CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 37 Natuurrapport

Commissie Fysieke leefomgeving 13 september 2023, gemeente GoudaBij agendapunt: @Realiseren van distributiecentrum aan Nieuwe Gouwe OZ 40 - DIT PUNT GAAT DIRECT DOOR NAAR DE BESLUITVORMENDE RAADSVERGADERING VAN 27 SEPTEMBER9.684 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

2022 NATUURRAPPORTAGE (QS-Wnb) GOUDA - BREEAM

Nieuwe Gouwe O.Z. – (voorheen Tielweg 10)

Bureau Natuurzorg - Mail: natuurzorg@ziggo.nl W: www.bureaunatuurzorg.nl - M: 06 1243 7949

Flora en fauna Inventarisaties — Flora en fauna werkplannen — Ecologisch werkprotocol — Project begeleiding — Project management — Bevorderen biodiversiteit — Kartering van vegetatie — Aquatische ecologie — Onderzoek en aanpak exoten — Natura 2000 projecten — Beheerplannen — Ontheffingen — Soorten monitoring — Bever, Otter en Das — Vleermuizen — Weidevogels — Waterkwaliteit — Biologische teelt

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

Onderzoek:

Inventarisatie flora, fauna en habitats

Locatie:

Gemeente Gouda, Nieuwe Gouwe O.Z. (voorheen Tielweg 10)

Project:

Herinrichting gebied ten behoeve van nieuwbouw

Datum scan:

Maart 2022

Opdrachtgever:

WB Infra BV. Burgemeester Colijnstraat 219 Boskoop i.o.v. dhr. Wijnand Rijkenhuizen

Onderzoek: Tekst en samenstelling: Foto’s in het rapport: Projectnummer:

Theo en Marco de Kreij Theo de Kreij Theo de Kreij WBI-GOUDA_QS22-016

Rapportage: Revisie Status rapport:

Beknopte versie (quickscan) 1 november 2022 Definitief

Bronnen o.a.:

NDFF (Nationale Database Flora en Fauna) Documenten opdrachtgever

2022

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

2022

Bureau Natuurzorg Klaproostuin 31 2724PG Zoetermeer Tel: 06 - 1243 7949 Mail: natuurzorg@ziggo.nl Web: www.natuurzorg.eu Bureau Natuurzorg is actief op het gebied van ecologisch onderzoek en advisering. We zijn het meest bekend vanwege de volgende werkzaamheden: Ecologie Inventarisaties flora en fauna Planvormen en protocollen Projectbegeleiding Toename biodiversiteit (o.a. Kleurkeur) Soort specifieke onderzoeken Natura-2000 projecten Bevers, Otters en Dassen Weidevogels Exoten Inventarisatie en bestrijding (invasieve) exoten Beheerplannen exoten Projectvoering of projectbegeleiding exotenaanpak Onderzoek bestrijdingsmethoden en effecten Overige Zie www.bureaunatuurzorg.nl

Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn/haar eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, (foto)kopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Bureau Natuurzorg, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het is vervaardigd. Bureau Natuurzorg is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Bureau Natuurzorg. De opdrachtgever vrijwaart Bureau Natuurzorg voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat een flora en fauna inventarisatie een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten niet altijd worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Wij zijn niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie. © 2022 Bureau Natuurzorg, te Zoetermeer

1

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

2022

Inhoudsopgave 1

Inleiding .....................................................................................................................................3

1.1 1.2 1.3

Aanleiding................................................................................................................................................ 3 Doel quickscan ......................................................................................................................................... 3 Leeswijzer ................................................................................................................................................ 4

2

Wetgeving en te beschermen gebieden .....................................................................................5

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

Wet natuurbescherming .......................................................................................................................... 5 Exoten wetgeving – Wet natuurbescherming en EU-wet .......................................................................... 5 Natuurnetwerk Nederland NNN ............................................................................................................... 6 Natura-2000 gebied ................................................................................................................................. 6 Weidevogelkerngebied ............................................................................................................................ 6

3

Beschrijving projectgebied en ingreep .......................................................................................7

3.1 3.2 3.3

Gebiedsbeschrijving ................................................................................................................................. 7 Voorgenomen werkzaamheden ............................................................................................................... 7 Periode van uitvoeren .............................................................................................................................. 7

4

Methodiek onderzoek................................................................................................................8

4.1 4.2 4.3 4.4

Algemeen ................................................................................................................................................ 8 Uitleg bureauonderzoek........................................................................................................................... 8 Uitleg veldonderzoek ............................................................................................................................... 8 Effectbeoordeling .................................................................................................................................... 9

5

Resultaten onderzoek en effectbeoordeling ............................................................................10

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10

Beschermde flora................................................................................................................................... 10 Broedvogels en nesten ........................................................................................................................... 11 Vleermuizen .......................................................................................................................................... 11 Amfibieën en reptielen .......................................................................................................................... 12 Overige beschermde soortgroepen ........................................................................................................ 13 (Invasieve) Exoten.................................................................................................................................. 14 Bomen ................................................................................................................................................... 14 Natuurnetwerk Nederland NNN (voorheen EHS) .................................................................................... 15 Natura-2000 ..........................................................................................................................................

15 Weidevogelkerngebied .......................................................................................................................... 15

6

Conclusies en vervolgstappen ..................................................................................................16

6.1

Vervolgstappen...................................................................................................................................... 16

7

Bijlagen ....................................................................................................................................17

2

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda 1 1.1

2022

Inleiding Aanleiding

Om aan de natuurwetgeving te kunnen voldoen, heeft WB Infra BV. ons Bureau Natuurzorg verzocht een onderzoek te doen naar de aanwezige natuurwaarden in en rond het gebied Nieuwe Gouwe O.Z. (voorheen Tielweg 10) te Gouda, hierna te noemen ‘plangebied’. Men is voornemens om hier nieuwbouw te gaan plegen en daarbij tegemoet te komen aan de eisen van Breeam. Building Research Establishment Environmental Assessment Method en is een duurzaamheidskeurmerk voor het realiseren van duurzame gebouwen met minimale milieu-impact. Gedurende de sloopfase is bij de ontwikkelaar het keurmerk Breeam ter ore gekomen en heeft men direct besloten te gaan voldoen aan de eisen voor een duurzame nieuwbouw, mede omdat dit goed aansluit bij de toekomstvisie. Ten tijde van de scan was de sloop dus reeds ingezet. Bureau Natuurzorg kijkt weliswaar naar voorgaande situaties / uitgangspunten, maar is vooral kien op toekomstgerichte initiatieven met als doel en met als uitkomst een positieve bijdrage aan het verbeteren van de natuur. De locatie had voorheen geen tot nauwelijks enige ecologische waarde (bureauonderzoek en eigen ervaringen uit voorgaande onderzoeken in de omgeving). Dit initiatief zal leiden tot meer kansen op duurzame natuurontwikkeling, ter plaatse en in de omgeving. De geplande nieuwbouw en inrichting biedt dus kansen om dit te laten toenemen.

