CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3. Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025

Raadsvergadering 11 februari 2026, gemeente GoudaBij agendapunt: Structurele kostendekking bij Wijziging 'Aanwijsbesluit APV 2025' (HAMERPUNT)63.635 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 7

escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot sekswerk in de vorm van bemiddeling tussen klant en sekswerker; exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een sekswerkbedrijf of een sekswerker aangeboden seksuele diensten; seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot sekswerk of uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot sekswerk in de vorm van bemiddeling tussen klant en sekswerker of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf; sekswerk: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; sekswerkbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot sekswerk; sekswerker: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; werkruimte: als zelfstandig aan te merken

onderdeel van seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht.

Afdeling 2 Vergunning seksbedrijf Artikel 3:3 Vergunning seksbedrijf 1.

Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.

2.

Het bevoegde bestuursorgaan draagt zorg voor een onpartijdige en transparante verlening van beschikbare vergunningen.

3.

Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verdaagd.

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

20/113

14-01-2026, 17:25

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

4.

Een vergunning wordt voor één seksinrichting verleend.

5.

De vergunning wordt verleend aan de exploitant en wordt op diens naam gesteld.

6.

Uiterlijk acht weken na het in werking treden van deze verordening dienen de exploitanten van seksinrichtingen en escortbedrijven, die op het moment van intrekking van de Algemene plaatselijke verordening Gouda 2009 over een geldige exploitatievergunning voor de seksinrichting of het escortbedrijf op grond van die verordening beschikten, een aanvraag om een vergunning voor het seksbedrijf bij het bevoegde orgaan in.

7.

De exploitatie van het seksbedrijf als bedoeld in het zesde lid mag worden voortgezet, totdat op de aanvraag om een vergunning voor een seksbedrijf als bedoeld in het zesde lid is beslist.

Artikel 3:4 Aanvraag 1.

Een aanvraag om vergunning wordt ingediend middels een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier.

2.

Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a.

de persoonsgegevens van de exploitant;

b.

het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

c.

of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;

d.

het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

e.

het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;

f.

het telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden vermeld;

g.

een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant;

h.

voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;

i.

een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;

j.

bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van de seksinrichting;

k.

voor zover van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;

l.

voor zover van toepassing, een plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding;

m.

een afschrift van het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 3:14.

3.

Als er een beheerder is aangesteld is het tweede lid, onder a tot en met c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder.

4.

Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.

Artikel 3:5 Weigeringsgronden 1.

Een vergunning wordt geweigerd als: a.

de exploitant of een beheerder onder curatele staat;

b.

de exploitant of een beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

21/113

14-01-2026, 17:25

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

c.

de exploitant of een beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;

d.

redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

e.

redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

f.

er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het sekswerkers betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;

g.

de exploitant of een beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;

h.

de exploitant of een beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°.

bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening;

2°.

de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

3°.

artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

4°.

de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

5°.

de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of

6°.

de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

i. 2.

de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijkgesteld: a.

een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

b.

betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt.

3.

De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

4.

Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

5.

Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: a.

voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:7, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;

b.

als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:4 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;

c.

als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een sekswerkbedrijf in een seksinrichting waarvoor in de periode van de afgelopen vijf jaar, gerekend vanaf de datum

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

22/113

14-01-2026, 17:25

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

d.

van de aanvraag een vergunning is ingetrokken, of in deze periode in die seksinrichting, zonder vergunning een sekswerkbedrijf is uitgeoefend; als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van sekswerkers of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;

e.

als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:14, eerste en tweede lid;

f.

als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:15 gestelde verplichtingen zal naleven.

Artikel 3:6 Gegevens in de vergunning 1.

2.

De vergunning vermeldt in ieder geval: a.

de naam van de exploitant;

b.

voor zover van toepassing, die van de beheerder(s);

c.

voor welke activiteit de vergunning is verleend;

d.

het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

e.

het telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

f.

voor zover van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;

g.

de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;

h.

voor zover van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning;

i.

het nummer van de vergunning.

De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.

Artikel 3:7 Intrekkings- en schorsingsgronden 1.

2.

