DefinitefadviesCieMER.pdf
Tekst van het document
Omgevingsvisie Gouda Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 15 december 2021 / projectnummer: 3606
Advies over het MER in het kort De gemeente Gouda wil een omgevingsvisie vaststellen. Hierin staan vijf keuzes centraal: florerende stad, duurzame mobiliteit, gezonde groene stad, energietransitie en sterke wijken. Voor het besluit over de visie is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De gemeenteraad van Gouda heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna ‘de Commissie’) gevraagd te adviseren over het MER. In dit advies spreekt de Commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER.
Wat blijkt uit het MER? De omgevingsvisie bundelt grotendeels bestaand beleid. In het MER zijn de kansen en risico’s van de realisatie van een aantal beleidsuitspraken beoordeeld. Een voorbeeld van zo’n beleidsuitspraak is de toevoeging van 2.300 woningen rondom openbaarvervoersknooppunten, bovenop de al vastgestelde plannen voor 5.700 woningen. Een ander voorbeeld is het voornemen om regenwater zoveel mogelijk vast te houden zodat het in de bodem kan zakken. In het MER zijn geen alternatieven onderzocht. Het MER signaleert kansen voor bereikbaarheid, gezondheid en veiligheid. Voor natuur, cultureel erfgoed, bodem en milieukwaliteit worden meerdere risico’s gezien.
Wat is het advies van de Commissie? Het MER is compact, gestructureerd en maakt goed gebruik van kaartmateriaal. De Commissie waardeert het dat er in het MER ruim aandacht is voor cultuurhistorie omdat dat in deze gemeente een belangrijke kernwaarde is. Daarnaast presenteert het MER helder wat de aanbevelingen en aandachtspunten zijn voor de verdere uitwerking van de omgevingsvisie in plannen en programma’s. De Commissie signaleert bij de toetsing van het MER dat op een aantal punten informatie mist die essentieel is om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming over de Omgevingsvisie Gouda. Het gaat om inzicht in de volgende punten: •
Ruimteclaims. De ruimte die nodig is voor onder andere nieuwe woningen, energievoorziening en waterveiligheid, rekening houdend met de verschillende deelgebieden.
•
Onderbouwing ruimtelijke keuzes. De onderbouwing van locaties voor energie en woningen die in de visie worden vastgelegd vanuit milieuoverwegingen.
•
Knelpunten gezondheid. De specifieke knelpunten voor gezondheid en hoe deze op te lossen zijn.
•
Waterveiligheid. De maatregelen die de gemeente in kan zetten ter voorbereiding op een mogelijke overstroming en wat dit betekent voor de inrichting van de stad.
•
Wateroverlast. De mogelijke wateroverlast in het stedelijke gebied als in het landelijke gebied een ander, hoger, waterpeil wordt ingesteld en de gevolgen die het gewijzigde peil heeft op het peilbeheer in de stad.
•
Monitor Goudse keuzes. Het moment en de wijze waarop de omgevingsvisie bijgestuurd kan worden.
De Commissie adviseert deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen en dan pas een besluit te nemen over de Omgevingsvisie Gouda. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject.
-1-
Figuur 1- deelgebieden in de omgevingsvisie (Bron: MER). Aanleiding MER Omdat de visie kaders stelt voor projecten waarvoor een milieueffectrapport nodig is of kan zijn, is het wettelijk verplicht om een plan-MER op te stellen. Denk aan stedelijke ontwikkelingsprojecten of de ontwikkeling van infrastructuur. Omdat belangrijke negatieve effecten op Natura 2000- gebieden niet uitgesloten zijn, moet een Passende beoordeling gemaakt worden. Ook daarom moet een plan-MER opgesteld worden. Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad van Gouda - besluit over de Omgevingsvisie Gouda. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3606 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.
Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming door de gemeenteraad van Gouda. In de tekst wordt ook een aantal aanbevelingen gedaan. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.
