CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 2023-02-28-11609 BGB revisie.pdf

Raadsvergadering 17 mei 2023, gemeente GoudaBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen (vvgb): realiseren distributiecentrum Nieuwe Gouwe OZ 4021.444 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.4.1 Weerstand tegen branddoorslag De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag van een sub-brandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment is ten minste 20 minuten. Voor de bepaling van de brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie van een scheidingsconstructie uitsluitend rekening wordt gehouden met het beoordelingscriterium vlamdichtheid met betrekking op de afdichting (E-criterium volgens NEN 6069). Zie ook bijlage WBDBO-criteria.

5.4.2 Weerstand tegen rookdoorgang De weerstand tegen rookdoorgang (WRD) van een sub-brandcompartiment naar omliggende ruimten moet worden bepaald volgens NEN 6075: Van

Naar

Eis

Sub-brandcompartiment

Ander sub-brandcompartiment

Ra

Besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute (EBV) voert

R200

Tabel 11

De ontwerpende en uitvoerende partijen zijn verantwoordelijk voor de juiste materiaalkeuzes in relatie tot deze eisen.

5.5

Eisen aan vluchtroutes (typen vluchtroutes) De vluchtroute vanaf de toegang van het sub-brandcompartiment heeft in Bouwbesluit 2012 een basisniveau aan bescherming. Er is meer bescherming nodig indien sprake is van een enkele vluchtweg, er meer personen gebruikmaken van de vluchtroute, bij specifieke gebruiksfuncties

Pagina 27 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

en bij trappenhuizen waarin een behoorlijke hoogte moet worden overbrugd. Het hogere beschermingsniveau is niet altijd nodig als er voorzien is in een tweede vluchtroute. De mate van bescherming komt tot uitdrukking in de benaming van de vluchtroute. In onderstaande tabel is aangegeven welke typen vluchtroutes onderscheiden worden. Type vluchtroute

Omschrijving

Vluchtroute (VR)

Route die begint in een voor personen bestemde ruimte, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt op een veilige plaats, zonder dat gebruik hoeft te worden gemaakt van een lift.

Beschermde vluchtroute (BV)

Een (enkele) vluchtroute waarop ten hoogste 37 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het sub-brandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang direct grenst aan het aansluitende terrein. Een beschermde vluchtroute voert uitsluitend door een verkeersruimte.

Extra beschermde vluchtroute (EBV)

Een (enkele) vluchtroute waarop meer dan 37 en ten hoogste 150 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het sub-brandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang direct grenst aan het aansluitende terrein. Een extra beschermde vluchtroute ligt niet in een brandcompartiment.

Veiligheidsvluchtroute (VVR)

Gedeelte van een extra beschermde vluchtroute dat voert door een niet-besloten ruimte en aansluitend daarop door een ruimte die uitsluitend kan worden bereikt vanuit niet-besloten ruimten.

Tabel 12

5.5.1 Eisen vluchtroutes voor onderhavig gebouw Aantal uitgangen sub-brandcompartiment Er zijn voor een sub-brandcompartiment ten minste twee uitgangen waardoor een vluchtroute loopt nodig, als het sub-brandcompartiment beschikt over een ruimte bestemd voor meer dan 150 personen. De onderlinge afstand tussen de uitgangen van ten minste 5 m. Er zijn geen sub-brandcompartimenten of daarin gelegen ruimten met meer dan 150 personen aanwezig. Type vluchtroutes buiten sub-brandcompartimenten Het ontwerp beschikt over een sub-brandcompartiment met één uitgang waardoor een vluchtroute voert, namelijk de 2e verdieping van kantoor 2. De vluchtroute vanaf de toegang van dit sub-brandcompartiment is, mede vanwege de hoogteoverbrugging, een extra beschermde vluchtroute. Vluchtroutes in trappenhuizen Een vluchtroute in een trappenhuis waar een hoogteverschil van meer dan 8 m wordt overbrugd, is een extra beschermde vluchtroute (EBV), ook als er sprake is van twee of meer vluchtroutes. Opmerking: De wetgever wil met deze uitvoering van trappenhuizen met een dergelijk te overbruggen hoogteverschil voorkomen dat een brand in een trappenhuis snel kan binnendringen en zich dan snel langs wanden verder kan ontwikkelen.

Aan een extra beschermde vluchtroute zijn zodanige eisen gesteld in termen van WBDBO, weerstand tegen rookdoorgang en materiaal gedrag bij brand, dat de trappenhuizen langdurig veilig kunnen worden gebruikt. Dat is enerzijds nodig

Pagina 28 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023 voor het veilig kunnen verlaten van een gebouw, maar die trappenhuizen zijn ook nodig voor hulpverleners om het gebouw te kunnen betreden om mensen te redden en om een bluspoging te kunnen doen.

Het trappenhuis van kantoor 2 welke meer dan 8 m hoogte overbrugd moet worden uitgevoerd als extra beschermde vluchtroute. Het trappenhuis wordt gesprinklerd. Met deze uitvoering is er geen sprake van een snelle ongecontroleerde ontwikkeling van brand, aangezien de sprinklerinstallatie een eventuele brand in en in de nabijheid van het trappenhuis controleert en praktisch gezien zelfs in staat is deze te blussen. Daarnaast wordt het trappenhuis gebruikt als verkeersroute (eis Bouwbesluit) en gelden zware eisen voor wat betreft materialisatie met als gevolg dat er geen sprake is van een noemenswaardig brandrisico en hiermee geschikt voor de brandweer als aanvalsroute. De uitvoering van het trappenhuis in kantoor 2 is als volgt: − Met sprinklers te beveiligen (zie UPD SPR); − Te gebruiken als verkeersruimte (overeenkomstig eis Bouwbesluit voor een EBV); − 30 minuten WBDBO volgens NEN 6069 van een brandcompartiment naar de EBV; − R200 rookwerend van brandcompartiment naar de EBV; − Materialisatie trappenhuis kantoor 2 overeenkomstig de eisen van een EBV volgens Bouwbesluit, zie hoofdstuk 7 van dit rapport; − Zie H6 voor wat betreft de constructieve eisen.

5.6

Eisen aan de inrichting van vluchtroutes

5.6.1 Afmetingen vrije doorgang Elke vluchtroute, met uitzondering van een vluchtroute over een trap, heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van 2,3 m.

5.6.2 Deuren in vluchtroutes − − − −

Een deur in een vluchtroute draait met de vluchtrichting mee, als meer dan 37 personen zijn aangewezen op deze deur. Een deur in een vluchtroute kan worden geopend zonder gebruik te maken van een los voorwerp (bijvoorbeeld onder toepassing van draaiknopcilinder of paniekslot). Nooddeuren zijn deuren die uitsluitend worden gebruikt voor het vluchten. Een nooddeur mag geen schuifdeur zijn. Aan de aan de buitenzijde van nooddeuren moet het opschrift 'nooddeur vrijhouden' of 'nooduitgang' volgens NEN 3011 worden aangebracht.

Pagina 29 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

Vluchtdeuren waarop meer dan 100 personen zijn aangewezen Het ontwerp beschikt niet over vluchtdeuren waarop meer dan 100 personen zijn aangewezen. Paniekbalken zijn niet vereist. Voor alle deuren in de vluchtroutes geldt wél dat deze deuren zonder los voorwerp te openen moeten zijn. Bijzondere uitvoeringen in vluchtroutes Voor automatisch werkende deuren, tourniquets en voorzieningen voor toegangs- of uitgangscontrole als onderdeel van een vluchtroute geldt dat bij het wegvallen van de netspanning dergelijke uitvoeringen vanzelf (automatisch) moeten opengaan of zonder gebruik van een sleutel of ander los voorwerp geopend kunnen worden. Direct bij deze uitvoeringen, die in geval van brand handmatig moet worden geopend, moet duidelijk zijn aangegeven hoe deze kunnen worden geopend. Voor wat betreft de detaillering van deze uitvoeringen wordt geadviseerd gebruik te maken van het handboek 'Brandbeveiligingsinstallaties' van Brandweer Nederland (te downloaden via www.ifv.nl). Toelichting handboek: Voor wat betreft deze bijzondere uitvoeringen is er voor het detailontwerp en realisatiefase behoefte aan duidelijkheid over de toepassing. "Brandweer Nederland verwacht met de uitgave van dit boek bij te dragen aan een uniforme toepassing van brandpreventieve installatietechnische voorzieningen.

