Initiatiefvoorstel Referendumverordening
Tekst van het document
INITIATIEFVOORSTEL Ontwerp-referendumverordening Gouda. De fractie van Leefbaar Gouda is groot voorstander van het betrekken van inwoners bij de voorbereiding en uitvoering van gemeentelijk beleid. Dat kan op verschillende manieren en een daarvan is het houden van een ‘referendum’. Een referendum betrekt meer groepen burgers bij de besluitvorming en creëert draagvlak voor politieke beslissingen. Het kan zorgen voor grotere legitimiteit van het hebben van meer vertrouwen in de democratie. Het toenemen van het vertrouwen in de democratie kan weer leiden tot een hogere opkomst bij de verkiezingen. Een referendum kan er bovendien voor zorgen dat de kiezer actief deelneemt aan het publieke debat over zaken van gemeenschappelijk belang. Doordat ze zelf een oordeel mogen vellen over dergelijke zaken worden burgers gestimuleerd om een mening te vormen en deel te nemen aan de discussie. Het huidige stelsel stimuleert burgers volgens de voorstanders van referenda slechts eens in de vier jaar om hierover na te denken. Het is ons bekend dat de gemeente Gouda ook bezig is met de voorbereiding van een participatieverordening die de werkwijze gaat aangeven voor het betrekken van de inwoners bij de voorbereiding van de besluitvorming in de gemeenteraad.
Bij behandeling van een aantal bestuursvoorstellen in de gemeenteraad van Gouda is gebleken dat soms behoefte bestaat aan het betrekken van de inwoners bij behandeling van deze voorstellen. Te denken valt aan onderwerpen als het invoeren van betaald parkeren, de wijze van afwikkeling van het afvalbeleid en al dan niet een verbod op het afsteken van vuurwerk. Inwoners en ondernemers van Gouda maken in toenemende mate duidelijk dat zij betrokken willen worden bij de voorbereiding en uitvoering van gemeentelijk beleid. Met dit initiatief wil de fractie van Leefbaar Gouda de discussie aangaan om te peilen in hoeverre de gemeenteraad open staat voor het invoeren van een referendumverordening. Een combinatie van een participatieverordening met een referendumverordening kan bijdragen tot een verdere ontwikkeling van het betrekken van inwoners bij de voorbereiding en uitvoering van gemeentelijk beleid en geeft de inwoners en ondernemers daartoe een instrument. In overeenstemming met het gesteld in het regelement van orde verzoekt ondergetekende namens de fractie van Leefbaar Gouda het ontwerp-referendumverordening op de agenda van de beeldvormende vergadering van de commissie bestuur te plaatsen. Graag vernemen wij van u wanneer dit verzoek aan de agenda van genoemde commissie kan worden toegevoegd. Jan de Koning Fractievoorzitter Leefbaar Gouda.
REFERENDUM VERORDENING GOUDA 2026 HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder a.
referendum:
een volksstemming waarbij de kiesgerechtigden zich uitspreken over een door de raad vastgestelde startnotitie.
b.
kiesgerechtigden:
diegenen die op de drieënveertigste dag voorafgaande aan de dag waarop het referendum wordt gehouden overeenkomstig artikel B3 Kieswet kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de raad van de gemeente Gouda.
c.
startnotitie:
door de raad vast te stellen notitie waarin een korte heldere probleemstelling en een korte heldere schets van de beoogde oplossingsrichtingen staan beschreven.
Artikel 2 Toepassingsgebied Een referendum wordt gehouden onder de kiesgerechtigden van het hele grondgebied van de gemeente Gouda. HOOFDSTUK 2 Onderwerpen Artikel 3 Uitzonderingen Een referendum kan niet worden gehouden over: • • • • • • •
• • •
a. kwesties over bezwaar en beroepsprocedures en het voeren van rechtsgedingen; b. over individuele kwesties, zoals benoemingen, ontslagen, schorsingen, kwijtscheldingen, schenkingen, besluiten over rechtspositionele regelingen; c. over de vaststelling van de gemeentelijke begroting en de rekening en over de gemeentelijke belastingen; d. kwesties over de toepassing van deze verordening; e. een algemeen verbindend voorschrift dan wel de intrekking daarvan; f. kwesties als bedoeld in artikel 158, eerste lid, van de Gemeentewet; g. kwesties als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid, 51, eerste en derde lid, 61, eerste en derde lid, 73, eerste en derde lid en 96 van de Wet gemeenschappelijke regelingen; h. uitvoering van een besluit van het rijk of de provincie waarbij de raad geen beleidsvrijheid heeft; i. kwesties waarvan de inwerkingtreding of uitvoering niet kan worden uitgesteld vanwege de daarmee gemoeide spoedeisende gemeentelijke belangen; j. kwesties waarover naar het oordeel van de raad eerder een referendum is gehouden of kon worden gehouden.
HOOFDSTUK 3 Initiatief van raad en van de burger Artikel 4 Initiatief van de Raad •
1. De raad bepaalt of over een onderwerp een startnotitie wordt gemaakt. De raad kan besluiten dat over een startnotitie een referendum kan worden gehouden. Als de raad van oordeel is dat over een startnotitie een referendum kan worden georganiseerd, wordt een referendum pas georganiseerd nadat hiertoe een verzoek ondersteund door minimaal 1000 handtekeningen, is ingediend. Een dergelijk verzoek moet binnen drie maanden nadat de startnotitie door de gemeenteraad is vastgesteld, zijn ingediend.
