Bijlage 27 2022-12-12, 214555_v2, AVIV, onderzoek externe veiligheid ontwikkeling bedrijfshallen
Tekst van het document
Adviesgroep AVIV BV Piet Heinstraat 12 7511 JE Enschede
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Project Datum
214555 12 december 2022
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Project
214555
Datum
12 december 2022
Auteur Review
A.J.H. Schulenberg M.H. Ottink
Versie nr.
2
Opdrachtgever
White House Development Schouwburglaan 16 2806 AV Gouda
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Inhoudsopgave 1 Inleiding ______________________________________________________ 4 2 Normstelling externe veiligheid ___________________________________ 5 2.1 Risicobenadering ____________________________________________ 5 2.2 Besluit externe veiligheid buisleidingen ___________________________ 5 2.3 Besluit externe veiligheid inrichtingen ____________________________ 8 2.4 Besluit externe veiligheid transportroutes _________________________ 8 3 Uitgangspunten risicoberekening ________________________________ 12 3.1 Ligging plangebied en risicobronnen ____________________________ 12 3.2 Hogedruk aardgasleiding _____________________________________ 12 3.3 LPG-tankstation ____________________________________________ 13 3.4 Bevoorradingsroute _________________________________________ 14 3.5 Bebouwing ________________________________________________ 15 4 Resultaten hogedruk aardgasleiding _____________________________ 16 4.1 Plaatsgebonden risico _______________________________________ 16 4.2 Groepsrisico_______________________________________________ 16 4.3 Belemmeringenstrook _______________________________________ 18 5 Resultaten LPG-tankstation _____________________________________ 19 5.1 Plaatsgebonden risico _______________________________________ 19 5.2 Groepsrisico_______________________________________________ 20 5.3 Effectafstanden
____________________________________________ 20 6 Resultaten bevoorradingsroute __________________________________ 22 6.1 Plaatsgebonden risico _______________________________________ 22 6.2 Groepsrisico_______________________________________________ 22 7 Conclusies ___________________________________________________ 24 7.1 Hogedruk aardgasleiding _____________________________________ 24 7.2 LPG-tankstation ____________________________________________ 24 7.3 Bevoorradingsroute _________________________________________ 24 Referenties _____________________________________________________ 26 Bijlage 1. Gegevens bebouwing ____________________________________ 28 Bijlage 2. Uitgangspunten LPG-tankstation __________________________ 32 Bijlage 3. Lijst kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten _______________ 36 Bijlage 4. Resultaten zonder maatregelen ____________________________ 37 Bijlage 5. Carola-rapportage _______________________________________ 39
3
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
1 Inleiding Men is voornemens om aan de Stavorenweg 4 en 6 in Gouda de bestaande kantoorgebouwen te slopen en daarvoor in de plaats één gebouw te realiseren bestaande uit 2 bedrijfshallen die vanaf de eerste verdieping met elkaar verbonden zijn middels een glazen oversteek. De locatie ligt binnen het invloedsgebied van een hogedruk aardgasleiding en binnen het invloedsgebied van het gezamenlijke LPG-vulpunt en -reservoir van twee LPG-tankstations aan de Goudse Poort 1 en Goudse Poort 2. Daarnaast ligt de locatie binnen 200 m van de bevoorradingsroute van de LPG-tankstations aan de Goudse Poort. Voor een goede ruimtelijke onderbouwing is inzicht in de externe veiligheidsrisico’s nodig. In deze rapportage worden de resultaten van de risicoberekeningen gepresenteerd.
4
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
2 Normstelling externe veiligheid 2.1
Risicobenadering Het risico voor personen die verblijven in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen wordt gevat onder het begrip externe veiligheid (EV). De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau voor dergelijke activiteiten in relatie tot de omgeving aan te geven. Deze begrippen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de activiteit en kwetsbare functies in de omgeving. Of een functie kwetsbaar of beperkt kwetsbaar is, is te vinden in het Besluit externe veiligheid Inrichtingen (Bevi) [1]. Voorbeelden van kwetsbare objecten zijn woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoorgebouwen. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder andere verspreid liggende woningen, sporthallen en bedrijfsgebouwen. De volledige Bevi-lijst is opgenomen in bijlage 3 van dit rapport. Met het GR wordt geëvalueerd of als gevolg van een ongeval een groot aantal slachtoffers kan vallen, doordat een grote groep personen blootgesteld wordt.
2.2
Besluit externe veiligheid buisleidingen Sinds 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht [2]. Hieronder is kort de toetsing aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico en de oriëntatiewaarde van het groepsrisico geschetst.
2.2.1
Plaatsgebonden risico In het kader van de risicobenadering moet de vraag worden beantwoord of er sprake is van een relatief hoog risico. Afhankelijk van de kenmerken van de buisleiding en de specifieke gevaren voor de omgeving, kan een zekere scheiding tussen buisleidingen en werk- en woongebieden gewenst zijn. Bij deze vraagstelling worden de risiconormen gehanteerd, die door de rijksoverheid zijn vastgesteld. Voor nieuwe buisleidingen is in het Bevb de eis opgenomen dat deze zodanig aangelegd moeten worden conform de best beschikbare technieken dat de PR 10-6 contour zo veel mogelijk binnen de belemmeringenstrook komt te liggen. Deze plicht rust op de exploitant van de leiding. Deze eis geldt ook als een bestaande leiding wordt vervangen. Zo wordt deze strenge norm voor het plaatsgebonden risico van toepassing op nieuwe situaties. Het ontstaan van nieuwe knelpunten wordt daarmee voorkomen en het ruimtebeslag van nieuwe buisleidingen wordt beperkt tot de belemmeringenstrook.