Voor Breeam een prima gelegenheid om hier, mede middels certificering, aan bij te dragen.

Het plangebied en omgeving 1.2

Doel quickscan

Deze QuickScan ecologie is uitgevoerd door middel van een bureaustudie en veldbezoek. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden in maart 2022 en is uitgevoerd in de vorm van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Een habitatgeschiktheidsbeoordeling is een veldonderzoek waarbij op grond van fysieke, landschappelijke en vegetatie kenmerken, een indicatie verkregen wordt van het voorkomen (ook mogelijk voorkomen) van beschermde soorten planten en dieren. De habitatgeschiktheids-beoordeling, in combinatie met beschikbare verspreidingsgegevens, vormen de basis van de QuickScan. De resultaten zijn opgenomen in dit rapport.

3

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

1.3

2022

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is toegelicht aan welke wettelijk kaders getoetst wordt. Nadere uitleg over de wettelijke kaders is opgenomen als ingevoegde bijlage. Hoofdstuk 3 gaat in op de huidige en toekomstige situatie in het plangebied. In hoofdstukken 4 en 5 vindt de toetsing van de effecten van maatregelen op de Wet Natuurbescherming plaats. Hoofdstuk 6 gaat in op onze conclusies en aanbevelingen. In de 2 ingevoegde bijlagen vindt u het beheerplan en informatie over de wetgeving en de te beschermen soorten.

4

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda 2 2.1

2022

Wetgeving en te beschermen gebieden Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming is een 'kaderwet'. Dat betekent dat er alleen algemene principes en verantwoordelijkheden in staan. De details zijn geregeld in een groot aantal algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. In de ingevoegde bijlage 2 treft u de relevante meest wetteksten aan, plus uitleg. In bijlage 3 treft u de lijsten aan met de huidige te beschermen soorten en soorten die zijn vervallen. De Zorgplicht geld altijd voor álle flora en fauna, dus ook de niet beschermde soorten. Tekst Zorgplicht onder de Wet natuurbescherming (artikel 1.11) 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Het zinsgedeelte “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden”, slaat met name op iedereen die professioneel werkt. Achter de uitleg “ik wist het niet”, kunt u zich niet meer verschuilen. Tevens heeft er een decentralisatie van het bevoegd gezag plaatsgevonden: per 1 januari 2017 zijn de provincies verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De rol van de RVO is overkoepelend. De Wet natuurbescherming is grofweg in 3 hoofdlijnen op te delen: 1. Bescherming van Natura-2000 gebieden, hun specifieke habitats en hun aangewezen instandhoudingsdoelstellingen. 2. Bescherming van soorten die zowel nationaal als in EU verband zijn aangewezen als uniek tot bijna verdwenen. 3. Bescherming van houtopstanden en met name op instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (uitleg in de ingevoegde bijlage) Artikel 3.1 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (EU-niveau) Artikel 3.5 Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (EU-niveau) Artikel 3.10 Beschermingsregime andere soorten (Nationaal)

2.2

Exoten wetgeving – Wet natuurbescherming en EU-wet

Exoten zijn flora, fauna en organismen die van nature niet in Nederland voorkomen. Invasieve exoten zijn dat ook, echter zijn die dieren, planten en micro-organismen door menselijk toedoen in een nieuw gebied terechtkomen en veroorzaken bij vestiging en verspreiding schade aan bijvoorbeeld de inheemse planten en dieren, de volksgezondheid of aan de economie. Nederland sluit met haar natuurwetgeving aan bij de Europese wetgeving op exoten, de “Verordening Invasieve Uitheemse soorten” (EU Regulation 1143/2014 on Invasive Alien Species). Op grond van deze

5

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

2022

verordening is in december 2015 in Brussel de Europese Unielijst aangenomen. De lijst is aan verandering onderhavig en dient regelmatig te worden geraadpleegd. Voor meerdere aangewezen ‘invasieve exoten van EU-belang’ die op deze Unielijst staan, gelden onder andere een import-, handels- en bezitsverbod. De Unielijst is een dynamische lijst. Op basis van risicobeoordeling kunnen soorten aan de lijst worden toegevoegd, of er weer worden afgehaald. Nederland heeft ook haar eigen probleem veroorzakende exoten aan die lijst toegevoegd. Voor de op de EU-lijst staande invasieve exoten is de volgende samengevatte stelregel van toepassing: U dient, als gebiedbeheerder, de benoemde invasieve exoten op te sporen en vervolgens te verwijderen, of dusdanig te beheersen dat verspreiding onmogelijk is. Bij in gebreke blijven is een wettelijke beoordeling, op basis van het toebrengen van schade aan het economisch belang, van toepassing. In de ingevoegde bijlage 1 vindt u hiervan een verkorte uitwerking en treft u de wetteksten aan, plus uitleg.

2.3

Natuurnetwerk Nederland NNN

Het plangebied behoort niet tot- en grenst niet aan een NNN zone. De werkzaamheden hebben geen negatieve invloed op regionale NNN-zones en hun kenmerken en waarden.