De vergunning wordt ingetrokken als: a.

de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

b.

de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;

c.

is gehandeld in strijd met de artikelen 3:9, 3:12, aanhef en onder a, 3:13, 3:14 en 3:15, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°;

d.

is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;

e.

zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;

f.

zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, onder a tot en met h;

g.

de vergunninghouder dat verzoekt;

h.

de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan

De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: a.

is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

23/113

14-01-2026, 17:25

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

b.

in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;

c.

een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;

d.

is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;

e.

zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van sekswerkers of klanten;

f.

de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;

g.

er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;

h.

gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

Artikel 3:8 Sluiting van een seksinrichting 1.

Het bevoegd bestuursorgaan kan een seksinrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren als het seksbedrijf wordt geëxploiteerd zonder of in afwijking van de vergunning als bedoeld in artikel 3:3.

2.

Het bevoegd bestuursorgaan maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van het bevel op of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.

3.

Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

4.

Het is de exploitant, beheerder of sekswerker van een seksbedrijf verboden in de seksinrichting te verblijven of bezoekers of klanten daarin toe te laten zolang de sluiting van kracht is.

5.

Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten seksinrichting te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

6.

Een sluiting kan opgeheven worden door het bevoegde bestuursorgaan wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de situatie die tot de sluiting heeft geleid zal plaatsvinden.

Artikel 3:9 Melding gewijzigde omstandigheden De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:6, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, binnen drie werkdagen aan het bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.

Artikel 3:10 Geldigheidsduur en verlenging vergunning 1.

De vergunning wordt verleend voor een periode van maximaal tien jaar en kan telkens voor een periode van vijf jaar worden verlengd.

2.

Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:5, 3:6 en 3:14, derde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overgelegd behoeven te worden.

3.

Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is besloten.

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

24/113

14-01-2026, 17:25

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

Afdeling 3 Uitoefenen seksbedrijf

Paragraaf 3.1 Regels voor seksbedrijven Artikel 3:11 Sluitingstijden seksinrichtingen 1.

Het is verboden een seksbedrijf voor bezoekers of klanten geopend te hebben of daarin bezoekers of klanten toe te laten of te laten verblijven tussen 04.00 en 08.00 uur.

2.

Het bestuursorgaan kan door middel van een vergunningvoorschrift voor een afzonderlijk seksbedrijf andere sluitingstijden vaststellen.

3.

Het is bezoekers en klanten van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat het seksbedrijf gesloten dient te zijn voor bezoekers en klanten.

4.

Het is een sekswerker van een seksbedrijf verboden zich daarin te bevinden, gedurende de tijd dat het seksbedrijf krachtens het eerste lid of het tweede lid gesloten dient te zijn.

5.

Het is verboden voor een seksbedrijf om personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in het seksbedrijf.

6.

Het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

Artikel 3:12 Adverteren Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: a.

geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, onder i en van de bedrijfsnaam;

b.

vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a; en

c.

als het een sekswerkbedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat sekswerkers die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.

Paragraaf 3.2 Regels voor sekswerkbedrijven en sekswerkers Artikel 3:13 Leeftijd en verblijfstitel sekswerkers; verbod werken voor onvergund sekswerkbedrijf Het is een exploitant verboden een sekswerker voor of bij zich te laten werken die: a.

nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

b.

in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.

Artikel 3:14 Bedrijfsplan 1.

Een sekswerkbedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: a.

op het gebied van hygiëne;

b.

ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de sekswerkers;

c.

ter bescherming van de gezondheid van de klanten;

d.

ter voorkoming van strafbare feiten.

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

25/113

14-01-2026, 17:25

2.

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat: a.

de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is;

b.

inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor sekswerkers;

c.

in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn;

d.

in de werkruimten voor de sekswerkers een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is;

e.

de sekswerker zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;

f.

de sekswerker niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;

g.

de sekswerker vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;

h.

de sekswerker klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft;

i.

de sekswerker kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft;

j.

aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;

k.

de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de sekswerker voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;

l.

de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame sekswerker kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;

m.

de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de sekswerker niet door derden gedwongen wordt tot sekswerk en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;

n.

de exploitant aan de voor of bij hem werkzame sekswerkers informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een sekswerker wil stoppen met haar werk in de sekswerk;

o.

de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.

3.

Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.

4.

De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.

5.

De rechten voor sekswerkers, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke sekswerker die werkzaam is voor of bij de exploitant.

6.

In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een sekswerker klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.

Artikel 3:15 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder sekswerkbedrijf 1.

De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het sekswerkbedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.

2.