In het boek wordt ernaar gestreefd de laatste inzichten op overzichtelijke wijze weer te geven. Het boek is afgestemd op het Bouwbesluit 2012 en sluit aan op diverse actuele wijzigingen van NEN normen." (bron: www.ifv.nl)

5.6.3 Uitvoering trappen De uitvoering van trappen moet minimaal voldoen aan afdeling 2.5 van Bouwbesluit 2012: Uitvoering trappen overeenkomstig afdeling 2.5 van Bouwbesluit 2012

Afmetingen (m)

Minimum breedte van de trap

0,8

Minimum vrije hoogte boven de trap

2,1

Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede

0,185

Maximum hoogte van de optrede

0,21

Minimum breedte van het tredevlak, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak

0,05

Minimum breedte van het tredevlak ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak

0,23

Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap

0,3

Maximum hoogte van de trap (geldt niet voor industriefuncties)

4,0

Tabel 13

5.7

Doorstroomcapaciteit vluchtroutes Doorstroomcapaciteit binnen sub-brandcompartimenten De breedte van de uitgang(en) van een (sub-)brandcompartiment moet dusdanig zijn dat de ruimte ook binnen een minuut door iedereen kan worden verlaten. Bij de bepaling van de doorstroomcapaciteit van een vluchtroute moet worden uitgegaan van:

Pagina 30 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023 Onderdeel

Doorstroomcapaciteit

Ruimte (bijvoorbeeld een gang)

90 personen per minuut per m1 vrije breedte

Trap met aantrede > 0,17 m

45 personen per minuut per m1 breedte, hoogteverschil > 1 m 90 personen per minuut per m1 breedte, hoogteverschil < 1 m

Enkele deur met een openingshoek ≤ 135 graden

110 personen per minuut per m1 vrije breedte

Dubbele deur (of vergelijkbaar) met openingshoe- 90 personen per minuut per m1 vrije breedte ken ≤ 135 graden Tegen de vluchtrichting in draaiende deur

37 personen (per minuut, indien dit een brandscheiding is)

Deur zonder paniekbalk

100 personen

Andere doorgangen

135 personen per minuut

Tabel 14

De capaciteit van vluchtroutes (uitgangsbreedte van sub-brandcompartimenten) is uitgelegd op basis van de persoonsbezetting. Deze is dusdanig dat wordt voldaan aan de eisen van Bouwbesluit 2012 en een sub-brandcompartiment binnen één minuut kan zijn verlaten. Doorstroomcapaciteit buiten sub-brandcompartimenten Op een gedeelte van een vluchtroute, gelegen buiten het sub-brandcompartiment waarin de vluchtroute begint kan worden afgeweken van deze doorstroomcapaciteit van een vluchtroute (waar sprake is van 'vernauwingen' in die route), als de personen die zijn aangewezen op dat gedeelte en eventueel daarop volgende gedeelten van de vluchtroute het aansluitende terrein kunnen bereiken binnen 15 minuten. Op basis van de aanwezige vluchtwegvoorzieningen in relatie met de ontwerpwaarde voor de persoonsbezetting en de beschikbare tijd welke beschikbaar is voor het vluchten (zie rapport VTM) zijn naar de mening van DLVD advies geen opvang- en doorstroomcapaciteitsberekeningen noodzakelijk (geen vernauwingen met kritische opstoppingen tot gevolg en geen indicatie dat de maximale ontruimingstijd zal worden overschreden).

5.8

Vluchtconcept in relatie tot brandscenario Het ontstaan van brand en het gevolg van brand ten aanzien van het ontstaan en de verspreiding van rookgassen in een ruimte of meerdere ruimten kan niet worden voorkomen. Op basis van het voldoen aan de bouwvoorschriften geldt dat de omstandigheden (gebouw, gebruik, menskenmerken, voorzieningen) dusdanig zijn, dat verwacht mag worden dat: 1. aanwezige personen de door brand bedreigde ruimte binnen één minuut zelfstandig of met behulp van aanwezigen het gebouw in geval van brand hebben kunnen verlaten; en 2. het gebouw binnen 15 min na het verlaten van de brandruimte volledig kan zijn ontruimd.

Pagina 31 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

6.

Constructieve brandveiligheid Een gebouw moet bij brand gedurende redelijke tijd kunnen worden verlaten en doorzocht, zonder dat er gevaar voor instorting is.

6.1

Constructief ontwerp De constructeur is verantwoordelijk voor het constructieve ontwerp op basis van de van toepassing zijnde voorschriften en de in deze rapportage van toepassing zijnde prestatie-eisen op het gebied van brandveiligheid. Bij het bepalen van het bezwijken van een bouwconstructie moet worden uitgegaan van de buitengewone belastingcombinaties die volgens NEN-EN 1990 kunnen optreden bij brand. De tijdsduur van het bezwijken wordt afhankelijk van het materiaal van de bouwconstructie bepaald volgens: NEN-EN 1992 t/m 1996, NEN-EN 1999 of NEN 6069.

6.2

Eisen bouwconstructie in relatie tot voortschrijdende instorting brandcompartimenten De bouwconstructie van een brandcompartiment moet, op basis van art. 2.10 van Bouwbesluit vanwege de aanwezigheid van een hoogste vloer van een gebruiksgebied hoger dan 5 m boven het meetniveau of lager dan 5 m onder het meetniveau, in basis gedurende ten minste 90 minuten weerstand bieden tegen brand in een ander brandcompartiment. Deze tijdsduur kan worden bekort, als: − de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m² (30 minuten reductie). − onder toepassing van een automatische sprinklerinstallatie met inspectiecertificaat volgens CCV-regeling en op basis van nadere analyse. Relatie met het ontwerp Het gebouw is beschouwd als een groot brandcompartiment onder toepassing van NEN 6079. De eis in relatie tot de weerstand tegen bezwijken onder brandomstandigheden is hier niet van toepassing. Er is geen sprake van (gestapelde) brandcompartimenten. Het bezwijken van de bouwconstructie van een brandcompartiment kan hier niet tot gevolg hebben dat delen van de bouwconstructie gelegen in andere bovengelegen brandcompartimenten kunnen bezwijken.

6.3

Eisen bouwconstructie van vluchtroutes Bij brand in een sub-brandcompartiment mag een vloer, trap of hellingbaan waarover of waaronder een vluchtroute1 voert buiten dit sub-brandcompartiment niet binnen 30 minuten bezwijken. Uitgangspunt is dat iedereen binnen 30 minuten na het begin van de brand een veilige plaats kan hebben bereikt en dat de brandweer tijd heeft om het bouwwerk te doorzoeken op eventueel daarin achtergebleven personen.

1 Vluchtroute = route die begint in een voor personen bestemde ruimte, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen

en eindigt op een veilige plaats, zonder dat gebruik behoeft te worden gemaakt van een lift.

Pagina 32 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

Een vluchtroute die binnen het sub-brandcompartiment waarin de brand is ligt, mag wel onbruikbaar worden als gevolg van bezwijken, omdat deze vluchtroute toch al onbruikbaar is door rook en vuur. Praktisch betekent dit dat de constructie van een sub-brandcompartiment niet altijd brandwerend uitgevoerd hoeft te worden, maar dat tussen sub-brandcompartimenten gekozen kan worden voor onafhankelijk gescheiden constructies.

