Bijlage 26 2023-01-20 - QS2021-148 versie 2 - Van der Goes en Groot - Toetsing ihkv de natuurwetgeving
Tekst van het document
G&G-advies QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda Toetsing in het kader van de natuurwetgeving
J.P. Dekker F. van der Knaap
2021
Opdrachtgever White House Development
G&G-advies QS2021-148
Datum Versie
20 januari 2023 V2
12 mei 2021 V1
Gecontroleerd door: T.S. van der Meer
De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn.
Bovendijk 35-G
Hazenkoog 35-A
2295 RV Kwintsheul
1822 BS Alkmaar
www.vandergoesengroot.nl
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
3
Inhoudsopgave 1
2
3
Inleiding
5
1.1
Aanleiding voor het onderzoek ............................................................................... 5
1.2
Doel van het onderzoek........................................................................................... 6
1.3
Het plangebied......................................................................................................... 6
1.4
Werkzaamheden...................................................................................................... 6
1.5
Leeswijzer ................................................................................................................ 6
Methode
8
2.1
Soorten .................................................................................................................... 8
2.2
Gebieden.................................................................................................................. 9
Beschermde soorten Wnb
10
3.1
Beschrijving aanwezige biotopen .......................................................................... 10
3.2
Beschermde soorten.............................................................................................. 12 3.2.1 Planten .................................................................................................................... 12 3.2.2 Vissen ...................................................................................................................... 12 3.2.3 Amfibieën ................................................................................................................ 12 3.2.4 Vogels ...................................................................................................................... 13 3.2.5 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................... 15 3.2.6 Vleermuizen ............................................................................................................ 16 3.2.7 Overige fauna .......................................................................................................... 17
3.3
4
5
Conclusie beschermde soorten ............................................................................. 19
Effectbeoordeling en maatregelen
20
4.1
Amfibieën............................................................................................................... 20
4.2
Vogels..................................................................................................................... 20
4.3
Vleermuizen ........................................................................................................... 22
4.4
Conclusie effectbeoordeling .................................................................................. 22
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving
23
5.1
Natura 2000 ........................................................................................................... 23
5.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN) ......................................................................... 23
5.3
Weidevogelgebieden ............................................................................................. 24
5.4
Houtopstanden ...................................................................................................... 24
5.5
Overige relevante wetgeving................................................................................. 24
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
4 5.6
6
Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving ............................25
Conclusies
26
6.1
Beschermde soorten Wnb .....................................................................................26
6.2
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving ...............................................27
6.3
Zorgplicht ...............................................................................................................27
6.4
Aanbevelingen ter bevordering van natuur ...........................................................28
7
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur
30
8
Bijlagen
31
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
1
5
Inleiding 1.1
Aanleiding voor het onderzoek Er bestaan plannen een locatie aan de Stavorenweg (nummer 4 en 6) te Gouda her in te richten. Gouda ligt in de gelijknamige gemeente Gouda en in de provincie Zuid-Holland. De bebouwing in het plangebied wordt gesloopt. Vervolgens wordt het plangebied bouwrijp gemaakt voor nieuwbouw. Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (Wnb) of dat het plan gevolgen heeft voor nabijgelegen beschermde gebieden. In opdracht van White House Development heeft Ecologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Van der Goes en Groot in het kader van de huidige natuurwetgeving een quickscan uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek heeft bestaan uit een bronnenstudie en een veldbezoek. Een quickscan is een momentopname die soms slechts in beperkte mate uitsluitsel geeft over de afwezigheid van soorten. Dit onderzoek betreft geen volledige veldinventarisatie. Mochten er door de plannen effecten te verwachten zijn op beschermde soorten die mogelijk aanwezig zijn en niet zijn uit te sluiten vanwege tijdstip van het veldbezoek of niet inspecteerbare delen van het plangebied, dan wordt een nader onderzoek geadviseerd.
De ligging van het plangebied (rood omlijnd).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
6
1.2
Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het (mogelijke) voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Wnb. Tevens wordt onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of op beschermde gebieden kunnen veroorzaken. Op grond van het onderzoek wordt geadviseerd omtrent te nemen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten en omtrent de noodzaak ontheffing of vergunning aan te vragen. Een uitgebreide beschrijving van de getoetste wetgeving is te vinden in Bijlage 1.
1.3
Het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het plangebied aangegeven. Het plangebied bestaat uit twee kantorencomplexen gelegen op een bedrijventerrein aan de oostkant van Gouda. Ten noorden en zuiden van het bedrijventerrein bevinden zich waterrijke, groene poldergebieden. Aan de noordkant worden deze twee gebieden gescheiden door de A12. In het oosten en westen wordt het plangebied omsloten door stedelijk gebied.