5
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is ook van toepassing op bestaande buisleidingen. Dit levert in bepaalde gevallen bij bestaande bebouwing 1 binnen de risicocontour van de buisleiding een knelpunt op. Daar waar kwetsbare objecten zoals woningen en scholen binnen de risicocontour PR 10-6 liggen, gaat een wettelijke saneringsplicht gelden. De leidingexploitant is hierop aanspreekbaar en neemt binnen een overgangstermijn zodanige saneringsmaatregelen dat er sprake is van een acceptabele situatie. Voor de initiatiefnemer van het ruimtelijk plan geldt dat er geen nieuwe kwetsbare bestemmingen gerealiseerd mogen worden binnen de 10-6 contour van het plaatsgebonden risico indien aanwezig, en dat deze contour een richtwaarde is voor beperkt kwetsbare bestemmingen. Binnen de belemmeringenstrook mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden gerealiseerd. De belemmeringenstrook en de buisleidingen moeten in het bestemmingsplan worden aangegeven. Het Bevb verwijst voor de (niet limitatieve) lijst van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten naar het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
2.2.2
Groepsrisico Bij het beoordelen van het GR wordt het (lokale) bevoegd gezag de mogelijkheid geboden om gemotiveerd van de oriëntatiewaarde voor het GR af te wijken. Er moet sprake zijn van een openbare en goed inzichtelijke belangenafweging, waarin moet zijn aangegeven waarom in het specifieke geval daarvan is afgeweken. De beslissing om van de oriëntatiewaarde af te wijken is vatbaar voor beroep. Het GR wordt voor het gehele relevante gebied berekend. Door middel van bron- of ruimtelijke maatregelen kan mogelijk dat risico worden gereduceerd. Daar waar het gaat om het stellen van randvoorwaarden in de ruimtelijke ordening wordt het afwegingsgebied echter gemaximaliseerd tot de grens waarbinnen nog 1% van de aanwezige personen overlijdt (1%-letaliteitszone). Het GR geeft voor dit gebied aan welke bebouwingsdichtheid nog acceptabel is, gelet op de voorgestelde oriëntatiewaarde. In het aangegeven gebied is bebouwing dus wel toegestaan maar is de dichtheid van bebouwing soms gelimiteerd. Bij de toetsing moet worden bezien of de kans per kilometer buisleiding op een bepaald aantal slachtoffers groter is dan de oriëntatiewaarde. De oriëntatiewaarde geldt voor zowel bestaande als nieuwe situaties. De regeling over het groepsrisico in het Bevb vertoont duidelijk overeenkomst met de regelingen in het Bevi.
Het uitgangspunt is dat er een verplichting geldt om het groepsrisico mee te wegen en te verantwoorden bij de vaststelling van een bestemmingsplan, inpassingsplan of omgevingsvergunning (projectbesluit) dat betrekking heeft op het invloedsgebied van een geprojecteerde of bestaande buisleiding. De toetsing aan de oriëntatiewaarde vindt op dezelfde manier plaats als hierboven geschetst. De verantwoording 1
Onder bestaande bebouwing wordt verstaan fysiek aanwezige bebouwing en geprojecteerde bebouwing die is toegestaan op basis van een vastgesteld bestemmingsplan of vrijstellingsbesluit
6
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
van het groepsrisico is op onderdelen iets anders geformuleerd en kent in bepaalde gevallen een vereenvoudiging. Verantwoording groepsrisico Bij de vaststelling van een bestemmingsplan (gelegen binnen de 100%-letaliteitszone van de leiding), op grond waarvan de aanleg van een buisleiding, of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object wordt toegelaten, wordt tevens het groepsrisico in het invloedsgebied van de buisleiding verantwoord. In de toelichting van dit besluit wordt dan vermeld: a. de aanwezige en de op grond van het besluit te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken; b. het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de lijn die de kans weergeeft op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 104 per jaar en de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar; c. indien mogelijk, de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die worden toegepast door de exploitant van de buisleiding die dat risico mede veroorzaakt; d.
andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan; e. de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst; f. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval als bedoeld in art. 1 van de Wet rampen en zware ongevallen. g. de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. Voorafgaand aan de vaststelling van een besluit als bedoeld in het eerste lid stelt het voor dat besluit bevoegde gezag het bestuur van de regionale brandweer in wiens regio het gebied ligt waarop dat besluit betrekking heeft, in de gelegenheid advies uit te brengen in verband met het groepsrisico en de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval alsmede hulpverlening en zelfredzaamheid.
Beperkte verantwoording Het Bevb introduceert een nieuwe onderverdeling van situaties waarin een ‘volledige’ verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording (art. 12, lid 3):
7
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
1. Indien het ruimtelijk besluit betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding (in geval van toxische stoffen tussen de 1% letaliteitszone en de afstand waarop het plaatsgebonden risico gelijk is aan 10 -8). 2. a. als het groepsrisico onder 0.1 keer de oriëntatiewaarde blijft; b. als het groepsrisico minder dan 10% toeneemt. In een beperkte verantwoording van het groepsrisico hoeven slechts vier zaken aan de orde te komen, namelijk: a. De personendichtheid in het invloedsgebied van de buisleidingen. b. De hoogte van het groepsrisico. c. De bestrijdbaarheid. d. De zelfredzaamheid. Een nadere beschouwing van risico reducerende maatregelen en ruimtelijke alternatieven met een lager groepsrisico is in dat geval niet nodig.
2.3
Besluit externe veiligheid inrichtingen De normstelling voor bepaalde bedrijven met opslag van gevaarlijke stoffen is opgenomen in de Regeling externe veiligheid inrichtingen, afgekort tot Revi [4]. Het Revi is een ministeriële regeling die valt onder het Bevi [1].
2.3.1
Plaatsgebonden risico De normstelling voor het plaatsgebonden risico gaat voor nieuwe situaties uit van een grenswaarde van 1.0 10-6 /jr voor kwetsbare objecten, dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarden. Voor beperkt kwetsbare objecten is dit een richtwaarde, dit betekent dat om gewichtige redenen daarvan mag worden afgeweken.
2.3.2
Groepsrisico Voor het groepsrisico is in het Bevi een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht voorgeschreven. De oriëntatiewaarde is gelijk aan 10 -3 / N2, dat wil zeggen een frequentie van 10-5 /jr voor 10 slachtoffers, 10-7 /jr voor 100 slachtoffers, etc. en is gedefinieerd voor 10 of meer slachtoffers. Tevens is in het Revi aangegeven dat binnen het invloedsgebied veranderingen in de omgeving dienen te worden beschouwd bij het vaststellen van de grootte van het groepsrisico en bij de verantwoording conform artikel 13 van het Bevi.
2.4
Besluit externe veiligheid transportroutes Het transport van gevaarlijke stoffen brengt risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke stoffen kunnen vrijkomen. Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater is een risiconormering vastgesteld. In het Besluit
8
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn de regels opgenomen voor de ruimtelijke ordening [16]. Voor infrabesluiten zijn de regels vastgelegd in de Beleidsregels EVbeoordeling Tracébesluiten (de Beleidsregels) [17]. Op 1 april 2015 is het Basisnet volledig in werking getreden. Het basisnet bestaat uit een aangewezen aantal routes (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarop het mogelijk moet zijn en blijven om gevaarlijke stoffen te vervoeren. Het doel van het Basisnet is het vastleggen en waarborgen van een duurzame balans tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, de ruimtelijke omgeving en de veiligheid van mensen die wonen en werken langs de route. Het Basisnet stelt grenzen aan het risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, vaarwegen en spoorlijnen alsmede aan ruimtelijke ontwikkelingen langs die wegen, vaarwegen en spoorlijnen. Voor elke weg, spoorlijn en vaarweg die deel uitmaakt van het Basisnet, is vastgesteld hoeveel risico het vervoer van gevaarlijke stoffen over die weg, spoorlijn of vaarweg maximaal mag veroorzaken. De basisnetroutes en deze zogenoemde “risicoplafonds” zijn vastgelegd in de Regeling Basisnet [18].
