CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Gewijzigde VFLO inclusief bijlagen

Commissie Bestuur 25 januari 2023, gemeente GoudaBij agendapunt: Wijziging Verordening Fysieke Leefomgeving (VFLO)24.095 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens het college gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Artikel 3.54 Nadere regels taken, samenstelling en werkwijze Adviescommissie Omgevingskwaliteit Nadere regels over taken, samenstelling en werkwijze van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit zijn vastgelegd in het Reglement van orde op en in de werkwijze van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit zoals opgenomen in de bijlagen VII en VIII van deze verordening. § 3.3.4. Actualisering van NEN- en andere normen. Artikel 3.55 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het college is het bevoegd gezag en is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.

Afdeling 3.4 Marktstandplaats innemen § 3.4.1. Algemene bepalingen Artikel 3.56 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het innemen, verlenen, intrekken en verwijdering van een marktstandplaats en het vaststellen van de inrichting van de markt. § 3.4.2. Locatie markt Artikel 3.57 Inrichting van de markt 1. Het college bepaalt ten aanzien van de markt: a. de locatie, de dag en de tijden van de markt; b. het aantal marktstandplaatsen; c. de afmetingen van de marktstandplaatsen; d. de opstelling en de indeling van de markt; e. welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerkersplaats. 2. Het college kan voor de markt vaststellen: a. een lijst met artikelengroepen of branches; b. een maximum aantal marktstandplaatsen per branche; c. de instelling van een marktpromotiefonds. Artikel 3.58 Andere locatie, indeling of afgelasting pagina 20

1. Het college kan besluiten de markt om bijzondere of dringende redenen af te gelasten dan wel onmiddellijk te beëindigen. 2. Het college kan een andere opstelling en indeling van de markt vaststellen ten behoeve van het plaats vinden van evenementen; 3. Het college kan tijdelijk een andere locatie voor de markt vaststellen ten behoeve van de kermis of van een ander bijzonder evenement, met inachtneming van voorafgaand goed overleg met alle betrokken partijen en na een zorgvuldige afweging van alle betrokken belangen. 4. Het college stelt de opstelling en de indeling van de markt vast indien de markt op een andere locatie plaatsvindt. § 3.4.3. Omgevingsvergunning marktstandplaats Artikel 3.59 Omgevingsvergunning vaste marktstandplaats Het is verboden om een marktstandplaats op een markt in te nemen zonder een omgevingsvergunning. Artikel 3.60 Voorschriften en beperkingen 1. Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een krachtens deze afdeling verleende omgevingsvergunning ter bescherming van de belangen in verband waarmee de omgevingsvergunning is vereist. 2. Degene aan wie krachtens deze afdeling een omgevingsvergunning is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen in acht te nemen. Artikel 3.61 Indiening aanvraag 1.

Voor toewijzing van een marktstandplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon, die een aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft ingediend bij het college en die daarbij tevens aantoont dat deze persoonlijk voldoet aan alle publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisatie. 2. Vaststelling van de identiteit en verblijfsrechtelijke positie geschiedt aan de hand van documenten als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 3.62 Intrekken van de omgevingsvergunning 1. Het college trekt een omgevingsvergunning vaste marktstandplaats in: a. op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder; b. bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van de nadere regels, bedoeld in artikel 5.1 derde lid, de vergunning wordt overgeschreven; c. indien de vergunninghouder in staat van faillissement komt te verkeren. d. indien de vergunninghouder blijvend arbeidsongeschikt is, tenzij op grond van de nadere regels, bedoeld in artikel 5.1 derde lid, de vergunning wordt overgeschreven; 2. Het college kan een omgevingsvergunning vaste marktstandplaats intrekken: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 3.61 genoemde vereisten. 3.

Indien degene op wie een omgevingsvergunning nadere regels, bedoeld in artikel 5.1, derde lid, is overgeschreven, reeds omgevingsvergunning heeft voor een andere vaste marktstandplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde omgevingsvergunning ingetrokken. Artikel 3.63 Intrekken en schorsen van de omgevingsvergunning Het college kan een omgevingsvergunning vaste marktstandplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat: a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of c. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. § 3.4.4. Uitsluiting of verwijdering wegens overtreding Artikel 3.64 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker pagina 21

Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze: a. het bepaalde bij of krachtens deze afdeling overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. niet als standwerker de gehele dag actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats; d. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Artikel 3.65 Onmiddellijke verwijdering Onverminderd artikel 125 van de Gemeentewet kan het college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen indien deze: a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; b. zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats.

Afdeling 3.5 Ondergrondse infrastructuur § 3.5.1. Algemene bepalingen Artikel 3.66 Toepassingsbereik 1. Deze afdeling is van toepassing op de aanleg, het behouden, het onderhoud en het verwijderen van leidingen in de openbare ruimte en in of op kunstwerken. 2. Deze afdeling is niet van toepassing op: a. kabels, bedoeld in de Telecommunicatiewet; b. de leidingen, die onderdeel zijn van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer of deel uitmaken van drukapparatuur als bedoeld in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. § 3.5.2. Omgevingsvergunning leidingen Artikel 3.67 Omgevingsvergunning leidingen 1. Het is verboden een leidingen in, op of boven de openbare ruimte, en in of op kunstwerken te verrichten zonder een omgevingsvergunning leidingen: a. aan te leggen of te houden; b. te onderhouden, of c. behoudens het bepaalde in artikel 3.80, te verwijderen. 2. Het is verboden om een leiding zonder of in strijd met een omgevingsvergunning leidingen: a. te wijzigen; b. te verplaatsen; c. een andere functie te geven dan die in de vergunning is omschreven. Artikel 3.68 Beoordelingsregels 1. Een omgevingsvergunning leidingen wordt verleend, indien wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze afdeling. 2. De aanvraag wordt ingediend bij het college door middel van een daartoe vastgesteld formulier. 3.

