Bijlage 5 WNB Quick Scan Magalhaeslaan 27-29 Gouda
Tekst van het document
ONDERZOEK NATUURWETGEVING Quick Scan flora & fauna voor sloop & nieuwbouw complex Magalhaeslaan 27-29 te Gouda
Eindrapportage Moordrecht, 15 juli 2021 (bijgesteld 25 juli 2022) in opdracht van Gemiva-SVG Groep i.s.m. KAADER Stadsadvies
GROENTEAM Adviescentrum voor Natuurontwikkeling, Landschapsplanning en Groenontwerp Burg. Brandtstraat 1 - 2841 XA Moordrecht - telefoon 0653-77.61.70 - email Groenteam@groenteam.nl
2
Nader onderzoek in het kader van de natuurwetgeving t.b.v. sloop en nieuwbouw locatie Magalhaeslaan 27-29 Gouda
foto voorpagina: een deel van de te slopen bebouwing
Voor gewaarmerkte rapportage, contact opnemen met GroenTeam
onderzoek en rapportage onder verantwoordelijkheid van: drs. John Mulder, veldverkenning en habitatbeoordeling ing. Jan Oosterbaan, eindrapportage en advies
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
3
INHOUDSOPGAVE
pagina
1 INLEIDING 1.1 Situering en ingreep ............................................................................................ 4 1.2 Algemene informatie over de Natuurtoets als instrument ..................................... 6 1.3 Onderzoeksplan ................................................................................................ 10 2 BRONNENONDERZOEK SOORTEN 2.1 Vaatplanten ..................................................................................................... 12 2.2 Zoogdieren ...................................................................................................... 13 2.3 Broedvogels ..................................................................................................... 14 2.4 Amfibieën en reptielen ..................................................................................... 14 2.5 Vissen .............................................................................................................. 15 2.6 Ongewervelde soorten ..................................................................................... 15 2.7 Conclusies uit beschikbare gegevens .............................................................. 15 3 LOCATIEONDERZOEK 3.1 Toetsing vigerende regelgeving gebiedsbescherming.......................................
17 3.2 Verkenning werkgebied en habitatbevindingen ................................................. 17 4 SAMENVATTENDE CONCLUSIES ....................................................................... 23 GERAADPLEEGDE LITERATUUR ............................................................................ 24 GEBRUIKTE TERMEN EN AFKORTINGEN .............................................................. 26
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
4
1
INLEIDING
1.1
Situering en ingreep
Situering plangebied De werklocatie betreft een complex te slopen laagbouw (kinderdagverblijf) aan de Magalhaeslaan in Gouda. Figuur 1, situering werklocatie
Figuur 2, situatie werkgebied
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
5
Voorgenomen ingreep Deze omvat de sloop van betreffend laagbouwcomplex, om plaats te maken voor nieuwbouw en hernieuwde inrichting van de directe omgeving. Deze werkzaamheden vallen in het kader van de natuurregelgeving, onder ‘ruimtelijke ingreep’. Dit betreft veelal een éénmalige ingreep waaronder ook achterstallig beheer moet worden begrepen. Het betreft echter ook regulier beheer en onderhoud, waarvoor mogelijk een Gedragscode van toepassing kan zijn (zie ook Ministerie van EZ 2016).
Onderzoeksverplichting De Wet Natuurbescherming (Wnb) en het provinciaal natuurbeleid verplichten een initiatiefnemer om bij ruimtelijke ingrepen de daardoor veroorzaakte effecten op (mogelijk) aanwezige zwaarder beschermde planten en dieren, nader te onderzoeken. Dit onderzoek moet leiden tot beoordeling van de eventueel te verwachten natuurschade en bestaat uit de volgende onderdelen: * Er moet worden aangetoond in hoeverre ontheffingsplichtige soorten Wnb van verstoring of bedreiging door de ingreep kunnen worden uitgesloten, dan wel dit onoverkomelijk zullen ondergaan (soortbescherming, zie hierna). * Er moet worden aangetoond in hoeverre gebiedsbescherming met betrekking tot Natura 2000 of met betrekking tot Natuurnetwerk Nederland (NNN) in het geding is (gebiedsbescherming, zie hierna). * Volgens het in de Wnb opgenomen Besluit natuurbescherming moet er (in een latere voorbereidingsfase) voor de realisatie van een project tevens worden aangegeven of er uitstoot van stikstof als gevolg van het project is te verwachten en hoeveel (Aeriusberekening). Dit valt buiten de scope van deze Quick Scan F&F.
Beschermingsregiems flora & fauna Voor de toetsing van die mogelijke effecten op flora & fauna is in de Wnb onderscheid gemaakt in twee typen bescherming: ‘gebiedsbescherming’ (hoofdstuk 2 Wnb, ‘Natura 2000-gebieden’) en ‘soortbescherming’ (hoofdstuk 3 Wnb, ‘Soorten’). Met betrekking tot soorten zijn vervolgens drie beschermingsregiems onderscheiden: dat van de ‘Vogelrichtlijn’, van de ‘Habitatrichtlijn’ en van ‘andere soorten’ (zie ook ‘wettelijke kaders’ blz.6). Handhaving van de regelgeving vindt plaats door de betreffende provincie, in veel provincies uitbesteed aan de provinciale Omgevingsdienst. Op basis van het onderzoek gelden de volgende verplichtingen: Soortbescherming: * Bij eventuele aanwezigheid en kans op bedreiging of verstoring van ontheffingsplichtige soorten dient een ontheffing Wnb te worden aangevraagd. Gebiedsbescherming: * Indien de ingreep (een deel van) het samenhangende leefgebied van een ‘aangewezen soort’ uit een Natura 2000-gebied aantast, dient (tevens) een vergunning Natura 2000 te worden aangevraagd. * Indien de aangegeven natuurwaarden van een gebied in het kader van de NNN worden aangetast, vergt dat tevens aanvraag van een provinciale vergunning. * Het Besluit natuurbescherming (‘stikstof’) behoort ook bij de gebiedsbescherming, doch valt buiten de scope van deze Quick Scan F&F (zie verder blz.9).