De exploitant van een sekswerkbedrijf draagt er zorg voor dat:

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

26/113

14-01-2026, 17:25

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

a.

de voor of bij het sekswerkbedrijf werkzame sekswerkers redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen;

b.

er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval; 1°.

de voor of bij het sekswerkbedrijf werkzame sekswerkers;

2°.

de verhuuradministratie;

3°.

met betrekking tot alle voor of bij het sekswerkbedrijf werkzame sekswerkers, de documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:14, tweede lid, onder k;

4°.

de werkroosters van de beheerders;

c.

de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders;

d.

medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;

e.

onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;

f.

onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur;

g.

gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het sekswerkbedrijf.

Paragraaf 3.3 Overige bepalingen Artikel 3:16 Verbod raam- en straatprostitutie 1.

Het is verboden: a.

zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en

b.

passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden.

2.

Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, zich op te houden met het kennelijke doel sekswerk of het verrichten van seksuele handelingen in het kader van sekswerk.

3.

Door politieambtenaren kan het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

Artikel 3:17 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen 1.

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

27/113

14-01-2026, 17:25

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon Afdeling 1 Destructie van dode gezelschapsdieren Artikel 4:1 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: aangifteplichtige: degene die als houder of eigenaar van een gestorven gezelschapsdier ingevolge de wet verplicht is daarvan aangifte te doen als destructiemateriaal; destructiemateriaal: dode gezelschapsdieren (categorie 1 materiaal, met name dode honden en katten); onderneming: de onderneming die voor de gemeente dierlijk restmateriaal en kadavers verwerkt.

Artikel 4:2 Aanwijzing verzamelplaats Het college wijst één of meer verzamelplaatsen aan, waar dode gezelschapsdieren als destructiemateriaal in ontvangst worden genomen.

Artikel 4:3 Afgifte 1.

De aangifteplichtige is verplicht het dode gezelschapsdier uiterlijk op de eerste werkdag, die volgt op de dag waarop het is gestorven, te vervoeren naar een aangewezen verzamelplaats en het daar aan te geven en af te staan of het dode gezelschapsdier over te dragen aan de onderneming.

2.

Tot het tijdstip van afgifte is de aangifteplichtige verplicht het dode gezelschapsdier zodanig te bewaren dat vermenging met ander destructiemateriaal wordt voorkomen.

Artikel 4:4 Begraven in eigen grond Dode gezelschapsdieren mogen worden begraven in de eigen tuin of op eigen grond als het begraven tenminste 50 cm diep gebeurt, maar wel boven het grondwaterniveau, en als het dier niet is gestorven aan een op mens of dier overdraagbare ziekte en het dier verpakt wordt in biologisch afbreekbare materialen.

Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling 1 Parkeerexcessen Artikel 5:1 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1.

2.

Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a.

het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

b.

het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a.

voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

28/113

14-01-2026, 17:25

3.

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de persoon als bedoeld in het derde lid. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a.

drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

b.

de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

Artikel 5:2 Voertuigwrakken en excessief parkeren 1.

Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

2.

Het is verboden een voertuig op de weg geplaatst te hebben als het voertuig langer dan twaalf achtereenvolgende weken niet meer voor verkeersdoeleinden is gebezigd.

3.

Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5:3 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1.

2.

Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.

langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;

b.

op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Artikel 5:4 Reclamevoertuigen Het is verboden een voertuig, dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

Artikel 5:5 Grote voertuigen 1.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,8 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2.

Het verbod is niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

Artikel 5:6 Fietsen, bromfietsen of vergelijkbare voertuigen 1.

Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen, bromfietsen of vergelijkbare voertuigen te plaatsen of te laten staan.

2.

Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen, bromfietsen of vergelijkbare voertuigen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.

3.

Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen, bromfietsen of vergelijkbare voertuigen buiten door het college vastgestelde tijden te plaatsen of te laten staan.

4.

Indien de door het college aangewezen plaatsen, als bedoeld in de voorgaande leden, zijn voorzien van rekken, vakken of andere parkeervoorzieningen voor fietsen, bromfietsen of vergelijkbare voertuigen, is

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

29/113

14-01-2026, 17:25

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

het verboden om de fietsen, bromfietsen of vergelijkbare voertuigen buiten de daarvoor bestemde parkeervoorzieningen te plaatsen of te laten staan. Artikel 5:6a Parkeerexcessen fietsen, bromfietsen of vergelijkbare voertuigen Het is verboden op een openbare plaats fietsen, bromfietsen of vergelijkbare voertuigen te plaatsen of laten staan, als daardoor op of aan de openbare plaats hinder, overlast of schade ontstaat.