2.4.1
Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route. Plaatsen met een gelijk risico kunnen door zogenaamde risicocontouren op een kaart worden weergegeven. Het PR leent zich daarmee goed voor het vaststellen van een veiligheidszone tussen een route en kwetsbare bestemmingen zoals woonwijken. In tabel 1 wordt weergegeven welke normen voor het plaatsgebonden risico van toepassing zijn.
Type object
Omgevingsbesluit
Kwetsbare objecten
Grenswaarde PR 10-6
Beperkt kwetsbare objecten
Richtwaarde PR 10-6
Tabel 1.
Normen plaatsgebonden risico
De grenswaarde moet te allen tijde in acht worden genomen, het bevoegd gezag mag niet van de grenswaarde afwijken. Voor de richtwaarde geldt dat uitsluitend in geval van zwaarwegende belangen (zoals economische) daarvan mag worden afgeweken. Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes dienen de afstanden rechtstreeks getoetst te worden aan de risicoplafonds zoals die zijn vastgesteld in de Regeling Basisnet [18]. Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van andere dan de basisnetroutes dienen de afstanden getoetst te worden aan de berekende 10-6 contour van het plaatsgebonden risico. In veel gevallen is een risicoberekening niet nodig en kan worden volstaan met het toepassen van de vuistregels uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart) [19].
9
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
2.4.2
Groepsrisico Indien een plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, wordt in de toelichting bij het bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning in elk geval ingegaan op:
De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die transportroute, en Voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die transportroute een ramp voordoet.
Als het groepsrisico door een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een transportroute meer dan 10% toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie en groter is dan 10% van de oriëntatiewaarde dient het groepsrisico te worden verantwoord. Dit wordt ook wel aangeduid als de verantwoordingsplicht groepsrisico. In de motivering bij het betrokken besluit moeten ten minste de volgende gegevens worden opgenomen:
1°. de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan of besluit wordt vastgesteld, rekening houdend met de in dat gebied reeds aanwezige personen en de personen die in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan of de geldende bestemmingsplannen of een omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten zijn, en 2°. de als gevolg van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft; het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan of de vergunning wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan of besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde; de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan of de vergunning zijn overwogen en de in dat plan of die vergunning opgenomen maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte, en de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de vooren nadelen daarvan.
Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde activiteit, kortom de kans op een ramp. Het aantal personen dat in de omgeving van de route verblijft, bepaalt mede de hoogte van het GR. Het GR wordt weergegeven in een zogenaamde fN-curve, op de verticale as staat de cumulatieve kans per jaar f op een ongeval met N of meer slachtoffers en op de horizontale as het aantal slachtoffers. Figuur 1 geeft een voorbeeld.
10
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Oriëntatiewaarde
Figuur 1.
Voorbeeld groepsrisico transportroute
Het groepsrisico wordt bepaald per kilometer route en vergeleken met de oriëntatiewaarde. Deze waarde helpt het bevoegd gezag bij de afweging of de kans op een ramp opweegt tegen het maatschappelijk voordeel van het voorgenomen besluit. Het begrip oriëntatiewaarde houdt in dat het bevoegd gezag gemotiveerd kan besluiten een hogere kans op een ramp te accepteren.
11
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
3 Uitgangspunten risicoberekening 3.1
Ligging plangebied en risicobronnen
Figuur 2 toont de ligging van het plangebied ten opzichte van de risicobronnen. De wijze waarop deze risicobronnen worden behandeld en de daarbij gehanteerde uitgangspunten worden in dit hoofdstuk beschreven.
LPG-vulpunt
LPG-reservoir
Figuur 2.
3.2
Plangebied en risicobronnen
Hogedruk aardgasleiding Het risico door de hogedruk aardgasleidingen wordt berekend met Carola versie 1.0.0.52 parameterbestand 1.3 [8]. De berekening wordt uitgevoerd met de volgende gegevens: Het interessegebied. Leidingdatabestanden van de leidingeigenaren, in dit geval de Nederlandse Gasunie Het aantal personen dat langs de leiding blootgesteld wordt aan de gevolgen van een ongeval met de leiding.
12
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
3.2.1
Interessegebied Het interessegebied is het gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling langs een buisleiding geprojecteerd is of waar een aanpassing van een bestaande of een nieuwe buisleiding gepland is [2]. Met behulp van het interessegebied selecteert de leidingeigenaar de relevante gegevens die benodigd zijn voor de berekening.
3.2.2
Leidingdatabestand Het leidingdatabestand bevat alle buisleidingdelen, met de bijbehorende leidingspecifieke parameters, die zich binnen een afstand van ten minste 1 km + 2 maal de maximale effectafstand van het interessegebied bevinden. Enkele kenmerken van de voor het plangebied relevante aardgasleiding worden getoond in tabel 2.
Beheerder
Leidingnr.
Diameter [inch]
Druk [bar]
Afstand 100% letaliteit [m]
Afstand 1% letaliteit [m]
Gasunie
W-501-01
12
40
70
140
Tabel 2.
3.3
Kenmerken hogedruk aardgasleiding
LPG-tankstation Voor een LPG-tankstation wordt het extern veiligheidsrisico bepaald door ongevalscenario’s van de opslagtank en de tankauto aanwezig tijdens de bevoorrading. Andere ongevalscenario’s, bijvoorbeeld het falen van de vloeistofleiding tussen het vulpunt en de tank of tussen de tank en de afleverzuil, leveren een te verwaarlozen bijdrage aan het groepsrisico. De berekening van het risico wordt uitgevoerd volgens de voorschriften opgenomen in de Handleiding risicoberekeningen Bevi [15], het stappenplan groepsrisico [9] en een specifiek berekeningsvoorschrift [10]. Het stappenplan en het specifieke berekeningsvoorschrift houden rekening met de invloed van de omgeving op de BLEVE-frequentie van de lossende tankauto. Een uitgebreidere toelichting op de uitgangspunten is opgenomen in bijlage 2. De berekening van het groepsrisico wordt uitgevoerd voor een doorzet van 1500 m3/jr [24]. Nieuwe berekeningen voor afstanden In de berekeningen wordt conform het stappenplan van het RIVM standaard rekening gehouden met twee veiligheidsmaatregelen voor de tankauto’s die LPG vervoeren: een hittewerende coating en een verbeterde vulslang [9]. De coating is een laag die de tank van de tankauto beschermt tegen brand. De verbeterde vulslang breekt minder snel als het LPG uit de tankauto wordt gepompt.
