 1.
Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 2.1, 2.2 of 2.3 maakt het college schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.
2.
Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg met de eigenaar van de kerk over het voornemen.
Artikel 2.5. Advies aanwijzing gemeentelijk monument en beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur 1.
Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 2.1, 2.2 of 2.3 advies aan de Commissie Cultuurhistorie.
2.
In spoedeisende gevallen kan bij de toepassing van artikel 2.2 of 2.3 het vragen van advies, als bedoeld in het eerste lid, achterwege blijven.
3.
De Commissie Cultuurhistorie brengt binnen acht weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit.
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
2/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Artikel 2.6. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur 1.
In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument.
2.
In een spoedeisend geval kan het college een monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur.
3.
In de gevallen bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt, in afwijking van artikel 2.5, aan de Commissie Cultuurhistorie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur.
4.
Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 2.1, 2.2 of 2.3.
Artikel 2.7. Inhoud aanwijzingsbesluit 1.
De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijk beeldbepalend pand.
2.
Het gehele kadastrale perceel valt onder het aanwijzingsbesluit, tenzij bepaalde gedeelten zijn uitgezonderd.
Artikel 2.8 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1.
De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.
2.
Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze zo snel mogelijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a.
gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed;
b.
gegevens van de door het college van de minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap ontvangen afschriften van de inschrijving van rijksmonumenten in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet.
Artikel 2.9 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1.
Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten, voorlopige gemeentelijke monumenten, gemeentelijke beeldbepalende panden en structuren, en voorlopige gemeentelijk beeldbepalende panden en structuren ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.
2.
Als het schrappen uit het register het doel is van de wijziging, dan is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument, pand of structuur, waarop de aanwijzing betrekking heeft, als zodanig teniet is gegaan.
3.
Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument, pand of structuur, voor uitsluitend dat deel waarop de rijksaanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 2.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het geheel of gedeeltelijk vervallen van de aanwijzing, wordt zo snel mogelijk bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
§ 2.1.2 Aanwijzing als gemeentelijk stads- en dorpsgezicht https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
3/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Artikel 2.10 Aanwijzing als gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1.
De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.
2.
Het college zendt het voorstel voor een aanwijzing als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht voor advies aan de Commissie Cultuurhistorie.
3.
De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid.
4.
Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt zo snel mogelijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
5.
De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen stads- of dorpsgezicht een beschermend bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van een stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.
6.
Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld.
7.
Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vijfde of zesde lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen.
8.
Dit artikel is niet van toepassing op stads- of dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 2.11 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijke stads- en dorpsgezicht 1.
De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 2.10, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.
2.
Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als:
3.
a.
stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of
b.
stads- of dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt dat zo snel mogelijk bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
§ 2.1.3 Archeologische basiskaart Artikel 2.12 Archeologische basiskaart 1.
De archeologische waarden en verwachtingen en het daaraan gekoppelde (instandhouding)beleid in Gouda zijn vastgelegd in de Archeologische Basiskaart, opgenomen in bijlage III en IV.
2.
Het college is bevoegd tot het wijzigen van de waarden op de archeologische basiskaart.
3.
Het college is bevoegd tot het wijzigen van de richtlijnen Archeologievriendelijk bouwen.
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
4/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
§ 2.1.4 Overige bepalingen Artikel 2.13 Beslistermijn Op een aanvraag om een aanwijzing als bedoeld in deze afdeling beslist het college binnen 26 weken.
Afdeling 2.2 Overige aanwijzingen in de fysieke leefomgeving
§ 2.2.1 Aanwijzing van namen en nummers in de openbare ruimte Artikel 2.14 Naamgeving woonplaatsen en openbare ruimte 1.
Het college stelt de grens en de naam van een of meer woonplaatsen vast en kan deze in wijken en buurten verdelen conform de eisen die het Centraal Bureau van de Statistiek aan deze indeling verbindt.
2.
Het college kent per woonplaats namen toe aan delen van de openbare ruimte en zo nodig aan gemeentelijke gebouwen en bouwwerken.
3.
Onder vaststellen, verdelen en toekennen als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan.
Artikel 2.15 Vaststellen van lig- en standplaatsen, afbakenen van panden en verblijfsobjecten en toekennen van nummers 1.
Het college stelt de ligplaatsen en standplaatsen vast.
2.
Het college kent binnen het grondgebied van de gemeente nummers toe aan verblijfsobjecten, ligplaatsen en standplaatsen.