2.4

Natura-2000 gebied

Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura-2000 gebied. De werkzaamheden hebben geen negatieve invloed op het meest dichtbijgelegen gebied Natura-2000 gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein, hemelsbreed op ruim 6 kilometer afstand. Het gebied (richtlijn nat grasland, habitattypen H6430A en H6510B) heeft geen overbelasting met stikstof. Derhalve heeft hierop geen uitgebreide toetsing plaatsgevonden. Het uitvoeren van een Aerius berekening is reeds uitgevoerd.

2.5

Weidevogelkerngebied

Het plangebied maakt geen deel uit van een aangewezen weidevogelkerngebied. Derhalve heeft hierop geen uitgebreide en specifieke toetsing plaatsgevonden.

6

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda 3 3.1

2022

Beschrijving projectgebied en ingreep Gebiedsbeschrijving

Het kavel bestaat onder andere uit braakliggende percelen, omgeven door watergangen en wat groenstroken. Voorheen was het plangebied bekend onder het adres Tielweg 10 met daarop bedrijfspanden met o.a. parkeergelegenheden. In 2012 en 2013 zijn alle opstanden op het terrein gesloopt. Sindsdien zijn er geen activiteiten gepleegd. Wat achterbleef was de betonnen vloer die nu wordt verwijdert om het terrein bouwrijp te maken.

Kavelgrens LC1220 (binnen het rode kader).

3.2

Voorgenomen werkzaamheden

De opdrachtgever is voornemens om de volgende werkzaamheden (in hoofdzaak) uit te laten voeren: - Bouwrijp maken van het plangebied; - Bouw van een bedrijfspand; - Aanleg infrastructuur met parkeerplaatsen; - Verleggen van in- en uitrit; - Aanbrengen diverse natuurwaarden in het plangebied; - het uitvoeren van bijkomende werkzaamheden.

3.3

Periode van uitvoeren

De periode van uitvoering wordt bepaald door de opdrachtgever en opdrachtnemer.

7

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

4 4.1

2022

Methodiek onderzoek Algemeen

Het onderzoek naar het voorkomen van natuurwaarden en de potentie voor natuurontwikkeling is opgebouwd uit drie onderdelen: 1. Bureaustudie naar waarnemingen van beschermde soorten uit het (recente) verleden en ligging van beschermde gebieden waarop het project van invloed kan zijn; 2. Veldbezoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten of geschikte habitats. Bij het veldonderzoek wordt indien noodzakelijk gebruik gemaakt van een drone. 3. Onderzoek naar potentie tot uitbreiding natuur in en rond het plangebied Onderzoeksvragen Om het onderzoek te complementeren worden onder andere de volgende vragen beantwoord: 1. Zijn er te beschermen soorten flora en fauna, of sporen daarvan, binnen het plangebied? 2. Zijn er beschermde soorten flora en fauna in het omgelegen gebied die op termijn (projectduur) het plangebied kunnen betreden? 3. Zijn er andere, door de opdrachtgever aangewezen, bijzondere natuurwaarden om te behouden? 4. Kunnen er tijdens de uitvoering conflictsituaties ontstaan met de regel- en wetgeving? 5. Welke mogelijkheden zijn er om ter plaatse de natuurontwikkeling tegemoet te komen.

4.2

Uitleg bureauonderzoek

In het bureauonderzoek wordt gekeken naar de beschermde soorten die vallen onder de Wet Natuurbescherming en gebiedslijsten met doelsoorten. De soorten zijn nationaal beschermd of hebben een bescherming binnen de Europese Unie. Daarnaast wordt gekeken naar de huidige rechtsgeldigheid van een mogelijk te gebruiken gedragscode. Treden door het werk negatieve effecten op, of worden verbodsbepalingen overtreden, dan zijn er maatregelen nodig om deze effecten te voorkomen, te verzachten of te compenseren om zodoende te voldoen aan de natuurwetgeving. Bronnen Er worden diverse bronnen geraadpleegd om een beeld te krijgen van de verspreiding van de beschermde soorten in en rond het plangebied. Afhankelijk van het project worden specifieke internetsites en databases geraadpleegd (bijvoorbeeld van Ravon.nl, NDFF, Vlindernet.nl, Libellennet.nl, Naturalis.nl) en wordt nagegaan of in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen in of zeer dicht nabij het plangebied. Buiten de NDFF maken deze sites maken veelal gebruik van atlasblokken. Deze gegevens hebben daarom veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied. Aan de hand van de resultaten van de bureaustudie wordt een inschatting gemaakt of en welke soorten in het plangebied voor zouden kunnen komen. Deze gegevens zijn meegewogen tijdens het veldbezoek.

Naast de bronnen met soortinformatie, is voor het bepalen van de ligging van beschermde gebieden gebruik gemaakt van de gebiedendatabase van het Ministerie van LNV en de provinciale website.

4.3

Uitleg veldonderzoek

Het veldonderzoek is onderdeel van deze quickscan en derhalve ook een momentopname. Naar aanleiding van de uitkomsten van de bureaustudie is bepaald in hoeverre de aanwezigheid van beschermde soorten aannemelijk gesteld kan worden op basis van aanwezig geschikt habitat in het plangebied. Het bezoek aan het plangebied is afgelegd om te bepalen in hoeverre aan de hand van de soorten uit de bureaustudie en aan de hand van het visueel voorkomen van geschikt habitat beschermde soorten kunnen voorkomen of

8

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

2022

voorkomen. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Onderzocht worden tevens de effecten van fluctuerend waterpeil op de huidige en toekomstige natuurwaarden. Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten opgetekend. De volgende groepen worden gewogen: Flora Broedvogels en VRVP’s Zoogdieren Vleermuizen Amfibieën & reptielen Vissen Overige soortgroepen Exoten

4.4

Effectbeoordeling

Aan de hand van de bevindingen uit het bureauonderzoek en de resultaten van het onderzoek in het veld, dient te worden bepaald of een vervolgonderzoek nodig is om beschermde soorten uit te sluiten en om te bepalen wat de effecten zijn. Tevens kan worden geadviseerd over de te volgen procedure inzake de natuurwetgeving.