De kans op een ongeluk is dus kleiner als een tankauto is voorzien van één of beide veiligheidsmaatregelen. De afstanden zoals opgenomen in de Revi zijn gebaseerd op berekeningen waarin deze twee veiligheidsmaatregelen zijn verdisconteerd.
13
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Uit een recente uitspraak van het Europese Hof van Justitie blijkt dat het opleggen van strengere constructievoorschriften (i.c. een hittewerende coating) ten opzichte van de ADRconstructievoorschriften (al dan niet) via de omgevingsvergunning in strijd is met Europese regelgeving [21]. Naar aanleiding hiervan zijn door het RIVM recentelijk risicoberekeningen uitgevoerd waarbij deze maatregelen niet worden meegenomen [22]. Hoewel de meeste Nederlandse tankauto’s naar verwachting voorzien van de coating en verbeterde vulslang, raadt het RIVM het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) aan om de nieuwe berekeningen te gebruiken. In bijlage 4 worden de resultaten getoond zonder de twee maatregelen. Let wel, de in hoofdstuk 5.1 genoemde afstanden zijn de wettelijk voorgeschreven afstanden.
3.4
Bevoorradingsroute Het plangebied ligt op ca. 20 m ten westen van de Goudse Poort waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt ten behoeve van de bevoorrading van het LPG-tankstation aan de Goudse Poort. Aannemelijk is dat alleen transport van LPG, benzine en diesel plaatsvindt. Het risico van het transport over weg wordt berekend met het risicoberekeningsprogramma RBM II, versie 2.3 [14]. De berekening wordt uitgevoerd conform de Handleiding risicoanalyse transport [19]. Voor de berekening zijn de volgende gegevens nodig: De transportintensiteit gevaarlijke stoffen. Trajecteigenschappen zoals de uitstromingsfrequentie, de kans per voertuigkilometer dat een tankauto met gevaarlijke stoffen betrokken raakt bij een ongeval zodanig dat er uitstroming van de stof optreedt. Het aantal personen dat langs de route blootgesteld wordt aan de gevolgen van een ongeval. De bevolkingsdichtheden worden aangegeven in vlakken met een uniforme dichtheid per vlak. Per vlak kan het veronderstelde aantal personen in de dag- en de nachtsituatie opgegeven worden. De meteorologische gegevens: hiervoor is weerstation Schiphol gebruikt.
3.4.1
Transportintensiteit Het aantal transporten over de bevoorradingsroute, de Goudse Poort, is gebaseerd op de vergunde jaardoorzet van het LPG-tankstation. Uit de Signaleringskaart EV blijkt dat het tankstation een vergunde jaardoorzet heeft van groter dan 1000 m 3 LPG per jaar. In de berekeningen wordt uitgegaan van 1500 m 3 LPG per jaar. Voor een dergelijke omzet wordt standaard uitgegaan van 105 lossingen per jaar. Gelet op de inrichting van de Goudse Poort is bevoorrading alleen vanuit noordelijke richting mogelijk. Aangenomen wordt dat de tankauto na lossing via de Goudse Poort en Nieuwe Gouwe O.Z. terugkeert naar de A12.
14
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
3.4.2
Trajecteigenschappen In de berekeningen is uitgegaan van de standaard ongevalsfrequentie van 5.9 10 -7 /vtgkm en de standaard wegbreedte van 8 m voor een weg binnen de bebouwde kom. Omdat het gaat om de bevoorrading van een LPG-tankstation zonder venstertijden wordt aangenomen dat 44% van het transport overdag plaatsvindt tussen 8:00 en 18:30 uur gelijkelijk verdeeld over alle dagen van de week.
3.5
Bebouwing De bebouwing en de hiermee gepaard gaande aanwezigheid van personen binnen het invloedsgebied van de aardgasleiding, rond het LPG-vulpunt en -reservoir van het LPGtankstation en de bevoorradingsroute is opgevraagd via de BAG-Populatieservice [6]. De gehanteerde uitgangspunten en modellering van de omgeving worden in meer detail beschreven in bijlage 1.
15
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
4 Resultaten hogedruk aardgasleiding 4.1
Plaatsgebonden risico Figuur 3 toont de plaatsgebonden risicocontouren PR10-7 en PR10-8 rond hogedruk aardgasleiding W-501-01. De berekeningen hebben niet geleid tot een PR 10-6-contour. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Figuur 3.
4.2
PR-contouren aardgasleiding
Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is berekend voor de huidige en toekomstige situatie. Tabel 3 toont het groepsrisico als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde van de hoogstscorende kilometer. Deze kilometer wordt getoond in figuur 4. Er is aangegeven hoeveel de berekende frequentie op een bepaald aantal slachtoffers maximaal afwijkt van de oriëntatiewaarde. Een factor 0.025 betekent bijvoorbeeld dat het groepsrisico 40 keer kleiner is dan de oriëntatiewaarde.
16
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Situatie
Factor t.o.v. OW
Huidig
0.025
Toekomstig
0.025
Tabel 3.
Groepsrisico aardgasleiding als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde (OW)
Het groepsrisico is kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde en neemt niet toe door de voorgenomen ontwikkeling. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De onderdelen waaruit deze verantwoording dient te bestaan, worden beschreven in paragraaf 2.3.
Figuur 4.
Hoogstscorende km aardgasleiding
Figuur 5 toont de groepsrisicocurves van de kilometer buisleiding met het hoogste groepsrisico in de huidige en toekomstige situatie.
17
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Figuur 5.
Groepsrisico aardgasleiding huidige (links) en toekomstige (rechts) situatie
In bijlage 5 is het door Carola automatisch gegenereerde rapport voor de toekomstige situatie opgenomen met daarin de gedetailleerde uitkomsten van de berekeningen.
4.3
Belemmeringenstrook De belemmeringenstrook dient ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. Binnen deze strook mogen geen nieuwe bouwwerken opgericht worden. Voor leidingen met een druk van maximaal 40 bar, zoals in dit geval, geldt een belemmeringenstrook van ten minste 4 m aan weerszijden van de buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding [3]. De kortste afstand van het plangebied tot het hart van de leiding is meer dan 20 m. De belemmeringenstrook legt geen beperkingen op aan het planvoornemen.