3.
Het college bepaalt de afbakening van panden, verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen.
4.
De toekenning of afbakening, bedoeld in het tweede en derde lid, kan op voor personen toegankelijke objecten, zijnde niet verblijfsobjecten of op afgebakende terreinen worden toegepast, indien dat naar oordeel van het college noodzakelijk is.
5.
Onder vaststellen, toekennen en bepalen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan.
§ 2.2.2 Vaartuigen Artikel 2.16 Aangewezen ligplaatsen op de ligplaatsenkaart 1.
De plaatsen waar vaartuigen ligplaats mogen hebben, zijn aangewezen op de door het college vastgestelde ligplaatskaarten.
2.
De plaatsen aangewezen in de Breevaart en de Molenvliet zijn niet bestemd voor woonschepen en bedrijfsvaartuigen.
3.
De plaatsen aangewezen in het Binnenhavenmuseum Turfsingel zijn bestemd voor historische bedrijfsvaartuigen.
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
5/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
§ 2.2.3 Houtopstanden Artikel 2.17 Aanwijzing bebouwde kom voor houtopstanden De bebouwde kom in de zin van artikel 4.1 onder a van de Wet natuurbescherming is vastgesteld in de Bebouwde kom kaart, opgenomen in bijlage II.
Hoofdstuk 3 Activiteiten in de fysieke leefomgeving Afdeling 3.1 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed
§ 3.1.1 Algemene bepalingen Artikel 3.1 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a.
het belang van monumentenzorg;
b.
het belang van godsdienstuitoefening in een kerkelijk monument;
c.
het belang van het behoud van archeologische waarden.
Artikel 3.2 Toepassingsbereik gemeentelijk monument, beeldbepalend pand, beeldbepalende structuur en stads- en dorpsgezicht 1.
Deze afdeling is van toepassing op een beschermd gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur waarover: a.
een besluit tot aanwijzing als zodanig heeft plaatsgevonden; of
b.
een voornemen als bedoeld in artikel 2.4 is bekendgemaakt;
2.
Het eerste lid onder b geldt niet voor een monument, archeologisch monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur waarvan het aanwijzingsbesluit is herroepen of vernietigd of waarover de aanwijzing definitief wordt, door inschrijving in het gemeentelijke erfgoedregister.
3.
Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op een voorlopig beschermd gemeentelijke beeldbepalend pand, een voorlopig gemeentelijk beeldbepalende structuur vanaf het moment dat het besluit tot aanwijzing als zodanig aan belanghebbenden is bekendgemaakt.
4.
Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht waarover een besluit tot aanwijzing als zodanig heeft plaatsgevonden.
Artikel 3.3 Toepassingsbereik archeologische waarden Deze afdeling is van toepassing op archeologische waarden zoals aangegeven op de archeologische basiskaart van bijlage III en IV.
§ 3.1.2 Instandhouden, vernielen, slopen, ontsieren van cultureel erfgoed https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
6/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Artikel 3.4 Instandhoudingsplicht Het is de rechthebbende en gebruikers verboden een gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor instandhouding daarvan noodzakelijk is.
Artikel 3.5 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur 1.
2.
Het is verboden om de volgende activiteiten, met betrekking tot een beschermd gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur, te verrichten zonder omgevingsvergunning: a.
slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen, of
b.
herstellen, gebruiken of laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
De vergunningplicht, bedoeld in het eerste lid, geldt niet, indien de activiteit betrekking heeft op: a.
gewoon onderhoud als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1 van bijlage II van het BOR, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet wijzigen, en bij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet wijzigt, of
b.
bij gemeentelijke monumenten een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde of betekenis heeft.
3.
Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere voorschriften stellen voor de uitvoering van werkzaamheden aan een beschermd gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur.
4.
De vergunningplicht bedoeld in het eerste lid strekt zich bij beeldbepalend pand uitsluitend uit over de gevel(s).
Artikel 3.6 Beoordelingsregels 1.
De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, kan slechts worden verleend voor zover deze niet strijdig is met de belangen, bedoeld in artikel 3.1 onder a.
2.
De omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument kan slechts worden verleend met overeenstemming met de eigenaar en zover dit niet in strijd is met de belangen, bedoeld in artikel 3.1 onder a en b.
Artikel 3.7 Advies omgevingsvergunning gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur 1.
In geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning, anders dan voor het geheel of gedeeltelijk afbreken van een beschermd gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur vraagt het college advies aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit voordat het beslist op de aanvraag.