In geval van reparaties en het maken van huisaansluitingen met een maximale lengte van 25 meter in openbare gronden geldt ten opzichte van de vorige leden een verkorte procedure, inhoudende dat tenminste twee werkdagen voorafgaande aan de werkzaamheden door de leidingexploitant een aanvraag is gedaan door middel van een door het college vastgesteld formulier en voor de beoogde werkzaamheden een omgevingsvergunning is verleend. Aan de omgevingsvergunning kunnen door het college voorwaarden worden gesteld. 4. Indien de werkzaamheden spoedeisend zijn dient de melding, bedoeld in het derde lid, zo spoedig mogelijk doch voor aanvang van de werkzaamheden door het college ontvangen te zijn. Artikel 3.69 Aanhouden aanvraag omgevingsvergunning leidingen pagina 22

1. Het college houdt een beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning aan indien er geen grond is om de omgevingsvergunning te weigeren en voor de aanleg, verplaatsing of verwijdering van de leiding tevens een bouwvergunning of een andere gemeentelijke vergunning vereist is, tenzij: a. de betreffende vergunning is afgegeven en zes weken zijn verstreken waarbinnen geen bezwaar is aangetekend dan wel b. een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend en dat verzoek is toegewezen. 2. De omgevingsvergunning leidingen wordt alleen verleend in indien wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze afdeling. Artikel 3.70 Voorschriften en beperkingen 1. Het college kan aan de omgevingsvergunning voorschriften, beperkingen en een tijdsduur verbinden. 2. De voorschriften en beperkingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op: a. de bescherming van de openbare orde; b. de bescherming van de bodem; c. de bescherming van de volksgezondheid; d. de voorkoming van gevaar, schade of hinder; e. de verkeersveiligheid en goede doorstroming van het verkeer; f. het verschaffen van nadere informatie; g. de bescherming en ongestoorde exploitatie van naburige leidingen; h. de afstemming met andere werken; i. de verzekering van de toestand waarin het tracé na voltooiing van het werk moet worden opgeleverd; j. het behoud van de integriteit van de leiding; k.

de bepaling van het tijdstip waarop de feitelijke werkzaamheden aan de leiding mogen of moeten beginnen; l. de vaststelling van de met het oog op het verrichten van de feitelijke werkzaamheden in te dienen werkplan en de termijn waarbinnen het plan moet zijn ingediend; m. het tijdschema voor de aanleg, wijziging of verwijdering van de leiding; n. de voorwaarden waaronder afwijking van het werkplan of het tijdschema is toegestaan; o. de bepaling van onderhoudsverplichtingen; p. het tracé waar de leiding mag of moet worden gelegd en gehouden. Artikel 3.71 Wijzigen of intrekken van de omgevingsvergunning 1. Het college kan de omgevingsvergunning in ieder geval wijzigen of intrekken indien: a. de leidingexploitant niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de leidingvergunning de werkzaamheden als omschreven in de vergunning is begonnen; b. de leidingexploitant de exploitatie en het onderhoud van de leiding gedurende een aaneengesloten periode van tenminste zes maanden staakt dan wel de leiding anderszins gedurende een periode van tenminste zes maanden niet in gebruik is en niet onderhouden is; c. blijkt dat de leidingvergunning op basis van onjuiste of onvolledige gegevens is verleend; d. de leidingvergunning in strijd met enig wettelijk voorschrift is afgegeven; e.

de leidingexploitant het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de vergunningvoorschriften niet naleeft; f. na het verlenen van de leidingvergunning naar het oordeel van het college gegronde aanleiding bestaat te veronderstellen dat het van kracht blijven van de leidingvergunning onaanvaardbare schadelijke gevolgen heeft voor mens, natuur of milieu en hieraan door het stellen van nadere voorschriften en beperkingen aan de verleende leidingvergunning niet kan worden tegemoetgekomen; g. dit noodzakelijk is vanwege de uitvoering van werken. 2. Eveneens kan het college met in achtneming van artikel 3.70 tweede lid een verleende omgevingsvergunning wijzigen of aanvullen. Artikel 3.72 Algemene voorwaarden omgevingsvergunning 1. De leidingexploitant draagt ervoor zorg dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd. 2. Indien de leiding ten aanzien waarvan een omgevingsvergunning is verleend wordt overgedragen of de leidingexploitant in een andere rechtsvorm wordt omgezet, melden de oude en de nieuwe pagina 23

leidingexploitant respectievelijk meldt de nieuwe rechtsvorm dit onverwijld schriftelijk aan het college. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan het college in de omgevingsvergunning bepalen dat de vergunning slechts geldt voor de leidingexploitant. 4. Een krachtens deze verordening verleende omgevingsvergunning geldt, voor zover van toepassing, tevens als een omgevingsvergunning voor als bedoeld in artikel 3.25 en artikel 3.27. Artikel 3.73 Verval omgevingsvergunning leidingen 1. De omgevingsvergunning vervalt indien de leidingexploitant schriftelijk aan het college verklaart van de omgevingsvergunning geen gebruik meer te willen maken. 2. Degene die een schriftelijke verklaring als bedoeld in het eerste lid afgeeft, wordt gedurende de tijd dat de leiding na opzegging in de openbare ruimte aanwezig is, beschouwd als leidingexploitant, tenzij de leiding is overgedragen of wordt geëxploiteerd of beheerd door een andere persoon, in welk geval laatstgenoemde persoon als leidingexploitant wordt beschouwd. 3.

In afwijking van het tweede lid wordt in geval van een persoonsgebonden vergunning als bedoeld in artikel 3.72, derde lid, de vergunninghouder als leidingexploitant beschouwd tot het moment dat hij de vergunning conform het eerste lid opzegt en de exploitatie van de leiding staakt of de leiding waar de vergunning betrekking op heeft in eigendom overdraagt en hij daarvan schriftelijk melding heeft gedaan bij het college met dien verstande dat hij het bewijs van de overdracht kan leveren. Artikel 3.74 Verplichtingen bij aanleg leiding 1. Het college kan de leidingexploitant verplichten binnen een door het college vast te stellen termijn na verlening van de omgevingsvergunning en voor de beoogde aanvang van de feitelijke werkzaamheden voor de aanleg, wijziging of verwijdering van de leiding documenten in te dienen. 2. De leidingexploitant voltooit de werkzaamheden met betrekking tot de aanleg, wijziging of verwijdering binnen zes maanden na aanvang van de werkzaamheden, tenzij in de omgevingsvergunning anders is bepaald. Artikel 3.75 Werkwijze aanleg 1. De leidingexploitant stelt het college in de gelegenheid op werkdagen de gelegde leiding in te meten. 2. De leidingexploitant draagt ervoor zorg dat het leidingtracé na afloop van het werk in de oorspronkelijke, dan wel in de omgevingsvergunning omschreven staat wordt opgeleverd. 3.