18
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
5 Resultaten LPG-tankstation 5.1
Plaatsgebonden risico De normstelling voor LPG-tankstations is opgenomen in de Regeling externe veiligheid inrichtingen, afgekort tot Revi [4]. Het Revi is een ministeriële regeling die valt onder het Bevi [1]. De normstelling voor het plaatsgebonden risico gaat voor nieuwe situaties uit van een grenswaarde van 1.0 10-6 /jr voor kwetsbare objecten, dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarden. Voor beperkt kwetsbare objecten is dit een richtwaarde, dit betekent dat om gewichtige redenen daarvan mag worden afgeweken. Voor LPGtankstations met een ondergrondse opslagtank en een doorzet groter dan 1000 m3 per jaar, gelden de volgende afstanden tot grens- en richtwaarden: 40 m vanaf het LPG-vulpunt 25 m tot de ondergrondse LPG-opslagtank; 15 m tot de LPG-afleverzuil. Figuur 6 toont de plaatsgebonden risicocontouren 10-6. Uit de figuur blijkt dat het plangebied niet binnen één van de contouren ligt.
Figuur 6.
Plaatsgebonden risico 10-6 rond LPG-installaties
19
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
5.2
Groepsrisico Figuur 7 toont de groepsrisicocurven van de huidige en toekomstige situatie. Tabel 4 toont het groepsrisico als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde.
Figuur 7.
Groepsrisico LPG-tankstation huidige en toekomstige situatie
Situatie
Factor t.o.v. OW
Huidig
0.90
Toekomstig
0.66
Tabel 4.
Groepsrisico LPG-tankstation als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde (OW)
Het groepsrisico in de huidige situatie is kleiner dan de oriëntatiewaarde. De voorgenomen ontwikkeling leidt tot minder personen ter plaatse waardoor het groepsrisico in de toekomstige afneemt. Het groepsrisico wordt vrijwel volledig bepaald door de aanwezigheid van de ondergrondse opslagtank.
5.3
Effectafstanden Bij de verantwoording van het risico moet ook rekening worden gehouden met de zogeheten effectbenadering [11]. Voor (beperkt) kwetsbare objecten geldt dat als deze binnen de 60 m effectafstand komen te liggen, deze situatie gemotiveerd dient te worden [12]. Hetzelfde geldt voor zeer kwetsbare objecten binnen de 160 m effectafstand. Beide afstanden worden gemeten vanaf het vulpunt. De afstanden gelden alleen bij besluiten waarbij het risico toeneemt. Bij bijvoorbeeld conserverende bestemmingsplannen gelden deze afstanden niet.
20
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Het plan behelst de realisatie van twee bedrijfshallen. Deze kunnen worden aangemerkt als (beperkt) kwetsbaar objecten. Uit figuur 8 blijkt dat het plangebied buiten de 60 m effectafstand ligt. Een nadere motivering kan daarom achterwege blijven.
Figuur 8.
Effectafstanden rond LPG-vulpunt
Omgevingswet In de nieuwe omgevingswet wordt niet langer gesproken over de 60 m en 160 m effectafstand maar over het brandaandachtsgebied respectievelijk explosieaandachtsgebied (bijlage VIIA1a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) [23]). Het plangebied bevindt zich binnen het explosieaandachtsgebied.
21
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
6 Resultaten bevoorradingsroute 6.1
Plaatsgebonden risico Voor de vaststelling van het plaatsgebonden risico is gebruik gemaakt van de vuistregels zoals opgenomen in bijlage 1.2.4.1 van de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart) voor wegtype ‘weg binnen de bebouwde kom (50 km/uur)’ [19]. Vuistregel 2: Een weg binnen de bebouwde kom heeft geen 10-6-contour. Hieruit volgt dat er geen sprake van een PR 10-6-contour. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering.
6.2
Groepsrisico Tabel 5 toont de hoogte van het groepsrisico als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Er is aangegeven hoeveel de berekende frequentie op een bepaald aantal slachtoffers maximaal afwijkt van de oriëntatiewaarde. Een factor van 0.031 betekent dat het groepsrisico meer dan 30 keer kleiner is dan de oriëntatiewaarde. Figuur 9 toont de groepsrisicocurven van de huidige en toekomstige situatie.
Situatie
Factor t.o.v. OW
Huidig
0.031
Toekomstig
0.028
Tabel 5.
Groepsrisico bevoorradingsroute als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde (OW)
Uit tabel 5 blijkt dat het groepsrisico kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde en afneemt door de voorgenomen ontwikkeling. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Conform art. 7 van het Bevt kan volstaan worden met het ingaan op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid [16]. Figuur 10 vat het berekeningsresultaat op een andere wijze samen. Het gedeelte van het traject dat het kilometervak met het maximale groepsrisico omvat, is weergegeven met een lichtblauwe kleur. Geel gemarkeerd is het ongevalspunt dat de grootste bijdrage levert aan het groepsrisico. Dit punt ligt ca. 300 m ten zuiden van het plangebied.
22
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Figuur 9.
Groepsrisico bevoorradingsroute Oriëntatiewaarde Huidig Toekomstig
Figuur 10.
Geografische weergave van het toekomstige groepsrisico van de Europaweg Deel van het traject dat het kilometervak met het hoogste groepsrisico omvat Ongevalspunt met de grootste bijdrage aan het groepsrisico van dit kilometervak Deel van het traject met een groepsrisico kleiner dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde Plangebied
23
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
7 Conclusies 7.1
Hogedruk aardgasleiding Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Groepsrisico Het groepsrisico is kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde en neemt niet toe door de voorgenomen ontwikkeling. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De onderdelen waaruit deze verantwoording dient te bestaan, worden beschreven in paragraaf 2.3. Belemmeringenstrook De toekomstige bebouwing ligt buiten de belemmeringenstrook.
7.2
LPG-tankstation Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plan. Groepsrisico De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt niet overschreden. Door de voorgenomen ontwikkeling neemt het groepsrisico af. Een verantwoording van het groepsrisico is vereist en het bestuur van de veiligheidsregio dient in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting. Effectbenadering Vanuit de effectbenadering kan een nadere motivatie voor het realiseren van de bedrijfshallen binnen de 160 m effectafstand, maar buiten de 60 m effectafstand, achterwege blijven.
7.3
Bevoorradingsroute Plaatsgebonden risico Er is geen sprake van een PR 10-6-contour. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
24
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Groepsrisico Het groepsrisico is kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde en neemt af door de voorgenomen ontwikkeling. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet.
25
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Referenties 1.
Ministerie VROM
2004
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Stb. 2004, 250
2.
Ministerie VROM
2010
Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) Stb. 2010, 686.
3.
Ministerie I&M
2014
Regeling externe veiligheid Buisleidingen (Revb) Stb. 2014, 16955
4.
VROM
2004
Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) Stcrt 2004, 183
5.