2.
In geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het geheel of gedeeltelijk afbreken van een beschermd gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of structuur vraagt het college advies aan de Commissie Cultuurhistorie voordat het beslist op de aanvraag.
3.
Binnen vier weken na de adviesaanvraag brengt de desbetreffende commissie schriftelijk advies uit aan het college.
Artikel 3.8 Intrekken van de omgevingsvergunning De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, kan door het college worden ingetrokken: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
7/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
a.
als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;
b.
als blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in artikel 3.5, derde lid, niet naleeft;
c.
voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten.
d.
de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument, het beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur zwaarder dient te wegen;
e.
als niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning substantieel gebruik wordt gemaakt van de vergunning.
Artikel 3.9 Servicemoment monumentenadviseur Eigenaren kunnen voorafgaande aan de werkzaamheden contact opnemen met de monumentenadviseur van de Omgevingsdienst. De activiteiten van deze monumentenadviseur tijdens dit servicemoment zijn: a.
het inbrengen van de ervaring en expertise die bij de Omgevingsdienst aanwezig is;
b.
het adviseren van de eigenaar of architect over de beoordeling van waarden, technische urgentie en financiële aanpak.
§ 3.1.3 Bescherming gemeentelijk stads- en dorpsgezicht Artikel 3.10 Omgevingsvergunning gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1.
De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
2.
De artikelen 3.6 en 3.8 zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet.
Artikel 3.11 Advies omgevingsvergunning gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1.
In geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning in een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht, anders dan voor het afbreken van een bouwwerk, vraagt het college advies aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit voordat het beslist op de aanvraag.
2.
In geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afbreken van een bouwwerk in een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht, vraagt het college advies aan de Commissie Cultuurhistorie voordat het beslist op de aanvraag.
3.
Binnen vier weken na de adviesaanvraag brengt de desbetreffende commissie schriftelijk advies uit aan het college.
§ 3.1.4 Bescherming archeologische waarden en verwachtingen Artikel 3.12 Instandhoudingsplicht en omgevingsvergunning archeologische waarden en verwachtingen
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
8/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
1.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning of in strijd met de bij de vergunning gestelde voorschriften werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aanwezen als hoogwaardige locatie met bijzondere waarde. Dit is niet van toepassing indien het een gemeentelijk archeologisch monument betreft en om die reden voor deze werkzaamheden op grond van artikel 3.5 reeds een omgevingsvergunning is vereist.
2.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning of in strijd met de bij de vergunning gestelde voorschriften werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aanwezen als hoogwaardige locatie, tenzij:
3.
4.
a.
de werkzaamheden die het bodemarchief verstoren een oppervlakte van minder dan 50 m² betreffen, of
b.
er gewerkt wordt volgens de Richtlijn Archeologievriendelijk Bouwen (zie bijlage V bij deze verordening).
Het is verboden werkzaamheden die het bodemarchief kunnen verstoren te verrichten op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aangewezen als hoogwaardige locatie, verstoord tot 1,5 meter onder het maaiveld zonder een omgevingsvergunning, tenzij: a.
de werkzaamheden die het bodemarchief verstoren een oppervlakte van minder dan 50 m² betreffen, of
b.
de werkzaamheden die het bodemarchief verstoren niet dieper gaan dan 1,5 meter onder het maaiveld, of
c.
er gewerkt wordt volgens de Richtlijn Archeologievriendelijk Bouwen (zie bijlage V bij deze verordening).
Het is verboden werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aangewezen als locatie met een hoge verwachting zonder een omgevingsvergunning, tenzij: a.
5.
deze werkzaamheden een oppervlakte van minder dan 100 m² betreffen.
Het is verboden werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aangewezen als locatie met een hoge verwachting vanaf 2 meter onder het maaiveld zonder een omgevingsvergunning, tenzij: a.
deze werkzaamheden een oppervlakte van minder dan 100 m² betreffen of
b.
deze werkzaamheden niet dieper gaan dan 2 meter onder het maaiveld.
6.
Het is verboden werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aangewezen als locatie met een lage verwachting l zonder een omgevingsvergunning, tenzij deze werkzaamheden een oppervlakte van minder dan 10.000 m² betreffen.
7.