1.4
Werkzaamheden De geplande werkzaamheden bestaan uit het slopen van de bestaande bebouwing (twee kantorencomplexen). Daarnaast zal het plangebied bouwrijp worden gemaakt voor de komst van de geplande nieuwbouw. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit sloop van gebouwen met benodigd hak- breek- en zaagwerk, het verwijderen van de vegetatie-toplaag, het vergraven van de bodem, het opbrengen van grond, het kappen en rooien van struiken en/of bomen. Bij uitvoering van het werk kan door geluid, trillingen, licht verstoring optreden van (beschermde) soorten.
1.5
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de biotopen die aanwezig zijn in het plangebied beschreven en wordt aangegeven welke soorten aanwezig (kunnen) zijn binnen en nabij het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van het werk en welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
7
Hoofdstuk 5 beschrijft of- en welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied. Ten slotte bevat hoofdstuk 6 de conclusies. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de gebruikte en aanbevolen literatuur. In de bijlage is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunnings- en/of ontheffingsaanvraag.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
8
2
Methode Hieronder wordt aangegeven hoe is onderzocht welke soorten te verwachten zijn binnen het plangebied. Speciale aandacht is uitgegaan naar díe beschermde soorten waarvoor, indien aanwezig, specifieke maatregelen moeten worden getroffen of ontheffing moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van dit plan. Daarnaast is gekeken of het plangebied tot een beschermd natuurgebied behoort of dat dergelijke gebieden aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied.
2.1
Soorten Bronnenstudie Op basis van literatuurgegevens en informatie, samengebracht in bijvoorbeeld de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF) is bekeken in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied. Voor het onderzoek van de NDFF is het kilometerhok onderzocht waarbinnen het plangebied is gelegen en de acht daaromheen gelegen kilometerhokken, rekening houdend met relevante, overeenkomstige biotopen tussen plangebied en omgeving. In de database is gezocht naar gegevens van beschermde (vogel-) soorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen of naar soorten die niet provinciaal zijn vrijgesteld. Hierbij is gekeken naar waarnemingen in de afgelopen 10 jaar (2011-2021). Vervolgens is een interpretatie gedaan met betrekking tot de aard en de waarde van de waarnemingen (bijvoorbeeld foeragerend, overwinterend, trekkend, overvliegend of verblijvend). Ook is gekeken naar de onderzoeksinspanning en de (verwachte) volledigheid van de waarnemingen en de kans dat de situatie ter plaatse veranderd is. Er is in de NDFF niet gericht gezocht naar vogelsoorten met nietjaarrond beschermde nesten, provinciaal vrijgestelde soorten en in het geheel niet te verwachten soorten zoals zeezoogdieren of zoutwatervissen. Met vogels die geen jaarrond beschermd nest hebben moet, in algemene zin, wél rekening gehouden worden (zie ook §4.2).
Potenties voor vrijgestelde soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren die mogelijk voorkomen in het plangebied, worden kort genoemd. Voor deze soorten geldt, net als voor alle andere soorten, onverminderd de zorgplicht welke wordt besproken in de conclusies en de bijlage m.b.t. de wetgeving. Naast het onderzoek van de NDFF zijn relevante verspreidingsatlassen en eventueel andere literatuur en websites geraadpleegd om de ecologische vereisten van soorten in samenhang met de verspreiding te bekijken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
9
Potentiebeoordeling Het plangebied is op 4 mei 2021 bezocht om enerzijds de aanwezige en aangrenzende biotopen te beschrijven en anderzijds eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar). Bij het veldbezoek is voor de potentiebeoordeling tevens gericht gezocht naar verblijfsporen zoals keutels, plukresten en braakballen. Daarnaast zijn bijvoorbeeld eventueel aanwezige materialen gekeerd en zijn eventueel aanwezige spleten en holtes, zover mogelijk, oppervlakkig geïnspecteerd.
→https://www.nvwa.nl/
onderwerpen/invasieveexoten/unielijstinvasieve-exoten
Naast de aandacht voor beschermde waarden, is ook gelet op invasieve soorten die voorkomen op de ‘Unielijst’ van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (←NVWA). Deze invasieve exoten zijn op de Unielijst geplaatst omdat ze in delen van de EU schade toebrengen (of dat in de toekomst waarschijnlijk zullen gaan doen) aan de biodiversiteit en/of ecosysteemdiensten. De waargenomen soorten worden genoemd (§3.2) maar er worden geen nadere aanbevelingen gedaan of beleid uitgezet ten aanzien van deze soorten. Verwerking Met behulp van analyse en expertkennis is op basis van de verzamelde gegevens en de aangetroffen biotopen, een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied. Op grond van de plannen is een korte effectbeoordeling gemaakt van de plannen op de te verwachten soorten. Als negatieve gevolgen niet zijn uit te sluiten, wordt aangegeven of specifieke maatregelen moeten en kunnen worden genomen en/of ontheffing dient te worden aangevraagd.