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
6
Wettelijke belangen Bij eventuele aanvraag van ontheffing in het kader van soortbescherming is onder meer bepalend of er een wettelijk belang van toepassing is dat is opgenomen in het betreffende beschermingsregiem (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn). Gezien de aard van het project betreft dat hier zoals aangegeven in de Bijlage van de Wnb (Ministerie van EZ 2016/ § 6.2.b) eventueel de volgende wettelijke belangen: * ‘dwingende reden van groot openbaar belang’ (met verschillen in deelbelangen tussen soorten van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn); * ‘volksgezondheid en openbare veiligheid’ (m.b.t. soorten van de Vogelrichtlijn); * ‘ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden’ (van toepassing op ontheffingsplichtige ‘andere soorten’). In beginsel wordt onder het belang ‘ruimtelijke inrichting of ontwikkeling’ géén ontheffing afgegeven voor soorten van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn, behalve indien de ecologische functionaliteit van de soort daarmee geheel niet wordt aangetast, bijvoorbeeld door het nemen van maatregelen (zie verder ‘ontheffingsplicht’ blz.8).
1.2
Algemene informatie over de Natuurtoets als instrument
Doel en strekking natuuronderzoek Deze rapportage omvat een bureaustudie ten aanzien van flora en fauna met een veldverkenning met habitatbeoordeling Hiermee wordt de ingreep getoetst aan de regelgeving met betrekking tot soort- en gebiedsbescherming. Het onderzoek met betrekking tot flora en fauna heeft tot doel inzicht te geven in de volgende vragen: - Is er kans op noodzaak tot ontheffing van verbodsbepalingen van de Wnb? - Is er naar verwachting een vergunning op grond van gebiedsbescherming nodig (Natura 2000 en/of het Natuurnetwerk Nederland/ NNN) ? - Is er nader veldonderzoek nodig en voor welke soorten planten en/of dieren ? - Welke zijn de mogelijke consequenties vanuit de Wnb en het NNN ? Deze rapportage vormt de aantoonbare bewijslast op naleving van de wetgeving. Hiermee wordt onderbouwd met welke beschermde soorten rekening moet worden gehouden, van welke soorten effecten kunnen worden uitgesloten omdat ze er niet worden verwacht en/of welke soorten er niet zijn aangetroffen dan wel omdat de planingreep geen natuurschade aan die soorten met zich meebrengt. Het uitsluiten van gebruik door (of schade aan) de betreffende soorten 'op voorhand’ vergt een gedegen, controleerbare onderbouwing.
Wettelijke kaders van soort- en gebiedsbescherming Soortbescherming is gericht op individuele soorten flora en fauna, waartoe in de Wnb onderscheid is gemaakt in beschermingsregiems m.b.t. ‘soorten van de Vogelrichtlijn’ (Wnb § 3.1), ‘soorten van de Habitatrichtlijn’ (Wnb § 3.2) en ‘andere soorten’ (Wnb § 3.3). Gebiedsbescherming is gericht op de specifieke habitat waartoe speciale begrensde gebieden zijn aangewezen, thans aangeduid met ‘Natura 2000’ dan wel gebieden die vallen onder regelgeving vanuit provinciaal natuurbeleid, waaronder het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). Ook gebieden buiten de aangewezen Natura 2000-gebieden die een aanwijsbare ecologische functie voor de betreffende aangewezen soorten vervullen, vallen onder dit regiem (‘externe werking Natura 2000’).
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
7
De regels van soort- en gebiedsbescherming sluiten elkaar niet uit, doch vullen elkaar aan. Toetsing aan gebiedsbescherming (Natura 2000 en NNN) vindt uitsluitend plaats indien (soorten uit) beschermde gebieden in het geding zijn, terwijl toetsing aan de soortbescherming en aan de stikstofdepositie altijd vereist zijn, zowel binnen als buiten beschermde gebieden.
Soortbescherming De natuurwetgeving is in eerste lijn gericht op soortbescherming, dat wil zeggen bescherming van afzonderlijke soorten planten en dieren ‘in welke situatie dan ook’. Omdat deze wet alle soorten planten en dieren omvat, óók in Natura 2000-gebieden, wordt bij dit natuuronderzoek primair aangehaakt op de soortbescherming. Deze biedt bescherming aan planten en dieren tegen zogeheten 'natuurschade'. Binnen het beschermingskader wordt onderscheid gemaakt tussen: - het type ingreep (‘bestendig beheer’ of ‘ruimtelijke ontwikkeling en inrichting’); - planten en dieren uit verschillende beschermingsregiems (zie blz.5); - een aantal 'wettelijke belangen' (zie vorige bladzijde). Beschermingsregiems en ontheffingsnoodzaak De drie beschermingsregiems, ‘Vogelrichtlijn’, ‘Habitatrichtlijn’ en ‘andere soorten’, omvatten alle ‘zwaarder beschermde soorten’. * De Vogelrichtlijn is van toepassing op alle inheemse vogels: bedreiging van vogels of verstoring van broedende vogels vergt in beginsel een ontheffing, waarbij het nest slechts tijdens het broedgebruik is beschermd, met uitzondering van een categorie ‘jaarrond beschermde nesten’ waarvan het nest, al of niet in gebruik, het gehele jaar rond beschermd is en bij bedreiging ontheffing vereist.
* De Habitatrichtlijn is van toepassing op een in Bijlage IV opgenomen lijst met soorten zoogdieren, reptielen, amfibieën, dagvlinders, libellen, vissen, vaatplanten, kevers en ‘overige ongewervelden’ (weekdieren). Voor deze soorten is bij verstoring of bedreiging, te allen tijde een ontheffing vereist. * De categorie ‘andere soorten’ zoals opgenomen in de Bijlage van de Wnb omvat lijsten met soorten zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten waarvan door de afzonderlijke provincies wordt bepaald welke soorten in aanmerking komen voor een vrijstelling dan wel welke soorten bij verstoring of bedreiging eveneens aanvraag van ontheffing vergen. Provinciale vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen Met betrekking tot de lijsten ‘andere soorten’ is er in de Wnb ten aanzien van kleine zoogdieren en amfibieën in de provincie Zuid-Holland vooralsnog geen wijziging opgetreden ten opzichte van de oorspronkelijke landelijke vrijstellingen onder de Ffw. Voor de thans in de Wnb opgenomen lijsten ‘andere soorten’ met betrekking tot een reeks vaatplanten en alle vissen, reptielen, dagvlinders, libellen en kevers geldt géén vrijstelling meer: deze soorten zijn dus, naast soorten van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, eveneens alle ontheffingsplichtig.
Gedragscode Eventueel kan met de uitvoering worden aangehaakt op een Gedragscode, maar bij bouwprojecten biedt dat géén relevante voordelen.