Afdeling 2 Collecteren Artikel 5:7 Inzameling van geld of goederen 1.

Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.

2.

Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

3.

Het verbod is niet van toepassing op een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.

4.

Het verbod is niet van toepassing op situaties, waarin wordt voorzien door de Afvalstoffenverordening gemeente Gouda 2011.

Afdeling 3 Venten Artikel 5:8 Definitie 1.

In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;

2.

Onder venten wordt niet verstaan: a.

ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

b.

voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren van goederen door - of door huisgenoten of personeel van - hem die dit mede doet ter exploitatie van zijn winkel, bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

c.

voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen op de plaats die is aangewezen voor het houden van een markt, zulks gedurende de tijden waarop die markt gehouden wordt;

d.

voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op een door het college aangewezen standplaats.

Artikel 5:8a Venten 1.

Het is verboden te venten: op de door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen; of op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen dagen en uren.

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

30/113

14-01-2026, 17:25

3.

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

Afdeling 4 Openbaar water Artikel 5:9 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.

Het is verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.

2.

Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

3.

Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

4.

De verboden zijn niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Afdeling 5 Vuurverbod Artikel 5:10 Verbod afvalstoffen verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur stoken 1.

Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

2.

Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a.

verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

b.

sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, als geen afvalstoffen worden verbrand;

c.

vuur voor koken, bakken en braden.

3.

Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

4.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

5.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Afdeling 6 Kwaliteit van het taxivervoer Artikel 5:11 Kwaliteit van het taxivervoer 1.

Het college is bevoegd nadere regels te stellen die in het belang zijn van de kwaliteit van het op de weg aangeboden taxivervoer.

2.

De regels, als bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op: a.

de herkenbaarheid van de auto waarmee taxivervoer op de weg wordt aangeboden;

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

31/113

14-01-2026, 17:25

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

b.

de eisen en verplichtingen van bestuurders van de auto;

c.

de indiening en behandeling van klachten van consumenten over taxivervoer;

d.

de wijze waarop wordt aangetoond dat aan de ingevolge de onder a tot en met c gestelde regels wordt voldaan.

Hoofdstuk 6 Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6:1 Sanctiebepaling 1.

Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1:3 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bepaalde bij of krachtens artikel 2:2 (kennisgeving betogingen op openbare plaatsen) en artikel 5:11 (kwaliteit van het taxivervoer).

Artikel 6:2 Toezichthouders 1.

2.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: a.

medewerkers van de gemeente, voor zover zij zijn belast met een toezichthoudende taak;

b.

medewerkers van het intergemeentelijk samenwerkingsorgaan Omgevingsdienst Midden-Holland;

c.

ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering;

d.

medewerkers van de regionale brandweer Hollands Midden;

e.

buitengewoon opsporingsambtenaren van Staatsbosbeheer;

f.

buitengewoon opsporingsambtenaren van de provincie Zuid-Holland. Deze personen zijn tevens belast met de opsporing van het bepaalde bij of krachtens deze verordening voor zover hen daartoe opsporingsbevoegdheid is verleend op grond van artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering.

Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

Artikel 6:3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6:4 Intrekking oude verordening De Algemene plaatselijke verordening Gouda 2020 wordt ingetrokken.

Artikel 6:5 Overgangsbepaling 1.

Besluiten die zijn genomen op grond van de Algemene plaatselijke verordening Gouda 2020 worden aangemerkt als besluiten genomen krachtens de Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025, tenzijin deze verordening anders is bepaald.

2.

De Regeling aanvraag evenementenvergunningen berust op artikel 2:5 van deze verordening.

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

32/113

14-01-2026, 17:25

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

3.

De Regeling taxivervoer Gouda berust op artikel 5:11, eerste lid, van deze verordening en op artikel87, eerste lid, onderdeel c, van de Wet personenvervoer 2000.

4.

Aanvragen waarop nog niet is beschikt bij de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld krachtens deze verordening.

5.

Op bezwaar- en beroepschriften tegen besluiten genomen krachtens de Algemene plaatselijke verordening Gouda 2020 wordt beslist met inachtneming van deze verordening.

Artikel 6:6 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na die van haar bekendmaking.

Artikel 6:7 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025.