2.2
Gebieden Op de gebiedendatabase van het Ministerie van Economische Zaken is gekeken in hoeverre het plangebied is gelegen binnen of nabij de begrenzing van (Europees) beschermde gebieden (Natura 2000), zie: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx Aan de hand van Provinciale of gemeentelijke informatie, toegankelijk via internet, is bekeken of het plangebied gelegen is in andere relevante beschermde gebieden, zie bijvoorbeeld: Zuid Holland: https://ruimtelijkeplannen.zuid-holland.nl/VRM/ Als dit het geval is, wordt bekeken of negatieve effecten te verwachten zijn en of nadere toetsing noodzakelijk is.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
10
3
Beschermde soorten Wnb In dit hoofdstuk worden eerst de biotopen beschreven die aanwezig zijn binnen het plangebied. Vervolgens worden de beschermde soorten beschreven per soortgroep. In de beschrijving wordt per soortgroep eerst aangegeven welke soorten (volgens opgave van het NDFF en literatuur) in het verleden of tijdens het afgelegde veldbezoek zijn aangetroffen. Vervolgens wordt vermeld welke soorten op grond van aanwezige biotopen te verwachten zijn en welke gebruiksfuncties het plangebied kan hebben voor deze soorten.
3.1
Beschrijving aanwezige biotopen Bebouwing Binnen het plangebied worden twee kantorencomplexen aangetroffen. Het kantoorgebouw aan de Stavorenweg 4 bestaat uit vier verdiepingen en een kleine opbouw. Het complex beschikt over een plat dak. De gevels zijn opgetrokken uit bakstenen (begane grond), betonplaten en glas. De brandtrap aan de buitenzijde van het gebouw is afgewerkt met kunststofplaten. De open ruimte tussen het gebouw en de brandtrap wordt afgedicht met gaas. Alleen laag bij de grond worden enkele spouwgaten aangetroffen. Alle spouwgaten zijn afgedicht met stootvoegroosters. Het tweede kantoorgebouw – Stavorenweg 6 – bestaat uit vijf verdiepingen en een kleine opbouw en is daarmee één verdieping hoger. De gevels zijn uit vrijwel dezelfde bouwmaterialen opgetrokken als het naburige, eerder beschreven kantorencomplex. Ook dit complex beschikt over een vergelijkbaar plat dak en brandtrap afgewerkt met kunststofplaten. In de twee kantoorgebouwen werden afgezien van de eerder genoemde openingen geen opvallende gaten, spleten of kieren aangetroffen. Binnen het plangebied staan naast de aanwezige kantoren nog een drietal elektriciteits-/machinekamerhuisjes. Het zijn kleine huisjes met een plat dak. Twee van de drie huisjes zijn opgetrokken uit bakstenen en bevatten enkele open stootvoegen.
Alle aangetroffen open stootvoegen zijn van binnen goed dichtgemaakt, om te voorkomen dat ‘ongedierte’ kan binnenkomen en kan zorgen voor gevaarlijke situaties als bijvoorbeeld kortsluiting. Een derde huisje is opgetrokken uit kunststofplaten. In het noordoosten van het plangebied staan twee houten fietsenhokken. Deze fietsenhokken bestaan uit houten latten met open ruimten daartussen. Terrein Het overgrote deel van het plangebied is dicht bestraat met straatklinkers en is in gebruik als parkeerterrein of voetpad. Een vrij klein deel is beplant met solitaire bomen, sierheesters en hagen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
11
Wateren en oevers Net buiten het plangebied – aan de noordoostkant – is een sloot aanwezig. Het water behoort niet tot het plangebied maar één oeverkant – grenzend aan het plangebied – wel. De waterkanten zijn steil en voorzien van houten oeverbeschoeiing. Het water is diep en wordt grotendeels overschaduwd door de aanwezige bomen en bebouwing.