RWS
2018
Jaarintensiteiten VGS op de weg. Lijst wegvakken data tellingen & basisnet (2019 06).
6.
IOV
2019
BAG-Populatieservice. Versie juli 2021. http://populatieservice.demis.nl/
7.
Geonovum
2019
www.ruimtelijkeplannen.nl
8.
RIVM
2013
Carola versie 1.0.0.52
9.
RIVM
2008
Stappenplan groepsrisicoberekening LPG-tankstations (versie 12 augustus 2008)
10.
RIVM
2008
QRA berekening LPG-tankstations (versie 1.1, 29 mei 2008)
11.
RWS/ Infomil
2016
Effectbenadering besluitvorming rondom LPG-tankstations (versie 1 juli 2016)
12.
Ministerie I&M
2016
Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPGtankstations voor besluiten met gevolgen effecten ongeval. Stcrt. 2016, 31453
13.
IOV
2018
Handleiding populatieservice, versie 1.0, juli 2018
14.
Ministerie I&M
2014
RBM II versie 2.3
15.
RIVM
2021
Handleiding risicoberekeningen Bevi (versie 4.3 gedateerd 1 januari 2021)
26
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
16.
Ministerie I&M
2014
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Stb. 2013, 465
17.
Ministerie I&M
2015
Beleidsregels EV-beoordeling Tracébesluiten Stct. 2014, 25839
18.
Ministerie I&M
2014
Regeling Basisnet Stct. 2014, 8242
19.
Ministerie I&M
2017
Handleiding risicoanalyse transport (Hart), versie 1.2
20.
Mees Ruimte & Milieu
2022
E-mail correspondentie d.d. 23 augustus 2022
21.
Ministerie BZK
2018
Besluit bouwwerken leefomgeving Stb. 2018, 291
22.
RIVM
2021
Effect van risicoreducerende maatregelen op het plaatsgebonden risico van LPG-tankstations Briefrapport 2021-0184M
23.
Ministerie BZK
2014
Besluit kwaliteit leefomgeving Stb. 2018, 292
24.
ISMH
2009
Ambtshalve wijziging vergunning WM Nr. 200812763, 17 maart 2009
25.
ISMH
2012
Ambtshalve wijziging vergunning Wabo Nr. 201133642, 16 april 2012
27
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Bijlage 1. Gegevens bebouwing 1.1 Plangebied Huidig Volgens de BAG-populatieservice bevinden zich in de huidige twee kantoorgebouwen aan de Stavorenweg 4 en 6 respectievelijk 131 en 151 personen overdag. Hierbij is de dag gedefinieerd als de periode van 8.00 tot 18.30 uur en de nacht als de periode van 18.30 tot 8.00 uur. Toekomstig Men is voornemens één gebouw te realiseren bestaande uit 2 bedrijfshallen die vanaf de eerste verdieping met elkaar verbonden zijn middels een glazen oversteek. Het programma is als volgt [20]: 1300 m2 bvo op de begane grond tbv de opslag van goederen (inclusief 200 m 2 kantoorruimte) 2250 m2 bvo bedrijfsruimte op de begane grond (invulling ntb). 16000 m2 bvo op de begane grond en verdiepingen ten behoeve van opslagboxen. Opgemerkt wordt dat een deel van de opslagboxen zal worden ingericht als zogenaamde ‘business lounges’. Deze kunnen kortdurend door de boxhouders gebruikt worden. Aangezien deze ruimten niet apart worden verhuurd worden ze als onderdeel van de opslagboxen gezien en niet separaat als kantoorruimte ingedeeld. Tabel 6 toont het aantal personen in het plangebied. Plangebied
Aantal personen Dag
Nacht
Huidig
282
0
Toekomstig - kantoor 200 m2 - 1100 m2 opslag - 2250 m2 bedrijfsruimte - 16000 m2 opslagboxen
7 3 23 40
0 0 0 0
Totaal
73
0
Tabel 6.
Aantal personen in plangebied
Voor de bepaling van het aantal aanwezige personen is gerekend met de volgende kentallen: Kantoor: 30 m2 bvo per persoon [13] Opslag en opslagboxen: 400 m 2 bvo per persoon Bedrijfsruimte (invulling nader te bepalen): 100 m 2 bvo per persoon
28
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
1.2 Omgeving Carola en RBMII Binnen het invloedsgebied van de aardgasleiding en de bevoorradingsroute is de aanwezigheid van personen opgevraagd via de BAG-populatieservice [6]. Op basis van informatie op ruimtelijkeplannen.nl zijn enkele bevolkingsvlakken toegevoegd aan het bevolkingsbestand [7]. Het betreft sportvelden waarvoor wordt uitgegaan van een dichtheid van 30 personen/ha met een aanwezigheid van 8 uur overdag en 4 uur ’s nachts gedurende 183 dagen/jaar [13]. Aangenomen wordt dat 100% zich buitenshuis bevindt. Figuur 11 toont de BAG-pandselectie en de toegevoegde bevolkingsvlakken.
Figuur 11.
BAG-pandselectie en toegevoegde bevolking binnen invloedsgebied aardgasleiding en bevoorradingsroute
Safeti-NL De gehanteerde bevolking afkomstig van de BAG-populatieservice binnen het invloedsgebied van het LPG-tankstation wordt samengevat in tabel 7 en figuur 12 [6].
29
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Nr. Week dag
Nacht
Weekend dag
1
20
0
0
2
175
0
0
3
191
0
4
203
0
5
163
6
242
7
Nr.
Aantal personen Week dag
Nacht
Weekend dag
10
15
11
11
11
151
0
0
0
12
150
76
150
0
13
13
7
13
0
0
14
121
0
0
0
0
15
36
0
0
124
49
95
16
160
0
0
8
102
52
102
17
149
0
0
9
14
7
14
18
170
0
0
Tabel 7.
Aantal personen
Aantallen personen binnen invloedsgebied LPG-tankstation
Vlak 9 is de tankshop behorend tot de inrichting. Bebouwing die deel uitmaakt van de inrichting dient niet meegenomen te worden in de risicoberekening. De vlakken 11 en 14 worden in de toekomstige situatie vervangen door het plangebied. Voor de invulling van het plangebied, zie bijlage 1.1. Voor de toegevoegde gebieden E1 t/m E3 (sportvelden) wordt uitgegaan van een dichtheid van 30 personen/ha. Aangenomen wordt dat 100% zich buitenshuis bevindt. Omdat in Safeti-NL geen evenementen gemodelleerd kunnen worden, is in tegenstelling tot de modelering in RBM II en Carola uitgegaan van 100% aanwezigheid overdag en 0% ’s nachts gedurende het gehele jaar.
30
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Figuur 12.