Ondertekening Aldus besloten in de openbare vergadering van 9 april 2025. De raad van de gemeente voornoemd, griffier mr. drs. E.J. Karman-Moerman voorzitter Mr. drs. P. Verhoeve

Bijlage Lijst van gebruikte afkortingen Afkorting

Betekenis

Afdeling

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

APV

Algemene plaatselijke verordening

ABRvS

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

ARRS

Afdeling Rechtspraak van de Raad van State

Awb

Algemene wet bestuursrecht

Awbi

Algemene wet op het binnentreden

BW

Burgerlijk Wetboek

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

33/113

14-01-2026, 17:25

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

CBF

Centraal Bureau Fondsenwerving

EVRM

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

HR

Hoge Raad

IVBPR

Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten

model-APV

model Algemene plaatselijke verordening

RVV 1990

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

Stcrt.

Staatscourant

WvSv

Wetboek van Strafvordering

VNG

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Vw 2000

Vreemdelingenwet 2000

Wet Bibob

Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

Wom

Wet openbare manifestaties

WvSr

Wetboek van Strafrecht

WVW 1994

Wegenverkeerswet 1994

Toelichting Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 Algemeen Bij de herziening van de Goudse Algemene plaatselijke verordening is de model-APV van de VNG als uitgangspunt genomen. De model-APV wordt breed geaccepteerd als basis voor gemeentelijke regelgeving. Autonomie en medebewind De APV is hét klassieke voorbeeld van een autonome gemeentelijke verordening. Toch staan er artikelen in die een medebewindbepaling bevatten, bijvoorbeeld: -

Artikel 2:2 ‘Kennisgeving, over kennisgeving betogingen op openbare plaatsen’. Dit artikel is een uitwerking van de artikelen 3 en 4 Wom;

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

34/113

14-01-2026, 17:25

-

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

Hoofdstuk 2, afdeling 5.‘Paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet’. Op grond van artikel 4 Alcoholwet wordt een verordening verplicht gesteld voor de paracommerciële horecabedrijven.

Andere medebewindsgrondslagen zijn in de aanhef opgenomen. Deze artikelen betreffen gedeeltelijk de openbare ruimte en hangen nauw samen met andere bepalingen in de APV. Het ligt daarom voor de hand deze medebewindsbepalingen onder te brengen in de APV. Op deze manier blijft er een samenhangend geheel bestaan van gemeentelijke regelingen die de openbare ruimte betreffen. Vergunning, ontheffing of melding; schaarste In de APV komen drie toestemmingsstelsels voor: -

een ontheffingsstelsel;

-

een vergunningsstelsel;

-

een meldingsstelsel.

Bij een ontheffingsstelsel geldt een verbod om een bepaalde activiteit uit te voeren. In uitzonderlijke gevallen is daarop een ontheffing mogelijk. Er kan sprake zijn van schaarste (meer aanvragen dan het aantal ontheffingen dat wordt verleend). Bij een vergunningstelsel geldt in beginsel een verbod, maar bestaat er in het algemeen geen bezwaar tegen de activiteit. De gemeente wil de regie op de activiteiten houden. Zij kan ook het aantal beschikbare vergunningen beperken. In dat geval kan er sprake zijn van schaarste. Als sprake is van schaarse ontheffingen of vergunningen gelden bepaalde verdelings- en procedurevoorschriften. Zie hiervoor de VNG Handreiking voor gemeenten ‘Schaarse vergunningen’ (november 2018) en de toelichting hieronder. Bij een meldingsstelsel geldt een verbod, maar bestaat er geen bezwaar tegen de activiteit als zodanig. Om grip en regie te houden, stelt de gemeente een melding verplicht. Er kan sprake zijn van schaarste, als moet worden beoordeeld of de melding wordt geaccepteerd. Juridisch karakter van een melding In januari 2015 heeft de Afdeling haar rechtspraak rond meldingsstelsels aangepast. Beknopt samengevat komt de wijziging erop neer dat alleen een meldingsstelsel beheerst door algemene regels en waarbij niet is voorzien in enige reactie van het bestuursorgaan niet leidt tot een appellabel besluit.

