Oplegnotitie Startnotitie Circulaire economie
Tekst van het document
Oplegnotitie aan onderwerp
van afdeling telefoon datum
Gemeenteraad Vaststellen Startnotitie Circulaire economie E. Bok/ D. Brenkman Griffie/ RBA 0643385927 9 april 2024
Voorgesteld besluit: De gemeenteraad van Gouda besluit: 1. De startnotitie Circulaire economie vast te stellen en hierbij kennis te nemen van de wensen en bedenkingen van het college; 2. In te stemmen met het beschikbaar stellen van € 185.000,- om tot uitwerking van de startnotitie over te gaan en dit voorstel mee te nemen in de 1e bestuursrapportage 2024; 3. In te stemmen om deze middelen (€ 135.000,- personele inzet en € 50.000,- werkbudget) structureel toe te kennen en dit voor te leggen bij de Kadernota 2025
Aanleiding: Op woensdag 7 februari heeft de raad de concept-startnotitie circulaire economie vastgesteld. Het college heeft de wens geuit om haar wensen en bedenkingen te formuleren en inzicht in de financiële consequenties mee te geven. De startnotitie Circulaire economie ligt nu voor inclusief de wensen en bedenkingen van het college. De raad wordt gevraagd kennis te nemen van de wensen en bedenkingen van het college en de startnotitie Circulaire economie vast te stellen.
Vervolgproces: Het college van B&W geeft haar wensen en bedenkingen mee. Deze wensen en bedenkingen worden betrokken bij de vervolgstappen. Na vaststelling van de startnotitie wordt deze uitgewerkt in een beleidsstuk circulaire economie, welke aan de raad wordt voorgelegd. Monitoring, evaluatiemomenten en wijze van communicatie over de voortgang worden bij de uitwerking betrokken. De raad wordt op gezette tijden geïnformeerd over de voortgang. Het college geeft de volgende wensen en bedenkingen mee:
Wensen: 1. Verduidelijken definitie en doel Tijdens de laatste commissievergadering heeft de commissie vragen gesteld over wat begrippen als “volledig circulair”, “zoveel mogelijk”, “zo hoogwaardig mogelijk” betekenen. Met de startnotitie is meegegeven vooral de focus te leggen op directe invloedssfeer van de gemeente. Het college geeft aan de definitie en bijbehorende doelstellingen verder te concretiseren en uit te werken in het circulaire beleid. Het op te stellen Actieplan MVOI, waarin duurzaamheidscriteria binnen het eigen inkoopbeleid worden opgenomen, speelt hierbij een grote rol. 2. Aandacht voor het reserveren van de ruimtelijke impact Er gaat door de circulaire economie ook een grote ruimtevraag ontstaan, bijvoorbeeld voor materialenen grondstoffenhubs, verwerkingslocaties, meer maakbedrijven in de stad met aandacht voor hergebruik en reparatie. Bedrijventerreinen met een goede ontsluiting over zowel de weg als het water, met een hoge milieucategorie en in sommige gevallen ook nabij gerelateerde bedrijvigheid zijn van belang voor een circulaire economie. Denk daarbij aan het beter benutten van bestaande bedrijventerreinen, behoud van milieuruimte waardoor functiemenging niet altijd kan. Maar ook op binnenstedelijke locaties is ruimte nodig voor reparatie en de deeleconomie. 3.