•
2. Als de gemeenteraad van oordeel is dat over een startnotitie een referendum kan worden georganiseerd, wordt de uitvoering van deze startnotitie opgeschort voor één maand. Als binnen deze maand een inleidend verzoek ondersteund door minimaal 1.000 handtekeningen wordt ingediend, wordt de uitvoering van de startnotitie opgeschort tot drie maanden na vaststelling. De uitvoering van de startnotitie wordt verder opgeschort tot een besluit als bedoeld in artikel 14 is genomen, indien binnen drie maanden na vaststelling een in voldoende mate ondersteund verzoek als bedoeld in lid 1 van dit artikel wordt ingediend en tot het houden van een referendum wordt besloten.
•
3. Op het indienen van het (inleidend) verzoek en de ondersteuning daarvan is artikel 4 met uitzondering van lid 2 van de Verordening op het burgerinitiatief overeenkomstig van toepassing waarbij geldt dat enkel kiesgerechtigden een dergelijk verzoek kunnen ondersteunen.
HOOFDSTUK 4 Datum, vraagstelling en procedure Artikel 5 Datum •
1. De raad stelt de dag vast waarop het referendum wordt gehouden, met dien verstande dat het referendum niet later plaatsvindt dan uiterlijk vier maanden na de dag waarop de raad heeft besloten tot het houden van een referendum. De raad kan besluiten deze termijn te verlengen met maximaal drie maanden als binnen deze periode algemene verkiezingen worden gehouden.
•
2. Er kunnen meer referenda op dezelfde dag worden gehouden.
Artikel 6 Vraagstelling •
1. De raad stelt, tenminste acht weken voor het te houden referendum, de vraagstelling en de antwoordcategorieën van het referendum vast.
•
2. De vraagstelling wordt weergegeven op de oproepingskaart.
•
3 Aan de kiezer wordt in de vraagstelling twee alternatieven voorgelegd. Het is eveneens mogelijk de vraag voor te leggen of de kiezer voor of tegen de beoogde oplossingsrichting uit de startnotitie is.
Artikel 7 Advies en toezicht •
1. De raad laat zich bij het vaststellen van de vraagstelling adviseren door een commissie van advies en toezicht. De commissie is ook belast met de behandeling van klachten, ingediend na inwilliging van het verzoek, gerelateerd aan de uitvoering
van de referendumverordening. Deze behandeling kan leiden tot het uitspreken van een openbaar oordeel. •
2. De raad stelt deze commissie van advies en toezicht in en benoemt en ontslaat haar leden. De commissieleden zijn aangesteld voor een periode van 6 jaar. Het lidmaatschap van de raad, het college of van een gemeentelijke commissie is niet verenigbaar met het lidmaatschap van deze commissie.
•
3. De raad stelt een reglement vast ten behoeve van de vergaderingen en van de werkwijze van de commissie.
•
4. De commissie kan worden geraadpleegd over de uitzonderingsbepalingen van artikel 3 door diegenen die een initiatief als bedoeld in artikel 5 overwegen.
•
5. De leden van de commissie van advies en toezicht ontvangen een vergoeding gelijk aan de jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vast te stellen maximumvergoeding aan commissieleden.
Artikel 8 Uitvoering Burgemeester en wethouders zijn belast met de uitvoering van het raadsbesluit tot het houden van een referendum. Zij regelen de bestuurlijke en ambtelijke coördinatie. HOOFDSTUK 5 Financiën Artikel 9 Budget •
1. De raad stelt, nadat is besloten tot het houden van een referendum, een budget beschikbaar voor voorlichting en organisatie.
•
2. Burgemeesters en wethouders kunnen verzoekers, maatschappelijke organisaties, politieke partijen, gemeenteraadsfracties en zichzelf desgevraagd een tegemoetkoming toekennen in de kosten van organisatie en publiciteit ten behoeve van de campagne over de startnotitie waarop het referendum betrekking heeft.
•
3. De raad stellen nadere regels vast met betrekking tot de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor de in het tweede lid bedoelde tegemoetkoming en de verdeling daarvan.
Artikel 10 Dekking De begroting bevat een voorziening om de kosten van ten minste één referendum per jaar te kunnen dekken. HOOFDSTUK 6 De stemming, de uitslag en de gevolgen van de uitslag Artikel 11 De stemming •
1. Stemgerechtigd zijn degenen die op de drieënveertigste dag vóór de dag waarop het referendum wordt gehouden, kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de raad.
•
2. De bepalingen van de Kieswet voor wat betreft de raadsverkiezingen zijn voor zover nodig van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12 Geldigheid van de uitslag •
1. Het referendum wordt als geldig beschouwd, indien meer dan vijfentwintig procent van de kiesgerechtigden een stem heeft uitgebracht.
•
2. De uitslag van het referendum wordt berekend op basis van de gewone meerderheid van het totaal aantal uitgebrachte stemmen.
Artikel 13 De beslissing van de raad Zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee maanden na de dag waarop het referendum wordt gehouden, neemt de gemeenteraad een besluit naar aanleiding van de uitslag van het referendum. HOOFDSTUK 7 Slotbepalingen Artikel 14 Strafsanctie Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die: •
•
• •
a. stembiljetten, volmacht bewijzen of referendumkaarten namaakt of vervalst met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; b. stembiljetten, volmacht bewijzen of referendumkaarten die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij deze ontving, bekend was, opzettelijk als echt en onvervalst gebruikt of door anderen doet gebruiken, danwel deze met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, in voorraad heeft; c. stembiljetten, volmacht bewijzen of referendumkaarten voorhanden heeft met het oogmerk deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; d. als gemachtigde stemt voor een persoon, wetende dat deze is overleden.
Artikel 15 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026