Het is verboden werkzaamheden te verrichten in waterwegen als bedoeld in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV zonder omgevingsvergunning, voor zover het gaat over: a.
baggerwerkzaamheden,
b.
het uitzeven van de bodems van waterwegen,
c.
werkzaamheden die op andere wijze de archeologische waarde van de bodems van waterwegen aantasten.
Artikel 3.13 Indiening aanvraag 1.
De aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.12 moet de volgende gegevens bevatten: a.
naam en adres van de aanvrager;
b.
locatie en omschrijving van de voorgenomen werkzaamheden;
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
9/108
27-01-2022 19:21
2.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
c.
tijdsplanning.
d.
een gespecificeerde en met archeologisch onderzoek onderbouwde archeologische waardering van het terrein waarop de omgevingsaanvraag betrekking heeft, waaronder een archeologisch bureauonderzoek of een inventariserend veldonderzoek.
Het bevoegd gezag kan ter beoordeling van de aanvraag nadere gegevens van de aanvrager verlangen, waaronder een archeologische waardering, zoals opgenomen in een archeologisch bureauonderzoek.
Artikel 3.14 Voorschriften en beperkingen 1.
Het bevoegd gezag kan aan de verlening van de omgevingsvergunning voorschriften en beperkingen verbinden, waaronder het opleggen van de verplichting een archeologische opgraving of opgravingvariant begeleiding (behoud ex situ) te doen op basis van een vooraf door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen; het opleggen van de verplichting tot het treffen van maatregelen waarmee de fysieke instandhouding van de archeologische vindplaats is gewaarborgd. Bij een archeologievriendelijk bouwplan waarbij aan de criteria die in bijlage V zijn genoemd, wordt voldaan, wordt geen verplichting tot het doen van een opgraving opgelegd.
2.
De omgevingsvergunning wordt geweigerd voor zover deze strijdig is met het belang, bedoeld in artikel 3.1 onder c.
Artikel 3.15 Intrekken van de omgevingsvergunning De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken indien: a.
blijkt dat de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
b.
blijkt dat de vergunninghouder zich niet houdt aan de voorschriften van de vergunning als bedoeld in artikel 3.5 derde lid.
Artikel 3.16 Wijzigen kwalificatie van een locatie Op grond van een melding als bedoeld in artikel 5.10 van de Erfgoedwet en op grond van de resultaten van archeologisch bureauonderzoek of inventariserend veldonderzoek kan het college de kwalificatie van een locatie wijzigen.
Afdeling 3.2 Activiteiten in de openbare ruimte
§ 3.2.1. Algemene bepalingen Artikel 3.17 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a.
het belang van de openbare orde;
b.
het belang van de openbare veiligheid;
c.
het belang van de volksgezondheid;
d.
het belang van het milieu.
Artikel 3.18 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op activiteiten in de openbare ruimte, voor zover geregeld in deze afdeling. https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
10/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Artikel 3.19 Indiening aanvraag 1.
Indien een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de omgevingsvergunning nodig heeft, kan het bevoegd gezag besluiten de aanvraag niet te behandelen.
2.
Het eerste lid geldt niet voor zover in deze afdeling andere indieningstermijnen zijn bepaald.
Artikel 3.20 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling wordt verleend voor zover deze niet strijdig is met de belangen, bedoeld in artikel 3.17.
Artikel 3.21 Voorschriften en beperkingen 1.
Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de omgevingsvergunning is vereist.
2.
Degene aan wie een omgevingsvergunning is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 3.22 Persoonlijk karakter van een omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
Artikel 3.23 Intrekken of wijzigen van de omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden ingetrokken of gewijzigd: a.
indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.
indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de omgevingsvergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c.
indien de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d.
indien van de omgevingsvergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;
e.
indien de houder dit verzoekt.
Artikel 3.24 Termijnen 1.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de omgevingsvergunning anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
2.
De aard van de omgevingsvergunning verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal omgevingsvergunningen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare omgevingsvergunningen overtreft.
§ 3.2.2. Gebruik van een openbare plaats https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
11/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Artikel 3.25 Omgevingsvergunning gebruik openbare plaats 1.
Het is verboden een openbare plaats te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan zonder een omgevingsvergunning.
2.
Het in het eerste lid gestelde vergunningplicht is niet van toepassing op: a.
voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;
b.
standplaatsen als bedoeld in de bijlage en de afdeling Markt in dit hoofdstuk;
c.
evenementen als bedoeld in artikel 2:8 van de Algemene plaatselijke verordening Gouda 2020;
d.
terrassen als bedoeld in artikel 2:12 van de Algemene plaatselijke verordening Gouda 2020.