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
8
Ontheffingsplicht bij soortbescherming Bij ontheffingsplichtige soorten is het voorts van belang in hoeverre de ecologische functionaliteit wordt aangetast: * Onder de condities dat er mitigerende maatregelen (kunnen) worden genomen waarmee kan worden gegarandeerd dat de ecologische functionaliteit binnen het werkgebied op geen énkel moment achteruitgaat, óók niet tijdelijk, is er géén ontheffing nodig (Ministerie van EZ 2016/ § 4.3). Het achterwege blijven van effecten op de ecologische functionaliteit vergt afdoende onderbouwing, waarbij wordt aangegeven welke mitigerende maatregelen daarbij worden toegepast voor welke soorten. * Echter indien de bedoelde ecologische functionaliteit als gevolg van de ingreep niét met mitigatie kan worden gegarandeerd doch uitsluitend met compensatie, is voor de uitvoering daarvan eerst ontheffing vereist. Voor soorten uit de Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn dient bovendien te worden voldaan aan de specifiek in die richtlijnen opgenomen wettelijke belangen. Bij een ontheffingsaanvraag wordt daartoe getoetst aan drie criteria (de zgn. ‘ADC-toets’): 1) er is geen alternatief; 2) er is sprake van een in of bij de wet genoemd belang; 3) er is geen sprake van afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding: dit criterium is ook van toepassing voor ontheffingsplichtige ‘andere soorten’ uit de Wnb.
Gunstige staat van instandhouding als ontheffingsvoorwaarde Een ontheffing kan uitsluitend worden verkregen wanneer de gunstige staat niet in het geding komt. De voorwaarden daartoe staan in de Habitatrichtlijn genoemd: * uit populatie-dynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat op lange termijn zal blijven, en . . . * het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd kleiner lijkt te zullen worden, en . . . * er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden. Wettelijke zorgplicht bij overige soorten Naast de specifieke regelgeving ten aanzien van juridisch zwaarder beschermde soorten bestaat de algemene zorgplicht bij eventuele verstoring of bedreiging van individuele planten of dieren. Dit omvat álle dieren, ook alle onbeschermde soorten (Wnb art. 3.10). Indien door werkzaamheden individuele dieren of hun vaste verblijfplaatsen worden verstoord of bedreigd, wordt vereist dat de uitvoerder voldoende zorg in acht moet nemen om die verstoring of bedreiging te voorkomen.
Daartussen bestaat enige nuance: * Met betrekking tot juridisch zwaarder beschermde soorten dient absoluut te worden voorkómen dat individuen van betreffende soorten worden bedreigd (zie Min.v.EZ 2016). * Voor beschermde soorten die vallen onder de provinciale vrijstelling en onbeschermde soorten ligt dat iets minder strikt: ‘De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd’ (Ministerie v. EZ 2016/ § 2.4). Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
9
Met betrekking tot de zorgplicht bestaat een ketenverantwoordelijkheid tussen initia-tiefnemer en uitvoerder.
Gebiedsbescherming Vergunning Natura 2000 De regelgeving met betrekking tot speciale beschermingszones in het kader van de Vogel- of Habitatrichtlijn (resp. REG 1979 en REG 1992/1997), te weten met betrekking tot Natura 2000-gebieden, wordt in de Wnb gecontinueerd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Werkzaamheden binnen een Natura 2000-gebied welke effecten kunnen hebben op ‘aangewezen’ soorten en de instandhouding van de natuurlijke habitats vergen aanvraag van een vergunning. Ook voor gebieden 'buiten' een Natura 2000-gebied die een aanwijsbare ecologische functie voor de 'aangewezen soorten & habitattypen' uit dat Natura 2000-gebied hebben, kan onder sommige condities een vergunning vereist zijn ('externe werking', Wnb art. 2.7 & 2.8). Vergunning Programmatische Aanpak Stikstof (PAS/ Besluit Natuurbescherming) De toenemende uitstoot van stikstof door verkeer, uitvoeringsmaterieel, huishoudens en bedrijfsvoering leidt tot toenemende depositie van stikstof met negatieve effecten op flora en fauna, met name in natuurgebieden. Dit vereist nader onderzoek (Besluit natuurbescherming, zie Wettelijk kader Bij12, 2017) waarbij een uitvoeringsfase en een gebruiksfase kunnen worden onderscheiden. Deze wettelijke onderzoeksverplichting is met name van toepassing voor het voornemen tot een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling.
Bij de tijdelijke- of uitvoeringsfase van nieuwe projecten gaat het om uitstoot door voertuigen en mobiele werktuigen met een verbrandingsmotor. Een dergelijke berekening kan pas worden uitgevoerd wanneer er inzicht bestaat in het uitvoeringsbestek. Bij de eind- of gebruiksfase van nieuwe projecten gaat het om uitstoot door toegenomen verkeer, huishoudens en/of bedrijfsvoering. Voor de toetsing worden met betrekking tot de in de regio aanwezige Natura 2000-gebieden, drempel- en grenswaarden vastgesteld aan de toename van stikstofdepositie als gevolg van het nieuwe project (‘ontwikkelingsruimte’, zie Bij12, 2017). De grenswaarde wisselt per regio (zie verder § 3.1). Nota Bene: Indien dergelijk stikstofonderzoek bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een ruimtelijke ontwikkeling ontbreekt wordt, evenals bij het ontbreken van onderzoek naar flora en fauna, een eventuele omgevingsvergunning geweigerd. Vergunning Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) Dit betreft eveneens bescherming van natuurwaarden binnen begrensde gebieden. Hiervoor hebben Rijk en Provincie samen spelregels ontwikkeld welke zijn vervat in de provinciale regelgeving. Hierbij is een 'nee-tenzij' beleid van toepassing, terwijl afhankelijk van de provinciale regelgeving daarop eveneens een ‘externe werking’ van toepassing kan zijn (geldt niet voor de provincie Zuid-Holland).
Binnen het NNN moeten de wezenlijke kenmerken en waarden van het betreffende gebied als onderdeel van het natuurnetwerk in acht worden genomen. Aantasting daar-van in kwalitatieve of kwantitatieve zin vergt nadere toetsing aan het bevoegde gezag en kan
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
10
mogelijk leiden tot een vereiste aanvraag van vergunning. Aantasting zal slechts voor vergunning in aanmerking komen indien daarvoor compensatie wordt geboden. De actuele en potentiële waarden van het NNN zijn vastgesteld in de natuurdoelen voor dat gebied. De basis daarvoor ligt in de provinciale structuurvisie en de betreffende ‘Provinciale Ruimtelijke Verordening’. Daarnaast zijn in Zuid-Holland ook nog ‘bijzondere weidevogelgebieden’ aangewezen: hiervoor geldt eenzelfde regelgeving als voor de NNN.