Indien door de leidingexploitant werkzaamheden aan leidingen in de openbare ruimte worden uitgevoerd, brengt het college de kosten voor herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van die openbare ruimte die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden bij de leidingexploitant in rekening. Artikel 3.76 Ondergrondse obstakels 1. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden ondergrondse obstakels worden aangetroffen, meldt de leidingexploitant dit onverwijld aan het college. 2. Het college kan bij gebleken ondergrondse obstakels in of nabij het tracé van de leiding aan de leidingexploitant maatregelen opdragen ter bescherming van de belangen waartoe deze verordening strekt en opschorting van de werkzaamheden gelasten. De kosten van de te nemen maatregelen komen ten laste van de vergunninghouder. 3. De in het tweede lid bedoelde opschorting wordt pas gelast, indien: a. is gebleken dat geen uitvoering is gegeven aan de door het college aan de leidingexploitant opgedragen maatregelen, of b. naar het oordeel van het college maatregelen als bedoeld onder a. niet mogelijk zijn. Artikel 3.77 Tekeningen Het college kan de leidingexploitant verplichten na de voltooiing van het werk tekeningen, waaruit de feitelijke situatie na de uitvoering van de werkzaamheden blijkt, om niet aan het college ter beschikking te stellen. Artikel 3.78 Het beheer van leidingen 1.

De leidingexploitant is verplicht zorg te dragen voor een goede staat van onderhoud van de leiding. pagina 24

2. Het college kan de leidingexploitant verplichten periodiek aan het college door een onafhankelijk en deskundig bureau opgesteld rapport te verstrekken, waarin wordt aangetoond dat de leiding voldoet aan de vergunningsvoorwaarden. 3. Indien naar het oordeel van het college een leiding onvoldoende is onderhouden, zendt het college een aanzegging naar de leidingexploitant. De leidingexploitant meldt binnen de in de aanzegging bepaalde termijn op welke wijze en binnen welke termijn onderhoudswerkzaamheden zullen worden verricht. 4. Indien voor het verrichten van onderhoud aan de leiding graafwerkzaamheden in de openbare ruimte worden verricht zijn de artikelen 3.74 tot en met 3.77 van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.79 Verontreiniging, gevaar en hinder 1. De leidingexploitant is verplicht verontreiniging, gevaar of hinder, dan wel storingen waarbij verontreiniging, gevaar of hinder kunnen optreden, onmiddellijk te melden en alle maatregelen te treffen teneinde verdere verontreiniging, schade of hinder te voorkomen. 2. Het college kan de leidingexploitant opdragen een milieutechnisch onderzoek dan wel een onderzoek naar mogelijk gevaar of hinder uit te voeren, indien een redelijk vermoeden bestaat van verontreiniging, gevaar of hinder, ontstaan bij de exploitatie van de leiding. 3.

Het college kan bij gebleken of ernstige dreiging van verontreiniging, gevaar of hinder in of nabij het tracé van de leiding opschorting gelasten van de exploitatie van de betreffende leiding en, indien sprake is van een vergrote kans op verontreiniging, gevaar of hinder door belendende leidingen, van laatstgenoemde leidingen. Artikel 3.80 Het verwijderen van leidingen 1. De leidingexploitant is verplicht na het verlopen, opzeggen of geheel of gedeeltelijke intrekken van de omgevingsvergunning de leiding binnen een door het college te bepalen termijn te verwijderen. 2. De artikelen 3.67, 3.74, 3.75, 3.76 en 3.77 zijn van overeenkomstige toepassing op de verwijderingen, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3.81 Nadeelcompensatie Indien blijkt dat een leidingexploitant als gevolg van een besluit van het college, inhoudende een intrekking of wijziging van een omgevingsvergunning op grond van artikel 3.71, onderdeel g, schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel tot het normale risico kan worden gerekend en waarvan een vergoeding niet of niet voldoende is verzekerd, kent het college op verzoek aan hem een vergoeding toe.

Afdeling 3.6 Vaartuigen § 3.6.1. Algemene bepalingen Artikel 3.82 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het hebben of innemen van een ligplaats met een vaartuig. § 3.6.2. Niet aangewezen ligplaats Artikel 3.83 Omgevingsvergunning niet aangewezen ligplaats 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben of een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen buiten de op grond van artikel 2.16 aangewezen gedeelten van het water. 2. Voor het innemen van een ligplaats, buiten de op grond van artikel 2.16 aangewezen gedeelten van het water, voor vaartuigen die in aanbouw of in reparatie zijn is een omgevingsvergunning vereist. Aan deze omgevingsvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden. § 3.6.3. Omgevingsvergunning ligplaats Artikel 3.84 Omgevingsvergunning ligplaats 1. Het is verboden om een op de op grond van artikel 2.16 aangewezen plaatsen met een vaartuig in te nemen zonder een omgevingsvergunning.