9

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda 5

2022

Resultaten onderzoek en effectbeoordeling

Het visueel waarnemen van soorten flora en fauna is mede afhankelijk van het tijdstip op de dag en van het jaargetijde dat een scan wordt uitgevoerd. Specifiek is gelet of er binnen het plangebied soorten of te beschermen habitats voorkomen die door de geplande werkzaamheden in hun rijkdom en ontwikkeling negatief kunnen worden benadeeld. Daarnaast is ook uitgekeken naar invasieve exoten. Niet (meer) beschermde soorten kunnen door beheerders en/of bevoegd gezag als te behouden worden aangewezen vanwege hun aanmerkelijk belang voor de ecologie ter plaatse of in de omgeving. Deze soorten zijn dan meebeschermd door de natuurwetgeving. Indien benoemd zijn deze per soortgroep vermeld in de regel “Aangewezen te behouden soorten”.

5.1

Ecologisch werkprotocol uitvoeringsfase (EWPu) Naar aanleiding van de uitkomsten van deze scan wordt een EWPu opgesteld. Deze gaat in op mitigerende maatregelen en geeft instructies weer om soorten of soortgroepen te beschermen. Het EWPu is dynamisch en zal vanwege de dynamiek in het lopende project mogelijk nog worden aangepast indien de omstandigheden daar om vragen.

5.2

Beschermde flora Bureaustudie waarnemingen plangebied: geen. Bureaustudie waarnemingen nabije omgeving plangebied: geen. Veldbezoek waarnemingen: geen. Aangewezen te behouden soorten: alle soorten die bijdragen aan een goede biodiversiteit. Habitat / biotoop voorgenoemde beschermde soort(en) Geen standplaatsen van beschermde flora aanwezig. Effectbeoordeling werkzaamheden Geen negatieve effecten door werkzaamheden. Aanvullend onderzoek Een aanvullend onderzoek is niet nodig. Conclusie Mitigerende maatregelen en aanvullend onderzoek zijn niet nodig. Wel geldt de Zorgplicht flora en fauna voor alle voorkomende soorten.

Binnen kavel

Buiten kavel

10

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

5.3

2022

Broedvogels en nesten Bureaustudie waarnemingen plangebied: algemeen voorkomende soorten. Bureaustudie waarnemingen omgeving plangebied: Boomvalk, Torenvalk, algemeen voorkomende soorten. Veldbezoek waarnemingen nabije omgeving: algemene soorten (water)vogels, niet broedend, geen vaste rust en verblijfplaatsen zoals voor roofvogels. Aangewezen te behouden soorten: alle soorten. Habitat / biotoop voorgenoemde beschermde soort(en) Binnen het plangebied zijn geen mogelijkheden meer voor nestvorming door broedvogels. Het gebied ligt braak en er wordt actief gewerkt. Effectbeoordeling werkzaamheden Nesten van vogels zijn beschermd gedurende het voortplantingsseizoen, zijnde 15 maart tot en 1 augustus , of tot dat een nest zijn functie heeft verloren. Negatieve effecten worden door gebrek aan broedplaatsen niet verwacht. Aanvullend onderzoek Een aanvullend onderzoek is niet nodig. Conclusie Negatieve effecten op het voortbestaan van broedvogels worden niet verwacht. Advies Het voor dit project opgestelde dynamisch EWPu (ecologisch werkprotocol uitvoeringsfase) gaat in op algemene maatregelen betreffende het beschermen van broedvogels in de voortplantingsperiode van 15 februari tot 30 september. Mogelijk zijn er nog aanpassingen/toevoegingen noodzakelijk die beter aansluiten bij het verdere gebruik van het perceel.

Bijvoorbeeld, in het EWPu staat ook dat hopen grond schuine vlakken moeten hebben. Dit om te voorkomen dat zwaluwen hier gaan nestelen. Overleg dit verdere gebruik tijdig met de projectecoloog zodat aanpassingen op tijd kunnen worden ingevoerd.

Binnen kavel

5.4

Buiten kavel

Vleermuizen Bureaustudie waarnemingen plangebied: geen.

11

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

2022

Bureaustudie waarnemingen omgeving plangebied: Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger. Veldbezoek waarnemingen: geen verblijfsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk worden de rijen bomen en watergangen langs het plangebied in het noordwesten gebruikt als oriëntatie- of foerageerzone. Aangewezen te behouden soorten: alle soorten Habitat / biotoop voorgenoemde beschermde soort(en) Er komen binnen het plangebied geen verblijfsplaatsen voor. Wel komen langs het plangebied rechtlijnige contouren voor die als vlieg/foerageerroute kunnen worden gebruikt door vleermuizen uit de omgeving. Deze hebben een essentiële functie voor vleermuizen uit de omgeving. Effectbeoordeling werkzaamheden Deze type werkzaamheden hebben geen negatief effect op de vleermuizen en hun habitat in de omgeving. De rechtlijnige contouren buiten het plangebied blijven behouden. Het werk vindt plaats bij daglicht. Aanvullend onderzoek Negatieve invloed door de werkzaamheden kan worden uitgesloten. Vleermuizen en hun verblijfsplaatsen worden hier verder niet verwacht. Een aanvullend onderzoek is niet nodig. Conclusie Er worden geen negatieve effecten verwacht op het voortbestaan van voorgenoemde soorten. Mitigerende maatregelen zijn alleen nodig indien in de schemer en nachtelijke uren binnen het vliegseizoen wordt gewerkt.

Een en ander moet dan wel worden opgenomen in een EWPu (ecologisch werkprotocol uitvoeringsfase).

Binnen kavel 5.5

Buiten kavel

Amfibieën en reptielen Bureaustudie waarnemingen plangebied: geen amfibieën of reptielen. Bureaustudie waarnemingen omgeving plangebied: geen amfibieën of reptielen. Veldbezoek waarnemingen: geen amfibieën of reptielen. Aangewezen te behouden soorten: alle zorgplicht soorten. Habitat / biotoop voorgenoemde beschermde soort(en) Binnen het plangebied zijn geen geschikte mogelijkheden voor voortplanting van soorten die een specifiek habitat eisen, zoals bijvoorbeeld de Ringslang, Rugstreeppad en Heikikker.