1.3
Onderzoeksplan
Met het onderzoek ten aanzien van flora en fauna wordt stapsgewijs ingezoomd op de situatie en vastgesteld welke juridisch zwaarder beschermde soorten of verstoring daarvan, kunnen worden uitgesloten dan wel nadere veldinventarisatie vergen. Werkstap 1, analyse bestaande gegevens Als eerste wordt de situatie getoetst aan indicaties van de NDFF, aan de verspreiding van soorten op basis van reeds bekende biogeografische informatie uit verspreidingsatlassen, aan overige literatuur en andere beschikbare onderzoekingen. Die informatie is veelal niet compleet maar wel grotendeels indicerend. Op basis hiervan en de algemene habitat op de locatie wordt vastgesteld welke juridisch zwaarder beschermde soorten in dit gebied verwacht en bedreigd kunnen worden en welke daarvan op voorhand al kunnen worden uitgesloten. Met betrekking tot ‘uitsluitingen’ in het kader van de regelgeving wordt in de rapportage aandacht geschonken aan alle mogelijke soortgroepen van (beschermde) organismen. Voor sommige soortgroepen is dat niet méér dan slechts het aangeven waarom daarvan géén beschermde soorten op de locatie worden verwacht, dan wel waarom sommige soorten niet worden bedreigd of verstoord. Werkstap 2, toetsing aan gebiedsbescherming Dit omvat regelgeving in het kader van de Wnb en van provinciaal gebiedenbeleid (Natura 2000 en NNN, zie § 3.1).
Daarbij wordt beoordeeld of er wellicht ook andere natuurregelgeving in het geding kan zijn. Werkstap 3, habitatbeoordeling Naar aanleiding van het bovenstaande wordt op basis van een grondige inspectie een beoordeling gemaakt van de terreinkenmerken, de biotoop, de lokale habitat en van de ecologische betekenis van het effectieve werkgebied (zie § 3.2). In de conclusie wordt op basis van de nader beschreven habitat, vastgesteld welke zwaarder beschermde soorten (Wnb) en eventuele ‘aangewezen soorten’ (Wnb/ Natura 2000) voor de gegeven situatie zonder nadere veldinventarisatie kunnen worden uitgesloten, wat tevens geldt voor het al of niet van toepassing zijn van de ‘externe werking’ met betrekking tot ‘aangewezen soorten’ (Natura 2000 - Wnb § 3.2). Tot zover betreft dit onderzoek een ‘Quick Scan’: bureaustudie met veldverkenning. Werkstap 4, veldinventarisaties Voor de zwaarder beschermde soorten flora en/of fauna (Wnb) welke vanwege de plaatselijke verspreiding en/of de condities op de werklocatie niét op voorhand van bedreiging kunnen worden uitgesloten, moet (eventueel) ook een nader soortgericht veldonderzoek worden uitgevoerd (zie hoofdstuk 3).
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
11
Werkstap 5, eindconclusie en advies De rapportage wordt afgerond met een puntsgewijze samenvatting van conclusies en consequenties, met een eventuele toetsing van consequenties, de haalbaarheid van het plan, het advies welke soorten nadere veldinventarisatie vergen dan wel in hoeverre natuurschade op voorhand met mitigatie kan worden voorkomen.
Leeswijzer In de rapportage wordt de volgorde van de hierboven aangegeven onderzoeks- en onderbouwingsstappen aangehouden. Waar het voor de betreffende onderbouwing nodig is om informatieve kaders te schetsen, is dat in dit hoofdstuk beknopt aangegeven (zie blz.5 t/m 10). Daarmee ontstaat de volgende opzet van de rapportage: * *
*
*
In hoofdstuk 1 zijn de uitgangssituatie, het voornemen, de hoofdlijnen van de regelgeving, de aanpak van het onderzoek en de opzet van de rapportage aangegeven. In Hoofdstuk 2 wordt op basis van beschikbare verspreidingsgegevens en recente gegevens uit de databank van de NDFF, de literatuurstudie met daaruit voort-komende conclusies uitgevoerd. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op vigerende gebiedsregelgeving (Wnb/ Natura 2000, PAS en NNN) en worden de bevindingen van de ecologische verkenning met beoordeling van de betreffende habitat beschreven, zo nodig aangevuld met de verslaglegging van een nader veldonderzoek. In hoofdstuk 4 worden de voor de uitvoering relevante conclusies kort samengevat en wordt advies gegeven met betrekking tot mitigerende maatregelen. Voorts wordt advies gegeven met betrekking tot de gewenste nadere handelwijze.
De rapportage wordt beëindigd met lijsten van geraadpleegde literatuur en van gebruikte termen en afkortingen. ----------
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
12
2
BRONNENONDERZOEK SOORTEN
Onderzoekscontext Het onderzoek dat in dit hoofdstuk per soortgroep wordt weergegeven omvat de toetsing van de locatie aan bronnen met reeds bestaande inventarisatie- en verspreidingsgegevens, met name NDFF, de ‘Nederlandse Databank Flora & Fauna’. Het is gericht op eventueel terreingebruik door juridisch zwaarder beschermde soorten (zie ‘soortbescherming’ blz.7-8) en indien voor het project relevant, op ‘aangewezen soorten’ (zie gebiedsbescherming blz.9-10). De gegevens waarop deze toetsing is gebaseerd, omvatten veelal een aanzienlijk groter gebied dan de onderzoekslocatie: naar aanleiding hiervan wordt in hoofdstuk 3 ingezoomd op de nader begrensde werklocatie. De gegevens uit de NDFF bieden een goede indicatie doch zijn niet geheel toegespitst op de werklocatie en vergen tenminste nog een aanvulling door een habitatbeoordeling op de locatie. Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatbeoordeling wordt vervolgens bepaald welke (zwaarder) beschermde soorten in het werkgebied wellicht kunnen worden verwacht en welke soorten in het kader van de Wnb aanvullende veldinventarisatie vergen om vast te stellen of ze alsnog van aanwezigheid kunnen worden uitgesloten, dan wel zullen moeten leiden tot aanvraag van ontheffing.
De eventuele noodzaak tot nadere inventarisatie wordt afgeleid uit de samenhang tussen beschikbare gegevens (dit hoofdstuk 2), de habitatbeoordeling van het te onderzoeken gebied (zie hoofdstuk 3) en de ‘soort’ ingreep (§ 1.1).
Algemeen karakter werkgebied Het te slopen complex bestaat uit laagbouw met een plat dak. De bebouwing bestaat grotendeels uit plaatmateriaal en glaspuien, afgewisseld met lage metselsteen muren. Er is geen open water aanwezig en er staan evenmin bomen van enig formaat op het terrein. De directe gebouwomgeving bestaat voornamelijk uit verharding.