Bovenlinks: plangebied gezien vanuit het zuiden met zicht op het kantorencomplex van Stavorenweg 4. Bovenrechts: plangebied gezien vanuit het noordwesten met zicht op het kantorencomplex van Stavorenweg 6. Middenlinks: entree kantorencomplex Stavorenweg 6. Middenrechts: elektriciteitshuisje in het noorden van het plangebied. Onderlinks: twee fietsenhokken opgetrokken uit latten. Onderrechts: sloot voorzien van oeverbeschoeiing, ten noordoosten van het plangebied.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
12
3.2
Beschermde soorten
3.2.1
Planten Aangetroffen soorten In en rond het plangebied is in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde flora waargenomen (NDFF 2011-2021). Potentie plangebied In het plangebied wordt geen beschermde flora verwacht. Het plangebied wordt te intensief beheerd en is te voedselrijk om geschikt te zijn voor beschermde plantensoorten. Tevens is de bodem teveel gestoord en gewoeld.
3.2.2
Vissen Binnen het plangebied wordt geen water aangetroffen, net daarbuiten – ten noordoosten van het plangebied – wel (zie foto rechts onder vorige pagina). Omdat de oever van het water wel tot het plangebied behoord, wordt het water toch meegenomen in deze scan. Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde vissoorten waargenomen (NDFF 20112021). Potentie plangebied In en rond het plangebied is geen potentie voor beschermde vissoorten aanwezig. Omdat geen sprake is van goed ontwikkelde submerse vegetatie in combinatie met geïsoleerde, verlandende wateren in het plangebied, wordt het voorkomen van een soort als de Grote modderkruiper uitgesloten.
3.2.3
Amfibieën Aangetroffen soorten In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde, niet vrijgestelde amfibieën waargenomen. De Rugstreeppad is bekend van de omgeving van het plangebied, de soort werd op ongeveer 700 meter afstand van het plangebied vastgesteld ten zuiden van recreatieterrein Wilhelminakade (NDFF 2011-2021). De Rugstreeppad is een beschermde soort die wordt genoemd als soort beschermd onder de Habitatrichtlijn (zie Bijlage 1.2.1). Potentie plangebied Het water ten noordoosten van het plangebied levert geschikt voortplantingswater voor enkele algemene soorten amfibieën zoals Gewone pad, Kleine watersalamander, Bruine kikker of Groene kikker
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
13
(bastaardkikker en/of Meerkikker). Al deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Zuid-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. In het plangebied is geen geschikt landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut door deze amfibieën. -Rugstreeppad Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Rugstreeppad. In het plangebied ligt geen geïsoleerd, ondiep en snel opwarmend water zonder predatoren zoals vis en waterroofinsecten, dat door de dieren kan worden gebruikt voor voortplanting. Tevens zijn de aanwezige oevers te steil en te zwaar en dicht begroeid. In het plangebied is ook geen geschikt vorstvrij, droog en vergraafbaar zanderig landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut als landbiotoop door deze soort. Als in het plangebied graafwerkzaamheden plaatsvinden of zand wordt opgebracht, zou het mogelijk kunnen zijn dat Rugstreeppadden het gebied intrekken, door het losse zand wordt het plangebied geschikt voor overwinterende dieren.
3.2.4
Vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Het bevoegd gezag maakt onderscheid tussen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten, soorten met jaarrond beschermde nesten (ingedeeld in vier categorieën) en de zogenaamde ‘categorie 5-soorten’ (zie verder Bijlage 1.2.5). Aangetroffen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden diverse vogelsoorten waargenomen: Wilde eend, Zilvermeeuw, Kauw, Aalscholver, Pimpelmees (cat. 5) en zo’n 50 meter buiten het plangebied een Torenvalk (cat. 5). Naast deze waarnemingen werd in een Chinese moerascipres een nest waargenomen. Het betreft een nest van duivensoort die in het urbane gebied leeft. Potentie plangebied soorten met niet-jaarrond beschermde nesten In het plangebied kunnen enkele algemene bos- en struweelvogels tot broeden komen zoals bijvoorbeeld Merel, Houtduif, Winterkoning of Heggenmus. In het water langs het plangebied broeden mogelijk water- en moerasvogels zoals Meerkoet en Wilde eend. Op de platte daken van de kantorencomplexen kunnen mogelijk Scholekster of algemene meeuwensoorten tot broeden komen als Zilvermeeuw of Kleine mantelmeeuw.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
14
Aangetroffen duivennest in Chinese moerascipres (rood omcirkeld).