In andere gevallen leidt de weigering of acceptatie, dan wel het uitblijven of niet-tijdig reageren door het bestuursorgaan tot een appellabel besluit. Zie ABRvS 14-01-2015, ECLI:NL:RVS:2015:14 (Leeuwarden-Lekkum) en ABRvS 14-01-2015, ECLI:NL:RVS:2015:36 (Stein-Elsloo). De Afdeling volgt hiermee de conclusie van Advocaat-Generaal Widdershoven over meldingsstelsels (ABRvS 12-11-2014, ECLI:NL:RVS:2014:4116). Zie over meldingenstelsels verder ook (onder meer) ABRvS 17-06-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1884, ABRvS 2406-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1965, ABRvS 18-05-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1309 en ABRvS 25-01-2017, ECLI:NL:RVS:2017:164. Schaarse vergunningen In gevallen waarin een activiteit beperkt is tot een aantal vergunninghouders, kan sprake zijn van schaarste. Voor vergunningen die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen, geldt dat deze vergunningen niet voor onbepaalde tijd mogen worden verleend (Hof van Justitie EU 01-10-2015, ECLI:EU:C:2015:641 (Trijber en Harmsen). Er zal dan een redelijke looptijd voor de vergunning bepaald moeten worden, waartoe kan worden aangesloten bij de jurisprudentie over concessieverleningen. De looptijd moet worden afgestemd op de tijd die het de vergunninghouder kost om investeringen terug te verdienen.

Ook gelden er bijzondere verdeelregels: er moet een passende mate van openbaarheid betracht worden bij de verdeling door potentiële gegadigden tijdig te informeren over de beschikbaarheid van een vergunning, het aanvraagtijdvak, de verdeelregels en de toewijzingscriteria, die objectief, duidelijk en niet discriminatoir moeten zijn. Op grond van het gelijkheidsbeginsel, waaruit het beginsel van gelijke kansen voortvloeit, geldt dit ook voor andere schaarse vergunningen dan vergunningen die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen (ABRvS 02-11-2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927 (De Vries/Vlaardingen). Voor de looptijd van de vergunning bij schaarste zij verder verwezen naar artikel 1:6, tweede lid, en de toelichting daarbij. Als een activiteit onder de werking van de Dienstenrichtlijn valt en het aantal vergunningen voor deze activiteit wordt beperkt, komt de vraag op of die beperking gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

35/113

14-01-2026, 17:25

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

belang en daarnaast ook of die beperking evenredig is met die dwingende reden van algemeen belang. Zie hiervoor ABRvS 07-06-2017, ECLI:NL:RVS:2017:1520. Meer informatie is te vinden in de VNG Handreiking voor gemeenten ‘Schaarse vergunningen’ (november 2018). Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Hoofdstuk 1 bevat procedurevoorschriften en algemene bepalingen. Het aantal procedurevoorschriften is beperkt. De reden hiervoor is dat de Algemene wet bestuursrecht algemene regels over de aanvraag, de behandeling en de verlening van een vergunning of ontheffing geeft. De APV bevat slechts procedurevoorschriften als: -

een afwijking van de hoofdregel in de Algemene wet bestuursrecht noodzakelijk is;

-

de regel een aanvulling op de hoofdregel in de Algemene wet bestuursrecht vormt;

-

deze regels facultatief zijn.

In het kader van de toepassing en uitvoering van de APV worden verschillende soorten besluiten genomen: -

algemeen verbindende voorschriften, namelijk daar waar het bestuursorgaan op grond van de verordening de bevoegdheid heeft om nadere regels te stellen;

-

besluiten van algemene strekking, bijvoorbeeld gebiedsaanwijzingen;

-

beleidsregels, ter invulling van op de verordening gebaseerde beleidsvrijheid;

-

beschikkingen, het verlenen of weigeren van vergunningen of ontheffingen die op basis van de APV verplicht zijn, voordat een bepaalde activiteit kan worden ondernomen.

Deze besluiten zijn besluiten in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1:1 definities In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de verordening worden gehanteerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking heeft, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. Over de in artikel 1:1 opgenomen definities wordt het volgende opgemerkt. Gebouw Deze omschrijving verwijst naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet: “bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”. Handelsreclame In artikel 7, vierde lid Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten.

