Bijlage 3. antwoordbrief aan de GASD
Tekst van het document
Aan Goudse Adviesraad Sociaal Domein T.a.v. de secretaris de heer T. de Korte secretaris@gasd.nl
Bezoekadres Huis van de Stad, Burgemeester Jamesplein 1
afdeling
telefoon
gouda
MBL team Ondersteuning op maat
14 01 82
16 december 2025
Contactpersoon
uw kenmerk
Edith Coomans
-
Zaaknummer 1602141
Onderwerp
Postadres Postbus 1086, 2800 BB Gouda
verzonden
Adviesaanvraag verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026 Geachte heer de Korte Dank voor het uitgebrachte advies en de zorgvuldige wijze waarop u dit heeft voorbereid. Wij waarderen zowel de inhoudelijke aandachtspunten die u heeft meegegeven als de betrokken inzet van de adviesraad bij dit traject. Uw bijdrage helpt ons om de verdere uitwerking zorgvuldig en evenwichtig vorm te geven. Het college heeft alle adviespunten gewogen. Hieronder volgt per punt de reactie. 1. Besteed in de Verordening, en als dat niet kan in de uitwerking van de Verordening, meer aandacht aan hoe eigen kracht gestimuleerd kan worden. Wat doet de gemeente om ouders te ondersteunen om op een duurzame manier meer vanuit eigen kracht te kunnen werken? Het college erkent het belang van het versterken van de eigen kracht van ouders en jeugdigen. Het college is van mening dat ondersteuning niet alleen gericht moet zijn op het oplossen van problemen, maar zich (ook) moet richten op het vergroten van de mogelijkheden van gezinnen om uiteindelijk zelf oplossingen te vinden om hun draagkracht duurzaam te vergroten.
Bij elke ondersteuningsvraag wordt daarom breed gekeken: is inzet vanuit de Jeugdwet of andere wettelijke kaders noodzakelijk, of kan gebruik worden gemaakt van het preventieve aanbod? Voorzieningen zoals zorgoppas, steunouders en netwerkversterking versterken de draagkracht van ouders en voorkomen vaak zwaardere hulp. De gespreksvoering door consulenten is hierbij cruciaal. Zij kijken niet alleen naar de directe hulpvraag, maar ook naar de bredere context en het benutten van sociale netwerken. Instrumenten zoals familiegroepsplannen en onafhankelijke cliëntondersteuning kunnen dit proces ondersteunen. Om de Verordening op dit punt te verduidelijken, is in de Toelichting bij artikel 5 de volgende tekst toegevoegd: Bij de afstemming van ondersteuning vanuit zowel preventieve ondersteuning (zie artikel 3), de Jeugdwet als andere wettelijke kaders (zoals bedoeld in lid 1) is het uitgangspunt dat de ingezette hulp bijdraagt aan het versterken van de eigen kracht van de jeugdige en diens ouders. Dit betekent dat hulp niet uitsluitend gericht is op het wegnemen
van problemen, maar ook op het vergroten van de mogelijkheden van gezinnen om zelf oplossingen te vinden en hun draagkracht duurzaam te benutten. Op deze manier wordt ondersteuning toekomstbestendig. 2. Voeg bij artikel 7 lid 4 toe: Het college wijst de jeugdige of diens ouders actief op de waarde van het familiegroepsplan en ondersteunt de totstandkoming door faciliteiten en professionele ondersteuning te bieden. Het college onderschrijft het belang van het familiegroepsplan als instrument voor eigen regie en het versterken van de eigen kracht van inwoners. Het advies om dit expliciet in artikel 7 lid 4 op te nemen, neemt het college over. 3. Bied de mogelijkheid om een aanvraag, indien deze wordt afgewezen op grond van artikel 20, lid 3, om te zetten in een aanvraag voor en door een volwassene die een beroep doet op een andere wet of regeling zodat hiermee ook integraal wordt gehandeld vanuit de gemeente. Suggestie voor alternatieve tekst in de Verordening: “Indien de hulpvraag ligt op het domein van andere door de gemeente uitgevoerde regelingen wordt de aanvraag door de gemeente in behandeling genomen.