2.1
Vaatplanten
Beschikbare gegevens Uit de databank (NDFF 2021, Quickscanhulp) blijkt dat binnen een straal van 1 km van het plangebied géén ontheffingsplichtige planten zijn geregistreerd (zie ook Floron 2011).
Conclusie De geregistreerde soorten kunnen binnen het werkgebied op basis van groeiplaats-factoren op voorhand worden uitgesloten (vergelijk met algemeen karakter werkgebied).
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
13
2.2
Zoogdieren
Beschikbare gegevens Uit de databank (NDFF 2021, Quickscanhulp) blijkt dat binnen een straal van 1 km van de planlocatie 7 soorten zijn geregistreerd, waaronder 3 vleermuissoorten.
Grondgebonden zoogdieren Van de grondgebonden soorten is Bever als ontheffingsplichtig geregistreerd (zie ook Broekhuizen 2016), behorend tot de Habitatrichtlijn, en zijn voorts 3 beschermde ‘andere soorten’ geregistreerd die alle vallen onder een provinciale vrijstelling. Bever vindt zijn leefgebied in uiterwaarden langs rivieren, dus niet rond het werkgebied waar deze soort kan worden uitgesloten. De vrijgestelde, geregistreerde soorten bestaan uit Egel, Haas en Konijn. Indien deze worden verstoord vergt dat toepassing van de wettelijke zorgplicht (zie blz.8).
Vleermuizen Er zijn in deze omgeving 3 soorten vleermuizen geregistreerd, alle dwergvleermuizen: Gewone-, Ruige- en Kleine dwergvleermuis. Alle vleermuissoorten zijn vermeld in de Habitatrichtlijn Bijlage IV (zie § 3.1 Wnb) waarmee diverse gebruiksvormen van vleermuizen ontheffingsplichtig zijn. Vaste verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen, afhankelijk van de soort, bestaan uit kraam-, zomer-, paar- of winterverblijven in bomen, gebouwen of andere gebouwde constructies zoals bijvoorbeeld in kunstwerken. Van belang daarbij is dat de meeste vleermuissoorten steeds een ‘netwerk’ van vaste verblijfplaatsen gebruiken waartussen wordt gewisseld, waarbij het gehele netwerk strikt beschermd is (zie bijvoorbeeld ook Kennisdocumenten, BIJ12 2017). Dwergvleermuizen kunnen zowel in bomen als in gebouwen worden aangetroffen (zoals in spouwruimten, onder dakpannen, achter betimmeringen, in doorvoeren van leidingen e.d.). Van dwergvleermuizen is voorts bekend dat ze thigmofiel zijn, dat wil zeggen dat ze in hun verblijfplaats contact aan borst- en rugzijde vergen. Derhalve maken ze voor hun verblijf slechts gebruik van zeer nauwe ruimten van enkele centimeters. De toegang tot de verblijfplaats zit veelal 3 meter boven het maaiveld of hoger. Er dienen geen obstakels rond en direct onder de toegang aanwezig te zijn.
Daarnaast maken deze soorten gebruik van lineaire structuren in de vorm van begroeiings- en bebouwingslinten en -randen, soms in combinatie met watergangen, als geleiding/ sonaroriëntatie en beschutting voor vaste vliegroutes.
Conclusie zoogdieren * Grondgebonden soorten: Ontheffingsplichtige soorten kunnen op basis van verspreiding op voorhand worden uitgesloten. * Vleermuizen: Deze vereisen nadere controle op gebruiksmogelijkheden in de te slopen bebouwing (geschiktheid als verblijfplaats). Zo nodig behoeft dat nader veldonderzoek en aanvraag van ontheffing. Gezien het ontbreken van significante lineaire structuren van opgaande begroeiing kan gebruik als vaste vliegroute op voorhand worden uitgesloten.
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
14
2.3
Broedvogels
Beschikbare gegevens Uit de databank (NDFF 2021, Quickscanhulp) blijkt dat binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied diverse vogels met een jaarrond beschermd nest zijn geregistreerd.
Jaarrond beschermde nesten De bij het NDFF geregistreerde soorten met een jaarrond beschermd nest betreffen onder meer ook soorten die hoog in bomen nestelen, te weten Boomvalk, Buizerd, Havik, Ransuil, Slechtvalk, Sperwer en Zwarte wouw. Deze soorten gebruiken ook nesten van bijvoorbeeld Zwarte kraai, of zelfs van Ekster, maar ook van elkaar. Daarnaast zijn ook Gierzwaluw en Huismus geregistreerd, als koloniebroeders aan/op gebouwen (zie ook Sovon 2002 & 2018). Beide soorten kunnen onder de juiste condities, worden verwacht in stedelijk gebied.
Overige broedvogels Veelal zijn er in elk soort terrein ook andere broedende vogels te verwachten, waaronder nesten in opgaande struwelen en bomen (zie ook Sovon 2018). Broedende vogels mogen onder géén enkele conditie worden verstoord (zie DR 2009). Onder die voorwaarde is echter voor de meeste broedvogelsoorten géén aanvullende veldinventarisatie vereist: dit is uitsluitend nodig op het moment dat werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd.
Conclusie broedvogels * Jaarrond beschermde nesten: het werkterrein vergt nadere controle op mogelijk aanwezige jaarrond beschermde nesten in te slopen bebouwing. Zo nodig behoeft dat nadere inventarisatie van het gebruik en aanvraag van ontheffing. * Broedende vogels: met betrekking tot (overige) broedende vogels dienen werkzaamheden die verstorend kunnen zijn, in beginsel buiten het broedseizoen plaats te vinden.
2.4
Amfibieën en reptielen
Beschikbare gegevens Uit de databank (NDFF 2021, Quickscanhulp) blijkt dat binnen een straal van 1 km van het werkgebied 1 beschermde, tevens ontheffingsplichtige soort is geregistreerd (zie ook Creemers 2009; NDFF 2019).
Amfibieën Er zijn géén amfibieën geregistreerd. Het uitvoerportaal van NDFF laat ook zien dat algemene soorten als gewone pad en Bruine kikker, slechts op enige afstand van het werkgebied zijn geregistreerd.
Reptielen Binnen een straal van 1 km van het werkgebied is Ringslang geregistreerd, als ‘andere soort’ zonder provinciale vrijstelling, dus ontheffingsplichtig. Ringslang is gebonden aan een water- en amfibierijke habitat met tevens droge en vorstvrije mogelijkheden voor winterverblijf. In Gouda is de soort ooit uitgezet waarna deze Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
15
zich in de omgeving heeft verspreid. De dieren maken soms gebruik van watergangen in de gebouwde omgeving, in welke situatie ze wel overwinteren in kruipruimten. Bij ontbreken van open water in de directe omgeving kan de soort echter worden uitgesloten.