6.3.1 Bescherming vluchtroutes buiten sub-brandcompartimenten en verblijfsvloer ≤ 8 m Het gebouw beschikt in het kader van de eisen inzake veilig vluchten over een indeling in subbrandcompartimenten (zie detailontwerp). De hoogste verblijfsvloer van kantoor 1 is lager dan 8 m boven het meetniveau. Het gebouw is voorzien van een automatische sprinklerinstallatie. Bij een adequaat functionerende sprinklerinstallatie waarbij de brand wordt beheerst, dan wel geblust, zijn er geen bouwkundige voorzieningen nodig om aan de draagconstructie van het gebouw een weerstand tegen bezwijken in geval van brand in een ander sub-brandcompartiment toe te kennen. De automatische sprinklerinstallatie zorgt er namelijk voor dat de gebouwconstructie in stand blijft en niet bezwijkt. Het ontruimen van het gebouw is hierbij mogelijk, zonder dat constructieonderdelen zullen bezwijken. Onderbouwing gelijkwaardigheid sprinklerbeveiliging De weerstand tegen bezwijken van de bouwconstructie wordt met de automatisch werkende sprinklerinstallatie verhoogd doordat de temperatuur van de bouwconstructie bij brand niet hoger oploopt dan de bezwijktemperatuur van de stalen constructie (ca. 400 graden Celsius). De sprinklers hebben een aanspreektemperatuur van ca. 70-100 graden Celsius waardoor activering van de sprinklers in een vroeg brandstadium plaatsvindt.

Doordat bluswater uit de geactiveerde sprinklers in de ruimte wordt gebracht, wordt de vorming van hete rookgassen gereduceerd, alsook de warmtestraling. Ook absorbeert het watergordijn, wat onder de sprinklers wordt gevormd, een deel van de warmtestraling. Hoewel deze processen niet eenvoudig te kwantificeren zijn, zal er nauwelijks sprake zijn van significante opwarming van de (stalen) delen van de bouwconstructie. De projectering van sprinklers is binnen de sprinklervoorschriften zodanig gelimiteerd, dat altijd zeker is dat constructiedelen worden aangesproeid. Het is immers één van de belangrijkste doelstellingen van de sprinklerbeveiliging, het bouwwerk in kwestie in stand houden. Sprinklerinstallaties zijn betrouwbaar (zie hiervoor de kanscijfers NEN 6079). Indien desondanks wordt uitgegaan van een falende sprinklerinstallatie, is het niet nodig om voor deze situatie aanvullende voorzieningen aan de constructie aan te brengen in het kader van de repressieve inzet voor de brandweer. Als afdekking van het restrisico (kans op falende sprinklerinstallatie) dient de ontruiming van het gebouw wel te allen tijde mogelijk te zijn. Opmerking: Bovenstaande visie wordt eveneens gedragen in de uitgave Sprinklerinstallatie en brandwerendheid op bezwijken van staalconstructies d.d. 28 juni 2017 (VEBON).

Pagina 33 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

In dergelijke gebouwen zonder vloer hoger dan 8 m is het aannemelijk te veronderstellen dat de totale ontruimingstijd van het gebouw na aanvang van de brand niet langer is dan de weerstand tegen bezwijken van constructie die tevens is ontworpen om de van toepassing zijnde belastingen te dragen. De constructie hoeft daarom geen extra weerstand te bieden in geval van brand.

6.3.2 Bescherming vluchtroutes buiten sub-brandcompartimenten en verblijfsvloer > 8 m De hoogste verblijfsvloer van kantoor 2 ligt op meer dan 8 m boven het meetniveau. Als afdekking van het restrisico (falende sprinklerinstallatie) dient de ontruiming van het gebouw te allen tijde mogelijk te zijn. Naarmate gebouwen over meerdere bouwlagen beschikken, neemt de tijd om het gebouw bij brand te verlaten toe, dusdanig dat de bouwconstructie niet meer voorziet in een voldoende weerstand tegen bezwijken in geval van brand. Voor gebouwen met verblijfsvloeren hoger dan 8 m geldt dat sprake moet zijn van een extra bescherming van deze vluchtroutes, die eventueel ook door de brandweer kunnen worden gebruikt voor een binneninzet. Dit geldt voor alle typen vluchtroutes dus naast de beschermde of extra beschermde vluchtroutes ook voor de 'normale' vluchtroutes buiten het sub-brandcompartiment waar de brand is. Afhankelijk van het uitvoeringsniveau van de sprinklerinstallatie kan een bepaalde reductie worden toegekend: Uitvoeringsniveau en veiligheidsfactor

Kenmerken Sprinklerbewakingssysteem

Normaal, veiligheidsfactor 0,5 op basiseis 60 min Verbeterd, veiligheidsfactor 0,625 op basiseis 60 min Hoog, veiligheidsfactor 0,825 op basiseis 60 min

Hoofdafsluiters te voorzien van elektrische standbewaking

Watervoorziening

Minimale weerstand tegen bezwijken v/d bouwconstructie (min)

Enkelvoudig (1 pomp, 1 watervoorraad)

(1-0,5) x 60 = 30 (0 min reductie)

Enkelvoudig (2 pompen (elk 100% capaciteit), 1 watervoorraad van 100%)

(1-0,625) x 60 = 22,5 (7,5 min reductie)

Tweevoudig (2 pompen (elk 100% capaciteit) 2 watervoorraden (elk 100% capaciteit)

(1-0,825) x 60 = 10,5 (19,5 min reductie)

Tabel 15 Opmerkingen: − De basiseis is afgeleid van de WBDBO-eis van Bouwbesluit 2012 tussen een brandcompartiment en een extra beschermde vluchtroute, zijnde tenminste 60 minuten. − De veiligheidsfactoren zijn ontleend van rapport 'Sprinklerinstallaties en brandwerendheid op bezwijken van staalconstructies'.

Relatie met het ontwerp Gezien het verloop van de vluchtroute vanuit het sub-brandcompartiment met een verblijfsvloer hoger dan 8 m mag de extra beschermde vluchtroute (als enige vluchtroute), naast de aanwezigheid van de sprinklerinstallatie niet binnen 30 min bezwijken bij brand in het aangrenzende (sub-)brandcompartiment. Het sub-brandcompartiment waar de vluchtroute op de verblijfsvloer hoger dan 8 m begint, mag wél bezwijken. Het constructief ontwerp dient hierin te voorzien.

Pagina 34 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

De bouwconstructie (voorheen hoofddraagconstructie) van de extra beschermde vluchtroute in kantoor 2 moet tenminste 30 min weerstand bieden bij brand in een aangrenzend (sub-)brandcompartiment. De weerstand voor de bouwconstructie in de richting van EBV naar (sub-)brandcompartiment is niet relevant, aangezien het Bouwbesluit er vanuit gaat dat er geen brand kan ontstaan in de extra beschermde vluchtroutes. Voor wat betreft de weerstand tegen bezwijken van de vluchtroutes gelegen in een trappenhuis met de extra beschermde status kan worden gekozen om de constructie met omliggende ruimten die in een brandcompartiment moeten liggen, onafhankelijk uit te voeren of de constructies buiten de EBV zo te ontwerpen dat deze tenminste de vereiste weerstand tegen bezwijken kunnen leveren. Dit kan door bijvoorbeeld de constructie te coating, brandwerend te bekleden of de constructie te overdimensioneren.

6.4

Eisen bouwconstructie van brandscheidingen Delen van de bouwconstructie welke direct of indirect zijn verbonden met brandscheidingen mogen niet vroegtijdig bezwijken in relatie tot de WBDBO-eis, met als gevolg dat delen van de bouwconstructie gelegen in andere brandcompartimenten zullen bezwijken. Conform sprinklervoorschriften moeten de delen van de bouwconstructie in ongesprinklerde ruimten welke direct zijn verbonden met brandscheidingen een weerstand tegen brand bieden overeenkomstig de WBDBO-eis.

6.5

Aanvullende behandeling constructieonderdelen Een constructieonderdeel kan eventueel worden voorzien van aanvullende behandeling waarmee aan de gestelde eisen kan worden voldaan, mits is voorzien in een geldig door het bevoegd gezag aanvaard document waaruit blijkt dat deze aanvullende behandeling adequaat is toegepast.