pagina 25

2. Op de op grond van artikel 2.16, derde lid, aangewezen plaatsen mag een historisch bedrijfsvaartuig een ligplaats innemen mits de rechthebbende beschikt over een ligplaatsovereenkomst met de Stichting Binnenhavenmuseum Turfsingel, 3. De Stichting Binnenhavenmuseum Turfsingel maakt gebruik van een door het college goedgekeurd model voor de ligplaatsovereenkomst. Het college kan voorschriften en bepalingen vaststellen die in een te sluiten ligplaatsovereenkomst dienen te worden opgenomen. 4. Met betrekking tot de ligplaatsen in de Breevaart en de Molenvliet kan het college de in het eerste lid bedoelde vergunning uitsluitend verlenen aan de bewoners van de woningen Bodegraafsestraatweg 61 t/m 165, Oostboezemkade 12, Wethouder Venteweg 107 t/m 171, Wethouder Venteweg 25 t/m 103, Oostboezemkade 1 t/m 10, Burgvlietkade 48 t/m 98, Steijnkade 29 t/m 36, Steijnpad 3, Burgvlietkade 13 t/m 45, Zuidelijke Steijnkade 1 t/m 28 en Zuidelijke Burgvlietkade 1 t/m 23. 5. De omgevingsvergunning ligplaats wordt gesteld op naam van de rechthebbende van het vaartuig en vermeldt de plaatsaanduiding van de desbetreffende ligplaats, de bijbehorende voorzieningen en de kenmerken van het vaartuig. Artikel 3.85 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning ligplaats kan worden verleend indien: a. voor de ligplaats nog geen vergunning is verleend; b.

het vaartuig inclusief de bijbehorende voorzieningen niet langer en/of breder is, hoger boven respectievelijk dieper onder de waterlijn ligt, of een onderlinge afstand heeft minder dan aangegeven op de ligplaatsenkaarten; c. het vaartuig geen belemmeringen kan veroorzaken aan het verkeer te water of te land; d. het uiterlijk en de ligplaats van het vaartuig zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand; e. het vaartuig voldoet aan eisen van veiligheid en gezondheid; f. het aannemelijk is dat de aanvrager binnen 12 weken na het indienen van de aanvraag met het woonschip/bedrijfsvaartuig de plaats waarvoor de ligplaatsvergunning is aangevraagd, kan innemen; g. de aanvraag in overeenstemming is met de door het college gestelde regels op het gebied van de bijbehorende voorzieningen. Artikel 3.86 Wachtlijst omgevingsvergunning ligplaats 1. Indien de aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt geweigerd omdat de gewenste ligplaats aan een ander is toegewezen wordt, behoudens de in artikel 3.88, lid bepaalde gevallen, de naam van de aanvrager op zijn verzoek op een door het college aan te houden wachtlijst geplaatst. 2.

Indien één van de op grond van artikel 2.16 aangegeven plaatsen vrijkomt stelt het college, behoudens de in artikel 3.84, bepaalde gevallen, de op de wachtlijst geplaatste gegadigden, te beginnen met de hoogst geplaatste, in de gelegenheid een nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning in te dienen. In deze gevallen kan de omgevingsvergunning alleen worden verleend als voldaan is aan artikel 3.85, onder b t/m g. 3. Indien de nieuwe aanvraag niet binnen vier weken na de datum van verzending van de in het tweede lid bedoelde is ontvangen, wordt aangenomen dat geen prijs meer wordt gesteld op de omgevingsvergunning en wordt de naam van de betrokken persoon van de wachtlijst geschrapt. Artikel 3.87 Overdragen omgevingsvergunning ligplaats 1. De vergunninghouder kan, behoudens de gevallen, bedoeld in artikel 3.84, vierde lid, de omgevingsvergunning overdragen aan een rechtverkrijgende. 2. Op een aanvraag tot wijziging van een omgevingsvergunning is artikel 3.85, onder b tot en met g, van toepassing. Artikel 3.88 Wijzigen van de omgevingsvergunning ligplaats 1. Indien wijziging van de omgevingsvergunning gewenst is, dient de vergunninghouder bij het college een aanvraag tot wijziging van de omgevingsvergunning in. 2. Op een aanvraag tot wijziging van een omgevingsvergunning is artikel 3.85, onder b tot en met g, van toepassing.

Artikel 3.89 Intrekken van de omgevingsvergunning pagina 26

Het college kan de omgevingsvergunning intrekken indien: a. de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste opgave of informatie is verleend; b. de gegevens in de omgevingsvergunning niet meer overeenstemmen met de werkelijke situatie; c. niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze afdeling gegeven voorschriften; d. het vaartuig waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft zowel op zichzelf als in verband met de omgeving niet aan redelijke eisen van welstand voldoet; e. het vaartuig waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft niet voldoet aan eisen van veiligheid en gezondheid; f. het vaartuig waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft zonder toestemming van het college gedurende een periode langer dan 12 aaneengesloten weken buiten de gemeente verblijft; g. het woonschip/bedrijfsvaartuig waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft zonder toestemming van het college gedurende een periode langer dan 26 weken aaneengesloten niet tot dag- en/of nachtverblijf dient; h. op de ligplaats voorzieningen aanwezig zijn die niet zijn vermeld op de omgevingsvergunning. Artikel 3.90 Aansluiting aan drinkwaterleiding 1. De vergunninghouder is verplicht ervoor te zorgen dat het woonschip/bedrijfsvaartuig is aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding. 2.

Het college kan vrijstelling verlenen van de verplichting bedoeld in het eerste lid, indien het schip is voorzien van één of meer drinkwatertanks, waarvan de gezamenlijke inhoud minimaal 250 liter bedraagt. Artikel 3.91 Aansluiting aan de riolering 1. De vergunninghouder is verplicht ervoor te zorgen dat het woonschip is aangesloten een openbaar riool. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is; b. voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd. 3. Het college kan, mits de waterkwaliteitsbeheerder hiervoor toestemming heeft verleend, vrijstelling verlenen van het eerste lid indien afvoer op een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk is voor woonschepen/ bedrijfsvaartuigen die op een grotere afstand dan 40 meter van een openbaar riool zijn gelegen. 4. De in het derde lid bedoelde afstand wordt gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt. Artikel 3.92 Nakoming aanwijzingen 1. Bij het innemen van een ligplaats en bij het uitvoeren van werkzaamheden aan of nabij de ligplaats worden de door het college gegeven aanwijzingen in acht genomen. 2. De vergunninghouder verplicht gevolg te geven aan de door het college gegeven bevelen en aanwijzingen in het belang van de openbare orde of van de vrijheid of veiligheid van het verkeer.

