Raadsbrief jaarverslag 07062022.pdf
Tekst van het document
Aan de raad van de gemeente Gouda
afdeling
telefoon
gouda
cja
06 43385086
7 juni 2022
contactpersoon
uw kenmerk
ons kenmerk
J.M. Stedelaar
6227
onderwerp
verzonden
Jaarverslag Bezwaarschriftencommissie Gouda 2019, 2020 en 2021 en overzicht ontvangen en behandelde verzoeken door de Nationale ombudsman 2021
7 juni 2022
Geachte leden van de gemeenteraad, Hierbij bieden wij u aan het jaarverslag over de jaren 2019 en 2020 en de relevante cijfers over 2021 van de Bezwaarschriftencommissie Gouda evenals het overzicht van ontvangen en behandelde verzoeken door de Nationale ombudsman over het jaar 2021. Ontvangen en behandelde verzoeken door de Nationale ombudsman 2021 In het overzicht in bijlage 1 treft u de ontvangen en behandelde verzoeken door de Nationale ombudsman over het jaar 2021 aan. Uit het overzicht komt naar voren dat een oordeel van de Nationale ombudsman over klachtafhandeling door de gemeente Gouda relatief weinig voorkomt. Burgers nemen vooral telefonisch contact op met de Nationale ombudsman. Niet alleen met klachten maar ook met vragen of verzoeken om informatie. Veel daarvan wordt direct telefonisch afgehandeld. Bijvoorbeeld door (juridische) informatie en uitleg te geven of te verwijzen naar de juiste procedures. Veel zaken die aan de Nationale ombudsman worden voorgelegd zijn dan ook (nog) niet bij het college zelf bekend. Daarnaast wordt er door de Nationale ombudsman ook regelmatig contact met het college opgenomen, zonder daarbij gebruik te maken van haar formele onderzoeksbevoegdheid. Het grootste deel van de verzoeken wordt kortom afgehandeld door klager te informeren of door te verwijzen.
Jaarverslag Bezwaarschriftencommissie Gouda Het verslag (bijlage 2) bevat onder meer een verantwoording van de door de commissie gedane werkzaamheden en aanbevelingen. Door omstandigheden als corona en de invoering van een nieuw zaaksysteem hebben de jaarverslagen over 2019 en 2020 langer op zich laten wachten dan voorgenomen was en wenselijk is. De cijfers over het jaar 2021 zijn inmiddels ook bekend. Deze zijn als bijlage 3 bij deze brief gevoegd. De opmerkingen en aanbevelingen van de bezwaarschriftencommissie ten aanzien van 2021 zijn gelijk aan die van de jaren 2019 en 2020.
bezoekadres: Huis van de Stad, Burgemeester Jamesplein 1, Gouda correspondentieadres: postbus 1086, 2800 bb gouda fax e-mail gemeente@gouda.nl
De commissie is tevreden over de manier waarop bezwaarschriften worden behandeld. De commissie merkt op dat de inzet en de professionaliteit van de medewerkers waar de commissie mee te maken heeft, groot en van goed niveau is. Ook vraagt de commissie aandacht voor een positieve ontwikkeling. De commissie heeft namelijk geconstateerd dat de kwaliteit van besluiten en verweren is verbeterd ten opzichte van de vorige verslagperiode. De commissie is tevreden over de wijze waarop de eerdere aanbevelingen op dit vlak meer structureel zijn opgepakt en voor een kwaliteitsslag binnen de ambtelijke organisatie hebben gezorgd. Vanwege de invoering van een nieuw zaaksysteem zijn voor het jaar 2019 geen gedetailleerde cijfers te verkrijgen. De cijfers uit de tabellen en grafieken zijn handmatig gegenereerde gegevens. In het jaar 2019 zijn 245 bezwaarschriften ingediend. In het jaar 2020 betreft het 380 bezwaarschriften. Het aandeel informeel afgehandelde bezwaarschriften is in de afgelopen twee jaren aanzienlijk toegenomen. De commissie heeft een aantal aanbevelingen gedaan. Onze reactie hierop is de volgende: Sluiting woningen Opiumwet De commissie vraagt aandacht voor de voorbereiding van besluiten tot sluiting van woningen door de burgemeester op grond van de Opiumwet.