Conclusie amfibieën en reptielen Amfibieën en Ringslang kunnen in het werkgebied worden uitgesloten vanwege de afwezigheid van leefgebied.
2.5
Vissen
Beschikbare gegevens Uit de databank (NDFF 2021, Quickscanhulp) blijkt dat binnen een straal van 1 km van het werkgebied géén ontheffingsplichtige vissen zijn geregistreerd (zie ook NDFF 2019).
Conclusie vissen Ontheffingsplichtige vissen kunnen op basis van verspreiding op voorhand worden uitgesloten.
2.6
Ongewervelde soorten
Bij ongewervelde soorten moet men denken aan vlinders, libellen, sprinkhanen en andere ongewervelde soorten zoals mieren, kevers, weekdieren e.d. Onder deze groepen vallen eveneens beschermde soorten terwijl voor sommige soorten ook een ontheffingsplicht geldt. Juridisch zwaar beschermd zijn soorten uit de groepen libellen, dagvlinders en ‘overige ongewervelde soorten’ (waaronder ook waterorganismen).
Beschikbare gegevens Uit de databank (NDFF 2021, Quickscanhulp) zijn binnen een straal van 1 km van het werkgebied géén ontheffingsplichtige soorten geregistreerd, maar is ook geen leefgebied voor dergelijke soorten beschikbaar (zie Boesveld 2011; Bos 2006; Dijkstra 2002).
Conclusie ongewervelden Ontheffingsplichtige soorten kunnen op basis van verspreiding en het ontbreken van leefgebied worden uitgesloten.
2.7
Conclusies uit beschikbare gegevens
Volgens de databank van NDFF en verspreidingsgegevens blijkt dat in het werkgebied naast vrijgestelde ‘andere soorten’, meerdere ontheffingsplichtige soorten verwacht kunnen worden waarvan reeds enkele op basis van het algemeen karakter van het werkgebied (blz.12), op voorhand kunnen worden uitgesloten. De volgende resterende soorten vergen alsnog nadere controle van de habitat om te beoordelen of er een geschikte habitat voor is, in welk geval nader onderzoek (en mogelijk aanvraag van ontheffing) nodig is: - vleermuisgebruik en jaarrond beschermde nesten in te slopen bebouwing.
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
16
Voorts zijn er broedgevallen te verwachten van zangvogels, welke tijdens het broeden moeten worden ontzien. Ook zijn er vrijgestelde kleine zoogdieren en amfibieën te verwachten, welke bij de uitvoering aandacht en toepassing van de wettelijke zorgplicht vergen (zie blz.8). Andere ontheffingsplichtige soorten kunnen op basis van verspreiding en/of habitat, op voorhand worden uitgesloten. ----------
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
17
3
LOCATIEONDERZOEK
3.1
Toetsing vigerende regelgeving gebiedsbescherming
Gebiedsbescherming vormt onderdeel van zowel de Wet natuurbescherming (Natura 2000-gebieden/ Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en Besluit natuurbescherming) als van de provinciale regelgeving (Natuurnetwerk Nederland). Natura 2000-gebieden: De werklocatie ligt op ca. 3 km afstand van Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’. Aangewezen soorten betreffen hier uitsluitend overwinterende watervogels. Deze kunnen met betrekking tot eventuele samenhang met hun effectieve Natura 2000leefgebied, niet in verband worden gebracht met de werklocatie, waarmee de ‘externe werking Wnb’ buiten beschouwing kan worden gelaten. Besluit natuurbescherming: Als onderdeel van de Wnb dient vanwege de voorgenomen ruimtelijke ingreep, de stikstofproductie te worden berekend die het gevolg is van de bij de realisatie gebruikte verbrandingsmotoren (sloop en/of transport, grondwerk, bouw en inrichting), dan wel het gevolg zal zijn van een nieuwe gebruikssituatie (met betrekking tot huishoudens, bedrijvigheid en verkeersintensiteit). Middels een Aeriusberekening (zie blz.9) wordt dit vanuit de gegeven locatie, omgezet in de te verwachten depositie op de op zekere afstand liggende Natura 2000-gebieden. Deze berekening met daaruit voortvloeiende consequenties zal indien nodig, separaat van dit natuuronderzoek worden afgehandeld.
Een dergelijk onderzoek kunt u laten verrichten door de specialist Mattijs Langelaar, Langelaar Milieuadvies, info@langelaarmilieuadvies.nl - tel.0612-199.804. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het werkgebied maakt géén deel uit van het NNN. Daarmee is die betreffende regelgeving niet van toepassing. Het werkgebied ligt ook buiten de bijzondere weidevogelgebieden.
3.2
Verkenning werkgebied en habitatbevindingen
Een veldverkenning heeft plaatsgevonden op 10 juli 2021, samen met een nauwkeurige inspectie van de te slopen bebouwing.
Algemene terreinkenmerken Het te slopen complex bestaat uit laagbouw met een plat dak. De bebouwing bestaat grotendeels uit plaatmateriaal en glaspuien, afgewisseld met lage metselsteen muren. Er is geen open water aanwezig en er staan evenmin bomen van enig formaat op het terrein. De directe gebouwomgeving bestaat uit kleine groenvakken naast voornamelijk uit verharding. Met letters is onderscheid gemaakt tussen de verschillende delen van het complex (zie figuur 3). Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
18
Figuur 3, plattegrond plangebied met deelgebieden A t/m E
Gebouwdeel A Dit is een laag gebouwdeel, tot circa 2,5 meter boven plaatselijk maaiveld. In de uit metselstenen opgetrokken buitenschil zijn enkele open stootvoegen aanwezig. Deze zijn evenwel zeer smal, naar schatting minder dan een centimeter (zie foto 1). Vleermuizen vergen voor toegang spleten met een minimale breedte van 14 tot 16 mm, waarmee de aangetroffen open stootvoegen daarvoor niet geschikt zijn. Gebouwdeel B De wanden van dit gebouwdeel bestaan vrijwel geheel uit plaatmateriaal en glaspuien. Ook de omlijsting van de luifel en van het platte dak bestaat eveneens uit kunststofplaten die geheel op elkaar aansluiten, waarmee deze evenmin mogelijkheden bieden voor vogels of vleermuizen (zie foto 2). Gebouwdeel C Dit gebouwdeel is afwijkend van de overige en opgetrokken uit plaatmateriaal en rabatdelen. De wanden bestaan geheel uit kunststof platen. De dakranden sluiten ‘perfect’ aan evenals de doorvoeren van leidingen. Ook hier biedt de bebouwing geen gebruiksmogelijkheden voor vleermuizen of vogels.