6.6

Magazijnstellingen Voor wat betreft magazijnstellingen hoger dan 3 m geldt dat deze voldoende bestand moeten zijn tegen de daarop werkende krachten overeenkomstig afdeling 2.2 van Bouwbesluit, waarbij niet hoeft te worden uitgegaan van de buitengewone belastingcombinaties die volgens NEN-EN 1990 kunnen optreden bij brand.

Pagina 35 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

7.

Eisen aan constructieonderdelen (brand- en rookklassen) Een gebouw is zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen.

7.1

Algemeen In dit hoofdstuk worden de eisen voor de constructiematerialen van het gebouw op het gebied van de ontwikkeling van brand en rook beschreven. Het is belangrijk om op basis hiervan naar de uiteindelijke toepassing van materialen te kijken, de zogenoemde 'end use application'. Een materiaal heeft op zichzelf misschien een beperkte invloed op de ontwikkeling van brand en rook, maar kan in combinatie met een achterliggende constructie wel meer of onverwachte risico’s met zich meebrengen. De toe te passen materialen moeten altijd in de genoemde 'end use application' getest moeten zijn volgens de methode zoals omschreven in NEN-EN 13501-1.

7.2

Brandklassen

7.2.1 Indeling brandklassen volgens NEN-EN 13501-1 (informatief) Brandklasse Bijdrage aan brand Brandbaarheid

Voorbeelden2

A1

A1fl

Geen enkele bijdrage

Niet brandbaar

Calciumsilicaat beplating, steenachtige materialen zoals gips, baksteen en beton, keramische materialen zoals dakpannen, natuursteen, steenwol.

A2

A2fl

Nauwelijks bijdrage

Vrijwel niet brandbaar

Gipskartonbeplating.

B

Bfl

Zeer beperkte bijdrage

Heel moeilijk brandbaar

PVC vloerbedekking, sommige textiele vloerbedekking, geverfde gipsplaat, brandvertragend MDF, cementgebonden spaanplaat.

C

Cfl

Beperkte bijdrage

brandbaar

Zwaardere houtsoorten, gipsplaat met behang.

D

Dfl

Hoge bijdrage

Goed brandbaar

De meeste houtsoorten, onbehandeld* multiplex, MDF, OSB, spaanplaat, hardboard D – s2 * behandelde soorten kunnen in een hogere brandklasse vallen

E

Efl

Zeer hoge bijdrage

Zeer brandbaar

Kunststof, brandvertragend EPS.

F

Ffl

Buitengewoon hoge bijdrage

Buitengewoon brandbaar

Niet geteste materialen, EPS.

Tabel 16

7.2.2 Eisen aan constructieonderdelen In deze paragraaf zijn de basiseisen aangegeven. De zwaarste eis is van toepassing voor een bepaald constructieonderdeel zoals beschreven in volgende paragrafen van dit hoofdstuk.

2 Bron: Kennisrichtlijn 'Materialen en brandveiligheid', december 2014 IFV.

Pagina 36 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023 Brandklassen (volgens NEN-EN 13501-1) Gebruiksfunctie

Constructieonderdeel grenzend aan de Binnenlucht

Alle voorkomende gebruiksfuncties

Bovenzijde beloopbaar vlak

Buitenlucht

EBV

O

EBV

O

EBV

O

B

D

C

D

Cfl

Dfl

Tabel 17 Toelichting: EBV = Extra beschermde vluchtroute O = overige

Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht voldoet aan rookklasse s2 bepaald volgens NEN-EN 13501-1. Een bovenzijde van een vloer, een trap en een hellingbaan die grenst aan de binnenlucht voldoet aan rookklasse s1fl bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

7.2.3 Aanvullende eisen aan constructieonderdelen die grenzen aan de buitenlucht Constructieonderdelen vanaf het aansluitende terrein tot een hoogte van 2,5 m moeten minimaal voldoen aan brandklasse B volgens NEN-EN 13501-1. Constructieonderdelen hoger dan 13 m moeten minimaal voldoen aan brandklasse B volgens NEN-EN 13501-1. Deuren, ramen, kozijnen en hieraan gelijk te stellen constructieonderdelen voldoen aan brandklasse D volgens NEN-EN 13501-1.

7.2.4 Eisen aan elektrische leidingen en pijpisolatie De volgende voorschriften aan elektrische leidingen en pijpisolatie gelden alleen als deze producten grenzen aan de binnen- of buitenlucht. Veelal zijn elektrische leidingen zodanig weggewerkt in andere constructieonderdelen, zoals wanden, dat deze niet zelf grenzen aan de binnen- of buitenlucht. In die gevallen zijn de voorschriften dan ook niet van toepassing. Bij leidingen die zijn aangebracht in de ruimte boven een verlaagd plafond gelden de eisen ook. Elektrische leidingen bepaald volgens NEN-EN 13501-6 Gebruiksfunctie

Elektrische leidingen grenzend aan de Binnenlucht

Alle voorkomende gebruiksfuncties

Buitenlucht

EBV

O

EBV

O

B2ca

Dca

B2ca

Dca

Tabel 18

Pagina 37 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

Een elektrische leiding die grenst aan de binnenlucht in een extra beschermde vluchtroute voldoet aan rookklasse s1(ca) en in overige ruimten rookklasse s2(sa) bepaald volgens NEN-EN 13501-6. Pijpisolatie bepaald volgens NEN-EN 13501-1 Gebruiksfunctie

Pijpisolatie grenzend aan de Binnenlucht

Alle voorkomende gebruiksfuncties

Buitenlucht

EBV

O

EBV

O

B1

D1

C1

D1

Tabel 19

Pijpisolatie die grenst aan de binnenlucht in een extra beschermde vluchtroute voldoet aan rookklasse s1(L en in overige ruimten rookklasse s2(L) bepaald volgens NEN-EN 13501-1. Toelichting: EBV = Extra beschermde vluchtroute O = overige

7.3

Eisen aan bovenzijde van het dakoppervlak De bovenzijde van het dak van het gebouw moet, vanwege de mogelijkheid tot het aanbrengen van zonnepanelen, van een niet brandgevaarlijke kwaliteit zijn overeenkomstig NEN 6063. Een dakbedekkingssysteem dat voldoet aan de eisen van klasse Broof (t1), volgens EN 13501-5, wordt geacht niet brandgevaarlijk te zijn.

7.3.1 Plaatsing omvormers PV-systeem op het dak Bij een opstelling van de omvormers op het dak moeten de omvormers op een onbrandbare ondergrond (voldoet ten minste aan brandklasse A2 volgens NEN-EN 13501-1, of is onbrandbaar volgens NEN 6064) en op minimaal 1,5 meter van de PV-panelen worden geplaatst om branduitbreiding via de dakbedekking en dakisolatie te voorkomen.

7.4

Eisen aan schachten, kokers en kanalen Materiaal toegepast aan de binnenzijde van een schacht, een koker of een kanaal grenzend aan meer dan een brandcompartiment of sub-brandcompartiment met een inwendige doorsnede groter dan 0,015 m², voldoet aan brandklasse A2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1. Dit geldt niet voor: − Een schacht die uitsluitend is bestemd voor een of meer boven elkaar gelegen toiletruimten of badruimten en die niet door andere ruimten voert; − Ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de in dat lid bedoelde binnenzijde; en − Het materiaal van een constructie- of installatieonderdeel dat wordt omsloten door een in dat lid bedoelde schacht, koker of kanaal.

7.5

Eisen op basis van UPD sprinklersysteem De eisen aan constructiematerialen in relatie tot het sprinklersysteem zijn beschreven in het UPD SPR.

Pagina 38 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

8.

Brandbeveiligingsinstallaties

8.1

Sprinklersysteem Een sprinklersysteem wordt niet direct voorgeschreven vanuit het toetsingskader, maar wordt hier toegepast op basis van privaatrechtelijk eisen. Een automatische blusinstallatie die bij of op grond van de wet is voorgeschreven (hier wordt het sprinklersysteem toegepast als gelijkwaardigheid, onder andere voor wat betreft de indeling van het gebouw in grote brandcompartimenten) moet zijn voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging. Een onafhankelijke type A inspectie-instelling volgens NEN-EN/ISO/IEC 17020 geeft invulling aan de certificering welke door de Raad van Accreditatie (of gelijkwaardig) is geaccrediteerd voor deze werkzaamheden. De uitgangspunten voor het sprinklersysteem zijn vastgelegd in het UPD SPR.