In twee zaken heeft de commissie hierover het volgende geadviseerd: “De commissie begrijpt dat de burgemeester in het belang van de openbare orde een signaal wil doen uitgaan door een woning waarin (onder andere) drugs is aangetroffen te sluiten. Omdat het besluit om een woning te sluiten zeer belastend kan zijn voor de betrokkenen, is het van belang dat een dergelijk besluit zorgvuldig wordt voorbereid. De commissie heeft er begrip voor dat dit tijd kost, maar wijst erop dat wanneer dit tijdsverloop aanzienlijk is, daarmee rekening dient te worden gehouden bij het nemen van het besluit. Steeds zal moeten worden vastgesteld of ten tijde van het nemen van het besluit nog aanleiding bestaat voor handhaving door middel van een last tot herstel van de situatie of ter voorkoming van nieuwe overtredingen.
In aanmerking genomen dat ter zitting is gesteld dat een last kan worden opgeheven indien drie maanden na het opleggen daarvan zich geen nieuwe overtredingen hebben voorgedaan, geeft de commissie in overweging de besluitvorming zodanig in te richten dat tussen de overtreding en het besluit niet meer dan drie maanden liggen, of anders het tijdsverloop daarbij te betrekken in de hiervoor geadviseerde zin.” De commissie wil dus aanbevelen om in de eerste plaats een (voornemen van een) besluit tot sluiting van een woning zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is te nemen nadat de constatering van de overtreding is gedaan en/of nadat de bestuurlijke rapportage van de politie is ontvangen en bij het nemen van een besluit altijd na te gaan of – in aanmerking genomen het tijdsverloop – nog aanleiding bestaat voor handhaving door middel van een last tot herstel van de situatie of ter voorkoming van nieuwe overtredingen. Reactie burgemeester: Met de commissie is de burgemeester van mening dat het sluiten van een woning op grond van artikel 13b Opiumwet een ingrijpend besluit is. Daarom wordt – indien de burgemeester in een concrete casus besluit tot het toepassen van artikel 13b Opiumwet – de noodzakelijkheid en de evenredigheid van de sluitingsmaatregel altijd uitgebreid gemotiveerd.
Het is inherent aan deze procedure dat er sprake is van tijdsverloop tussen de constateringen van de politie en de feitelijke sluiting. Mede met het oog op een zorgvuldige voorbereiding zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht moeten immers verschillende stappen worden doorlopen, zoals: het opstellen van de bestuurlijke rapportage door de politie, een kritische toets hiervan inclusief het uitvragen van nadere informatie bij de politie, het opstellen van een voornemen, het beoordelen van de zienswijzen, het opstellen van het besluit en de feitelijke sluiting.
pagina 2
Dit neemt niet weg dat het tijdsverloop tussen de constateringen en de feitelijke sluiting tot een minimum dient te worden beperkt. De burgemeester onderschrijft dan ook de eerste aanbeveling van de commissie om het besluit zo spoedig mogelijk te nemen als redelijkerwijs mogelijk is. De afgelopen maanden is hierover reeds overleg gevoerd met de politie. Ook het komende jaar bekijkt de burgemeester samen met de politie hoe de termijn van rapporteren verkort kan worden en de inhoudelijke kwaliteit van de bestuurlijke rapportages verbeterd kan worden. Ook binnen de gemeentelijke organisatie wordt overigens onderzocht hoe het besluitvormingsproces kan worden versneld. Naar het oordeel van de burgemeester zijn de afgelopen maanden op dat vlak ook al stappen gezet. De commissie adviseert ten tweede om het tijdsverloop altijd mee te nemen in de afweging. Vooropgesteld moet worden dat de burgemeester bij zijn besluiten per afzonderlijke zaak alle belangen en feiten afweeg. In dit kader wordt beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat van de beleidsregels moet worden afgeweken. Tijdsverloop kan een dergelijke bijzondere omstandigheid zijn. Door tijdsverloop kan in een concrete zaak de noodzaak aan een sluiting zijn komen te ontvallen.