-2-
Ruimteclaims van ambities inzichtelijk maken Het MER laat de interactie tussen de beleidsuitspraken1 zien, wat waardevolle informatie oplevert. Gouda is door zijn compacte karakter een stad met weinig ruimte. In het MER ontbreekt naar oordeel van de Commissie een inschatting van de fysieke ruimteclaims voor deze beperkte ruimte. Daardoor blijft het onduidelijk of er een noodzaak is om meerdere ruimteclaims met elkaar te combineren, en, als dat zo is, of dat dan ook mogelijk is. De Commissie adviseert daarom om - naast de nu uitgevoerde thematische en kwalitatieve botsproeven - ook ruimtelijke gekwantificeerde botsproeven uit te voeren. Breng daartoe de ruimteclaims van de opgaven en maatregelen – zoals klimaatadaptatie, omgaan met bodemdaling, initiatiefrijke stad, de aanleg van buurtpleinen en energievoorziening - in beeld. Hierbij is van belang om de samenhang tussen herbevestigd nog niet uitgevoerd beleid en nieuw beleid te beoordelen. Zogenaamde ‘botsproeven’ geven dan knelpunten en kansen aan van al deze ruimteclaims. Specifieer dit naar deelgebied. Denk hierbij aan het centrumgebied, stationsgebied en andere gebieden waar thema’s kunnen conflicteren. Door de ruimteclaims concreet te maken op een wijze die past bij een omgevingsvisie (dit kan aan de hand van kaarten, op hoofdlijnen of ‘orde van grootte’) wordt duidelijk welke keuzes er nu voorliggen.
Zo besteedt het MER ruim aandacht aan cultuurhistorie, een belangrijk onderdeel van de ‘Goudse waarde’ Compacte stad. De cultuurhistorische waarde kan echter onder druk komen te staan door andere ambities, zoals energieopwekking 2. Zo kunnen zonnepanelen op daken in de binnenstad ten koste gaan van de cultuurhistorie. Door de energieopgave in ordegrootte te kwantificeren en waar mogelijk ruimtelijk te duiden ontstaat hier zicht op. De Commissie adviseert om voorafgaand aan de besluitvorming, in een aanvulling op het MER, de ruimte in kaart te brengen die nodig is voor onder andere nieuwe woningen, energievoorziening en waterveiligheid, rekening houdend met de verschillende deelgebieden. Wanneer uit bovenstaande analyse blijkt dat de verschillende ruimteclaims niet in de schaarse ruimte passen, beveelt de Commissie aan om alternatieve oplossingen in beeld te brengen. De in de omgevingsvisie benoemde strategieën3 zouden zich hier goed voor kunnen lenen.
Onderbouwing van ruimtelijke keuzes In de visie worden voor sommige onderwerpen ook (globaal) ruimtelijke keuzes gemaakt. Een voorbeeld hiervan is de locatie van de woningbouw nabij spoorwegstations en de plaatsing van windturbines langs de wegen. De onderbouwing van deze locaties of zoekgebieden is nu niet beschikbaar in het MER. Voor energie geldt dat deze locaties mogelijk vanuit milieuoverwegingen worden onderbouwd in het RES, maar de laatste RES-informatie is niet
1
Zie paragraaf 5.4 van het MER. Botsproeven laten zien welke beleidsuitspraken mogelijk strijdig zijn en welke elkaar kunnen versterken.
2
Zie ook paragraaf 5.3.3 van het MER.
3
Zie pagina 26 van de Omgevingsvisie: Functieverandering, multifunctioneel ruimtegebruik, samen met de regio, normen bijstellen, de hoogte in/intensiveren, groei beperken, vergroenen, uitbreiden, slimme organisatie van de stad en functies stapelen.
-3-
opgenomen in het MER. Voor de woningbouw is de locatie wellicht ook eerder onderbouwd, maar ook deze informatie is niet beschikbaar in het MER. Ook zijn geen vergelijkingen gemaakt met andere potentiële locaties binnen Gouda met mogelijk minder milieugevolgen. Met name de windturbines kunnen negatieve gevolgen hebben voor natuurwaarden en beschermde Natura 2000-gebieden, waardoor een onderzoek naar andere locaties nodig kan zijn om tot een uitvoerbaar alternatief te komen binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Ook de stikstofeffecten van woningbouw en energieprojecten kunnen een alternatievenonderzoek rechtvaardigen. De Commissie adviseert om voorafgaand aan de besluitvorming, in een aanvulling op het MER, de locatiekeuzes in het MER te onderbouwen vanuit milieuoverwegingen.