8.2

Brandmeldinstallatie Wanneer de gebruiksoppervlakte van een bepaalde gebruiksfunctie groter is dan de grenswaarde in bijlage I van Bouwbesluit 2012 aangeeft, dan is een brandmeldinstallatie vereist.

Gebruiksfunctie

2

Hoogste vloer

Groter dan [m²]

Hoger dan [m]

Omvang van de bewaking, volgens NEN 2535

Doormelding volgens NEN 2535

Certificaat als bedoeld in Bouwbesluit artikel 6.20, lid 6

Bijeenkomstfunctie a

voor het aanschouwen van sport

–

–

–

–

–

b

kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

200

–

Volledig

–

–

–

1,5

Volledig

ja

ja

Andere bijeenkomstfunctie * zie toelichting

–

5

Gedeeltelijk

–

ja

–

50

Volledig

–

ja

500

–

Nietautomatisch

–

–

1.000

–

Gedeeltelijk

–

ja

5.000

–

Volledig

–

ja

–

–

–

–

–

–

20

Nietautomatisch

–

–

750

4,1

Nietautomatisch

–

–

1.500

1,5

Nietautomatisch

–

–

2.500

–

Nietautomatisch

–

–

c

5

Gebruiksoppervlakte

Industriefunctie a

lichte industriefunctie

b

andere industriefunctie

Pagina 39 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023 Gebruiksfunctie

6

12

Kantoorfunctie

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Gebruiksoppervlakte

Hoogste vloer

Groter dan [m²]

Hoger dan [m]

–

20

–

Omvang van de bewaking, volgens NEN 2535

Doormelding volgens NEN 2535

Certificaat als bedoeld in Bouwbesluit artikel 6.20, lid 6

Nietautomatisch

–

–

50

Gedeeltelijk

–

ja

500

4,1

Nietautomatisch

–

–

750

1,5

Nietautomatisch

–

–

1.500

–

Nietautomatisch

–

–

–

–

–

–

–

Toelichting: − Het bouwwerk beschikt over een of meer bedrijfskantines en vergaderruimten. Een kantine wordt beschouwd als een nevenfunctie van de kantoorfunctie en niet als een bijeenkomstfunctie volgens de definities van het Bouwbesluit. In de nota van toelichting art. 1.1 wordt een kantine wel als voorbeeld genoemd voor een bijeenkomstfunctie, echter wordt daarmee een openbare kantine bedoeld (zoals bijvoorbeeld aanwezig op een sportveld) en geen bedrijfskantine voor het eigen personeel (dat goed bekend is met het pand). Vergaderruimten worden eveneens als onderdeel van de kantoorfunctie beschouwd. − Niet-automatische bewaking is een omvang van een brandmeldinstallatie waarbij alleen handbrandmelders worden aangebracht. Activering van de brandmeldinstallatie wordt dus uitsluitend gedaan door menselijk handelen.

Het gebouw moet worden voorzien van een brandmeldinstallatie volgens NEN 2535 met minimaal een niet-automatische bewakingsomvang. Ruimtebewaking Ruimtebewaking is een omvang een brandmeldinstallatie waarbij alleen in bepaalde ruimten de noodzakelijke automatische melders zijn aangebracht. Deze bewakingsvorm is vereist wanneer slechts in één richting gevlucht kan worden (ook wel samenvallende vluchtroutes genoemd). Welke ruimten eventueel moeten worden voorzien van ruimtebewaking is vastgelegd in het PvE BMI OAI. Opmerking: De specifieke ruimten die moeten worden voorzien van ruimtebewaking is hier niet specifiek benoemd, aangezien het ontwerp en de indelingen van gebouwen tijdens de gebruiksfase kunnen wijzigen. De te bewaking ruimten moeten in het PvE BMI OAI of in een Nota van Aanvullingen worden vastgelegd.

Projectering handbrandmelders De handbrandmelders moeten worden aangebracht binnen 2 m vanaf de brandslanghaspels en/of haspelwagens in de ruimten (de overige eisen uit NEN 2535 sub 10.11.1 zijn eveneens van toepassing). Waar geen haspels aanwezig zijn, moeten handbrandmelders op bereikbare plaatsen worden aangebracht in de verkeersruimten, bij voorkeur bij (nood)uitgangen en/of draagbare blustoestellen, zodanig dat binnen 30 m een handbrandmelder bereikbaar is vanaf iedere plaats in het

Pagina 40 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

gebouw (N.B. Deze afstand geldt niet voor handbrandmelders die worden aangebracht bij brandslanghaspels en/of haspelwagens). Onderhoud en beheer Het beheer en de controle van een bij of op grond van de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie voldoen aan NEN 2654-1. Programma van Eisen Bovenstaande en overige uitgangspunten van de brandmeldinstallatie zijn in het PvE BMI-OAI vastgelegd. Opmerking: Het in NEN 2535 bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit is verleend aan de aanvrager met het verkrijgen van de vergunning voor het bouwen of voor brandveilig gebruik of een melding. Daarmee wordt de verleende vergunning of melding de feitelijke basis voor de uitgangspunten waaraan een brandmeldinstallatie moet voldoen en ook de basis voor certificering. Bij een gebruiksmelding zonder aantoning van de kwaliteit zal dit dus automatisch resulteren in een besluit (bron: Infoblad Brandmeldinstallatie en ontruimingsalarminstallatie, Ministerie van BZK, april 2014).

8.2.1 Ontruimingsplan Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie moet beschikken over een ontruimingsplan. Er moeten voldoende personen worden aangewezen om de ontruiming bij brand voldoende snel te laten verlopen. Op welke wijze deze functionele eis wordt ingevuld wordt overgelaten aan de eigenaar of gebruiker(s) van een bouwwerk. Het ontruimingsplan dient voor ingebruikname door of namens de gebruiker(s) te worden opgesteld.

8.3

Ontruimingsalarminstallatie Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie (zie paragraaf 8.2) moet beschikken over een ontruimingsinstallatie volgens NEN 2575. Type ontruimingsalarminstallatie De stroomschema’s in NEN 2575 geven aan in welke gevallen een luid of een stil alarm moet worden aangebracht. De ontruimingsalarminstallatie voor onderhavig gebouwdeel betreft een luid alarminstallatie type B. Onderhoud en beheer Het onderhoud van een ontruimingsalarminstallatie moet voldoen aan NEN 2654-2.

Pagina 41 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

Programma van Eisen Bovenstaande en overige uitgangspunten van de ontruimingsalarminstallatie zijn in het PvE BMIOAI vastgelegd. Opmerking: Het in NEN 2575 bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit is verleend aan de aanvrager met het verkrijgen van de vergunning voor het bouwen of voor brandveilig gebruik of een melding. Daarmee wordt de verleende vergunning of melding de feitelijke basis voor de uitgangspunten waaraan een brandmeldinstallatie moet voldoen en ook de basis voor certificering. Bij een gebruiksmelding zonder aantoning van de kwaliteit zal dit dus automatisch resulteren in een besluit (bron: Infoblad Brandmeldinstallatie en ontruimingsalarminstallatie, Ministerie van BZK, april 2014).

8.4

Noodverlichting De volgende ruimten moeten beschikken over noodverlichting: Eis noodverlichting

Van toepassing

Locatie in ontwerp

Besloten ruimte waardoor een (extra) beschermde vluchtroute voert

Ja

Trappenhuis kantoor 2

Verblijfsruimte voor meer dan 75 personen en de besloten ruimte(n) waardoor een vluchtroute voert uit die verblijfsruimte

Ja

Magazijnen

Ruimten waarin vanwege de omvang het Vultijdenmodel is toegepast als gelijkwaardigheid voor het overbruggen van langere loopafstanden, zie rapport VTM

Ja

Sprinklerpompruimte

Ja

Pompkamer

Indien de Arbo-wetgeving van toepassing is dient aanvullend op bovenstaande een risicowerkplek te worden voorzien van noodverlichting. Op basis van Arbo-wetgeving kan dan een lichtsterkte van 10-15 lux vereist zijn. Tabel 20

Noodverlichting geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten een op de vloer en het tredevlak gemeten verlichtingssterkte van ten minste 1 lux. De installatie moet voldoen aan NEN 1010.