Artikel 3.93 Aanvraag omgevingsvergunning Bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning ligplaats moet de aanvrager gebruik maken van een door het college vastgesteld formulier de volgende bescheiden worden overgelegd: a. een tekening van het vaartuig en een foto, die een indruk geeft van het vaartuig in zijn omgeving; b. een aanduiding van de ligplaats op de betrokken ligplaatsenkaart.

Afdeling 3.7 Houtopstanden § 3.7.1. Algemene bepalingen Artikel 3.94 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het vellen van houtopstanden. Artikel 3.95 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: pagina 27

a. b. c. d.

Natuur- en milieuwaarden; Landschappelijke waarden; Cultuurhistorische waarden; waarden van stads- en dorpsschoon

e. waarden voor recreatie en leefbaarheid § 3.7.2. Omgevingsvergunning kappen Artikel 3.96 Omgevingsvergunning kappen 1. Het is verboden om een houtopstand te vellen of te doen vellen zonder een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op houtopstanden buiten de openbare ruimte met een dwarsdoorsnede van de stam tot 30 centimeter gemeten op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld; 3. Het eerste lid is niet van toepassing op houtopstand die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het college, waarbij de artikelen 3.99 en 3.100 van overeenkomstige toepassing zijn. b. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud en het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen. c. houtopstand die met toestemming van het college wordt geveld vanwege dreigend gevaar voor de directe omgeving, indien vanwege spoed de normale vergunningsverlening procedure niet kan worden afgewacht, waarbij de artikelen 3.99 en 3.100 van overeenkomstige toepassing zijn. Artikel 3.97 Beoordelingsregels 1.

Een omgevingsvergunning kan worden verleend indien de belangen van verlening opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van oogmerken van artikel 3.95. 2. In geval van een aanvraag om omgevingsvergunning vanwege overlast van een boom wordt gebruik gemaakt van een door het college hiertoe vastgesteld afwegingsmodel overlast van bijlage IX. 3. Een omgevingsvergunning voor het vellen van een monumentale boom wordt slechts bij uitzondering verleend: a. indien een zwaarwegend maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de monumentale boom en alle alternatieven uitputtend zijn onderzocht; of b. indien naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade. 4. Het college kan bij het onder voorschriften verlenen van de vergunning de in het eerste lid genoemde waarden als motivering hanteren. Het college verwijst bij de beslissing op een aanvraag zoveel mogelijk naar gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen. Artikel 3.98 Intrekken van de omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor zover deze betrekking heeft op het vellen van houtopstanden geheel of gedeeltelijk intrekken indien binnen een jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning de betrokken houtopstanden niet zijn geveld. Artikel 3.99 Voorschriften en beperkingen 1.

Aan een omgevingsvergunning, op basis van deze afdeling, kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Tot deze voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. 2. In het geval een voorschrift als bedoeld in het eerste lid aan de vergunning wordt verbonden, moet herplant die binnen drie jaar na het herplanten niet aanslaat, worden vervangen. 3. Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan tot de aan een omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften behoren het voorschrift dat een geldelijke bijdrage gestort dient te pagina 28

worden. De hoogte van de geldelijke bijdrage wordt berekend op basis van de herplantwaarde. Voor deze bijdrage zullen vervangende bomen op een andere locatie binnen de gemeente worden geplant. De bijdrage kan ook worden gebruikt voor het toepassen van een zwaardere plantmaat bij het vervangen van bomen op een andere locatie binnen de gemeente. 4. Tot aan de omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat: a. pas tot het vellen van de houtopstand mag worden overgegaan als de termijn om, tegen andere, concreetburge te benoemen, vergunningen of ruimtelijke besluiten, bezwaar te maken of beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien binnen deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, dat verzoek is afgewezen en dat bij toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening pas tot vellen van de houtopstand mag worden overgegaan als op het bezwaar of beroep is beslist; b. de omgevingsvergunning tot vellen vervalt als andere, concreet te benoemen, vergunningen of ruimtelijke besluiten, zijn vernietigd, ingetrokken of alsnog zijn geweigerd. Artikel 3.100 Herplantplicht 1.

Indien houtopstand waarop de vergunningsplicht voor het vellen, wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. 2. Indien niet ter plaatse kan worden herplant wordt een financiële bijdrage betaald op basis van de boomwaarde. 3. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan moet herplant die binnen drie jaar na het herplanten niet aanslaat, worden vervangen. 4. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. 5. Degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 3.101 Verplichtingen Degene aan wie een verplichting als bedoeld in artikel 3.96 of 3.100 is opgelegd alsmede diens rechtsopvolger is gehouden dienovereenkomstig te handelen.

pagina 29

Hoofdstuk 4 Overige bepalingen relevant voor de fysieke leefomgeving Afdeling 4.1 Naamgeving en nummering Artikel 4.1 Aanbrengen van nummer 1. De door het college toegekende namen, bedoeld in artikel 2.14, worden door of in opdracht van de gemeente blijvend zichtbaar en in voldoende aantallen ter plaatse aangebracht. 2. Aan objecten, zoals aangegeven in artikel 2.15, waarvoor een nummer is vastgesteld moet dat nummer op een doeltreffende wijze zijn aangebracht. 3. Het is eenieder die daartoe niet is bevoegd, verboden namen aan de openbare ruimte en woonplaatsen, wijken en buurten toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen. 4. Het is eenieder die daartoe niet is bevoegd, verboden aan een pand of verblijfsobject, stand- of ligplaats of afgebakend terrein nummers toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen. Artikel 4.2 Gedoogplicht naamborden 1. Indien het college het nodig oordeelt dat borden met een wijk- of buurtaanduiding, borden met namen van de openbare ruimte, naamverwijsborden, nummerborden, nummerverzamelborden en andere (verwijs)aanduidingen aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal, schutting of een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, draagt de rechthebbende er zorg voor dat de hier bedoelde borden vanwege of op verzoek en overeenkomstig de aanwijzingen van het college worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.