3.
Het college kan categorieën voorwerpen of stoffen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt voor zover wordt gehandeld overeenkomstig door het college vast te stellen nadere regels.
4.
De in het eerste lid gestelde vergunningsplicht geldt niet voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Woningwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Omgevingsverordening Zuid-Holland van toepassing zijn.
5.
Het is verboden op, aan, over of boven de openbare plaats voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de openbare plaats, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats.
6.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.
Artikel 3.26 Beoordelingsregels 1.
De omgevingsvergunning kan, onverminderd artikel 3.25, worden verleend: a.
indien het beoogde gebruik geen schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;
b.
indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving voldoet aan redelijke eisen van welstand;
c.
het belang van de voorkoming of beperking van overlast of gevaar voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak zich hier niet tegen verzet.
Artikel 3.27 Omgevingsvergunning maken of veranderen van een uitweg 1.
2.
Voor de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning van het college vereist: a.
een uitweg te maken naar de weg;
b.
van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;
c.
verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
De vergunningplicht, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Keur Rijnland 2015 of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Artikel 3.28 Beoordelingsregels 1.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.27, kan worden verleend wanneer de volgende belangen zich hier niet tegen verzetten:
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
12/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
a.
de bruikbaarheid van de weg;
b.
het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
c.
de verkeersvrijheid of –veiligheid;
d.
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
e.
de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
Artikel 3.29 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2.
Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
§ 3.2.3. Geluidhinder Artikel 3.30 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.
De geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.31 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
2.
Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.
3.
Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
4.
Op dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit, en artikel 3.31 van deze verordening, uiterlijk om 00:30 uur beëindigd als dag valt op een zondag tot en met donderdag en uiterlijk om 01:30 uur als de dag valt op een vrijdag en zaterdag.
5.
Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 55 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. De toeslag voor muziekgeluid van 10 dB(A) en de bedrijfsduurcorrectie wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.
Artikel 3.31 Onversterkte muziek 1.
Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid van het Activiteitenbesluit binnen inrichtingen is de onder e opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a.
de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;
b.
de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;
c.
de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten;
d.
bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
13/108
27-01-2022 19:21
e.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Tabel
locatie
7.00 – 19.00 uur
19.00 – 23.00 uur
23.00 – 7.00 uur
LAr,LT op de gevel van
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
35 dB(A))
30 dB(A)
25 dB(A
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
gevoelige gebouwen LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
2.
Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit van toepassing.
3.
Het eerste lid geldt niet indien artikel 3.30 of artikel 3.36 van deze verordening van toepassing is.
4.
Bij muzikale optredens op de openbare weg wordt geen gebruik gemaakt van een toeter, spreekbuis of anderszins versterkte zang of muziek.
Artikel 3.32 Geluidhinder door machines e.a. tijdens de daguren 1.
Het is verboden om tussen 07.00 uur en 19.00 uur (bouw)machines, (recreatie)toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving onevenredige of langdurige geluidhinder wordt veroorzaakt zonder een omgevingsvergunning.
2.
Het verbod geldt niet voor zover het geluid wordt veroorzaakt binnen een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit of in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder of door het Bouwbesluit 2012, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Milieuverordening ZuidHolland.
3.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel.
Artikel 3.33 Geluidhinder tijdens de avonduren https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
14/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
1.
Het is verboden om tussen 19.00 uur en 23.00 uur machines, motorvoertuigen, (recreatie)toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt zonder een omgevingsvergunning.
2.
De vergunningsplicht is niet van toepassing voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen nadere regels ter beperking van geluidhinder.
3.
De vergunningsplicht is niet van toepassing op situaties, dat vergunning is verleend op basis van artikel 2:8 APV, het geluid wordt veroorzaakt binnen een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit of in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Bouwbesluit 2012, de Wet geluidhinder, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Milieuverordening Zuid-Holland.
4.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel.
Artikel 3.34 Geluidhinder tijdens de nachturen 1.
Het is verboden om tussen 23.00 uur en 07.00 uur machines, motorvoertuigen, (recreatie)toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt zonder een omgevingsvergunning.
2.
Het verbod geldt niet voor zover vergunning is verleend op basis van artikel 2:8 APV, het geluid wordt veroorzaakt binnen een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het activiteitenbesluit of in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Bouwbesluit 2012, de Wet geluidhinder, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening.