8.5

Vluchtrouteaanduidingen Het gebouw moet worden voorzien van vluchtrouteaanduidingen volgens NEN 3011 'Veiligheidskleuren en -tekens in de werkomgeving en in de openbare ruimte'. De vluchtrouteaanduidingen moeten voldoen aan de zichtbaarheidseisen van artikel 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838 ' Toegepaste verlichtingstechniek': − De kleuren moeten voldoen aan de eisen van ISO 3864. − De luminantie van elk deel van de veiligheidskleur van de signalering moet minimaal 2 cd/m2 bedragen in alle relevant kijkrichtingen. − De verhouding tussen de maximale en de minimale luminantie binnen zowel het witte gedeelte dan wel dat van de veiligheidskleur mag niet groter zijn dan 10:1. − De verhouding van de luminantie Lwit tot de luminantie Lveiligheidskleur mag niet kleiner zijn dan 5:1 en niet groter dan 15:1 (volgens bijlage A van de norm). − Aangezien een intern verlichte veiligheidssignalering herkenbaar is op een grotere afstand dan een uitwendig verlichte veiligheidssignalering, moet de maximale kijkafstand (zie figuur 4) worden bepaald op basis van de volgende formule:

Pagina 42 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

d=s×p waarbij: d is de kijkafstand; p is de hoogte van het pictogram; s is een constante: 100 voor uitwendig verlichte signaleringen; 200 voor inwendig verlichte signaleringen.

De installateur dient bij het detailontwerp rekening te houden met de projectering in relatie tot de maximale kijkafstand. Een en ander is afhankelijk van de hoogte van de toe te passen vluchtrouteaanduidingen en de wijze waarop de ruimten worden ingericht. Locaties vluchtrouteaanduidingen ten behoeve van detailontwerp vluchtrouteaanduidingen − Een ruimte waardoor een verkeersroute3 voert. − Verblijfsruimten met gelijktijdig meer dan 50 personen aanwezig. − Ruimten met meer dan één vluchtmogelijkheid: Vluchtrouteaanduidingen direct boven alle nooddeuren en deuren in vluchtroutes.

3 Verkeersroute: Route die begint bij een doorgang van een ruimte, uitsluitend voert over vloeren, trappen of helling-

banen en eindigt bij de doorgang van een andere ruimte.

Pagina 43 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

9.

Voorzieningen brandbestrijding eigen organisatie Een gebouw moet over zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand beschikken, dat brand door aanwezige personen binnen redelijke tijd kan worden bestreden.

9.1

Brandslanghaspels Het gebouw moet worden voorzien van brandslanghaspels. − De brandslanghaspels mogen worden aangesloten op een voorziening voor drinkwater of op de sprinklerinstallatie, dusdanig dat bij het mondstuk een statische druk wordt gerealiseerd van niet minder dan 100 kPa en een capaciteit heeft van 1,3 m³/h bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels. − De gecorrigeerde loopafstand tussen een brandslanghaspel en elk punt van de vloer is niet groter dan de slanglengte van maximaal 30 m, vermeerderd met 5 m worplengte (de afstand die de waterstraal vanaf de spuitmond aflegt). − De brandslanghaspels mogen niet in een trappenhuis met de status (extra) beschermde vluchtroute worden ondergebracht. − Bij de brandslanghaspels moeten, in geval van aansluiting op de sprinklerinstallatie, waarschuwingsbordjes worden aangebracht waarmee wordt aangegeven dat het gebruik van de haspel een brandalarm tot gevolg zal hebben. − De brandslanghaspels moeten goed bereikbaar zijn, zichtbaar worden aangebracht of worden aangeduid met een pictogram volgens NEN 3011. Opmerkingen: − De aansluiting van brandslanghaspels op de sprinklerinstallatie is een in Nederland algemeen geaccepteerde aansluiting. − De aansluiting van de brandslanghaspels op de drinkwaterleiding of sprinklerinstallatie is beschreven in het UPD.

Industriefunctie Voor de industriefunctie worden op de begane grond haspelwagens met een slanglengte van maximaal 60 m toegepast. Op basis van Bouwbesluit art. 6.31 lid 1 valt op te maken dat de toepassing van haspelwagens door de wetgever is toegestaan. Daarnaast wordt in hoofdstuk 6 Brandbestrijding van de uitgave 'Handreiking grote brandcompartimenten' van ministerie van VROM (nu BZK) de toepassing van verrijdbare brandslanghaspels in grote brandcompartimenten als volgt beschreven: 'In grote brand- of rookcompartimenten wil men, in verband met de gewenste flexibiliteit in het latere gebruik, deze (vast gemonteerde) brandslanghaspels vaak alleen langs de muren aanbrengen. Hierdoor kan het voorkomen dat in het midden van de grote ruimte een gedeelte van de vloer niet met water uit een brandslang kan worden bereikt. In grote brand- of rookcompartimenten mag van verrijdbare haspelwagens gebruik worden gemaakt om een dekkend patroon te verkrijgen als bedoeld in artikel 2.192 van het Bouwbesluit 2003. Dit geldt niet voor gebruiksfuncties waarop de bedoelde eis van het Bouwbesluit niet van toepassing is.'

Pagina 44 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

Overweging toepassing haspelwagens in relatie tot Bouwbesluit 2012: − Met artikel 6.28 wordt beoogd om als gebruiker een beginnende brand zelf te blussen. Hierbij is het uitgangspunt dat er maar één brandhaard is; − De brandslanghaspelwagens hebben ten minste een capaciteit en worplengte als de voorgeschreven brandslanghaspels volgens het Bouwbesluit; − De projectering van de brandslanghaspelwagens is dusdanig dat de volledige ruimte bereikt wordt, rekening houdend met de gecorrigeerde loopafstand, zonder dat deze over trappen loopt; − Tijdens het uitrijden van de brandslanghaspelwagen zal de brandslang minder snel blijven haken achter obstakels, wat de inzettijd ten goede komt; − Er kan altijd één brandslanghaspelwagen bereikt worden, zonder dat de vuurhaard gepasseerd hoeft te worden; − Alle ruimten zijn te bereiken om een beginnende brand te bestrijden. Beoordeling gelijkwaardigheid toepassing haspelwagens 1. Met haspelwagens kan door de gebruiker nog steeds voldoende snel een beginnende brand worden bestreden. 2. Bij de gekozen oplossing is dan reden om aan te nemen dat de mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu gelijk is als beoogd. 3. De gekozen gelijkwaardige oplossing moet bij het gebruik van het bouwwerk in stand gehouden. Voorwaarden haspelwagens − De slanglengte is maximaal 60 m.

Bij grotere lengtes worden haspelwagens onhandelbaar en gaat dit ten koste van de tijd om water op het vuur te krijgen. − De interne organisatie is verplicht jaarlijks te oefenen met deze haspelwagens. − De haspelwagens moeten goed bereikbaar zijn en worden met een pictogram volgens NEN 3011 aangeduid. − Bij de haspelwagens moeten, in geval van aansluiting op de sprinklerinstallatie, waarschuwingsbordjes worden aangebracht waarmee wordt aangegeven dat het gebruik van de haspel een brandalarm tot gevolg zal hebben. − Het gehele vloeroppervlak (inclusief rekening houdend met indelingen) moet met haspelwagens en brandslanghaspels kunnen worden bereikt, waarbij 5 m worplengte mag worden verrekend. − Bij het uitrijden van een slanghaspel op een haspelwagen mogen geen niveauverschillen worden overbrugd. Met een tweede slanghaspel en een slanghaspelkar is dit wel toegestaan.