Indien het college het noodzakelijk acht om een naambord, waarop de vervallen naam is doorgehaald, tijdelijk naast het naambord met de nieuwe naam te handhaven zal de rechthebbende dit toelaten als daaraan door het college een termijn van niet langer dan een jaar is verbonden. 3. De rechthebbende zorgt er voor dat de in het eerste en tweede lid bedoelde borden vanaf de openbare weg duidelijk leesbaar blijven. Artikel 4.3 Verplichting tot aanbrengen van nummerborden 1. Tenzij het college anders heeft besloten, zorgt de rechthebbende van een object er voor dat de nummers, zoals bedoeld in artikel 2.15, tweede lid, worden aangebracht op een wijze zoals krachtens artikel 5.1, vijfde lid, is bepaald. 2. De rechthebbende draagt er zorg voor dat de in het eerste lid genoemde nummers binnen vier weken na kennisgeving van het besluit van het college zijn aangebracht. 3. Indien een verblijfsobject, ligplaats, standplaats of afgebakend terrein nog niet is voltooid, wordt het nummer binnen vier weken na voltooiing aangebracht. 4. Indien het college heeft besloten om een nummerbord, waarop het vervallen nummer is doorgehaald, naast het nummerbord met het nieuwe nummer te handhaven zal de rechthebbende dit toelaten of daar uitvoering aan geven als daaraan door het college een termijn van niet langer dan een jaar is verbonden. 5.

Het college kan de in het tweede en derde lid genoemde termijn verlengen.

Afdeling 4.2 Houtopstanden Artikel 4.4 Schadevergoeding Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 6.3 van de Wet natuurbescherming. Artikel 4.5 Afstand van de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters. Artikel 4.6 Bestrijding van boomziekten 1. Indien zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de

pagina 30

ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: a. de houtopstand te vellen. b. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. 2. Het is verboden gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. 3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet voor zover het college voor het uitvoeren van de genoemde activiteiten een omgevingsvergunning heeft verleend.

Afdeling 4.3 Water Artikel 4.7 Uitbaggeren en reinigen van sloten enzovoort van gemeentewege De rechthebbende op een niet tot bewoning bestemd gebouw of erf, is verplicht personen die van gemeentewege zijn belast met het uitbaggeren en/of reinigen van openbare wateren en die zulks voor de uitoefening van hun taak noodzakelijk achten, de toegang tot dat gebouw en dat erf te verlenen en te gedogen, dat door dat gebouw of over dat erf de uitgebaggerde specie en/of andere voorwerpen of stoffen worden weggevoerd.

pagina 31

Hoofdstuk 5 Procesregels Afdeling 5.1 Nadere regels met betrekking tot activiteiten in de fysieke leefomgeving Artikel 5.1 Nadere regels 1. Het college kan nadere regels vaststellen met het oog op de in de artikelen 3.26, 3.42 vierde lid, 3.44 en 3.17 genoemde belangen. 2. Het college kan over de onderwerpen in afdeling 3.4 nadere regels stellen, waaronder regels voor het overschrijven van vergunningen. 3. Het college kan ter uitvoering van afdeling 3.5 nadere regels stellen, waarin onder meer bepalingen zijn opgenomen over de veiligheid, het ontwerp, beheer, aanleg, onderhoud en het verwijderen van leidingen. Het college stelt in de nadere regels vast welke gegevens en documenten voor de beoordeling van de aanvraag benodigd zijn. 4. Het college kan nadere regels stellen betreffende het proces van wijze van: a. b. c. d.

naamgeving en van begrenzing van woonplaatsen, wijken en buurten; naamgeving en begrenzing van de openbare ruimte; nummering van verblijfsobjecten, ligplaatsen en standplaatsen en afgebakende terreinen; opmaak van formulieren, besluiten en verklaringen.

Afdeling 5.2 Adviescommissie Omgevingskwaliteit Artikel 5.2 Leden Adviescommissie Omgevingskwaliteit 1. De voorzitter en leden van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit worden benoemd door de gemeenteraad en zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur. 2. De Adviescommissie Omgevingskwaliteit wordt bijgestaan door een secretaris of diens plaatsvervanger. Artikel 5.3 Jaarlijkse verantwoording Adviescommissie Omgevingskwaliteit 1. De Adviescommissie Omgevingskwaliteit stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: a. op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; b. opmerkelijke ruimtelijke ontwikkelingen in de stad en de rol van het welstandstoezicht daarin; c. aard en betekenis van de belangrijkste bouwplannen en de wijze waarop het plan is behandeld en tot stand gekomen is, en d. feitelijke (getalsmatige) informatie. 2. De Adviescommissie Omgevingskwaliteit kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.

Afdeling 5.3 Planschade § 5.3.1. Aanvraag om tegemoetkoming in planschade en beschikking Artikel 5.4 Indiening van de aanvraag en de mededeling van ontvangst 1. Een aanvraag om tegemoetkoming in schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening wordt bij het college ingediend met gebruikmaking van een door het college vastgesteld formulier. 2. Het college tekent de datum van ontvangst onverwijld aan op het formulier en zendt de aanvrager onverwijld een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld. Artikel 5.5 Beschikking van het college 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van het advies op het verzoek en maakt dit besluit binnen deze termijn bekend aan de aanvrager. 2. Het college kan de in het eerste lid bedoelde beslissing, onder opgaaf van redenen, eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen. pagina 32

§ 5.3.2. Adviescommissie Artikel 5.6 Opdrachtverstrekking Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in artikel 6.1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening verstrekt het college aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 5.7 Adviseur of adviescommissie 1. Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking wordt door het college een adviseur aangewezen die beschikt over voldoende deskundigheid inzake advisering op het gebied van planschade. 2. Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege inkomensderving en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid, wordt door het college een tweede adviseur aangewezen die deskundig is op het gebied van accountancy of van financieel economische bedrijfsvoering. 3.

Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege waardevermindering van een onroerende zaak en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid, wordt door het college een tweede adviseur aangewezen die deskundig is ter zake van de waardering van onroerende zaken en van waardevermindering daarvan als gevolg van een planologische verslechtering. 4. Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een adviescommissie, waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur voorzitter is. 5. De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan. Artikel 5.8 Deskundigheid en onafhankelijkheid 1. Voordat een persoon als adviseur wordt aangewezen, kan het college verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 4.3, eerste, tweede of derde lid, bedoelde aspecten waarop deze persoon de aanvraag moet beoordelen. 2. Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de raad. Eveneens mag een adviseur niet betrokken zijn bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. Artikel 5.9 Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie 1.

Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in artikel 5.4 verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van: a. een adviseur als bedoeld in artikel 5.7, eerste lid, of b. meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 5.7, vijfde lid. 2. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college indienen. 3. Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs. Artikel 5.10 Werkwijze adviseur of adviescommissie 1. Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking. 2.

Eén of meer personen die ingevolge hun functie belast zijn met de uitvoering van deze verordening zal de adviseur of de adviescommissie bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaan.

pagina 33

3. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en de in het tweede lid bedoelde ambtelijke vertegenwoordiger(s) in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. 4. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het tijdstip waarop de adviseur of de adviescommissie de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit. 5. Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt. 6. Van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het vierde lid bedoelde bezichtiging wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid van, de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies. 7.

De adviseur of de adviescommissie betrekt de in artikel 6.1.3.4 van het Besluit ruimtelijke ordening genoemde punten in de advisering. 8. De adviseur of de adviescommissie kan voor de advisering met inachtneming van het bepaalde in artikel 6.1.3.5 van het Besluit ruimtelijke ordening inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden. 9. Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de adviescommissie binnen zestien weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan aan de gemeente, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn met ten hoogste vier weken verlengen. 10. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het concept advies schriftelijk hierop te reageren. 11.

In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken. 12. In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college. 13. De adviseur of adviescommissie zendt een afschrift van het definitieve advies aan de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. § 5.3.3 Uitbetaling Artikel 5.11 Uitbetaling Indien het college een vergoeding van planschade vaststelt, vindt uitbetaling plaats op een door aanvrager aangegeven rekening zo spoedig mogelijk na het onherroepelijk worden van deze beschikking.

pagina 34

Hoofdstuk 6 Toezicht en handhaving Artikel 6.1 Strafbepaling 1. Overtreding van artikel 4.1, tweede tot en met vierde lid, artikel 4.2 en artikel 4.3, eerste tot en met het vierde lid, wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie. 2. Overtreding van de artikelen 3.67, tweede lid, 3.74, tweede lid, 3.76, eerste lid, 3.78, eerste lid en derde lid, tweede volzin, 3.79, eerste lid, 3.83 en 3.84 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. 3. Overtreding van het bij of krachtens artikel 3:20, afdeling 3.4 van deze verordening daarbij gegeven beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. Overtredingen bij of krachtens bepalingen uit afdeling 3.4 kunnen bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 4. Het derde lid geldt niet ten aanzien van het bepaalde bij of krachtens artikel 3.27, 3.28, 3.40 en 3.41. 5. Overtredingen van artikel 3.101, 3.4 of het bepaalde krachtens het artikel 3.5 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Bij de strafbepaling op basis van artikel 3.101 kan rekening worden gehouden met de boomwaarde. Artikel 6.2 Toezichthouders 1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens afdeling 3.1 zijn belast de bouwinspecteurs en de gemeentelijk archeoloog. 2. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens afdeling 3.2 zijn belast: a. medewerkers van de gemeente, voor zover zij zijn belast met een toezichthoudende taak; b. medewerkers van het intergemeentelijk samenwerkingsorgaan Omgevingsdienst Midden Holland (ODMH); c. ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering; d. medewerkers van de regionale brandweer Hollands Midden; e. buitengewoon opsporingsambtenaren van Staatsbosbeheer; f. buitengewoon opsporingsambtenaren van de provincie Zuid-Holland. Deze personen zijn tevens belast met de opsporing van het bepaalde bij of krachtens deze verordening voorzover hen daartoe opsporingsbevoegdheid is verleend op grond van artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering 3. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens afdeling 3.4 zijn belast de controleur openbare ruimte. 4. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens afdeling 3.6 is belast de afdeling Beheer Openbare Ruimte. 5. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens afdeling 3.8 zijn belast: a. de medewerkers van de afdeling Stadstoezicht; b.

de ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2, onder a en c van de Politiewet 2012 van de regionale eenheid arrondissement Den Haag. Deze personen zijn tevens belast met de opsporing van het bepaalde bij of krachtens deze verordening voor zover hen daartoe opsporingsbevoegdheid is verleend op grond van artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering. 6. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college aan te wijzen personen. Artikel 6.3 Bevoegdheid binnentreden woonschip of bedrijfsvaartuig Zij die belast zijn met de zorg voor de naleving van de bij of krachtens afdeling 3.7 gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woonschip of bedrijfsvaartuig zonder toestemming van de bewoner.

pagina 35

Hoofdstuk 7 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 7.1 Intrekking, vervallen bepalingen en hernoeming Bomenverordening 1. De volgende verordeningen worden ingetrokken: a. de Erfgoedverordening Gouda 2017; b. de Marktverordening Gouda 2009; c. de Bouwverordening Gouda 2019; d. de Vaartuigenverordening Gouda 2009; e. de Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Gouda 2009; f. de Verordening naamgeving en nummering adressen Gouda 2012. 2. De artikelen 1 tot en met 9 en 15 van de Bomenverordening 2010 vervallen. 3. De Bomenverordening wordt hernoemd als Subsidieverordening monumentale bomen. Artikel 7.2 Overgangsbepalingen 1. Besluiten genomen bij of krachtens de in artikel 7.1 genoemde regels worden aangemerkt als omgevingsvergunningen genomen krachtens deze verordening. 2. Aanvragen voor vergunningen en ontheffingen op het gebied van de fysieke leefomgeving waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist worden afgehandeld krachtens deze verordening. Aanwijsbesluiten genomen op basis van de Erfgoedverordening worden eveneens aangemerkt als aanwijsbesluiten krachtens deze verordening. 3. Handhavings- en gedoogbesluiten op basis van de in artikel 7.1 genoemde regels worden aangemerkt als handhavings- en gedoogbesluiten genomen krachtens deze verordeningen. 4.