12

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

2022

Effectbeoordeling werkzaamheden De werkzaamheden zelf hebben geen negatief effect op het voortbestaan van algemeen voorkomende amfibiesoorten. Aanvullend onderzoek Een aanvullend onderzoek is niet nodig. Conclusie Een aanvullend onderzoek is niet nodig. Negatieve effecten op het voortbestaan van amfibieën en eventueel reptielen worden niet verwacht. Advies Het voor dit project opgestelde dynamisch EWPu (ecologisch werkprotocol uitvoeringsfase) gaat niet in op algemene maatregelen betreffende het beschermen van amfibieën en reptielen in de voortplantingsperiode van 15 februari tot 30 september. Dit was nog niet aan de orde, mede door de nog door te voeren aanpassingen aan het oppervlaktewatersysteem. Mogelijk zijn er nog toevoegingen noodzakelijk die beter aansluiten bij het verdere gebruik van het perceel. Overleg dit verdere gebruik tijdig met de projectecoloog zodat aanpassingen op tijd kunnen worden ingevoerd.

Binnen kavel

5.6

Buiten kavel

Overige beschermde soortgroepen Bureaustudie waarnemingen plangebied: geen. Bureaustudie waarnemingen omgeving plangebied: Haas. Veldbezoek waarnemingen: geen. Aangewezen te behouden soorten: zorgplicht soorten. Habitat / biotoop voorgenoemde beschermde soort(en) Deze zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht. Effectbeoordeling werkzaamheden Negatieve effecten door de werkzaamheden worden niet verwacht. De Haas heeft een goed vluchtgedrag en zal daardoor niet negatief worden beïnvloed. Aanvullend onderzoek Beschermde overige soorten worden hier verder niet verwacht. Een aanvullend onderzoek is niet nodig.

13

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

2022

Conclusie Een aanvullend onderzoek is niet nodig. Negatieve effecten op het voortbestaan van overige flora en fauna worden niet verwacht indien de Zorgplicht wordt nageleefd.

Binnen kavel (nog te dempen water)

5.7

Buiten kavel

(Invasieve) Exoten Bureaustudie waarnemingen plangebied: geen. Bureaustudie waarnemingen omgeving plangebied: Japanse duizendknoop. Veldbezoek waarnemingen: geen. Aangewezen te behouden soorten: geen. Voorkom verspreiding naar het plangebied. Neem dit op in een te ontwikkelen beheerplan.

Groene stippen locatie JDK.

5.8

Bomen Binnen het plangebied zijn enkele bomen gekapt. De op leeftijd zijnde bomen worden binnen de nieuwe plannen gecompenseerd.

14

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

5.9

2022

Natuurnetwerk Nederland NNN (voorheen EHS) Er heeft, gezien de aard van het werk verder geen toetsing plaatsgevonden. De werkzaamheden hebben geen negatieve invloed op de meest dichtbijgelegen NNN-zone en haar kenmerken en waarden.

5.10

Natura-2000 Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura-2000 gebied. De werkzaamheden hebben geen negatieve invloed op het meest dichtbijgelegen gebied Natura-2000 gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein, hemelsbreed op ruim 6 kilometer afstand. Het gebied (richtlijn nat grasland, habitattypen H6430A en H6510B) heeft geen overbelasting met stikstof. Derhalve heeft hierop geen uitgebreide toetsing plaatsgevonden. Het uitvoeren van een Aerius berekening is reeds uitgevoerd.

5.11

Weidevogelkerngebied Het plangebied zelf maakt geen deel uit van een aangewezen weidevogelkerngebied. Derhalve heeft hierop geen uitgebreide en specifieke toetsing plaatsgevonden. Los daarvan zijn weidevogels altijd en overal beschermd.

15

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

6

2022

Conclusies en vervolgstappen

Op grond van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: 1. Binnen het plangebied komen geen verblijfsplaatsen voor van door de Wet natuurbescherming te beschermen soorten vleermuizen. De werkzaamheden tasten ook geen essentiële foerageerroutes aan. Vervolgonderzoek is niet nodig. 2. Binnen het plangebied komen geen door de Wet natuurbescherming te beschermen soorten broedvogels voor. 3. Binnen het plangebied komen geen door de Wet natuurbescherming te beschermde soorten zoals amfibieën, reptielen en vissen en/of hun habitats/biotopen voor. 4. Een ontheffingsaanvraag Wnb is niet nodig. 5. Op alle soorten is het hele jaar de Zorgplicht flora en fauna van toepassing. 6. Er zijn voldoende mogelijkheden om binnen het plangebied tegemoet te komen aan de wens om er de ecologie ter plaatse en lokaal te verbeteren. 7. Voor het BREEAM-certificaat zijn voldoende credits te verdienen voor de onderdelen Landgebruik en ecologie’ (LE-01, LE-02, LE-04 en LE-05) van de beoordelingsrichtlijn.

6.1

Vervolgstappen 1. Opstellen dynamisch ecologisch werkprotocol door de projectecoloog. Aanpassingen gedurende de verschillende fases kunnen hierin worden verwerkt. 2. De projectecoloog begeleid het werk en bezoek het terrein regelmatig. De ecoloog is ook aanwezig bij het dempen/vergraven van de watergangen. 3. Na vaststelling voor welke soorten/soortgroepen het belangrijk is om de ecologie bevorderende verbeterpunten/maatregelen te nemen, doet de projectecoloog passende voorstellen betreffende de in te zetten middelen. 4. Opstellen beheerplan door de projectecoloog naar aanleiding van de gekozen verbeterpunten.

16

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

7

2022

Bijlagen

Bijlage 1: Informatie Wet natuurbescherming Wetgeving soortenbescherming in het kort Beschermingsregimes van soorten onder de Wet natuurbescherming en de Flora- en faunawet Een belangrijk verschil met de Flora- en faunawet is dat in de Wet natuurbescherming voor elke categorie soorten aparte verboden zijn opgesteld, terwijl de Flora- en faunawet één uniform verbodsstelsel kende. Hierdoor golden voor nationale soorten dezelfde (strenge) verbodsbepalingen als voor de soorten beschermd onder de Europese natuurrichtlijnen. Om hier in de praktijk toch pragmatisch mee om te kunnen gaan, kende de Flora- en faunawet verschillende uitzonderingsregimes, onder meer in de toetsingscriteria voor het verlenen van ontheffing. Hiertoe waren nationale soorten ingedeeld in zogenaamde tabel 1, tabel 2 en tabel 3 soorten. Alle Europese soorten vielen onder tabel 3. Voor tabel 1 en 2 soorten gold voor een aantal handelingen een vrijstelling. Indien hier geen gebruik van gemaakt kon worden en toch een ontheffing vereist was, behoefde enkel getoetst te worden aan het criterium van een gunstige staat van instandhouding. Voor tabel 3 soorten moest aan drie toetsingscriteria (geldig belang; ontbreken van alternatieven; geen afbreuk staat van instandhouding) zijn voldaan.