Indien de vraag ligt op het gebied van andere uitvoeringsorganen attendeert de gemeente de aanvrager waar hij terecht kan.” Inwoners die via de integrale toegang de gemeente benaderen, maar bij een ander uitvoeringsorgaan moeten zijn, worden hier al op geattendeerd door medewerkers van de integrale toegang. Ook als het geen gemeentelijk uitvoeringsorgaan betreft. Het college heeft naar aanleiding uw advies de toelichting hierop aangevuld. 4. Artikel 5 lid 6 benoemt het tijdige onderzoek naar benodigde voorzieningen vanaf de achttiende verjaardag. Tijdig is in veel gevallen al rond het 16 levensjaar van de jeugdige. Als dan jeugdhulp wordt ingezet is in bepaalde gevallen al duidelijk dat de jeugdige op 18 jarige leeftijd niet zelfstandig kan wonen en wat de mogelijkheden van het netwerk zullen zijn. De tijdige afstemming van zorg vanuit de verschillende domeinen is essentieel. a. Voeg tussen ‘tijdig’ en ‘welke’ in artikel 5 lid 6 toe: ,dat wil zeggen twee jaar voor de achttiende verjaardag (of voeg dit toe in de toelichting).
In de Verordening is ‘twee jaar voor de achttiende verjaardag’ al opgenomen door ‘het zestiende levensjaar’ te noemen in de volgende tekst: Deze bepaling regelt dat er daarom al vanaf het zestiende levensjaar van de jeugdige bij de inzet van voorzieningen wordt gekeken naar de afstemming van de in te zetten voorziening op de mogelijk in de toekomst in te zetten voorzieningen. b. Voeg in hetzelfde artikel na ‘wordt ingezet’ toe: en zoekt tijdig afstemming met de betreffende indicatiesteller (of voeg dit toe in de toelichting). In de Verordening is ‘en zoekt tijdig afstemming met de betreffende indicatiesteller’ al opgenomen door ‘afstemming van de in te zetten voorziening’ in de volgende tekst: Deze bepaling regelt dat er daarom al vanaf het zestiende levensjaar van de jeugdige bij de inzet van voorzieningen wordt gekeken naar de afstemming van de in te zetten voorziening op de mogelijk in de toekomst in te zetten voorzieningen. 5. Verken de mogelijkheid om laagdrempelig een groepsvoorziening te kunnen inzetten in plaats van individuele voorzieningen door bijvoorbeeld het volgende artikel toe te voegen: ‘Artikel 17A. Het college onderzoekt of toegekende voorzieningen collectief kunnen worden aangeboden.’ Met de term individuele voorziening uit de Jeugdwet, wordt een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening, bedoeld. Het gaat om maatwerk.
Een individuele voorziening kan ook in een groep worden aangeboden. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij behandelingen.
pagina 2
Overigens verkent het college momenteel de mogelijkheden om lichte hulp op een laagdrempeligere manier, collectief aan te bieden. 6. -
Voeg na ’16 jaar’ aan artikel 13, lid 4b, gedachtestreepje 3 toe ‘en een normaal slaapritme’. Indien een jeugdige een verstoord slaapritme heeft en ouders hierdoor overbelast zijn of dreigen te worden, dan kan conform artikel 13 lid 5 een individuele voorziening worden ingezet. Om dat te verduidelijken voegen we in artikel 13 lid 5 een referentie naar lid 4 toe.
-
Specificeer met betrekking tot artikel 13, lid 4g in de toelichting over welke medische handelingen dit gaat. Als deze impactvol zijn qua tijdsbesteding of handeling, is dit niet wat binnen het probleemoplossend vermogen van ouders zou moeten vallen. Het college bekijkt per individueel geval of en welke ondersteuning nodig is. Dit geld ook voor medische handelingen en de vraag of ouders die zelf kunnen uitvoeren. Indien het probleemoplossend vermogen van ouders hiervoor te kortschiet als gevolg van overbelasting, kan een individuele voorziening worden ingezet. Om dat te verduidelijken voegen we in artikel 13 lid 5 een referentie naar lid 4 toe.