Aanwijzingsbesluiten van toezichthouders bij of krachtens de in artikel 7.1 genoemde regels worden aangemerkt als aanwijsbesluiten van toezichthouders genomen krachtens deze verordening. 5. Op bezwaar- en beroepschriften tegen besluiten genomen bij of krachtens de in artikel 7.1 genoemde regels wordt beslist met inachtneming van deze verordening. 6. Voor leidingen die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig en in gebruik zijn geldt de schriftelijke toestemming dan wel vergunning op grond waarvan zij gelegd zijn als een vergunning krachtens deze afdeling. 7. Indien het college van oordeel is dat een schriftelijke toestemming dan wel reeds verleende vergunning als bedoeld in het zesde lid niet voldoet aan de voorschriften bij of krachtens deze verordening kan zij de leidingexploitant een termijn stellen waarbinnen hij het college nadere informatie over de leiding dient te verschaffen of een aanvraag voor een vergunning moet indienen, bij gebreke waarvan de schriftelijke toestemming bij een door het college te bepalen tijdstip komt te vervallen. Artikel 7.3 Samenloopbepaling Vervallen. Artikel 7.4 Vernummering Vervallen. Artikel 7.5 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Artikel 7.6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Gouda.

Aldus besloten in de openbare vergadering van 28 oktober 2020. De raad van de gemeente voornoemd,

pagina 36

griffier

voorzitter

mr. drs. E.J. Karman-Moerman

mr. drs. P. Verhoeve

pagina 37

Bijlage I – Begrippen Algemene begrippen - Adviescommissie Omgevingskwaliteit: adviescommissie voor integraal omgevingskwaliteitsbeleid, als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet, tevens commissie monumenten en cultuurhistorie als bedoeld in de Erfgoedwet; -Bebouwde kom: de bebouwde kom zoals aangegeven op de in Bijlage II bij deze verordening opgenomen kaart van 28 oktober 2020, in de zin van artikel 4.1 sub a van de Wet natuurbescherming; -Bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerk gebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart; -Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; -College: het college van burgemeester en wethouders; -Goede omgevingskwaliteit: aspecten die zorgdragen voor de leefbaarheid en kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de breedste zin van het woord; -Kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of

kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; -Kunstwerken: voor de geleiding van een leiding aangebrachte infrastructuur waaronder in ieder geval wordt verstaan leidingentunnels en leidingenviaducten, en in infrastructuur aanwezige voorzieningen ten behoeve van de geleiding van leidingen; -Ligplaats: door het bevoegde gemeentelijke orgaan als zodanig aangewezen plaats in het water al dan niet aangevuld met een op de oever aanwezig terrein of een gedeelte daarvan, die bestemd is voor het permanent afmeren van een voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikt drijvend object; -Omgevingsoverleg: (voor)overleg met een initiatiefnemer voorafgaand aan een vergunningsaanvraag; -Omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Erfgoedwet en de Woningwet; -Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; -Openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg., alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; -Openbare ruimte: de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke ruimte, zoals wegen, parkeerplaatsen, stoepen, pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen; -Onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt; -Parkeren: parkeren als

bedoeld in artikel 1, onder a en c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990); -Rechthebbende: een ieder die krachtens eigendom of een beperkt zakelijk recht of een persoonlijk recht zodanig beschikking heeft over een onroerende zaak dat hij naar burgerlijk recht bevoegd is om in die zaak te handelen zoals in de verordening is voorgeschreven, alsmede de beheerder;

pagina 38

-Standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement; -Voertuigen: motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) met uitzondering van: a. kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; b. treinen en trams; -Weg: weg met inbegrip van de daarin gelegen kunstwerken en wat verder naar zijn aard daartoe behoort;

Cultureel erfgoed (afdeling 3.2 en 2.1) -Archeologievriendelijk bouwen:instrument voor behoud in situ/bouwwijze waarbij de schade aan het. bodemarchief tot een minimum wordt beperkt en het bodemarchief onder de nieuwbouw bewaard blijft; Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek cf. de richtlijnen van de KNA: gebiedsgericht of vindplaatsgericht onderzoek waarbij het gespecificeerde verwachtingsmodel dat op het archeologisch bureauonderzoek en/of het Programma van Eisen is gebaseerd, wordt aangevuld en getoetst door middel van waarnemingen in het veld waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied (land, water). Dit omvat de aan of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het IVO kan uitgevoerd worden als een IVO-proefsleuven (IVO-P) (waarbij veldwerk o.a. bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O) (waarbij het veldwerk kan bestaan uit kartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek).

-Archeologische Opgraving- variant begeleiding (vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie): vorm van onderzoek – bij hoge uitzondering - waarbij archeologische waarden worden gedocumenteerd en archeologische vondsten worden veiliggesteld; -Archeologische begeleiding: vorm van onderzoek waarbij archeologische waarden worden gedocumenteerd en archeologische vondsten worden veiliggesteld; -Archeologisch bureauonderzoek: vorm van archeologisch onderzoek met als doel een gespecificeerde archeologische verwachting en formulering van een verdere onderzoeksstrategie dan wel planaanpassing met als doel fysieke bescherming (behoud in situ). Het bureauonderzoek wordt opgesteld aan de hand van de aan- of afwezigheid (de historische situatie en mogelijke verstoringen, de mogelijke bouwhistorische waarden), het karakter en de omvang, de gaafheid, de conservering en de relatieve kwaliteit van archeologische waarden worden bepaald aan de hand van bestaande bronnen over archeologische waarden die voor een bepaald gebied al bekend zijn of worden verwacht (cf. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie); -Archeologisch onderzoek: hierbij wordt aangesloten bij de begripsbepalingen in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, BRL 4000. De andere begrippen zoals archeologisch bureauonderzoek, veldinventariserend onderzoek, opgraving e.d.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=42637c4a-00e2-426f-8679-c466d700d7a9