Onder de Wet natuurbescherming wordt één op één aangesloten bij de beschermingsartikelen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn van de EU. Voor ‘nationale’ andere soorten geldt nu een kleiner aantal verbodsbepalingen. Het meest in het oog springend is het vervallen van het verbod op het verstoren van soorten. Daarnaast zijn voor alle nationale soorten (of zij nu vroeger onder tabel 1, 2 of 3 vielen) de toetsingscriteria gelijkgesteld en moet aan de drie voorwaarden bij het verlenen van een ontheffing of vrijstelling voldaan worden. Wel kennen de ‘nationale’ andere soorten ruimere ontheffingsmogelijkheden dan de soorten van de Vogel- en Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. Ten tweede worden soorten (geen vogels) beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Zorgplicht: Artikel 1.11 – de Zorgplicht onder de Wet op natuurbescherming 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

17

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

2.

2022

De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Verbodsbepalingen Artikel 3.1 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.5 Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4.

Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 Beschermingsregime andere soorten 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Uitzonderingen op de verbodsbepalingen Verstoring van vogels is niet verboden indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (artikel 3.1 lid 4 en lid 5). Het is aan de initiatiefnemer om zich ervan te vergewissen - en waar nodig aan te kunnen tonen - dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de vogelsoort en aldus niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort. Het verbod om dieren opzettelijk te doden of te vangen en het verbod om vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen, is níet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis,

18

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

2022

voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3). De volgende vragen dient u te kunnen beantwoorden: Vraag 1. Komen er beschermde soorten voor in het gebied? Vraag 2. Zijn er jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfsplaatsen? Vraag 3. Worden door de handeling de verbodsbepalingen overtreden? Vraag 4. Vallen de handelingen onder een vrijstelling? Vraag 5. Kan een ontheffing soortenbescherming worden verleend? Zorgplicht flora en fauna Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”.

Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer u een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, u zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van uw handelen. Zo nodig raadpleegt u een ecoloog. Bij de uitvoering van die handeling moet u negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen dan wel beperken of ongedaan maken. Drie beschermingsregimes De Wet op natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels, in totaal ruim 700 soorten, zijn (beschermd). Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is.

Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie criteria is voldaan, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. De drie criteria op grond waarvan van de verbodsbepalingen afgeweken kan worden, zijn eveneens uit deze twee richtlijnen overgenomen. Dat betekent dat de verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij men een ontheffing kan krijgen (het zogenoemde ‘nee, tenzij-principe’). Komen er beschermde soorten voor in het gebied? U onderneemt een handeling op plaatsen waar zich mogelijk beschermde planten of dieren bevinden. Om vast te stellen of beschermde soorten daadwerkelijk voorkomen in het gebied, moet u eerst weten wélke soorten beschermd zijn.

Ook moet u weten welk gebied u moet (laten) inventariseren op het voorkomen van deze beschermde soorten. Welke soorten zijn beschermd:

19

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

2022

Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. Van de soorten die worden beschermd onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature op het grondgebied van de Europese Unie voorkomen. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn*, in totaal ca. 290 soorten. Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming van toepassing. * Met uitzondering van exoten (die hier ook kunnen broeden, zoals de nijlgans) en verwilderde soorten (zoals soepganzen, eenden, -duiven). Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. De Europees beschermde soorten, niet vogels zijnde, bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a inclusief het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijk verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie pagina 22) is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Ten derde is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.

De andere, ‘nationale’ soorten staan vermeld op in een bijlage van de wet die hoort bij artikel 3.10. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Let op: soortgroepen die niet opgenomen zijn in de bij de Wet Natuurbescherming gepubliceerde lijsten met beschermde soorten, bijvoorbeeld paddenstoelen en mossen, zijn nog steeds beschermd. Laat u door een ecoloog op de hoogte brengen. Inventarisatie plangebied, onderzoeksgebied De bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn alleen van toepassing als op of rondom de locatie waar u aan het werk gaat beschermde planten en/of dieren voorkomen of als zich daar hun nesten, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen bevinden. Het plangebied is het gebied waar de daadwerkelijke handeling wordt uitgevoerd. Afhankelijk van de kenmerken van de activiteit kunnen storende factoren ook optreden buiten het plangebied. Denk aan verstoring door geluid, waardoor u bijvoorbeeld het verbod om soorten opzettelijk te verstoren overtreedt. Hoe groot het onderzoeksgebied is hangt dan ook af van de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het onderzoeksgebied is vaak groter dan het plangebied.

Het is belangrijk om het onderzoeksgebied te inventariseren op het voorkomen van diersoorten en op de aanwezigheid van voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of nesten van diersoorten en het voorkomen van plantensoorten. Het is immers verboden om soorten te doden of te vangen en om dergelijke plaatsen te beschadigen of vernielen. Om een goed beeld te krijgen van de verschillende aanwezige soortgroepen is het noodzakelijk om op meerdere momenten in het jaar veldonderzoek te verrichten. Dit veldonderzoek moet niet alleen in beeld brengen welke soorten aanwezig zijn, maar ook welke functie het gebied heeft voor de soort. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken. Ook voor andere diersoorten kan gelden dat voortplantings- en rustplaatsen beschermd moeten worden, ook wanneer zij niet gebruikt worden. De bescherming van voortplantings- en rustplaatsen tegen beschadiging en vernieling moet worden opgevat als een waarborg dat de ecologische functionaliteit van deze plaatsen gegarandeerd wordt.