-
Voeg aan artikel 13, lid 6a, toe ‘in zoverre deze activiteiten niet bijdragen aan het vergroten van de veerkracht en het in stand houden van het netwerk.’ Het college begrijpt de nuance die de GASD inbrengt met deze toevoeging. Om deze reden zal de suggestie van de GASD worden toegevoegd in de Toelichting met de volgende tekst: Nadat uit onderzoek bij lid 5 c kan blijken dat de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen tekort schiet door overbelasting, wordt onder het zesde lid gesteld wat er redelijkerwijs van ouders zelf verwacht mag worden deze (dreigende) overbelasting op te heffen. a. In het belang van het kind mag er van ouders verwacht worden maatschappelijke activiteiten te beperken. Bij de afweging hiervan kan worden gekeken naar wat het kost als de maatschappelijke activiteit wordt beperkt in vergelijking met wat het oplevert. Uitganspunt is hierbij de vraag: Wat maakt het dat een bepaalde activiteit essentieel is voor het vergroten van de veerkracht of het in stand houden van het eigen netwerk?
-
Verwijder in artikel 13, lid 6b ‘verminderen van betaalde arbeid’. We kunnen ons voorstellen dat anders organiseren van betaalde arbeid tot een bepaalde mate en wanneer mogelijk behulpzaam kan zijn. We kunnen ons echter niet goed voorstellen dat het voor de zelfredzaamheid van ouders helpend is om betaalde arbeid te verminderen. Betaalde arbeid is zo’n wezenlijke onderdeel van het leven van elke individu, dat de drempel om te vragen hierop te verminderen heel hoog moet zijn. Veelal hebben ouders hier al op ingeboet en zo niet, dan is het gelet op financiële onafhankelijkheid, inclusie en participeren in de maatschappij niet wenselijk om te vragen hierop te verminderen. Dit gaat ook in tegen overheidsbeleid gericht op bevordering van de arbeidsparticipatie. Het college bekijkt per individueel geval of en welke ondersteuning nodig is en naar de mogelijke bijdrage van ouder(s). Het bespreken van het verminderen van betaalde arbeid is onderdeel van het gesprek met ouders hierover. Afhankelijk van de specifieke omstandigheden van ouders kan het verminderen van betaalde arbeid of het anders inrichten van werktijden, een passende oplossing zijn.
In gesprekken met ouders wordt benadrukt dat zij de primaire verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding van hun kind, dat zij hiervoor het belang van hun kind centraal dienen te stellen en hun beschikbare draagkracht daarvoor dienen in te zetten. Indien het verminderen van betaalde arbeid daaraan bijdraagt en ouder(s) daartoe de mogelijkheid hebben, mag van ouders worden verwacht dat zij deze keuze maken. In dat geval is er sprake van
pagina 3
voldoende eigen kracht op dit gebied. Uiteraard wordt in dit gesprek rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de ouder(s). 7. Maak een publieksversie van de Verordening en communiceer duidelijke procedures over wat de gemeente verwacht van aanvragers en wat aanvragers van de gemeente mogen verwachten, waar aanvragers hulp kunnen vragen en wat de mogelijkheden tot eventueel bezwaar zijn. Maak waar mogelijk onderscheid tussen eerste aanvragen en herhaalde aanvragen, waarbij de situatie mogelijk onveranderd is. Het college geeft de voorkeur aan één versie van de Verordening. Een publieksversie heeft een groter risico op verkeerde interpretaties en kan verwachtingen scheppen, die niet exact overeenkomen met de formele regels. Inwoners die bezwaar of beroep willen indienen, zullen toch de Verordening moeten raadplegen. In de uitingen met betrekking tot de Verordening richting inwoners draagt het college zorg voor duidelijke communicatie. Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders van Gouda, de secretaris,
de burgemeester,
drs. R.C. (Ruud) Bakker
mr. drs. P. (Pieter) Verhoeve
pagina 4