3.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel.
Artikel 3.35 Omgevingsvergunning generator 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning aan boord van een afgemeerd schip een generator te gebruiken in gebieden die het college heeft aangewezen.
2.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel.
Artikel 3.36 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1.
Het is de houder van een omgevingsvergunning voor een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.31 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
2.
Het is de houder van een omgevingsvergunning voor een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113, eerste lid, van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
3.
Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.
4.
De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd.
5.
De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
6.
Op de festiviteiten, bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.31 -
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
15/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
op zondag tot en met donderdag uiterlijk om 00:30 uur en op vrijdag en zaterdag uiterlijk om 01.30 uur beëindigd. 7.
Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 55 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. De toeslag voor muziekgeluid van 10 dB(A) en de bedrijfsduurcorrectie wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.
8.
Het is verboden de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid te houden op een buiten de besloten ruimte liggend deel van de inrichting. Hieronder is in elk geval het terras begrepen.
9.
Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
§ 3.2.4. Schade aan groenvoorzieningen Artikel 3.37 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.
Artikel 3.38 Bescherming en omgevingsvergunning groenvoorzieningen 1.
Alleen diegenen die daartoe bevoegd zijn mogen schade toebrengen of verandering aanbrengen aan openbare groenvoorzieningen.
2.
Het is verboden zonder daartoe bevoegd te zijn om schade toe te brengen aan openbare groenvoorzieningen of om een voorwerp, zoals een container, caravan of kampeertent in of op openbare groenvoorzieningen te plaatsen. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het plaatsen van een voorwerp in een openbare groenvoorziening. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het plaatsen en laten staan van een container, caravan, kampeertent, voertuig of enig ander voorwerp in een openbare groenvoorziening.
3.
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning van het college met een voertuig of een paard in of door een openbare groenvoorziening te rijden of daarin een voertuig te plaatsen. Het verbod is niet van toepassing op situaties, dat voertuigen worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid en voor voertuigen, waarmee een standplaats is ingenomen op terreinen die daarvoor zijn bestemd.
4.
Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod als bedoeld in het derde lid niet van toepassing is. Het college kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:
5.
a.
in het belang van het voorkomen van overlast;
b.
in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;
c.
in het belang van de veiligheid van het publiek.
Het verbod is niet van toepassing op bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: a.
ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;
b.
die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als bedoeld in het eerste lid;
c.
c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
d.
van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als bedoeld in het eerste lid;
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
16/108
27-01-2022 19:21
e.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.
6.
Het verbod, bedoeld in het derde lid, geldt voorts niet binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Zuid-Holland aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.
7.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel.
Artikel 3.39 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.38, vierde lid, kan, onverminderd artikel 3.20, worden verleend: a.
indien het beoogde gebruik geen schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;
b.
het belang van de voorkoming of beperking van overlast of gevaar voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak zich hiertegen niet verzet.
§ 3.2.5. Reclame Artikel 3.40 Omgevingsvergunning handelsreclame 1.
Het is verboden om zonder vergunning van het college op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is zonder een omgevingsvergunning.
2.
Het eerste lid geldt niet voor onverlichte opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, voor zover het gaat over:
3.
a.
opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg;
b.
opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid;
c.
opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: -
een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;
-
het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd;
d.
opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;
e.
opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.
De vergunningsplicht geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits: -
deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn, en
-
de opschriften of aankondigingen niet meer dan 50% van het oppervlak van glazen puien, deuren en/of ramen bedekken.
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
17/108
27-01-2022 19:21
4.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Bij een aanvraag tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning moet in ieder geval in tweevoud worden overgelegd: a.
een beschrijving met tekeningen op schaal 1:10;
b.
indien mogelijk foto's;
c.
een opgave van de materialen en kleuren.
Artikel 3.41 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.40, kan worden verleend: a.
indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving voldoet aan redelijke eisen van welstand;
b.
het belang van de verkeersveiligheid zich hier niet tegen verzet;
c.
het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak, zich hier niet tegen verzet.
§ 3.2.6. Kamperen Artikel 3.42 Omgevingsvergunning recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden binnen een kampeerterrein dat niet als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.
2.
Het verbod is niet van toepassing op het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
3.
Met een omgevingsvergunning van het college kan worden afgeweken van het verbod.
4.
Onverminderd artikel 3.20 kan de omgevingsvergunning worden verleend zolang dit niet in strijd is met het belang van de bescherming van natuur en landschap of van een stadsgezicht.