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
19
Foto 1, te smalle open stootvoeg van maximaal 1 cm in gebouwdeel A
Foto 2, gebouwdeel B
Foto 3, gebouwdeel C
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
20
Gebouwdeel D De hoogte van dit gebouwdeel is naar schatting 4,5 meter terwijl de buitenschil is opgetrokken uit metselstenen. Verder bestaat ook hier de afwerking uit kunststof platen waarbij alle onderdelen perfect op elkaar aansluiten zonder kleine holtes, open stootvoegen of andere mogelijke invliegopeningen (zie foto 4). Gebouwdeel E Dit is een losstaand gebouw en kent ook geen potentiële invliegopeningen in de buitenschil van metselstenen (foto’s 5 en 6). Foto 4, gebouwdeel D
Foto 5, gebouwdeel E, zuidoostzijde
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
21
Figuur 6, gebouwdeel E, noordoostzijde
Van alle gebouwdelen zijn de daken niet geschikt voor dak-broedende soorten als meeuwen en scholekster vanwege geringe hoogte, deels licht schuine dakdelen en afwezigheid van grint op het dak. De beperkte, omringende tuinbegroeiing is onvoldoende om geschikt te zijn als onderkomen van egel of kleine marterachtigen.
Conclusies habitatbeoordeling Vaatplanten Ontheffngsplichtige planten kunnen op grond van verspreiding worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Gezien het ontbreken van substantiële oppervlakken groene buitenruimte rond de bebouwing, kan deze soortgroep geheel worden uitgesloten. Vleermuisgebruik Vanwege afwezigheid van gebruiksmogelijkheden van de te slopen bebouwing voor vleermuizen, kan vleermuisgebruik op voorhand geheel worden uitgesloten. Broedvogels Vanwege afwezigheid van gebruiksmogelijkheden van de te slopen bebouwing voor vogels, ook voor dak-broedende soorten, kunnen vogels met jaarrond beschermde nesten of kolonievogels aan en op de bebouwing op voorhand worden uitgesloten. In de beperkte tuinbegroeiing kan wellicht een enkel nest van een zangvogel worden aangetroffen. Deze mogen tijdens het broeden niet worden verstoord. Amfibieën Gezien het ontbreken van enige buitenruimte met begroeiing en/of water rond het projectgebied kunnen amfibieën op voorhand worden uitgesloten. Reptielen Gezien het ontbreken van leefgebied rond de bebouwing kan ook Ringslang hier worden uitgesloten. Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
22
Dagvlinders en libellen Ongewervelde soorten kunnen worden uitgesloten op basis van verspreiding. Nota bene: gezien het bovenstaande kan nader veldonderzoek achterwege blijven en is dus ook geen ontheffing nodig. ----------
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
23
4
SAMENVATTENDE CONCLUSIES
In samenhang tussen literatuuronderzoek, veldverkenning en habitatbeoordeling en voor een deel tevens veldinventarisatie, kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
1) Vigerende regelgeving gebiedsbescherming * Natura 2000: Op de planlocatie zijn geen condities aanwezig welke gebruik door aangewezen soorten uit Natura 2000-gebied mogelijk maken: de regelgeving van de ‘externe werking Natura 2000’ is dus niet van toepassing (zie § 3.1). * Besluit natuurbescherming: Indien een berekening van de te verwachten stikstofdepositie nodig is, zal deze separaat van deze rapportage worden uitgevoerd (zie § 3.1). * Natuurnetwerk Nederland: het plangebied vormt géén onderdeel van het NNN of van ‘bijzondere weidevogelgebieden’ (zie § 3.1).
2) Bevindingen onderzoek Alle geregistreerde ontheffingsplichtige soorten (zie hoofdstuk 2 en conclusies vorige bladzijde) kunnen op voorhand worden uitgesloten.
3) Broedvogels Jaarrond beschermde nesten kunnen worden uitgesloten op basis van ontbrekende gebruiksmogelijkheden. Overige broedende vogels in de beperkt aanwezige begroeiing dienen in het broedseizoen te worden ontzien.
4) Overig faunagebruik Overige ontheffingsplichtige soorten kunnen op basis van ontbrekend leefgebied dan wel verspreiding op voorhand worden uitgesloten.
5) Consequenties * Een nog uit te voeren stikstofberekening moet uitwijzen of er nog een vergunning vereist is vanwege de eventuele stikstofuitstoot (zie blz.17 en hierboven punt 1). * De geldigheid van dit onderzoek omvat 3 jaar vanaf de datering van dit rapport. Werkzaamheden kunnen op basis van deze rapportage binnen die termijn zonder aanvraag van ontheffing en overige consequenties, worden uitgevoerd. ----------
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
24
GERAADPLEEGDE LITERATUUR Bij12 (2017). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis e.a., versie 1.0 Bij12 (2017). Automatische bijstelling grenswaarde PAS, https://www.bij12.nl/assets/Status-Grenwaarde-1-september-2017-v2.pdf Bij12 (2017). Wettelijk kader Besluit natuurbescherming, www.bij12.nl/onderwerpen/programma-aanpak-stikstof/wettelijk-kader/ Bos/ F. (2006), M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinder-stichting. De Dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming. Nederlandse Fauna 7, Leiden. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland. Broekhuizen/ Sim (2016), Kamiel Spoelstra, Johan B.M. Thissen, Kees J. Canters en Jan C. Buys (redactie): Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Uitgever Naturalis Biodiversity Center en EIS-Nederland, Leiden. Creemers (2009) Raymond.C.M. en Jeroen J.C.W. van Delft (Ravon)/ redactie: De Amfibieën en Reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal NatuurhistorischMuseum Naturalis, EIS-Nederland, Leiden. Dijkstra/ Klaas-Douwe B. (2002), Vincent J.Kalkman, Robert Ketelaar, Michiel J.T. van der Weide: De Nederlandse Libellen (Nederlandse Fauna 4). KNNV Uitgeverij. DR 2009. Wijziging beoordeling ontheffing Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen en aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten.