Actief inzetten op circulaire bedrijventerrein Kromme Gouwe Daarop voortbordurend bestaat de wens om in te zetten op Kromme Gouwe als circulair
bedrijventerrein. Er is locatie met milieuruimte en aansluiting op het water nodig. Kromme Gouwe heeft in het provinciaal omgevingsbeleid de ‘A-status’ gekregen. Op het terrein zijn bedrijven al bezig met de circulaire economie, bijvoorbeeld de Goudse Beton Mortelcentrale. De ‘A-status’ is nodig om de milieuruimte van de bedrijven te kunnen beschermen. Om meer circulariteit te stimuleren kan er gekeken worden naar planologische instrumenten en ‘voorrangsregels’ voor circulaire bedrijven op het terrein et cetera. Ook dit vergt verdere uitwerking. 4. Aandacht voor stimuleringsmaatregelen gericht op bewoners, bedrijven en organisaties Hoewel niet in de directe invloedsfeer, zetten verschillende gemeenten stimuleringsregelingen open voor bewoners, organisaties en het bedrijfsleven om circulair aan de slag te gaan. In het Groene Hart Werkt-samenwerkingsverband liggen kansen om een ‘circulair loket’ op te tuigen – vergelijkbaar met het Servicepunt Energietransitie Bedrijven Midden-Holland – waar ondernemers advies kunnen krijgen om circulair aan de slag te gaan met hun bedrijfsvoering. Dit kan in de uitwerking worden meegenomen, inclusief de financiële impact. 5. Aandacht voor de regionale component Er wordt ook regionaal binnen verschillende gremia samengewerkt om de circulaire economie vorm te geven. Dit wordt ook in de startnotitie aangestipt.
Het college wil dit graag samen met regionale netwerken verder uitwerken in de uitvoering. 6. Aandacht voor ambachtelijk vakmanschap In een circulaire economie speelt ambachtelijk vakmanschap een grote rol, ten aanzien van reparaties en hergebruik van materialen en goederen. Het college geeft aan dat meer waardering voor vakmanschap gewenst is en wil dit meenemen in de uitvoering. 7. Verwerking van verdere wensen Er zijn verschillende meer gedetailleerde wensen genoemd, zo gaf ook de raadscommissie in eerste behandeling van de startnotitie extra input. Ook deze wensen kunnen onderdeel zijn van de verdere uitwerking. Bijvoorbeeld hoe in te zetten op kortere ketens en hoe afvalstromen her te gebruiken. Tijdens de verdere behandeling door de raad zullen nieuwe vragen rijzen. Deze input wordt meegenomen bij de verdere uitwerking, waarbij het college zich wil focussen op de vier thema’s uit de startnotitie.
Bedenkingen: 1. Houd oog voor de uitvoering Het college wijst erop dat het realiseren van een circulaire economie voor een groot deel afhankelijk is van medeoverheden (provincie, Rijk, EU), bedrijven en inwoners. We sluiten aan bij landelijke doelen, gesteld door rijksoverheid. Maar het ontbreekt momenteel aan (rijks)middelen, wetgeving en daarmee een duidelijk handelingsperspectief voor lokale overheden. Het PBL stelt in haar rapporten (o.a. de Integrale Circulaire Economie Rapportage 2023) dat het ingezette beleid nog niet heeft geleid tot een versnelling in de transitie naar en circulaire economie en het momenteel niet voldoende is om de ambitie van een halvering van het grondstoffengebruik in 2030 te realiseren. Omdat wij in de startnotitie de doelen volgen en afhankelijk zijn van het Rijksbeleid – is het onduidelijk of we 2030 of 2050 gaan halen. Bij de uitwerking is het van belang om te kijken waar wij als gemeente directe invloed op hebben en daar dan ook op in te zetten. 2. Niet alles valt binnen de directe invloedsfeer Binnen de thema’s van de startnotitie valt niet alles onder de directe invloedssfeer van de gemeente. De pijlers consumptiegoederen en (woning)bouw zijn moeilijker aan te sturen dan eigen projecten GWW, inkoop en het eigen vastgoed. De startnotitie gaat uit van een ingroeimodel, niet alles is direct circulair. 3.