9.2

Blustoestellen Voor zover daarin niet reeds voldoende door de aanwezigheid van brandslanghaspels is voorzien, moet worden voorzien van voldoende draagbare of verrijdbare blustoestellen om een beginnende brand zo snel mogelijk door in het gebouw aanwezige personen te laten bestrijden.

Pagina 45 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

Ten minste eenmaal per twee jaar moet overeenkomstig NEN 2559 op adequate wijze het nodige onderhoud aan een bij of krachtens de wet voorgeschreven draagbaar of verrijdbaar blustoestel worden verricht en dient de goede werking van dat blustoestel te worden gecontroleerd. Ook kunnen een of meerdere blustoestellen noodzakelijk zijn voor situaties waarbij bepaalde risico’s (brandklassen) niet met een brandslanghaspel met water als blusmedium kan worden geblust.

9.2.1 Projectering Het Bouwbesluit geeft geen prestatie-eisen voor de projectie van blustoestellen. Ook wordt voor de projectie niet verwezen naar een norm. Geadviseerd wordt om voor de uiteindelijke projectie door het installatiebedrijf (het detailontwerp) de NEN 4001 'Projectering draagbare en verrijdbare blustoestellen' aan te houden. De projecteringsdeskundige moet van de locatie een RI&E maken van de indeling, het gebruik en de aanwezige normale en bijzondere risico's. Hieruit volgen een projecteringszonering en een ontwerp met keuze van de juiste aantallen en typen blustoestellen. Gebieden aan weerszijden van een brandwerende scheiding met of zonder openingen, worden beschouwd als gebieden die niet met elkaar in verbinding staan en vormen daarom altijd twee aparte projecteringszones. Met ander woorden blusmiddelen in een brandcompartiment kunnen niet ten dienste staan van het naastgelegen brandcompartiment. Deuren die in de normale bedrijfssituatie afgesloten zijn, hinderen de bereikbaarheid van blusmiddelen en maken het noodzakelijk om de ruimten aan weerszijden van de deur als aparte projecteringszones te definiëren.

9.2.2 Bijzondere ruimten De onderstaande ruimten moeten in ieder geval met blustoestellen worden uitgerust: − Nabij de technische ruimten en HVK's; − Sprinklerpompruimte (tenminste draagbaar blustoestel met minimaal 6 kg/ltr blusstof).

9.2.3 Overige aspecten − −

De blustoestellen moeten duidelijk zichtbaar zijn opgehangen of worden gemarkeerd met een pictogram als bedoeld in NEN 3011; De montagehoogte (gemeten vanaf de vloer tot bovenzijde blustoestel) is maximaal 1 m.

Pagina 46 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

10. Bereikbaarheid brandweer Een bouwwerk moet zodanig bereikbaar zijn voor hulpverleningsdiensten dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulpverlening kan worden geboden.

10.1

Bereikbaarheid terrein Als de toegang tot het bouwwerk op meer dan 10 m van een openbare weg ligt, is tussen de openbare weg en de toegangen van het gebouw voor de brandweer een verbindingsweg aanwezig die geschikt is voor voertuigen van de brandweer. De toegangen (brandweeringang en neveningangen) van het gebouw bevinden zich op meer dan 10 m van de openbare weg. De brandweer moet via een verbindingsweg de toegang van het gebouw tot op 10 m kunnen benaderen. Er worden daarom eisen gesteld aan de verbindingsweg. De verbindingsweg heeft: − een breedte van ten minste 4,5 m; − een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m, die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg; − een vrije hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en − een doeltreffende afwatering. Het terrein is geschikt voor (vracht)verkeer en aannemelijk dus ook voor voertuigen van de brandweer. Slagbomen op route brandweer Op de route voor de brandweer zijn slagbomen aanwezig. De breedte ter plaatse van de doorgang dient ook hier tenminste 4,5 m te zijn.

10.2

Opstelplaats brandweer Bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zijn zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen aanwezig, dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. De afstand tussen een opstelplaats en de primaire brandweeringang is maximaal 40 m. Voor de opstelplaats van een brandweervoertuig moet ten minste 4 x 10 m vrije ruimte beschikbaar zijn. Op het terrein is aan de voorzijde (zuidoost) voldoende vrije ruimte aanwezig voor de brandweer om op te kunnen stellen.

10.3

Primaire brandweeringang en neveningangen Om een snelle en adequate inzet mogelijk te maken, moet de brandweer een bouwwerk voor het verblijven van personen op eenvoudige wijze kunnen betreden. Het is daarom van groot belang dat de brandweer direct weet waar het gebouw kan worden betreden.

Pagina 47 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

Primaire brandweeringang De hoofdentree van het kantoorgedeelte van magazijn 01 is de primaire brandweeringang, zie UPD SPR. − Nabij de primaire brandweeringang is een geografisch brandweerpaneel aanwezig; − De brandweeringang moet aan de buitenzijde worden aangeduid met een flitslicht die vanaf de openbare weg zichtbaar is; − Voor wat betreft de toegangsvoorziening, zie paragraaf 10.6. Neveningangen Het gebouw moet via alle nooddeuren in de gevels door de brandweer kunnen worden betreden. Deze ingangen moeten: − in overleg met de Veiligheidsregio al dan niet worden genummerd; − worden vrijgehouden van opslag en opstellingen van (vracht)auto's; − Voor wat betreft de toegangsvoorziening, zie paragraaf 10.6.

10.4

Loopafstand brandweer In beginsel zou iedereen bij aankomst van de brandweer reeds een veilige plaats hebben kunnen bereikt. Het kan echter zijn dat de brandweer alsnog het gebouw moet doorzoeken op achtergebleven personen en hulp moet bieden bij de ontruiming. Ook moet de brandweer met het benodigde materieel de plaats van de brand kunnen bereiken. Er moet daarom worden voorkomen dat de brandweer te grote afstanden moet overbruggen om met geredde mensen een veilige plek te kunnen bereiken of met het gangbare materieel een beginnende brand te kunnen blussen. De loopafstand op verdiepingen naar de toegang van een trappenhuis is daarom bepaald op maximaal 75 m. Het ontwerp van de mezzanines is dusdanig ontworpen, dat deze afstand nergens wordt overschreden.

10.5

Brandweerlift Vanwege een verblijfsvloer lager dan 20 m is geen brandweerlift vereist.

10.6

Noodzaak voorzieningen toetreding terrein en gebouw door de brandweer In een bouwwerk met een automatische sprinklerinstallatie moet een brandweeringang bij een brandmelding automatisch worden ontsloten of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald. Poorten in hekwerken en slagbomen die een verbindingsweg voor de brandweer afsluiten, moeten bij een brandmelding automatisch worden geopend of door hulpdiensten snel en gemakkelijk kunnen worden geopend met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.

Pagina 48 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

Status toepassing sleutelbuizen Het gebruik van sleutelbuis/-kluis voor de Brandweer binnen heel Nederland wordt in de komende jaren afgebouwd. Er is een ondoorzichtig situatie ontstaan in Nederland. Er zijn inmiddels zoveel sleutels (ook zonder certificaat) in omloop dat men een en ander niet goed meer in beeld heeft. Hierdoor kunnen veiligheidsregio’s niet langer de verantwoordelijkheid nemen voor het in stand houden van een sleutelbuis/kluis met bijbehorende sleutels (bron: Oplegdocument Brandweer Nederland, vakgroep Risicobeheersing, werkgroep sleutelbuis/kluis, 15 december 2017). Relatie met het ontwerp Er zijn toegangsvoorzieningen nodig voor de brandweer om het terrein en de brandweer(neven)ingangen te betreden. Voor wat betreft de poorten en slagbomen, welke aanwezig zijn op de route voor de brandweer, geldt dat deze bij brandmelding (sprinkler) automatisch worden geopend, zie UPD SPR. In geval van brand wordt bij een brandalarm de primaire brandweeringang automatisch ontgrendeld. Naast het brandweerpaneel wordt een sleutelkluis opgenomen die automatisch wordt ontgrendeld. In deze sleutelkluis liggen de sleutels waarmee alle brandweerneveningangen (en andere voor de brandweer noodzakelijke ruimten) geopend kunnen worden.