Door het ontbreken van holtes, spleten, gaten, grote nesten of nestkasten worden holenbroeders, roofvogels en uilen uitgesloten als broedvogel binnen het plangebied. Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden geen vogels met jaarrond beschermde nesten of sporen (nesten) daarvan waargenomen. In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Huismus (cat. 2), Gierzwaluw (cat. 2) en Slechtvalk (cat. 3) vastgesteld. De Huismus en Gierzwaluw broeden waarschijnlijk in de nabije stedelijke woonwijken op ongeveer 600 meter van het plangebied gezien de waarnemingen van baltsende Huismussen en Gierzwaluwen ter plaatse (NDFF 2011-2021). De Slechtvalk broedt waarschijnlijk op de spoorbrug over het Gouwekanaal, ongeveer 700 meter ten zuiden van het plangebied (NDFF 2011-2021). In de omgeving van het plangebied zijn daarnaast in het verleden Roek (cat. 2), Grote gele kwikstaart (cat. 3), Kerkuil (cat. 3), Ooievaar (cat. 3), Boomvalk (cat. 4), Buizerd (cat. 4), Havik (cat. 4), Ransuil (cat. 4), Sperwer (cat. 4), Wespendief (cat. 4), Zwarte wouw (cat. 4) en Steenuil (cat. 1) vastgesteld. Deze soorten hebben echter geen binding met het plangebied. De meeste bekende waarnemingen betreffen overvliegende (trek)vogels of deze soorten hebben gebroed in andere biotopen zoals bos in de omgeving (NDFF 20112021).
Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten Omdat geen geschikte bebouwing, sporen, holtes of nest(kast)en (enkel een klein duivennest) werden waargenomen, wordt uitgesloten dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in het plangebied.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
15
In de aanwezige begroeiing werden geen grote nesten gezien. Er werden ook geen grote gaten of nissen in de gebouwen waargenomen. Huismussen broeden in huizen met zadeldaken en dakpannen of in schuren, vaak aan de rand van (dorpse) bebouwing. Binnenstedelijke kantorencomplexen met platte daken zijn niet geschikt. Deze soort stelt aan zijn leefgebied ook aanvullende eisen zoals zandplekken en/of voederplaatsen. Het plangebied biedt onder andere vanwege het ontbreken van deze elementen geen essentieel leefgebied voor de Huismus. Gierzwaluwen gebruiken vooral gebouwen in de binnenstad om in te nestelen. De Gierzwaluw nestelt graag onder dakpannen en dakranden, daklood of in houten daklijsten. Gebouwen met platte daken zonder speciale kasten zijn niet geschikt voor de soort. De Slechtvalk broed in nissen, op richels en oude nesten van roofvogels en kraaien. De Slechtvalk kiest alleen de hoogste gebouwen of kunstwerken in de omgeving. In Nederland maakt de Slechtvalk ook steeds vaker gebruik van speciale nestkasten. Door de geringe hoogte van de bebouwing binnen het plangebied – in de omgeving zijn hogere gebouwen aanwezig – en de afwezigheid van speciale nestkasten of bomen met nesten van roofvogels en kraaien, wordt de aanwezigheid van een vaste rust- of verblijfplaatsen van deze soort binnen het plangebied uitgesloten.
Het is mogelijk dat het plangebied incidenteel wordt gebruikt als onderdeel van het leefgebied van in de buurt vastgestelde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals de Huismus. Het plangebied biedt echter geen essentieel leefgebied voor deze soort.
3.2.5
Grondgebonden zoogdieren Aangetroffen soorten Rond het plangebied zijn in het verleden Bever, Boommarter, Otter en Waterspitsmuis waargenomen (NDFF 2011-2021). De Boommarter en Waterspitsmuis zijn beschermde soorten die worden genoemd als ‘andere soort’ (zie Bijlage 1.2.1). De Bever en Otter zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (zie Bijlage 1.2.1). Vrijwel alle waarnemingen van de beschreven soorten werden buiten het bedrijventerrein gedaan waar het plangebied in ligt (NDFF 20112021). Van de Otter en de Boommarter zijn beide slechts één waarneming bekend. Beide waarnemingen betreffen een dood aangetroffen dier op de snelweg A12 (NDFF 2011-2021). De Otter eenmalig in 2014 en de Boommarter eenmalig in 2016. De Otter is bekend uit de omgeving van de Reeuwijksche Plassen, aan de andere kant van Gouda, het gaat hier vermoedelijk om eenmalig rondzwervend individu. Voor de Boommarter geldt dat deze waarneming zich ver buiten het kernverspreidingsgebied bevindt.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
16
Ook voor deze doodvondst wordt verondersteld dat het om een enkel rondzwervend individu gaat. Potentie plangebied Het is mogelijk dat in het gebied enkele (kleine) zoogdieren voorkomen zoals Egel, Haas en verschillende algemene soorten (spits)muizen. Deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Zuid-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. Het plangebied is niet geschikt voor de Boommarter vanwege het ontbreken van dichte bosschages, holten en omvangrijke dekking biedende vegetatie in de omgeving. Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Waterspitsmuis. De benodigde levensvoorwaarden zijn hiervoor niet aanwezig. Het terrein is te droog en een vochtige kruidenrijke oevervegetatie nabij schoon en helder water ontbreekt. Het plangebied is niet geschikt voor de Otter vanwege het ontbreken van stromend water en voldoende dekking en rust. Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Bever. De aanwezige oevers zijn beschoeid en onnatuurlijk. Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De Bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als Wilg en Es. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste.