Er is extra capaciteit en extra middelen nodig om aan de slag te gaan met het uitwerken van de startnotitie Om de startnotitie uit te kunnen werken tot een uitvoeringsprogramma is 1 fte aan beleidscapaciteit nodig. Ook gaat er werkbudget nodig zijn. Het benodigd budget is opgenomen onder de kop Financieel. Het budget voor uitvoering op de vier verschillende thema’s MVOI, circulaire bouw (woningbouw en GWW), afval en consumptiegoederen is op dit moment nog niet vast te stellen. Wel kan worden verwacht dat er een stevige financiële opslag nodig al zijn op de begroting van programma’s zoals het
pagina 2
IHP, het gemeentelijk vastgoed, de Meerjaren Onderhoudsplannen. Dit kan als onderdeel van de uitwerking meegenomen worden. Budgettaire consequenties worden in de Kadernota na verschijnen van de uitwerking meegenomen, zodat een afweging ten opzichte van andere financiële zaken plaats kan vinden. 4. Inzet op vermindering van (rest)afval. Eén van de door de raad geformuleerd doelstellingen is: “ De hoeveelheid restafval verminderen tot 80 kg per inwoner in 2025”. Dit lijkt gebaseerd op een doelstelling uit de startnotitie uitgangspunten afval- en grondstoffenbeleid 2024 – 2030 (dossiernr. 7414), waarin het college als doelstelling heeft opgenomen 80 kg restafval per inwoner per jaar in 2030. Het college vraagt zich af of het jaartal abusievelijk is overgenomen, of dat de raad de lat hoger legt. Verminderen van de hoeveelheid restafval is de schakel in de keten van de circulaire economie waar de gemeente direct invloed op heeft. Het college voelt zich met deze doelstelling door de raad gesteund in zijn ambitie om de hoeveelheid huishoudelijk restafval sterk te verminderen. Het is ook één van de speerpunten in het Bestuursakkoord 2022 – 2026. Het college wijst er echter op dat met het streefjaar vijf jaar te verlagen, dit redelijkerwijs niet meer uitvoerbaar is.
In de startnotitie uitgangspunten afval- en grondstoffenbeleid 2024 – 2030 heeft het college enkele mogelijkheden opgesomd die aan vermindering van (rest)afval kunnen bijdragen, zoals apart inzamelen en verwerken van luiers en het oprichten (in samenwerking met de Cyclus gemeenten) van een demontagebedrijf voor grof huishoudelijk afval en uitgebreide communicatie en voorlichting. Dit zijn reële mogelijkheden, die tijd en investeringen vergen. Het college ziet mogelijkheden om de hoeveelheid restafval te verminderen en wil hiervoor met concrete voorstellen komen. Hiervoor zijn wel investeringen nodig. De effecten van al deze maatregelen zullen echter pas na 2025 zichtbaar worden.” 5. Afweging circulariteit in andere ambities en doelen In de uitwerking die volgt op de startnotitie en het op te stellen Actieplan MVOI wordt de weging tussen verschillende (duurzaamheids-)doelen en belangen uitgewerkt. De landelijke circulariteitsdoelen van 50% minder grondstoffen in 2030 en volledig circulair in 2050 zullen hierin worden meegenomen.
Financieel: Voor de uitwerking van de startnotitie in circulair beleid, een uitvoeringsprogramma circulaire economie, is 1 fte nodig (beleidsmedewerker circulaire economie). Ook is een werkbudget nodig om dit proces te begeleiden, bijvoorbeeld door het aanstellen van een adviesbureau. Kosten: € 185.000, waarvan €135.000 voor personele kosten en €50.000 werkbudget. Voorstel is dit mee te nemen in de 1e bestuursrapportage 2024 om nog dit jaar te kunnen starten. Voor de daarop volgende jaren zijn deze middelen structureel nodig, voorstel is deze bij de Kadernota 2025 voor te leggen. Het budget voor uitvoering op de vier verschillende thema’s is op dit moment nog niet vast te stellen. Inzicht in de financiële consequenties wordt uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma. Meerkosten worden bij de daarop volgende Kadernota voorgelegd.
Uitvoerbaarheid: Met de huidige capaciteit is het niet mogelijk de uitwerking van de startnotitie direct ter hand te nemen. Wanneer deze capaciteit er is, wordt de startnotitie uitgewerkt tot circulair beleid, bijvoorbeeld in de vorm van een uitvoeringsprogramma circulaire economie. Bij deze uitwerking is uitvoerbaarheid leidend. De startnotitie gaat ook uit van een ingroeimodel, er wordt met name ingezet waar de invloedssfeer het grootst is. In tijd worden thema’s die verder buiten de directe invloedssfeer liggen opgepakt.
pagina 3