Dit moet echter altijd worden beoordeeld in samenhang met de overige omstandigheden die de ernst van de situatie bepalen, zoals de aard en hoeveelheid aangetroffen drugs, de mate van overlast en de kwetsbaarheid van de betreffende woonomgeving. De uitkomst van deze afweging zal dus van de specifieke omstandigheden van het geval afhangen. De burgemeester kan daarom ook geen vaste norm voor tijdsverloop hanteren. Een dergelijke norm kan vooralsnog ook niet worden ontleend aan de jurisprudentie. Wel is duidelijk dat bij een kort tijdverloop van enkele dagen of weken er minder noodzaak is om te motiveren dat een maatregel nog altijd noodzakelijk is dan bij een tijdsverloop van enkele maanden. Kortom, tijdsverloop zal niet standaard een afzonderlijk te motiveren element zijn in de noodzakelijkheidstoets, maar afhankelijk van de situatie zal tijdsverloop meer of minder expliciet onderdeel uitmaken van de motivering. Tot slot nog het volgende. De jurisprudentie op het gebied van de toepassing van de bevoegdheden volgend uit artikel 13b Opiumwet is volop in beweging. Daarbij wordt in toenemende mate aandacht gevraagd voor de evenredigheid en het leveren van maatwerk bij dit soort ‘zware’ besluiten. De burgemeester volgt deze jurisprudentie op de voet en vertaalt deze naar de Goudse praktijk.
In dit licht blijft kritisch gekeken worden naar zijn eigen beleidsregels en de toepassing hiervan. Participatiewetzaken vermogen buitenland De commissie wil bovendien aandacht vragen voor de behandeling van bezwaarschriften in het kader van de themacontrole “Grens Overschrijdend Vermogen” in 2019 en 2020. Deze themacontrole houdt in dat onderzoek gedaan is naar eigendom van onroerend goed in het buitenland, dat niet bekend is bij de gemeente en waardoor een uitkering mogelijk onrechtmatig wordt verstrekt. De kennis die door middel van dit onderzoek is opgedaan kan leiden tot een beëindiging, herziening of intrekking van de uitkering, de terugvordering van de kosten van de ten onrechte uitbetaalde uitkering en het opleggen van een boete. De commissie heeft verschillende keren geadviseerd over dergelijke besluiten. Daarbij is het de commissie opgevallen dat bij de primaire besluitvorming veelal wordt gekozen voor de volgende werkwijze: naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek worden gegevens opgevraagd die voor een bepaalde datum moeten zijn ingeleverd. Worden niet alle gevraagde gegevens ingeleverd, dan wordt met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet, het recht op bijstand opgeschort. Tegelijkertijd wordt de betrokken persoon een hersteltermijn gegeven om alsnog de ontbrekende gegevens in te leveren.
Als de betrokken persoon ook dan niet de gevraagde gegevens heeft overgelegd, wordt de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet ingetrokken met ingang van de datum waarop het recht op bijstand eerder al was opgeschort. Als de betrokken persoon vervolgens een nieuwe aanvraag om bijstand indient, wordt deze aanvraag of niet in behandeling genomen omdat de betrokken persoon (nog steeds) de gevraagde gegevens niet wil of kan overleggen, of wordt de aanvraag afgewezen omdat vanwege het ontbreken van deze gegevens het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Deze werkwijze is op zich niet in strijd met de Participatiewet.
pagina 3
Uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep kan echter worden afgeleid dat een college niet hoeft te volstaan met een intrekking van het recht op bijstand per datum opschorting. Als uit het onderzoek is gebleken dat per bepaalde datum in het verleden onroerend goed op naam van de betrokken persoon staat, dit door de betrokkene niet aan het college is gemeld, en het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld of door middel van een taxatie kan worden vastgesteld op nul, kan het recht op bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet per die datum in het verleden worden ingetrokken. In dit verband wijst de commissie erop dat een zorgvuldig onderzoek naar onroerend goed in het buitenland in ieder geval ook een taxatie bevat van de waarde van dat onroerend goed per datum van verkrijging en per datum van onderzoek. Deze taxatie kan tot uitgangspunt dienen voor het college om het vermogen te bepalen. Dit is alleen anders wanneer de betrokken persoon een contraexpertise heeft ingediend met betrekking tot de waarde van het onroerend goed. Die contraexpertise moet dan wel afkomstig zijn van een betrouwbare en ter zake als deskundig te beschouwen persoon of organisatie. Anders dan wat de commissie in enkele bezwaarzaken is tegengekomen, is het college niet verplicht om van de betrokken persoon een dergelijke contraexpertise te vragen.