Door dit te beperken tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin van het woord en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Kampeermiddel In het algemeen betreft dit een tent, tentwagen, camper, kampeerauto of caravan. Openbaar water Een “openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek. Openbare plaats De definitie van “openbare plaats” is ruimer dan die van de Wegenwet en die van de Wegenverkeerswet en omvat ook plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn maar niet tot de weg kunnen worden gerekend. Onder de definitie van “openbare plaats” valt: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

36/113

14-01-2026, 17:25

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

1.

de weg als bedoeld in artikel 1:1, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;

2.

al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;

3.

de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;

4.

andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.

ad 1 Om verwarring te voorkomen wordt door de verwijzing de letterlijke tekst van artikel 1 WVW 1994 overgenomen. In artikel 1, eerste lid, onder b, zijn wegen gedefinieerd als: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Ook de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen worden daaronder begrepen geacht. Om iedere twijfel weg te nemen is een expliciete verwijzing naar parkeerterreinen gehandhaafd. Hiermee worden bedoeld: alle als zodanig herkenbare parkeerterreinen die – al dan niet tegen betaling – toegankelijk zijn voor het publiek. ad 2 Uit de woorden ‘al dan niet met enige beperking’ blijkt, dat bepaalde voorwaarden voor de toegankelijkheid, zoals de betaling van entreegeld, er niet aan af doen dat gesproken kan worden van ‘weg’, als de desbetreffende plaats in feite voor het publiek toegankelijk is. ad 3 en 4 In de onderdelen 3 en 4 wordt een onderscheid gemaakt tussen stoepen, trappen, portieken enzovoort, die ‘uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven’ (onder 3) en andere stoepen en trappen enzovoort (onder 4). De eerstbedoelde categorie valt alleen onder het begrip ‘weg’ als deze niet afsluitbaar zijn.

Daarmee worden galerijen in portiekgebouwen enzovoort uitgezonderd gehouden van het begrip ‘weg’, óók als het hek of de deur niet is afgesloten (‘afsluitbaar’). Bij de onder 4 bedoelde categorie speelt de mogelijkheid van afsluiting op zich geen rol; het feitelijk voor het publiek toegankelijk zijn, bepaalt of de APV van toepassing is. Bij deze categorie moet gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. In winkelcentra vindt men kleine, veelal overdekte straatjes die voor het doorgaande verkeer nauwelijks een functie hebben. Sommige van deze bewust smal gehouden doorgangen of ‘passages’ worden gedurende de avond- en nachtelijke uren afgesloten, omdat het uitoefenen van toezicht dan onmogelijk is. Ter verklaring van de zinsnede ‘die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is’ wordt het volgende vermeld. Op de wegen in de zin van de Wegenwet kan het publiek vrijelijk vertoeven omdat het rechtens daartoe bevoegd is. In het bijzonder heeft de zakelijk gerechtigde op de betrokken weg niet de mogelijkheid hierin verandering te brengen. Bij andere wegen heeft de term ‘openbaar’ slechts de betekenis van ‘feitelijk voor het publiek toegankelijk’. Het publiek heeft toegang tot deze wegen krachtens gedogen van de zakelijk gerechtigde.

Mits hij zich niet bij overeenkomst ter zake heeft gebonden, is de zakelijk gerechtigde naar burgerlijk recht te allen tijde bevoegd in het gebruik van de weg door het publiek wijziging te brengen dan wel dit gebruik te beëindigen. Het mag duidelijk zijn dat in het geval de zakelijk gerechtigde het publiek de toegang ontzegt, op de desbetreffende weg de APV niet (meer) van toepassing is. Voor het begrip openbare plaats in de zin van de Wet openbare manifestaties (WOM) zie de toelichting bij artikel 2:2 ten aanzien van betogingen. De voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat - onder uiteenlopende formuleringen - voorkomt in verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en in de algemene plaatselijke verordeningen. De volgorde is die van eng naar ruim: ‘openbare wegen’ zijn ook ‘wegen die voor het openbaar verkeer open staan’, maar niet alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen zijn openbaar. Tot de ‘voor het publiek toegankelijke plaatsen’ kunnen de ‘openbare wegen’ en de overige ‘voor het openbaar verkeer openstaande wegen’ gerekend worden, maar het begrip is daarmee niet uitgeput. De wegenverkeerswetgeving heeft slechts betrekking op de wegen. De bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever strekt zich echter óók uit tot andere voor het publiek toegankelijke plaatsen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 1930, NJ 1931, p.