Brief van de Dienst Regelingen, ffw2009.corr.046 van 25 augustus 2009, Ministerie van LNV (thans EZ). Floron 2011. Nieuwe atlas van de Nederlandse Flora. Stichting Floron/ KNNV Zeist. GAN 2017: Het protocol voor vleermuisinventarisaties. Gegevensautoriteit Natuur, Zoordiervereniging VZZ en Netwerk Groene Bureau’s, 2012. Na evaluatie aangepast voor 2017. Limpens/ H.J.G.A. (1997), K. Mostert en W. Bongers: Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Ministerie van EZ (2016). Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen, versie 1.3 december 2016. NDFF (2021). Nationale databank flora en fauna, uitvoerloket. NDFF/ Natuurloket (2021). Quickscanhulp, registratie in samenwerking tussen Het Natuurloket, Gegevensautoriteit Natuur en Regelink. NDFF/RAVON (2019). Online verspreidingsatlassen amfibieën resp. reptielen, http://verspreidingsatlas.nl.
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
25
REG 1979, Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen inzake het behoud van de vogelstand (Vogelrichtlijn, EEG 79/409, laatstelijk gewijzigd in 2006). REG 1992/1997, Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen inzake de instandhouding van de natuurlijke Habitats en de wilde flora en fauna (Habitatrichtlijn, EEG 92/43, laatstelijk gewijzigd in 1997). Sovon 2018. Vogelatlas van Nederland, redactie Fred Hustings & Kees Koffijberg. Kosmos uitgevers, Utrecht/Antwerpen. ----------
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
26
GEBRUIKTE TERMEN EN AFKORTINGEN aangewezen soorten Natura 2000 soorten planten en/of dieren welke in een ministerieel besluit ten aanzien van een Natura 2000-gebied zijn aangewezen als specifiek met betrekking tot dat gebied te beschermden; andere soorten (Wnb) eveneens beschermde soorten, niet behorend tot de soorten van Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn (Bijlage bij de Wet Natuurbescherming); externe werking Natura 2000 de geboden m.b.t. Natura 2000 zijn ook van kracht voor aangewezen fauna-soorten buiten een als zodanig aangewezen gebied wanneer zij daar ook signifi-cant gebruik maken voor functies zoals foerage, dagverblijf of hoogwatervlucht-plaatsen (bijv. vogels) of voor overwintering (bijv.
vleermuizen); fauna dierlijke organismen waaronder zoogdieren, vissen, vogels, amfibieën, reptielen, insecten en andere ongewervelden; flora plantaardige organismen zoals houtgewassen, kruidachtige gewassen, grassen en waterplanten; foerageren naar voedsel zoeken, voedsel verzamelen; GAN Gegevensautoriteit Natuur, onafhankelijke overheidsinstantie met de verantwoordelijkheid voor het verzamelen van natuurgegevens, ingesteld door het Ministerie van LNV (thans EL&I); habitat typische woonomgeving van een bepaalde soort; Habitatrichtlijn, HR-soorten soorten planten of dieren welke zijn opgenomen in de verschillende Bijlagen van de Europese habitatrichtlijn: Bijlage IV: dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd; natuurschade de schade welke door werkzaamheden aan ter plaatse voorkomende (individuen van) beschermde soorten planten en dieren en vaste verblijf- en voortplantingsplaatsen daarvan, wordt toegebracht door bedreiging, verwonding, beschadiging of aantasting van de leefomgeving of specifieke biotoopomstandigheden; NDFF Nationale Databank Flora en Fauna; NNN Natuurnetwerk Nederland; Omgevingsdienst regionale uitvoeringsdienst in opdracht van gemeenten en provincies, voor vergunningverlening, toezicht en handhaving op het gebied van natuur en milieu; ongewervelde soorten diersoorten zónder dan wel met een uitwendig skelet, zoals
weekdieren, kevers, mieren en insecten; ontheffing (Wnb) een in het kader van de soortbescherming aangegeven toestemming tot onder meer het verstoren of (per ongeluk, onvermijdelijk,) doden van beschermde dieren en/of vernietigen van beschermde planten en hun groeiplaats welke bescherming in de betreffende wet wordt geregeld; PAS Programmatische Aanpak Stikstof;
Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda
27
populatie groep individuen van één soort die, levende in een bepaald gebied, een voortplantingseenheid vormen; RAVON Reptielen, Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland; RvON Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (voorheen Dienst Regelingen); soortgroep groep organismen van dezelfde klasse of ondersoort: vaatplanten, mossen, zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën, vissen, insecten (ondersoorten: vlinders, libellen enz.); ‘ter zake kundige’ (Ffw/ Wnb) een persoon die: * op HBO, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt ecologie, en/of * als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, en/of * zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van soortbescherming en is aangesloten bij de daarvoor bestaande organisaties/ PGO’s zoals RAVON, VZZ, SOVON, FLORON enz.
(bron: Ministerie van LNV/ EZ); vaste verblijfplaatsen (Ffw/ Wnb) zomer-, winter- of paarverblijfplaatsen, vaste migratie- en vliegroutes en cruciale foerageerplekken van vleermuizen; vaste voortplantingslocaties van amfibieën; vaste verblijfplaatsen van Kleine modderkruiper, e.d.; schuil- en broedplaatsen van vogels welke jaarlijks opnieuw als zodanig worden gebruikt; verspreidingsgegevens/ -onderzoek met steekproefonderzoek vastgestelde gebieden waar een bepaalde soort verwacht kan worden; Vogelrichtlijn, VR-soorten vogelsoorten die zijn opgenomen in de Europese Vogelrichtlijn; volgens het Europese recht wijzen de lidstaten beschermingszones aan om voor alle aangewezen soorten een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermden om populaties van deze soorten in stand te kunnen houden; vrijstelling, provinciale (Wnb) een in het kader van Wnb geregelde provinciale toestemming tot onder meer het verstoren of (per ongeluk, onvermijdelijk,) doden van beschermde dieren en/of vernietigen van beschermde planten en hun groeiplaats, geregeld voor categorieën zoals aangegeven in de Bijlage bij Wnb Onderdelen A & B; wettelijk belang (Wnb) in de natuurwetgeving zijn een aantal verschillende belangen opgenomen op basis waarvan het beschermingsregime met betrekking tot sooten van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn, mede wordt genuanceerd; Wnb Wet
Natuurbescherming welke vanaf 1 januari 2017 de beschermingskaders met juridische verboden, verplichtingen, voorwaarden en toestemmingen biedt voor (het omgaan met) flora en fauna; zorgplicht de in de wet vastgelegde plicht (art. 2) dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren (en dus niet alleen de beschermde) en hun leefomgeving. Dit is een algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Overigens geldt de zorgplicht ook voor planten (LNV 2005). ---------Onderzoek natuurwetgeving – sloop & nieuwbouw Magalhaeslaan 27-29 Gouda