Andere leefgebieden van een diersoort, zoals foerageergebieden of vaste vliegroutes, worden volgens de uitleg van het Guidance document niet beschermd, tenzij deze samenvallen met de voortplantings- of rustplaatsen. Jurisprudentie maakt echter duidelijk dat in het geval van Habitatrichtlijnsoorten het zodanig verstoren van vaste vliegroutes en/of beschadigen van foerageergebied dat de soort om die reden deze vaste voortplantings- of rustplaatsen (die buiten het plangebied zijn gelegen) zal verlaten, wel onder het verbod van de Habitatrichtlijn valt*. De redenering hierbij is dat bij een dergelijke verstoring de ecologische functionaliteit van de voortplantings- of rustplaatsen niet meer gegarandeerd is. In deze gevallen is dan ook artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming van toepassing. * ECLI:NL:RVS:2012:BY2464 en ECLI:NL:RVS:2012:BX8942

20

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

2022

Worden de verbodsbepalingen overtreden? U gaat na of door uw handeling de verbodsbepalingen worden overtreden. Ook wordt beoordeeld welke wettelijke uitzonderingen er gelden voor het overtreden van de verbodsbepalingen en of er maatregelen mogelijk zijn om overtreding te voorkomen. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Welopzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn verboden. Daarbij is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen6): “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant…”. Indien maatregelen kunnen worden getroffen waardoor negatieve effecten kunnen worden voorkomen, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Maatregelen die overtreding kunnen voorkomen zijn bijvoorbeeld: het aanpassen van de werkvolgorde; het gebruik maken van andere werkapparatuur; of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld van bomenkap). Als ondanks het treffen van maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is ontheffing nodig.

Deze ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van de vogelsoort optreedt en/of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de overige Europees en nationaal beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Maatregelen die de effecten op de plek van handeling herstellen, zijn mitigerend van aard; maatregelen die de effecten voor de populatie opheffen door herstel of verbetering op een andere plek zijn compenserend van aard. Overigens wordt bij soortenbescherming geen scherp onderscheid gemaakt tussen mitigerende en compenserende maatregelen (dit in tegenstelling tot gebiedenbescherming). Belangrijk is dat de staat van instandhouding gegarandeerd wordt. Ontheffing of niet? Het volgende stappenplan helpt u te bepalen of een ontheffingsaanvraag noodzakelijk is. Hou rekening met een afhandelingstijd van 20 weken vanaf het indienen van een aanvraag.

21

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

2022

STAPPENPLAN SOORTENBESCHERMING 1

Komen er beschermde soorten voor in het gebied? JA

2

NEE

Vallen de handelingen onder een vrijstelling? NEE

Geen ontheffing nodig Let op: elke categorie beschermde soorten heeft eigen verbodsbepalingen.

Worden de verbodsbepalingen overtreden? JA

3

NEE

Let op: er zijn drie categorieën beschermde soorten: vogels, overige Europees beschermde soorten en andere (‘nationaal’) beschermde soorten.

Geen ontheffing nodig Let op: afhankelijk van het type handeling en de aangetroffen soorten kunnen verschillende vrijstellingen gelden via bijvoorbeeld een gedragscode of provinciale verordening.

JA

Geen ontheffing nodig

JA

Doorloop de stappen opnieuw met het alternatief

4a Is er een alternatieve oplossing mogelijk? NEE

Let op: elke categorie beschermde soorten heeft eigen lijst met belangen.

4b Is er sprake van een wettelijk belang? JA

NEE

Geen ontheffing nodig

4c Is er een effect op de staat van instandhouding? NEE

JA

Geen ontheffing mogelijk

Ontheffing kan onder voorwaarden worden verleend Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van tevoren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en al in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk. Ontheffing aanvragen Voor handelingen is een ontheffing van de verbodsbepalingen nodig als: Er geen maatregelen mogelijk zijn om het overtreden van de verbodsbepalingen te voorkomen; Er geen vrijstelling geldt op grond van een provinciale verordening, gedragscode, beheerplan Natura 2000, programmatische aanpak of een ministeriële regeling. Een ontheffing wordt aangevraagd door de initiatiefnemer waarna een besluit over de aanvraag wordt genomen door het bevoegd gezag.

In de regel moet een aparte ontheffing soortenbescherming worden aangevraagd bij de provincie waarbinnen de handeling plaatsvindt. Alleen ten aanzien van handelingen die tot de Rijksbevoegdheden behoren is

22

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

2022

RVO.nl namens het Rijk bevoegd gezag. Daarbij moet gedacht worden aan activiteiten en handelingen van nationaal, provincie-overschrijdend belang, zoals de aanleg en onderhoud van Rijkswegen, -wateren en spoorwegen of schelpdiervisserij. In zijn algemeenheid moet in een aanvraag soortenbescherming aandacht besteed worden aan: Een beschrijving van de handelingen die uitgevoerd zullen worden; Voor welke beschermde soorten een ontheffing wordt aangevraagd; Voor welke verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming een ontheffing wordt aangevraagd. Het doel en belang van de handelingen die zullen plaatsvinden en de afwezigheid van andere bevredigende oplossingen hiervoor. Welke maatregelen getroffen zullen worden om schade aan soorten te beperken en/of herstellen. Aanvragen moeten in ieder geval vergezeld gaan van een projectbeschrijving, een ecologische gebiedsinventarisatie en van een effectstudie, waarin de gevolgen van de handeling op de staat van instandhouding van de soorten beschreven zijn. Na ontvangst van de aanvraag wordt de aanvraag met bijbehorende stukken beoordeeld op volledigheid. Dat wil zeggen dat het bevoegd gezag zich ervan vergewist dat alle noodzakelijke informatie aanwezig is om een zorgvuldig en gemotiveerd besluit te nemen.