120, volgt dat niet het juridisch karakter van een plaats, maar het feitelijk karakter doorslaggevend is voor de vraag of de gemeenteraad nadere regels mag stellen in het belang van de openbare orde. Uit het arrest van de Hoge Raad van 28 april 1967, VR 1967, 110 (APV Eindhoven), wordt duidelijk dat onder ‘voor het publiek toegankelijke plaatsen‘ moet worden verstaan alle openbare én niet openbare plaatsen welke in feite voor het publiek toegankelijk zijn. Dat de toegang tot bedoelde plaatsen mogelijk aan beperkingen onderhevig is bijvoorbeeld door de betaling van entreegeld - doet daaraan in beginsel niet af (HR 25-02-1958, NJ 1958, 298, https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

37/113

14-01-2026, 17:25

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

No 15 oktober 1996, AB 1997, 20). De conclusie die kan worden getrokken is deze, dat de gemeentelijke wetgever bevoegd is ten aanzien van alle feitelijk voor het publiek toegankelijke plaatsen regels vast te stellen zulks ongeacht de eigendomssituatie met betrekking tot deze plaatsen - voorzover dat nodig is in het belang van de gemeentelijke huishouding. Uiteraard mogen deze regels de rechten van de eigenaars niet illusoir maken en moeten de grenzen gelegen in hogere wetgeving (onder andere wegenverkeerswetgeving en Wegenwet) in acht worden genomen. Parkeren Parkeren is gedefinieerd als parkeren als bedoeld in artikel 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). Dit artikel verstaat onder parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. De gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die door deze bepalingen niet worden bestreken.

Evenmin zullen deze bepalingen van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen sprake van parkeren. Anders dan het RVV 1990 richten bepalingen van de APV zich ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de eigenaar, huurder, opdrachtgever e.a.) zodat de zinsnede “het laten stilstaan” een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving van de (parkeer)verboden. Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. Voertuig Om te voorkomen dat over de inhoud van het begrip “voertuig” onzekerheid zal bestaan, is een definitie van dit begrip opgenomen. Tot uitgangspunt is genomen de definitie van “voertuigen” die in artikel 1, onder al, van het RVV 1990 wordt gegeven. Voertuigen in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Voor kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen en dergelijke is een uitzondering gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen.

Weg De meeste van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. In artikel 1:1 is de “weg” omschreven als weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Bij die artikelen waarvan het duidelijk de bedoeling is dat er zaken worden geregeld die zich niet alleen op of aan de weg afspelen, is gekozen voor de toevoeging “of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats”. In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”: a.

de “(openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna);

b.

de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen.

ad a Voor het vaststellen van de eventuele openbaarheid van een weg geeft artikel 4 Wegenwet een aantal criteria. Een weg is openbaar: a.

wanneer hij, na het tijdstip van 30 jaar voor de inwerkingtreding van deze wet (1 oktober 1932), gedurende een termijn van 30 achtereenvolgende jaren voor eenieder toegankelijk is geweest;

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#hoofdstuk_1

38/113

14-01-2026, 17:25

Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 | Lokale wet- en regelgeving

b.

wanneer hij, na het tijdstip van 10 jaren voor de inwerkingtreding van deze wet, gedurende 10 achtereenvolgende jaren voor eenieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende die tijd de weg in onderhoud is geweest bij rijk, provincie, gemeente of waterschap;

c.

wanneer de rechthebbende op een weg, met medewerking van de gemeenteraad, daaraan de bestemming van openbare weg heeft gegeven.

Als gedurende een termijn van een jaar duidelijk is aangegeven, dat de weg slechts op dringend verzoek voor eenieder toegankelijk is (bijvoorbeeld door het plaatsen van een bord ‘eigen weg’) en deze termijn in de onder a en b bedoelde termijnen van 30 respectievelijk 10 jaar valt, wordt de daar bedoelde ‘verjaring’, waardoor een weg het karakter van openbare weg verkrijgen kan, gestuit. Het hangt in hoofdzaak af van de feitelijke omstandigheden gedurende een reeks van jaren, of een bepaalde weg of een bepaald pad het karakter van openbare weg heeft gekregen. Van geval tot geval zal dus door de gemeente dienen te worden nagegaan of zich ten aanzien van een weg een van de in het vorengenoemde artikel 4 Wegenwet vermelde gevallen voordoet. De wegenlegger zal hierover wat betreft de wegen buiten de bebouwde kom ook uitsluiting kunnen en moeten geven, doch ook zonder vermelding in de wegenlegger kan een weg openbaar zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=2a49f8ee-986b-4dfa-b55c-3387479bf3ad