Consistentie, navolgbaarheid en eigen gegevens De Commissie beveelt aan om de gebruikte methoden op een aantal punten aan te passen. Omdat ze niet verwacht dat aanpassing hiervan tot nieuwe inzichten zal leiden voor het besluit over de omgevingsvisie is het niet noodzakelijk om dit voorafgaand aan de besluitvorming te doen. Wel is het voor monitoring van de effecten van de visie en voor volgende versies van de omgevingsvisie van belang om onderstaande punten aan te passen: •
Aansluiting Foto van de leefomgeving op Goudse situatie: de foto van de leefomgeving toont niet hoe de verschillende indicatoren ten opzichte van elkaar zijn gewogen 4 en of deze per deelgebied verschillen (zie ook paragraaf 2.1). Daarnaast vergelijkt het rapport de waarden in Gouda voor meerdere indicatoren met het landelijk gemiddelde5, zonder te beschouwen in hoeverre dit voor Gouda relevant is. De zorg is hier dat de unieke Goudse knelpunten en kansen onvoldoende in beeld komen.6 Daarnaast is het nuttig om in de foto van de leefomgeving informatie op te nemen voor specifieke doelstellingen uit de omgevingsvisie. Gouda is rijk voorzien van historische waterstructuren, zoals grachten, sluizen, vestingwerken. Ze wil het startpunt zijn van de Oude Hollandse Waterlinie. Daarvoor is specifieke aandacht voor het watererfgoed in de foto van de leefomgeving aan te bevelen.
•
Recente en zoveel mogelijk lokale data: in de foto van de leefomgeving zijn landelijke databronnen gebruikt en wordt ook regelmatig teruggegrepen op eerdere (verouderde) versies van die bronnen. De landelijke databases zijn vaak opgebouwd uit lokaal
4
Voorbeeld voor mobiliteit: Dit geldt bijvoorbeeld voor de indicator autobereikbaarheid (congestieniveau naast afstand tot oprit tot provinciale en rijkswegen), voor de indicator duurzame en slimme mobiliteit (aandeel fiets in modal split naast aantal deelauto’s en elektrische auto’s) en voor de indicator openbaar vervoer (afstand tot trein, en afstand tot bushalte).
5
Het thema gezondheidsbevordering is wel in beeld, maar de werkgroep heeft de indruk dat data specifiek voor Gouda onvoldoende benut is. Zo is niet helder of er is aangesloten bij lokaal beleid zoals het Gouds Preventieakkoord. Het is daarom onzeker of de beoordeling passend is (uitwerken). Hierdoor wordt de gezondheidsimpact van de visie mogelijk onvoldoende in kaart gebracht.
6
Bijvoorbeeld de relatief goede toegang tot hoogwaardige treinverbindingen naar de rest van de randstad met, desondanks, een relatief beperkt aandeel van deze modaliteit in de verdeling van vervoerwijzen over langere afstand.
-4-
verzamelde data, die bij die lokale partijen specifieker, actueler en met duiding in de lokale context beschikbaar zijn.7,8 •
Weergave effecten in deelgebieden: de foto van de leefomgeving is niet voor alle onderwerpen gespecificeerd naar deelgebied (figuur 1). Hierdoor is het niet inzichtelijk of een kans of risico in het ene deelgebied hoger is dan in het andere. Maak inzichtelijk, bijvoorbeeld aan de hand van kaartmateriaal, of een beoordeling geldt voor Gouda als geheel of voor een deelgebied. Een voorbeeld: de beoordeling van beleid in het MER beperkt zich tot de generieke effecten van de toename van het aantal woningen en bedrijven, en specifieke maatregelen voor de mobiliteitszone Westergouwe. De weergave van de kansen en risico’s voor mobiliteit suggereert effecten voor Gouda als geheel, maar voor mobiliteit hebben die feitelijk enkel betrekking op deelgebied Westergouwe. De effectduiding in het Rad van de leefomgeving suggereert daardoor voor mobiliteit meer positieve effecten voor Gouda als geheel dan de analyse toelaat.
•
Consistentie beoordeling: de beschreven beoordelingssystematiek9 is binnen het thema milieukwaliteit bijvoorbeeld voor geluid niet toegepast en voor lucht wel. Voor geluid zijn zowel de wettelijke grenswaarden als advieswaarden van instituten10 niet betrokken in de beoordeling.