Als de aanvraag aanhaakt bij een omgevingsvergunning wordt deze volledigheidstoets uitgevoerd door de gemeente; als het een aparte ontheffing soortenbescherming betreft, wordt deze toets in het algemeen uitgevoerd door de provincie. Als de verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor een beoordeling van de aanvraag, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om een aanvulling te doen. Het is aan het bestuursorgaan om hiervoor een redelijke termijn te geven. Als de aanvraag onvolledig of niet is aangevuld, nadat de geboden termijn hiervoor is verstreken, dan moet het bestuursorgaan binnen vier weken beslissen om de aanvraag niet te behandelen. Een ontheffing (of een vrijstelling) wordt uitsluitend verleend, als voldaan is aan elk van de volgende drie cumulatieve voorwaarden: Geen andere bevredigende oplossing. Sprake van een in de wet genoemd belang. Geen verslechtering/afbreuk aan de staat van instandhouding van de soort. Om te beoordelen of aan deze voorwaarden wordt voldaan zal een toetsing van de belangen en de alternatieven plaatsvinden en een ecologische toetsing. De termijn voor het behandelen van een aanvraag bedraagt 13 weken met de mogelijkheid om dit eenmalig te verlengen met 7 weken.

Rol provincie en gemeente Met de Wet natuurbescherming komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen in principe bij de provincies te liggen. Provincies nemen hiermee de taak over die tot nu toe werd uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Daarmee is de provincie bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten (hierna genoemd ‘handelingen’) bij Natura 2000- gebieden (de gebiedsbeschermingsbepalingen) en dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Ook gemeenten hebben een belangrijke rol bij de uitvoering van de Wet natuurbescherming. Als sprake is van locatie gebonden activiteiten met gevolgen voor wettelijk beschermde dier- en plantensoorten, moet ofwel een natuurtoets deel uitmaken van de procedure bij het verkrijgen van een omgevingsvergunning, ofwel er wordt voorafgaand aan het aanvragen van de omgevinsgvergunning apart een ontheffing aangevraagd. In het eerste geval geeft de initiatiefnemer bij de aanvraag omgevingsvergunning aan dat er sprake is van handelingen met gevolgen voor beschermde dieren plantensoorten. Deze werkwijze staat bekend als vrijwillig aanhaken.

Het is aan de gemeente (als bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning) om te controleren of de aanvraag voor een omgevingsvergunning volledig is, of dat de aanvrager al apart ontheffing heeft aangevraagd. Essentieel is dat de gemeente toetst of de initiatiefnemer al dan niet terecht heeft aangegeven of de handeling gevolgen heeft voor beschermde soorten. Als een initiatiefnemer vooraf géén aparte ontheffing soortenbescherming heeft aangevraagd, dan moet de natuurtoets aanhaken en kan geen afzonderlijke ontheffing meer worden aangevraagd. Bij aanhaken legt de gemeente de aanvraag voor aan de provincie als het bevoegd gezag voor de natuurtoets. De provincie geeft op grond van de

23

Natuurrapportage (quickscan Wnb - BREEAM) Gouda

2022

inhoudelijke toetsing al dan niet een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) af. Overigens geldt dezelfde procedure bij handelingen met gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden. Exoten Exoten – EU-wetgeving Nederland sluit aan bij de Europese wetgeving op exoten. De “Verordening Invasieve Uitheemse soorten” (EU Regulation 1143/2014 on Invasive Alien Species). Op grond van deze verordening is in december 2015 in Brussel de Europese Unielijst aangenomen. Voor 37 aangewezen ‘invasieve exoten van EU-belang’ die op deze Unielijst staan, gaan onder andere een import-, handels- en bezitsverbod gelden. De Unielijst is een dynamische lijst. Op basis van risicobeoordeling kunnen soorten aan de lijst worden toegevoegd, of er weer worden afgehaald. Exoten – Wet op Natuurbescherming Artikel 1.1 – sub invasieve exoten Exoten die wanneer zij zich gevestigd hebben of zouden vestigen in de Nederlandse natuur: a. een gevaar kunnen opleveren voor het voortbestaan van dier- of plantensoorten die van nature in Nederland of elders voorkomen, of b. een aanmerkelijke verslechtering kunnen veroorzaken van omstandigheden die voor het voortbestaan van soorten als bedoeld in onderdeel a noodzakelijk zijn; Artikel 3.19 1.

Onze Minister wijst soorten invasieve exoten aan die in het belang van de bescherming van de wilde flora, de wilde fauna of de instandhouding van natuurlijke habitats worden bestreden. 2. Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat in hun provincie het aantal van de invasieve exoten, bedoeld in het eerste lid, zoveel mogelijk wordt teruggebracht. 3. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats in overeenstemming met de gedeputeerde staten, bedoeld in het tweede lid. 4. Gedeputeerde staten kunnen aan personen of samenwerkingsverbanden van personen opdracht geven tot het terugbrengen van het aantal planten van bij de opdracht aangeduide soorten, aangewezen krachtens het eerste lid. Artikel 3.18, tweede en derde lid, is op de uitvoering van deze opdracht van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in artikel 3.18, derde lid, in plaats van «dieren» wordt gelezen: planten. Artikel 3.34 1. Het is verboden dieren of eieren van dieren uit te zetten. 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het uitzetten van dieren van soorten die op grond van artikel 1, tweede lid, van de Visserijwet 1963 zijn aangewezen als «vis», of voor het uitzetten van hun eieren. 3. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing en provinciale staten kunnen vrijstelling verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. 4.

Het is verboden exoten behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen plantensoorten te planten of te zaaien. 5. Onze Minister kan, in zoverre in afwijking van het derde lid, ontheffing of vrijstelling verlenen van de verboden, bedoeld in het eerste en vierde lid, ten behoeve van de herintroductie van soorten, of voor het uitzetten, planten of zaaien van exoten. Onze Minister verleent een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in de vorige volzin in overeenstemming met gedeputeerde staten van de provincie waar de herintroductie of uitzetting plaatsvindt. Artikel 3.39 Het is verboden invasieve exoten behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten, of eieren van deze exoten te verhandelen of in bezit te hebben. Artikel 7.2 1. Gedeputeerde staten zijn bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet. 2. Onze Minister is bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang in plaats van gedeputeerde staten ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens: Ad c. artikel 3.34, eerste of vierde lid, voor zover de last betrekking heeft op het uitzetten, planten of zaaien van exoten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=a5f5b26c-b9e3-4a8e-827d-7b1b763ff5dd