Het is aan de betrokken persoon om dit tegenbewijs zelf te leveren. Het niet overleggen van een dergelijke contraexpertise kan daarom niet leiden tot het opschorten van het recht op bijstand en het nadien intrekken van het recht op bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet en evenmin kan dit ertoe leiden dat een aanvraag wegens het ontbreken van informatie niet in behandeling wordt genomen. Immers, uitgegaan kan worden van de getaxeerde waarde zoals die uit het onderzoek naar voren is gekomen. Wat de commissie in dit soort zaken ook met enige regelmaat heeft gezien is dat bij herhaling wordt gevraagd om een overzicht van de huuropbrengsten van het verzwegen onroerend goed in het buitenland, ook wanneer telkens wordt aangevoerd dat het onroerend goed niet wordt verhuurd. De commissie adviseert daarom om alleen als uit het door/namens het college uitgevoerde onderzoek een indicatie naar voren is gekomen dat het onroerend goed wordt verhuurd, om deze gegevens te vragen.
Tot slot wijst de commissie nog op het verschil, zoals dat tot uiting komt in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, tussen de beëindiging van het recht op een uitkering (altijd per gelijke of latere datum dan het daartoe strekkende besluit), de intrekking van het recht op bijstand (altijd per datum in het verleden) en de herziening van bijstand (waarbij het recht op bijstand wel behouden blijft, maar tot een veelal lager bedrag). Een herziening kan zowel per toekomende datum of per datum in het verleden. Vergewisplicht college bij Wmo- en Jeugdwetzaken Ook wil de commissie aandacht vragen voor de zogeheten vergewisplicht van het college bij besluiten op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet. Wanneer het college bij de voorbereiding van deze besluiten een advies van een andere instantie of deskundige inwint, volstaat het enkel benoemen van dit advies niet als onderbouwing van het besluit. Het bestuursorgaan zal zelf altijd in het kader van een zorgvuldige voorbereiding bij het nemen van een besluit na moeten gaan of het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en of de getrokken conclusies logischerwijs volgen uit de gegeven motivering in het advies.
Bij een zorgvuldige totstandkoming van een advies is van belang na te gaan of alle relevante informatie bij het advies is betrokken, of zich feitelijke onjuistheden voordoen en of in voldoende mate contact is geweest met de betrokkene. Bij de vraag of sprake is van een inhoudelijk juist advies moet zelfstandig worden beoordeeld of de conclusies uit het advies genomen zijn op grond van de gegeven motivering. De motivering dient dus begrijpelijk (inzichtelijk) en volledig (toereikend) te zijn. In een rapport dat wordt opgesteld naar aanleiding van een gegeven advies dienen deze vragen te worden beantwoord. In geval van onduidelijkheden zal het college nadere vragen moeten stellen aan de opsteller van het advies. Pas als al deze stappen zijn genomen, is voldaan aan de vergewisplicht. De commissie wil dus aanbevelen dat het college niet enkel het aan het besluit ten grondslag liggende advies benoemt. De commissie beveelt het college aan om op grond van de vergewisplicht na te gaan of het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en of de getrokken conclusies logischerwijs volgen uit de motivering.
pagina 4
Reactie college: Het college waardeert de bovenstaande juridisch inhoudelijke aanbevelingen van de commissie. Deze aanbevelingen worden actief opgepakt en teruggekoppeld met de vakafdelingen. De aanbevelingen van de commissie benadrukken weer eens het directe verband tussen kwaliteit en kennis en opleiding. Het actueel houden van de juridisch inhoudelijke kennis bij consulenten en andere betrokken medewerkers bij de besluitvorming is een blijvend punt van aandacht van het college. Het actueel houden van de kennis van de relevante wetten bij (nieuwe) medewerkers is een doorlopend proces wat op diverse manieren vorm wordt gegeven. Zo heeft de Centraal Juridische Afdeling (CJA) dit jaar een cursus over de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzorgd voor de consulenten waarbij aanwezigheid verplicht werd gesteld. Verder zijn er periodieke overleggen tussen de senioren en verweerders waar knelpunten worden gesignaleerd en vervolgacties worden besproken. Verder worden periodiek de leerpunten uit de lopende en afgeronde bezwaar- en beroepszaken besproken met het verantwoordelijk afdelingshoofd en de senior. Daarnaast worden deze leerpunten en de gevolgen voor de werkwijze besproken in de teamoverleggen van de Wmo-consulenten waarbij ook de afdeling beleid aanwezig is.