5.
Het college kan per categorie kampeermiddelen plaatsen aanwijzen waarop het verbod niet geldt.
6.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel.
§ 3.2.7. Standplaatsen Artikel 3.43 Omgevingsvergunning standplaats 1.
Het is verboden om een standplaats in te nemen of te hebben zonder een omgevingsvergunning.
2.
De in het eerste lid gestelde vergunningsplicht geldt niet ten aanzien van het uitgestald hebben en te koop aanbieden, verkopen, verstrekken en demonstreren van zelfgemaakte voorwerpen, zoals schilderijtjes, sieraden en kleding, dit voor zover door het college bij openbare kennisgeving daartoe één of meer gedeelten of straten van de gemeente zijn aangewezen en onder de bij bedoelde openbare kennisgeving bepaalde voorschriften.
3.
De in het eerste lid gestelde vergunningsplicht geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
18/108
27-01-2022 19:21
4.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel.
Artikel 3.44 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning kan, onverminderd artikel 3.20, worden verleend: a.
indien de standplaats is toegestaan in een geldend bestemmingsplan,
b.
indien de standplaats op zichzelf of in verband met de omgeving voldoet aan eisen van redelijke welstand, en
c.
indien de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen past binnen het redelijke verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse.
Artikel 3.45 Toestemming rechthebbende De rechthebbende laat niet toe dat zonder omgevingsvergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen op zijn perceel.
Afdeling 3.3 Bouwactiviteiten
§ 3.3.1. Algemene bepalingen Artikel 3.46 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op bouwactiviteiten in de fysieke leefomgeving.
§ 3.3.2. Bodemverontreiniging Artikel 3.47 Het onderzoek naar bodemverontreiniging 1.
2.
Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: a.
de resultaten van een recent standaard vooronderzoek verricht volgens NEN 5725 (uitgave 2009);
b.
indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat er een bodemverontreiniging aanwezig is, worden tevens ingediend de resultaten van een recent milieuhygiënisch verkennend bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1;
c.
indien op basis van het milieu-hygiënisch verkennend bodemonderzoek een vermoeden bestaat dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, worden tevens ingediend de resultaten van een nader onderzoek, verricht volgens NTA 5755 (uitgave 2010);
d.
indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.
De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht,. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
19/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
3.
Het college staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 3.1a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bij het college reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.
4.
Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijke ontheffing verlenen van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is, dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009, niet rechtvaardigen.
5.
Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt en er als gevolg van de aanwezige bouwwerken vooraf geen goed beeld kan worden verkregen van de bodemsituatie, vindt het bodemonderzoek plaats nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.
6.
Bodemonderzoeken dienen geheel overeenkomstig vastgestelde protocollen en NEN normen en overeenkomstig hoofdstuk 2 van het Besluit bodemkwaliteit te worden uitgevoerd. De onderzoeksbureaus moeten in het bezit zijn van een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Dit lid is niet van toepassing op vooronderzoeken van voor 1 juli 2007. De rapportage moet als volgt worden ingediend: a.
een papieren rapportage;
b.
een digitaal exemplaar in pdf-bestand en een digitaal exemplaar in SIKB-0101 xml-bestand (meest recente versie).
Artikel 3.48 Bouwen op verontreinigde grond Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag worden gebouwd zover dat bouwen geen betrekking heeft op een bouwwerk: a.
waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;
b.
voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist en
c.
dat de grond raakt of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd
Artikel 3.49 Voorschriften en beperkingen Onverminderd artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in het Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.
§ 3.3.3. Advisering over ruimtelijke kwaliteit bij bouwen Artikel 3.50 Welstandscriteria Een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen wordt getoetst aan de welstandscriteria als aangegeven in artikel 3.51.
Artikel 3.51 Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit 1.
De advisering over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken waarvoor geen sneltoetscriteria zijn opgenomen in de welstandsnota wordt
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
20/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
uitgevoerd door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. 2.
De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria.
3.
Het college beoordeelt zonder advies van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit of bouwwerken waarvoor sneltoetscriteria in de welstandsnota staan niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Het college baseert hun standpunt op de in de welstandsnota genoemde sneltoetscriteria.
Artikel 3.52 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 1.
De behandeling van aanvragen voor omgevingsvergunningen door of onder verantwoordelijkheid van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit is openbaar. De agenda voor de vergadering van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien het college - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen het college daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.