Pandselectie binnen invloedsgebied LPG-tankstation
31
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Bijlage 2. Uitgangspunten LPG-tankstation 2.1. Ongevalscenario’s tank Er is een ondergrondse tank opgesteld met een volume van 20 m3 met een maximale inhoud van 9.2 ton (de maximale vullingsgraad). Tabel 8 toont de frequentie en bronsterkte voor de ongevalscenario’s. Scenario
Frequentie [/jr]
Bron sterkte
Toelichting Maximale inhoud Maximale inhoud in 600 s Vloeistofuitstroming met uitstroomcoëfficiënt Cd=0.60 Lengte 10 m, diameter 1.25” Lengte 10 m Lengte 75 m, diameter 1.25“ Lengte 75 m
O.1 O.2 O.3
Instantaan Continu 10 min Continu 10 mm
5.0 10-7 5.0 10-7 1.0 10-5
9.2 ton 15.5 kg/s 1.1 kg/s
O.4 O.5 O.6 O.7
Vloeistofleiding - breuk Vloeistofleiding - lekkage Afleverleiding - breuk Afleverleiding - lekkage
5.0 10-6 1.5 10-5 3.8 10-5 1.1 10-4
3.0 kg/s 0.1 kg/s 3.0 kg/s 0.1 kg/s
Tabel 8.
Ongevalscenario’s tank
2.2. Ongevalscenario’s tankauto Voor een doorzet tot 1500 m3/jr zijn er standaard 105 lossingen nodig van elk 30 min. De lostijd per jaar is dan 52.5 uur (0.6% van de tijd). Bevoorrading vindt plaats met een tankauto van 60 m3 en een maximale inhoud van 26.7 ton. De bevoorrading vindt alleen plaats in de avond en nacht gedurende de werkweek [25]. De tankauto kan bij aankomst op de inrichting voor 100%, 67% of 33% gevuld zijn. Deze gegevens worden gebruikt om met een initiële ongevalfrequentie de frequentie van de ongevalscenario’s voor de inrichting af te leiden. Voor de ongevalscenario’s instantaan falen en uitstroming uit de grootste aansluiting wordt de initiële ongevalfrequentie vermenigvuldigd met de fractie gedurende het jaar dat de betreffende tankauto aanwezig is binnen de inrichting. Voor volledige breuk van de pomp is rekening gehouden met de beperking van de uitstroomtijd door een doorstroombegrenzer. De kans dat de doorstroombegrenzer niet sluit is 0.06. Voor volledige breuk van de losslang is rekening gehouden met de beperking van de uitstroomtijd door een andere doorstroombegrenzer. De kans dat deze doorstroombegrenzer niet sluit is 0.12. Tabel 9 toont de ongevalscenario’s. Scenario
Frequen tie [/jr]
Bron sterkte
Toelichting
T.1 T.2
Instantaan vulgraad 100% Continu grootste aansluiting
3.0 10-9 3.0 10-9
26.7 ton 66.1 kg/s
P.1
Breuk pomp doorstroombegrenzer sluit
5.6 10-7
21.1 kg/s
Maximale inhoud Vloeistof 3 inch gat, uitstroomcoëfficiënt Cd=0.60 Leiding 5 m, diameter 3”, duur 5 s en leidinginhoud 105.5 kg
32
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Scenario
Frequen tie [/jr]
Bron sterkte
Toelichting
P.2
Breuk pomp doorstroombegrenzer sluit niet Lekkage pomp
3.6 10-8
21.1 kg/s
2.6 10-5
0.7 kg/s
Breuk losslang doorstroombegrenzer sluit Breuk losslang doorstroombegrenzer sluit niet Lekkage losslang
1.8 10-5
8.6 kg/s
2.5 10-6
8.6 kg/s
2.1 10-3
0.3 kg/s
Leiding 5 m, diameter 3”, duur 1800 s Vloeistof 7.6 mm gat, uitstroomcoëfficiënt Cd=0.60 Leiding 5 m, diameter 2”, duur 5 s en leidinginhoud 43 kg Leiding 5 m, diameter 2”, duur 1800 s Vloeistof 5 mm gat, uitstroomcoëfficiënt Cd=0.60
P.3 L.1 L.2 L.3
Tabel 9.
Ongevalscenario’s overslag tankauto doorzet tot 1000 m3/jr
2.3. BLEVE-frequentie tankauto Voor de frequentie van een BLEVE van een tankauto tijdens bevoorrading wordt de specifieke modellering voor een LPG-tankstation gevolgd [10, 15]. Drie oorzaken worden onderscheiden, te weten brand van het LPG-systeem, omgevingsbrand en mechanische inslag. De belangrijkste oorzaak van een BLEVE is een omgevingsbrand. De afspraak in het LPG-convenant om een hittewerende coating aan te brengen op de tankauto is mede ingegeven door de mogelijkheid om de gevolgen van een omgevingsbrand beter te kunnen beheersen. In het modelleringsvoorschrift is ook aangegeven dat, mits bepaalde afstanden tot objecten worden aangehouden, de frequentie op een BLEVE door een omgevingsbrand wel een factor tien kleiner kan zijn. Deze afstanden zijn voorgeschreven in het Besluit LPGtankstations Hinderwet uit 1988 (maar zijn aangepast in het stappenplan van het RIVM). Een andere belangrijke oorzaak is de mechanische inslag veroorzaakt door een voertuig dat botst met de lossende tankauto. Voor een BLEVE veroorzaakt door een brand van het LPG-systeem wordt uitgegaan van een frequentie van 5.8 10-10 /uur voor een onbeschermde tankauto. Door de hittewerende coating wordt de BLEVE-frequentie verlaagd met een factor twintig [10]. Voor een doorzet tot 1000 m3/jr volgt dan een frequentie van 0.05 x 52.5 x 5.8 10-10 = 1.5 10-9 /jr op dit scenario B.1.
Aangenomen wordt dat de tankauto maximaal is gevuld. Voor een omgevingsbrand geldt dat de afstand tussen de opstelplaats van de LPG-tankauto en een aantal met name genoemde objecten groter moet zijn dan de minimaal benodigde afstand. Toetsing wordt uitgevoerd voor de benzine en LPG-afleverzuil, gebouwen en voor de opstelplaats van de benzinetankauto. In het Besluit LPG-tankstations (en daarmee in de milieuvergunning) is opgenomen dat de benzinetankauto niet tegelijkertijd met de LPGtankauto op de inrichting aanwezig mag zijn. Deze oorzaak is daarmee uit te sluiten. Tabel 10 vat de beoordeling samen. De frequentie op een omgevingsbrand voor 100 verladingen is dan afgerond 2 10-6 /jr (zie tabel 5 in [10]).