10.7

Nabluswerkzaamheden Zoals besproken in een overleg met de veiligheidsregio op 10 februari 2023, kunnen de nabluswerkzaamheden worden overgedragen aan de eigenaar (in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de veiligheidsregio). De eigenaar is hiervan op de hoogte.

Pagina 49 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

11. Bluswatervoorzieningen brandweer (inpandig) Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand, dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden. Bij toepassing van een automatische sprinklerinstallatie, die de omvang van een brand beheerst, is een inzet van de brandweer nodig. Bij een aanvraag om gelijkwaardigheid, gebruik makend van deze voorziening, dient ook dit aspect te worden betrokken. In dit hoofdstuk zijn de voorzieningen voor de brandweer omschreven, ter ondersteuning van deze inzet.

11.1

Brandweervoorzieningen ter overbrugging van de inzetdiepte In gebouwen met een verblijfsvloer hoger dan 20 m moeten volgens Bouwbesluit voorzieningen worden getroffen ter ondersteuning van de repressieve taak van de brandweer. Ook in het kader de toepassing van grote brandcompartimenten kunnen voorzieningen nodig zijn ter overbrugging van de inzetdiepte voor de brandweer. Ter ondersteuning van de externe brandbestrijdingsorganisatie voor de bestrijding van de door de sprinklerinstallatie gecontroleerde brand, geldt dat er voorzieningen nodig zijn ter beperking van de inzetdiepte voor de brandweer.

11.2

Brandslangaansluitingen aangesloten op de sprinklerinstallatie Voor de interne brandbestrijding door de brandweer kan het bluswater voor de brandweer van de sprinklerinstallatie worden onttrokken. De locaties van de brandslangaansluitpunten moeten op het detailontwerp (de bouwkundige of installatietechnische tekeningen) worden aangegeven en ter beoordeling worden voorgelegd aan de brandweer. Toelichting brandslangaansluitingen op de sprinklerinstallatie Voor bedrijventerreinen geldt dat er een vergroot risico op een geëscaleerde brand kan bestaan. In een dergelijke setting is vaak sprake van grote brandcompartimenten. Gelet op de aard van een dergelijk bouwwerk, het VBB-systeem, het gebruik en de opslag van goederen en/of gevaarlijke stoffen is een volledige compartimentsbrand geen realistisch scenario. Daarom is een lokale brand in een ruimte het maatgevende scenario en vormt daardoor de standaardafwijking. De inzet zal er op gericht zijn om de lokale brand te bestrijden en blussen. Voor dit type inzet is in de 'Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid' (2019) in figuur 3.5 en 3.6 gesteld dat binnen 6 minuten 1.000 liter/minuut benodigd is, gedurende 1 uur. In de zoektocht naar alternatieve voorzieningen voor het betrekken van bluswater is de sprinklerinstallatie een goed alternatief voor brandkranen op de drinkwaterleiding.

De watervoorziening kan worden uitgebreid met bluswater die de brandweer nodig heeft voor de blussing. Op basis van de weging die Brandweer Nederland heeft gemaakt bij het onderzoek naar alternatieven, kan de sprinklerinstallatie als primaire bluswatervoorziening als volgt worden beoordeeld:

Pagina 50 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

−

− −

Capaciteit: De capaciteit van de netto bluswaterhoeveelheid (incl. bluswater bestemd voor de brandweer) is gegarandeerd vanwege de vanuit de sprinklervoorschriften voorgeschreven suppletievoorziening. Bovendien worden de waterniveaus bewaakt, waarbij een storingsmelding wordt gegenereerd, als het waterniveau onder het benodigde niveau komt. Leveringsduur: De benodigde capaciteit kan als extra worden toegevoegd bovenop de benodigde capaciteit voor de sprinklerinstallatie. Betrouwbaarheid: De watervoorziening van de sprinklerinstallatie is zeer betrouwbaar en onderhoudsarm en wordt periodiek geïnspecteerd.

11.2.1 Minimaal benodigde capaciteit voor de brandweer Uitgaande van een blussing met lage druk handstralen hanteert de handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid een debiet van 1.000 ltr/minuut. Dit komt overeen met 60 m3/uur per handstraal. De benodigde bluswatercapaciteit voor de primaire bluswatervoorziening bedraagt minimaal 60 m3/uur. Het ontwerp van de brandslangaansluitingen is beschreven in het UPD SPR.

11.2.2 Aanduiding De locatie van de brandslangaansluitingen moeten aan de buitenzijde van de toegangsdeuren worden gemarkeerd met een herkenningsteken. Het herkenningsteken moet bestaan uit een hoofdletter B in zwart op een witte rechthoek met rode rand. De minimale afmetingen van het teken volgens figuur 5 van NEN 1594.

Locatie brandslangaansluitingen De locaties van de brandslangaansluitpunten moeten op het detailontwerp (de bouwkundige of installatietechnische tekeningen) worden aangegeven en ter beoordeling worden voorgelegd aan de brandweer. De gebouweigenaar zal voorzien in het beschikbaar stellen van O-bundels en, eventueel op verzoek van de brandweer, straalpijpen nabij de nooddeuren om de lange loopafstanden met materieel te verkorten. 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden dient de posities te worden afgestemd. Deuren/ neveningangen moeten aan de buitenzijde worden genummerd, zodat kenbaar is bij welke deuren de O-bundels aanwezig zijn.

Pagina 51 van 56

DC Logistic Centre 1220 – Gouda Document nr.: 11609-1/BBC Revisie: I Datum: 28 februari 2023

12. Bluswatervoorzieningen brandweer (uitpandig) 12.1

Bluswatervoorzieningen Een bouwwerk moet beschikken over een toereikende openbare of niet openbare bluswatervoorziening. Opmerking: Dit geldt volgens Bouwbesluit niet als de aard, ligging of het gebruik van het bouwwerk dusdanig is dat dit naar het oordeel van het bevoegd gezag niet is vereist.

Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een brandkraan of andere aansluiting op het drinkwater- of ander leidingnet voor bluswater, een watervoorraad zoals een reservoir, een bassin, een blusvijver, een waterput of een bron (grondwater) of oppervlaktewater zoals een meer, de zee, een sloot of een kanaal (bron: Nota van toelichting Bouwbesluit 2012). Een bluswatervoorziening moet betrouwbaar zijn, dus ook bij droogte of vorst. Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid Voor de indeling van het gebouw in brandcompartimenten is de NEN 6079 toegepast. Deze norm verwijst in de informatieve bijlage D.4 naar de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid van Brandweer Nederland. In de handreiking wordt de industriefunctie niet specifiek behandeld, omdat zoals de handreiking stelt, hier maatwerk voor nodig is. Voor onderhavig gebouw zijn de primaire en secundaire bluswatervoorzieningen hieronder toegelicht.

12.2

Primaire bluswatervoorziening Onder een primaire bluswatervoorziening wordt verstaan een bluswatervoorziening die binnen drie minuten kan worden opgebouwd en operationeel kan zijn. De brandweer beschikt over materieel en middelen om de bluswatervoorziening in stand te houden, zodat de continuïteit van blussing gegarandeerd is voor ten minste één uur. Bluswater mag volgens de handreiking worden geleverd door brandkranen of via alternatieve voorzieningen. Dit kan bijvoorbeeld door een ondergrondse brandkraan, al dan niet aangesloten op de sprinklerinstallatie, met een intrededruk van minimaal 0,5 bar, of door een geboorde put op eigen terrein die aangelegd is conform de "Richtlijn voor de aanleg en installatie van brandputten" van Stichting Erkenning voor het Grondboor- en Bronbemalingbedrijf (Stichting EGB). De afstand tussen een bluswatervoorziening en een brandweeringang is maximaal 40 m. Minimale capaciteit 60 m3/uur. In een overleg met de veiligheidsregio 28-02-23 is besproken dat de bluswatervoorziening op eigen terrein niet noodzakelijk is. Dit omdat er voldoende openbaar water rondom beschikbaar is. Zie verder paragraaf 12.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=64037f68-0fc7-4bb1-90d9-a427f886c042