•
Herleidbaarheid expert judgement: waar het voor de foto van de leefomgeving helder is waar de data vandaan komen en waar de beoordeling op gebaseerd is, is dat voor de inschattingen van de toekomstige milieueffecten niet het geval. Er is beschreven dat dit op ‘expert judgement’ is gebaseerd, maar hier mist informatie over welke experts dit betreft, op welke informatie zij zich hebben gebaseerd11, en welk referentie/beoordelingskader is toegepast.
Beoordeling milieueffecten 2.4.1
Knelpunten gezondheid Het MER gaat bij het thema gezondheid voornamelijk in op gezondheidsbevordering. De gezondheidseffecten als gevolg van blootstelling aan milieufactoren zoals (onder andere) geluid, luchtverontreiniging en hitte zijn onvoldoende meegenomen. De gezondheidsimpact van de huidige situatie komt niet in beeld en er zijn geen mogelijkheden onderzocht om de
gezondheidsbescherming te verbeteren. De hoge geluidsbelastingen die de kaarten in het MER met name nabij spoor en rijksweg laten zien werken bijvoorbeeld niet door in de beoordeling van gezondheid, maar ook niet in het thema milieukwaliteit. Ook voor het thema hittestress lijkt de gezondheidsimpact onvoldoende inzichtelijk te zijn gemaakt.12
7
Zo heeft GGD Hollands Midden voor Gouda (en de wijken) de data van 2020 al beschikbaar voor de indicatoren bij gezonde leefstijl, inclusief duiding van de ontwikkeling in de tijd: https://eengezonderhollandsmidden.nl/ghm-profieltaart.aspx. Via deze pagina worden ook bruikbare analyses van bijvoorbeeld leefstijl en gezonde leefomgeving gedeeld. Een ander voorbeeld waarvan beter gebruik gemaakt kan worden zijn bestaande beleidsuitspraken voor beschermde soorten en de bestaande gegevens en kaarten die hiervoor beschikbaar zijn.
8
Voor omgevingsveiligheid en sociale veiligheid is goed gebruik gemaakt van lokale data. Ook voor de toetsing van verkeersveiligheid is er landelijke data maar met veel lokaal accent qua ontwikkelingen en dergelijke.
9
Paragraaf 1.1.2 van Foto van de Leefomgeving.
10
Er zijn zowel WHO- als GGD-advieswaarden beschikbaar, deze komen niet terug bij dit thema.
11
In het MER lijken de grootheden, die zijn gebruikt om de huidige situatie te beschrijven, soms van een heel andere orde dan waarmee de toekomstige ontwikkeling wordt aangeduid.
12
Op de klimaatatlas staan kaarten van gevoelstemperatuur, waaruit blijkt dat bij een groot deel van de woningen in Gouda sprake is van grote hittestress.
-5-
In de Omgevingsvisie richt Gouda zich op vijf keuzes, waaronder ‘gezonde groene stad’. Volgens het MER is “voldoen aan gezondheids-, milieu- en veiligheidsnormen” onderdeel van autonoom beleid. De beleidsuitspraken op het gebied van gezondheid worden om die reden nauwelijks nader beschouwd in het MER. Om te bepalen of deze opgave met het autonome beleid en het beleid uit de omgevingsvisie gehaald kan worden is het eerst noodzakelijk om de gezondheidsknelpunten te tonen en vervolgens te laten zien hoe deze opgelost kunnen worden, ofwel binnen bestaand beleid ofwel met nieuwe maatregelen. De Commissie adviseert om voorafgaand aan de besluitvorming, in een aanvulling op het MER, de specifieke knelpunten voor gezondheid in Gouda in beeld te brengen en inzicht te geven hoe deze op te lossen zijn.
2.4.2
Waterveiligheid en wateroverlast Waterveiligheid Meerlaagse veiligheid is een belangrijk uitgangspunt van het beleid om Nederland tegen (de gevolgen van) overstromingen te beschermen en bestaat uit: •
de versterking van waterkeringen (laag 1);
•
een waterrobuuste ruimtelijke inrichting (laag 2);
•
en een adequate rampenbeheersing (laag 3).