Duur behandeling/opvolgende bezwaren van dezelfde bezwaarmakers Bovendien heeft de commissie geconstateerd dat enkele reguliere bezwaarmakers meerdere malen hun opwachting gemaakt hebben in lang voortslepende en elkaar opvolgende zaken. De commissie zou het college willen aanbevelen te bekijken of deze impasse wellicht doorbroken kan worden door middel van mediation of andere gespreksvormen. Uiteraard is hierbij van belang dat de betrokkenen hun rechtsbescherming blijven behouden, maar het lijkt het proberen waard om de oplossing niet in de uitkomst van de juridische geschillen te zoeken, maar in een breder te voeren gesprek waarin ook andere aspecten aan bod kunnen komen. Reactie college: Het college waardeert deze aanbeveling van de commissie. Deze wordt ook herkend. Er is het college veel aan gelegen om geschillen op informele wijze op te lossen om een formele bezwaarprocedure te voorkomen. Dit geldt voor alle bezwaarschriften die worden ingediend. Er zijn zoals de voorzitter terecht opmerkt een beperkt aantal bezwaarmakers die meer dan gemiddeld hun bezwaren aan de bezwaarschriftencommissie voorleggen. In deze zaken is getracht met partijen tot afspraken te komen. Dat heeft tot wisselende resultaten geleid.
Het college moet daarbij een afweging maken tussen wat recht doet aan de situatie, het voorkomen van precedentwerking en het voorkomen van onnodige belasting van het ambtelijk apparaat en de bezwaarschriftencommissie. Het oplossen van en voorkomen van verdere geschillen is altijd uitgangspunt. Dit binnen de kaders waarbinnen het college kan bewegen. Informele geschillenbeslechting is het uitgangspunt. Op het moment dat een bezwaarschrift aan de bezwaarschriftencommissie wordt voorgelegd, kan de commissie ervan uitgaan dat reeds geprobeerd is het geschil minnelijk op te lossen. Het aantal bezwaarschriften dat op informele wijze wordt opgelost laat een stijgende lijn zien (een verdrievoudiging). Het is een continu streven om de informele geschillenbeslechting uit te breiden qua aantal. De inzet is om het komende jaar de poule van gespreksleiders uit te breiden met collega’s vanuit de gehele organisatie. Dit draagt mede bij aan kennisoverdracht en bewustwording door kortere lijnen. Met als beoogd resultaat betere besluitvorming en minder bezwaarschriften en het voorkomen van situaties zoals in het jaarverslag door de commissie opgemerkt.
pagina 5
Aanvragen individuele gehandicaptenparkeerplaats Tot slot heeft de commissie in de verslagperiode geadviseerd over 2 individuele gehandicaptenparkeerplaatsen. Bij behandeling van deze bezwaarschriften constateerde de commissie dat de bestaande werkwijze met betrekking tot de individuele gehandicaptenparkeerplaats geen onderdeel uitmaakt van het gemeentelijk parkeerbeleid. De commissie wil het college daarom aanbevelen om de bestaande werkwijze met bijbehorende toetsingscriteria bij het gemeentelijk parkeerbeleid te betrekken. Hierdoor maakt het college onderscheid tussen enerzijds het reguliere beleid over het afgeven van reguliere parkeervergunningen op de openbare weg en anderzijds het bijzondere beleid over het toekennen van een individuele gehandicaptenparkeerplaats op de openbare weg. Reactie college: Ten aanzien van het geen deel uitmaken van individuele gehandicaptenparkeerplaats van het gemeentelijk parkeerbeleid heeft de commissie waardevolle aanbevelingen gedaan. Ook wij zijn van mening dat het goed zou zijn om hier verbetering in aan te brengen. Het komende jaar wordt bekeken hoe er concreet uitvoering kan worden gegeven aan deze aanbeveling. Er zijn beleidsregels voor de procedure aanvraag gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats Gemeente Gouda in de maak. Overleggen hoe die verder worden uitgewerkt worden volgend jaar opgepakt. Er is hier dus aandacht voor.
Burgemeester en wethouders van Gouda, de secretaris, de burgemeester,
drs. R.C. Bakker
mr. drs. P. Verhoeve
de burgemeester van Gouda,
mr. drs. P. Verhoeve
pagina 6