In een stad als Dordrecht trekt de Bever wel steeds vaker het stedelijk gebied in, maar bewoningsplekken zijn dan altijd in de nabijheid van parken met veel wilgen of Essen.
3.2.6
Vleermuizen Vleermuizen kunnen op zeer duidelijk te onderscheiden manieren van een leefgebied gebruik maken. Belangrijke gebruiksfuncties zijn verblijfplaats, foerageergebied of (deel van) een vliegroute. De manier waarop vleermuizen een gebied gebruiken kan door het jaar verschillen, een gebouw of een boom kan bijvoorbeeld tijdelijk gebruikt worden als verblijfplaats maar in andere delen van het jaar ongebruikt blijven. Aangetroffen vleermuizen In de omgeving van het plangebied zijn vier soorten vleermuizen vastgesteld (NDFF 2011-2021). Het betreft Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger en Rosse vleermuis. Veel waarnemingen betroffen foeragerende en langsvliegende exemplaren. Er zijn geen relevante waarnemingen (zoals bijvoorbeeld verblijven, kolonies) bekend van vleermuizen in het plangebied zelf of in de directe omgeving ervan (NDFF 2011-2021).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
17
Potentie verblijfplaatsen In het plangebied kunnen geen vleermuizen verblijven omdat geen geschikte holtes of spleten werden waargenomen in de aanwezige bebouwing en bomen. In de bebouwing en bomen rondom het plangebied kunnen mogelijk wel vleermuizen verblijven. Potentie foerageergebied Het plangebied is geschikt voor foeragerende vleermuizen. De schaars aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken. Potentie vliegroute Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een langere verbindende landschapslijn die gebruikt kan worden als vliegroute voor vleermuizen. Gezien de ligging te midden van een besloten bedrijventerrein, de vorm en de grootte van het plangebied, afwezigheid van doorlopende watergangen en brede rietkragen binnen het plangebied, kan geen sprake zijn van een belangrijke functie als vliegroute voor vleermuizen. De bomenrij in het zuidoosten van het plangebied kan niet als onderdeel worden gezien van een langere landschapslijn. De bomenrij heeft voor vleermuizen geen verbindende functie in het landschap.
3.2.7
Overige fauna Aangetroffen soorten Er zijn waarnemingen bekend van Ringslang in de omgeving van het plangebied (NDFF 2011-2021). De soort werd dichtstbijzijnd waargenomen op 500 meter van het plangebied langs De Groene Zoom. De Grote vos (dagvlinder) is éénmalig waargenomen in de omgeving van het plangebied. De waarneming werd gedaan aan de rand van Gouda in het gebied de Groene Wal. De Platte schijfhoren (zoetwatermollusk) is éénmalig aangetroffen in de omgeving van het plangebied. De waarneming is afkomstig uit natuur- en recreatiegebied ’t Weegje (NDFF 2011-2021). Potentie plangebied In het plangebied ontbreekt geschikt habitat voor de Ringslang. Er zijn plaatselijk op / geen geschikte natte terreindelen met hopen riet en maaisel aanwezig waar de Ringslang zich zou kunnen voortplanten. De Grote vos prefereert vochtige, open bossen, bosranden en boomgaarden. Voor de Grote vos ontbreken grote vrijstaande loofbomen in combinatie met geschikt bosrandbiotoop in het plangebied. Ook moeten er geschikte plaatsen zijn om te
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
18
overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout, deze worden in het plangebied niet aangetroffen. Het plangebied is ook niet geschikt voor de Platte schijfhoren door het ontbreken van heldere en schone wateren met een rijke begroeiing.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
3.3
19
Conclusie beschermde soorten Op grond van §3.2.1 t/m §3.2.7 zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in Tabel 1. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soortgroepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt onderzocht welke gevolgen voor deze soortgroepen worden verwacht door het uitvoeren van de plannen.
Eerder volgens literatuuropgave vastgestelde soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in/nabij het plangebied (kolom 2) en verwachte voorkomen daarvan binnen het plangebied (kolom 3). *Vaste rust- en verblijfplaatsen.
Beschermde, niet vrijgestelde soorten
Planten Vissen Amfibieën Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen verblijfplaats foerageergebied vliegroute Overige beschermde fauna
Van der Goes en Groot
Aangetroffen nabij het plangebied
Potentieel aanwezig binnen het plangebied
(literatuur en veldbezoek) nee nee ja
nee nee nee*
ja
ja
ja
nee*
ja
nee
nee ja ? ja
nee ja nee nee*
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
20
4
Effectbeoordeling en maatregelen Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van Tabel 1. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).