Binnen laag 1 wordt vooral de kans op een overstroming beperkt, binnen de lagen 2 en 3 de gevolgen mocht een overstroming tóch plaatsvinden. Daarbij zijn keuzes binnen laag 2 van groot belang voor de mogelijkheden binnen laag 3; de ruimtelijke inrichting bepaalt immers onder meer de mogelijkheden van evacuatie en of vitale voorzieningen als ziekenhuizen en elektriciteit beschikbaar blijven. Ook de gemeente Gouda heeft een opgave op het gebied van waterveiligheid, zeker omdat meerdere delen van de stad op laaggelegen grond liggen. Waterveiligheid zou dan ook meegenomen moeten worden in de integrale ruimteclaims zoals die in paragraaf 2.1 zijn beschreven. Nu geeft het MER nog onvoldoende inzicht in wat de invulling van meerlaagse veiligheid voor de omgevingsvisie van Gouda kan betekenen. De Commissie adviseert om voorafgaand aan de besluitvorming, in een aanvulling op het MER, inzicht te geven in de betekenis van de invulling van meerlaagse veiligheid voor de inrichting van de stad.
Wateroverlast Het peilbeheer in het buitengebied in de omgeving van Gouda kan van invloed zijn op het peilbeheer in de stad. Voor het landelijke gebied lijkt een ontwikkeling gaande van beleid op basis van ‘peil volgt functie’ naar ‘functie volgt peil’. De hogere grondwaterstanden worden daarmee steeds meer als een gegeven gezien waar het landgebruik zich aan moet aanpassen. Uit het MER blijkt niet wat de effecten kunnen zijn van veranderingen in het peilbeheer in het landelijk gebied op (keuzes ten aanzien van) het peilbeheer – en daarmee de beperking van de bodemdaling- in de stad.
-6-
De Commissie adviseert om voorafgaand aan de besluitvorming, in een aanvulling op het MER, inzicht te geven in de mogelijke gevolgen van een ander peilbeheer in het omliggende gebied op (keuzes ten aanzien van) het peilbeheer in het stedelijk gebied.
2.4.3
Mobiliteit De gemeente Gouda kiest in de omgevingsvisie onder andere voor duurzame mobiliteit13 en bouwt daarbij voort op het mobiliteitsplan en de uitwerking in het verkeerscirculatieplan14. Maatregelen in het verkeerscirculatieplan zijn in het MER meegenomen in de autonome ontwikkeling voor mobiliteit in de foto van de leefomgeving. De daarbovenop beoordeelde beleidsuitspraken hebben betrekking op de realisatie van meer openbaar vervoer in Westergouwe (kans). Meer generiek voor Gouda geldt dat de keuze voor extra woningen en verdichting van bedrijventerreinen tot meer verplaatsingen leidt (risico’s). Met de implementatie van de maatregelen in het verkeerscirculatieplan en de beoordeelde beleidsmaatregelen wordt een stap richting verduurzaming van mobiliteit gezet. Op belangrijke indicatoren is echter die stap nog beperkt. Zo wordt de toenemende verkeersdruk vooral anders verdeeld op het wegennet, wordt de verschuiving in vervoerwijzen (modal shift) als beperkt gekwalificeerd15, is de kans dat de verkeersveiligheid niet significant verbetert reëel, en is er een toegenomen risico voor luchtkwaliteit en stikstofdepositie. De Commissie vraagt zich af of het resulterend beeld voldoende past bij de Goudse keuze voor realisatie van ‘duurzame mobiliteit’. Om dit beter te kunnen beoordelen is een aanscherping van de ambities ten aanzien van duurzame mobiliteit nodig.
De Commissie beveelt aan om deze aanscherping te maken, zo mogelijk ook toegespitst op deelgebieden van Gouda. Bekijk vervolgens op basis van die aanscherping of additioneel beleid nodig is om de ambities te behalen. Het MER kan in de aanbevelingen suggesties doen en aangeven wat de potentiële bijdragen van de additionele maatregelen zijn aan de ambitie ‘duurzame mobiliteit’. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan een meer dwingend parkeerbeleid, stimuleren en faciliteren van een structurele verschuiving van fysieke naar digitale bereikbaarheid, en een sterkere inzet op modal shift met maatregelen voor ketenmobiliteit16 en deelmobiliteit.