33
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Object omgevingsbrand LPG-afleverzuil personenauto’s Benzine afleverzuil personenauto’s Opstelplaats benzinetankauto Gebouwen Tabel 10.
Toetsingsafstand [m]
Vulpunt binnen deze afstand?
17.5 5 25 max. 20
Ja Nee n.v.t Ja
Toetsing bijdrage omgevingsbrand aan de BLEVE-frequentie (toetsingsafstand conform stappenplan RIVM)
Tabel 4 toont de specifieke BLEVE-frequentie voor de huidige situatie veroorzaakt door een externe brand afhankelijk van de vulgraad. De kans op een BLEVE gegeven een brand is afhankelijk van de vulgraad. Deze kans is 0.19, 0.46 of 0.73 voor een vulgraad van respectievelijk 100%, 67% en 33%. Verder wordt ervan uitgegaan dat de tankauto is voorzien van een hittewerende coating. Er wordt aangenomen dat de BLEVE-frequentie hierdoor wordt verlaagd met een factor twintig. Deze aanname is opgenomen in de notitie QRA berekening LPG-tankstations van het RIVM [10]. Scenario
B.2 B.3 B.4
Basisfrequentie [per 100 verladingen]
BLEVE vulgraad 100% BLEVE vulgraad 67% BLEVE vulgraad 33%
Tabel 11.
2 10-6 2 10-6 2 10-6
Factor
Frequentie [/jr]
70/105 x 0.333 x 0.19 x 0.05 70/105 x 0.333 x 0.46 x 0.05 70/105 x 0.333 x 0.73 x 0.05
6.6 10-10 1.6 10-9 2.6 10-9
Specifieke BLEVE-frequentie tankauto doorzet tot 1500 m3/jr door externe brand
Tabel 12 toont de ongevalsscenario’s. De BLEVE wordt gemodelleerd met de barstdruk gelijk aan 24.5 bara. Scenario
Frequentie [/jr]
Bron sterkte
Toelichting
B.2 B.3 B.4
6.6 10-10 1.6 10-9 2.6 10-9
26.7 ton 17.9 ton 8.8 ton
Maximale inhoud 100% Maximale inhoud 67% Maximale inhoud 33%
BLEVE vulgraad 100% BLEVE vulgraad 67% BLEVE vulgraad 33%
Tabel 12.
Ongevalsscenario’s BLEVE tankauto doorzet tot 1500 m3/jr door externe brand
Een BLEVE van de tankauto kan ook plaatsvinden door externe impact (aanrijdingen). De frequentie is afhankelijk van het type opstelplaats. Voor dit tankstation wordt uitgegaan van de waarde voor een opstelplaats langs een weg met maximum snelheid kleiner dan 70 km/u. Tabel 13 toont de specifieke BLEVE-frequentie. Tabel 14 toont de ongevalsscenario’s. De BLEVE wordt gemodelleerd met de barstdruk gelijk aan de evenwichtsdruk bij omgevingstemperatuur.
34
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Scenario
B.5 B.6 B.7
Basis frequentie [per 100 verladingen]
BLEVE vulgraad 100% BLEVE vulgraad 67% BLEVE vulgraad 33%
Tabel 13.
2.5 10-9 2.5 10-9 2.5 10-9
Factor
Frequentie [/jr]
70/105 x 0.333 70/105 x 0.333 70/105 x 0.333
8.7 10-10 8.7 10-10 8.7 10-10
Specifieke BLEVE-frequentie tankauto doorzet tot 1500 m3/jr door mechanische inslag (aanrijdingen)
Scenario
Frequentie [/jr]
Bron sterkte
Toelichting
B.5 B.6 B.7
8.7 10-10 8.7 10-10 8.7 10-10
26.7 ton 17.9 ton 8.8 ton
Maximale inhoud 100% Maximale inhoud 67% Maximale inhoud 33%
BLEVE vulgraad 100% BLEVE vulgraad 67% BLEVE vulgraad 33%
Tabel 14.
Ongevalsscenario’s BLEVE tankauto doorzet 1500 tot m3/jr door mechanische inslag (aanrijdingen)
2.4. Parameters De standaard parameters van Safeti-NL versie 8.3 zijn gebruikt voor de berekening. De gegevens voor het weerstation Schiphol worden gebruikt voor de kans op het voorkomen van een bepaalde weersklasse. De ruwheidslengte is 0.3 m.
35
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Bijlage 3. Lijst kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten I Kwetsbaar object: a woningen, niet zijnde woningen als bedoeld in categorie II onder a; b gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals: 1 Ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen; 2 Scholen; 3 Gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen; c gebouwen waarin grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, zoals: 1 Kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m 2 per object; 2 Complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1000 m 2 bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2000 m 2 per object, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd; d kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen; II Beperkt kwetsbaar object: a 1 Verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare; 2 Dienst- en bedrijfswoningen van derden; 3 Lintbebouwing, voor zover deze loodrecht of nagenoeg loodrecht is gelegen op de contouren van het plaatsgebonden risico van een route of tracé; b
kantoorgebouwen, voor zover zij niet in categorie I onder c vallen; c hotels en restaurants, voor zover zij niet in categorie I onder c vallen; d winkels, voor zover zij niet in categorie I onder c vallen; e sporthallen, zwembaden en speeltuinen; f sport- en kampeerterreinen en terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet in categorie I onder d vallen; g bedrijfsgebouwen, voor zover zij niet in categorie I onder c vallen; h objecten die met de onder a tot en met e en g genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn, en i objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.
36
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Bijlage 4. Resultaten LPG-tankstation zonder maatregelen 4.1 Plaatsgebonden risico Het niet meenemen van de twee maatregelen is alleen van invloed op de afstand rond het vulpunt. Zonder de twee maatregelen zou de PR 10-6 contour op 80 m rond het vulpunt liggen en daarmee tot over het plangebied reiken, zie figuur 13. Let wel, de in figuur 6 getoonde afstanden zijn de wettelijk voorgeschreven afstanden.
Figuur 13.
Plaatsgebonden risico 10-6 rond LPG-vulpunt, zonder maatregelen
4.2 Groepsrisico Figuur 14 toont de groepsrisicocurven van de toekomstige met en zonder maatregelen aan de tankauto. De curven zijn identiek. De komt doordat het groepsrisico vrijwel volledig wordt bepaald door de aanwezigheid van het ondergrondse LPG-reservoir.
37
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Figuur 14.
Groepsrisico met en zonder maatregelen
38
Onderzoek externe veiligheid / Ontwikkeling bedrijfshallen Stavorenweg in Gouda
Bijlage 5. Carola-rapportage
39