4.1
Amfibieën Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’. In de voortplantingsperiode van de Rugstreeppad (april t/m augustus) moet worden voorkomen dat kleine watertjes ontstaan op het bouwterrein. Insporing of (tijdelijk) met water gevulde laagtes dienen meteen te worden gevlakt om te voorkomen dat Rugstreeppadden binnentrekken. Rugstreeppadden gebruiken voor de voortplanting dergelijke kleine watertjes in pionierssituaties zoals bijvoorbeeld water dat blijft staan in rijsporen of laagtes op een bouwterrein.
4.2
Vogels Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien en kappen van struiken en bomen, het slopen of renoveren van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatie-toplaag. Soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
21
Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk – voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels – het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt! Pioniersoorten Oeverzwaluwen graven nestholtes in zandhopen, en komen daardoor regelmatig op bouwplaatsen voor. Adviezen om de vestiging van Oeverzwaluwen tegen te gaan zijn: ♣ Voorkom de aanwezigheid van steile wanden (hoek > 45 graden) door er voor te zorgen dat zandhopen in de vestigingsperiode van Oeverzwaluwen (april-juni) geëgaliseerd zijn. ♣ Voorkom dat gegraven sleuven of bouwputten met steil talud aanwezig zijn in de vestigingsperiode van Oeverzwaluwen. Als in deze periode wel sleuven of bouwputten nodig zijn om de werkzaamheden uit te voeren zorg er dan voor dat de sleuf op het moment dat geen werkzaamheden plaatsvinden is afgedekt doormiddel van bijvoorbeeld houten platen. De wanden van een bouwput kunnen worden afgedekt met bijvoorbeeld gronddoek. De Kleine plevier is een soort die nestelt in een kuiltje op de grond en ook deze soort vestigt zich makkelijk op bouwplaatsen met een kale, open of zanderige bodem. De soort is in het verleden eerder aangetroffen op een bedrijventerreinen in Gouda.
Adviezen om de vestiging van Kleine plevier tegen te gaan zijn: ♣ Voorkom dat in het broedseizoen van de Kleine plevier (eind maart t/m augustus) geschikt broedbiotoop aanwezig is voor de soort. Voorkom open, kaal, zanderig terrein met voldoende rust. Zet bouwmaterialen op het terrein en zorg voor voldoende menselijke activiteit. ♣ Voorkom plassen water op het terrein. Door de aanwezigheid van waterplassen op het terrein is een bouwplaats extra interessant als broedplek voor deze soort. ‘Categorie 5’-soorten Gezien de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied zullen de (mogelijk) aanwezige vogelsoorten die genoemd worden als ‘categorie 5’-soort (Pimpelmees en Torenvalk), kunnen uitwijken naar alternatief leefgebied. Er gelden geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die een jaarrond beschermde status van nesten van deze soorten rechtvaardigen. Overigens geldt voor de genoemde soorten Pimpelmees en Torenvalk dat door het ontbreken van holtes, spleten, gaten, nesten (enkel een duivennest) of nestkasten kan worden uitgesloten dat deze als broedvogel binnen het plangebied voorkomen. Ook voor categorie 5-soorten geldt dat
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
22
activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats moeten vinden.
4.3
Vleermuizen Verblijfplaatsen In de bebouwing en bomen rondom het plangebied kunnen mogelijk vleermuizen verblijven. Tijdens de werkzaamheden moet worden voorkomen dat ’s nachts felle verlichting aan blijft staan, zodat eventueel aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen in de omgeving van het plangebied niet worden verstoord. Foerageergebied Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
4.4
Conclusie effectbeoordeling Met het in achtnemen van besproken aanbevelingen, beperkingen en restricties in §4.1 t/m §4.4 worden geen belangrijke negatieve effecten verwacht voor beschermde soorten bij uitvoer van de plannen. Er dient altijd rekening te worden gehouden met de zorgplicht (zie §6.3).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
5
23
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving In hoofdstuk 3 en 4 is beschreven welke beschermde soorten kunnen voorkomen en welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben. De Wet Natuurbescherming kent naast soortbescherming ook gebiedsbeschermende wet- en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000-gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 1.3). Naast bepalingen uit de Wnb kunnen gebieden ook beschermd zijn onder de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’, ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Hieronder wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied.