Monitor Goudse keuzes De Omgevingsvisie zal in de toekomst aangevuld en geactualiseerd worden, in ieder geval na circa 6 jaar, maar eerder als dat noodzakelijk of wenselijk is.17 Zoals het MER al aangeeft
13
De omgevingsvisie stelt dat het daarbij gaat om verduurzaming van verplaatsingen, door verschuiving naar meer fietsen, wandelen en openbaar vervoer, ondersteund door nieuwe vervoersdiensten (pagina 26). Dit moet leiden tot afname van autoverkeer en reductie van verhard oppervlak en parkeerruimte. Door omzetting daarvan in bijvoorbeeld groene ruimte wordt een bijdrage geleverd aan stimuleren van gezondheid en een verbetering van woon- en leefklimaat.
14
Aantrekkelijk en toegankelijk Gouda, Verkeerscirculatieplan, 6 Mei 2021.
15
In de foto van de leefomgeving wordt bij de modal split een aandeel voor de fiets van 60% genoemd voor de korte afstanden (tot 7.5 km) en 38% voor de lange afstanden. Bij de beschrijving voor de indicator Duurzame en slimme mobiliteit, wordt echter een aandeel fiets van 39% genoemd, zonder de afstand te specificeren. Het aandeel openbaarvervoer voor de langere afstanden is lager dan verwacht, gelet op de uitstekende ligging van Gouda aan spoorverbindingen naar andere delen van de Randstad en de relatief goede toegankelijkheid vanuit de stad tot de trein.
16
Ketenmobiliteit maakt het mogelijk dat tijdens een reis diverse vervoermiddelen gebruikt worden.
17
Zie hoofdstuk 8 van de Omgevingsvisie.
-7-
hangen de milieueffecten van de omgevingsvisie voor een groot deel af van de verdere uitwerking. Denk bijvoorbeeld aan de uitkomsten van de Regionale Energiestrategie (RES) of aan de realisatie van Station Westergouwe. Om deze ontwikkelingen in de gaten te houden, maar ook een integrale beoordeling van milieueffecten voor andere toekomstige besluiten mogelijk te maken, is een goed monitoringsysteem van groot belang. Hierin kan worden gecheckt of de doelen worden bereikt en wat de milieueffecten zijn en of deze binnen gewenste of afgesproken kaders blijven. Door in lijn met de beleidscyclus uit de Omgevingswet de resultaten van de programma’s en de monitoring weer terug te vertalen in de omgevingsvisie, wordt de integraliteit gewaarborgd en blijft de visie actueel. Met behulp van een monitoringsplan kan de ‘foto van de leefomgeving’ (deels) opnieuw gemaakt worden. De Goudse keuzes18 bieden hiervoor goede aanknopingspunten. Aan de hand van een monitorings- en evaluatieplan kan bepaald worden in hoeverre de Goudse keuzes behaald worden en wanneer welke maatregelen ingezet kunnen worden om ontwikkelingen bij te sturen. Hiermee wordt ook duidelijk wanneer het noodzakelijk of wenselijk is om de omgevingsvisie aan te vullen en te actualiseren. Nu maakt het milieueffectrapport dat nog niet inzichtelijk.
De Commissie adviseert om voorafgaand aan de besluitvorming, in een aanvulling op het MER, een monitoringsplan op te stellen en dit op hoofdlijnen inhoudelijk en procesmatig uit te werken. Zo wordt duidelijk welke onderwerpen gemonitord zullen worden en wanneer welke maatregelen ingezet kunnen worden om ontwikkelingen bij te sturen. Neem hierbij de aandachtspunten uit 2.3 mee.
18
Zie hoofdstuk 7 van de Omgevingsvisie.
-8-
BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep het gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: dr. Wilfried ten Brinke dr. ir. Marieke Dijkema dr. Roeland During prof. dr. ir. Rob van der Heijden drs. Marieke van Rhijn (voorzitter) Marianne Schuerhoff MSc (secretaris) Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Vaststellen gemeentelijke omgevingsvisie. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat.
Voor deze procedure gaat het bijvoorbeeld om de activiteit D11.2, “stedelijke ontwikkeling” of D22.2, “de oprichting van een windturbinepark”. Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom is een plan-MER opgesteld. Bevoegd gezag besluit Gemeenteraad van Gouda. Initiatiefnemer besluit College van burgemeester en wethouders van Gouda. Bevoegd gezag m.e.r.-procedure College van burgemeester en wethouders van Gouda. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? Het bevoegd gezag heeft de Commissie niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen en adviezen bij haar advies te betrekken. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3606 in te vullen in het zoekvak.