5.1
Natura 2000 Het plangebied ligt op meer dan 4 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied 104 ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ (zie Figuur 2). Gezien de grote afstand, afscherming en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Het geplande project leidt mogelijk wel tot verhoogde emissie van stikstof. Aanbevolen wordt een analyse uit te voeren van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Als deze depositie boven 0,00 mol/ha/jaar komt bestaat een vergunningsplicht.
5.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie Figuur 2). Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
24
5.3
Weidevogelgebieden Het gebied is niet begrensd als een bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied. Er is geen negatief effect mogelijk op Weidevogelleefgebieden, een nadere toetsing is niet nodig.
5.4
Houtopstanden Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, Er worden derhalve geen onder de Wnb genoemde beplantingen gekapt. Er is voor de kap van de bomen waarschijnlijk wel een gemeentelijke kapvergunning noodzakelijk.
5.5
Overige relevante wetgeving Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.
Ligging van het plangebied (rode pijl) ten opzichte van Natura 2000-gebied (oranje), natuurverbindingen en het NNN (groen).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
5.6
25
Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Wnb of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen. Gezien de toename van stikstofemissie door plannen is wellicht een berekening van precieze emissie en depositie van stikstof wenselijk voor dit project. Het betreft een zogenaamde ‘Aerius’-berekening. Aanbevolen wordt hierover vooroverleg te voeren met het bevoegd gezag, de Provincie Zuid-Holland.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
26
6
Conclusies 6.1
Beschermde soorten Wnb ♣ Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. ♣ Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. ♣ In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. ♣ Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. ♣ In de bebouwing/bomen rondom het plangebied kunnen mogelijk vleermuizen verblijven.
Tijdens de werkzaamheden moet worden voorkomen dat ’s nachts felle verlichting aan blijft staan, zodat eventueel aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen in de omgeving van het plangebied niet worden verstoord. Voorkom pionierssoorten op de bouwplaats ♣ Rugstreeppad: Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’. ♣ In de voortplantingsperiode van de Rugstreeppad (april t/m augustus) moet worden voorkomen dat kleine watertjes ontstaan op het bouwterrein. Rugstreeppadden gebruiken voor de voortplanting kleine watertjes in pionierssituaties zoals bijvoorbeeld water dat blijft staan in rijsporen op een bouwterrein. ♣ Oeverzwaluw: Oeverzwaluwen graven nestholtes in zandhopen, en komen daardoor regelmatig op bouwplaatsen voor. Adviezen om de vestiging van Oeverzwaluwen tegen te gaan zijn:
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
27
♣ Voorkom de aanwezigheid van steile wanden (hoek > 45 graden) door er voor te zorgen dat zandhopen in de vestigingsperiode van Oeverzwaluwen (april-juni) geëgaliseerd zijn. ♣ Voorkom dat gegraven sleuven of bouwputten met steil talud aanwezig zijn in de vestigingsperiode van Oeverzwaluwen. Als in deze periode wel sleuven of bouwputten nodig zijn om de werkzaamheden uit te voeren zorg er dan voor dat de sleuf op het moment dat geen werkzaamheden plaatsvinden. Einde van werkdag, of weekend, afgedekt is doormiddel van bijvoorbeeld houten platen. De wanden van een bouwput kan worden afgedekt met bijvoorbeeld gronddoek. ♣ Kleine plevier: Voorkom dat in het broedseizoen van de Kleine plevier (eind maart t/m augustus) geschikt broedbiotoop aanwezig is voor de soort. Voorkom open, kaal, zanderig terrein met voldoende rust. Zet bouwmaterialen op het terrein en zorg voor voldoende menselijke activiteit. ♣ Voorkom plassen water op het terrein. Door de aanwezigheid van waterplassen op het terrein is een bouwplaats extra interessant als broedplek voor deze soort.
6.2
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving ♣ Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is buiten indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving dan die beschreven in hoofdstuk 3 en 4 aan de orde is bij uitvoering van de plannen. ♣ Gezien de mogelijke toename van stikstofemissie door plannen is wellicht een berekening van precieze emissie en depositie van stikstof wenselijk voor dit project. Het betreft een zogenaamde ‘Aerius’-berekening. Aanbevolen wordt hierover vooroverleg te voeren met het bevoegd gezag, de Provincie Zuid-Holland.
6.3
Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren: ♣ Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten; ♣ Ontzie groen en groenvoorzieningen zoveel als mogelijk tijdens de werkzaamheden en bij het (tijdelijk) opslaan van machines en
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
28
materialen. Gebruik zo klein mogelijke werkbreedtes en gebruik eventuele bouwwegen zowel voor aanvoer als afvoer. ♣ Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten. ♣ Het verwijderen van groen kan zoveel mogelijk beperkt worden of na de werkzaamheden kan nieuw groen aangeplant worden op dezelfde locaties als waar groen verwijderd wordt. Houdt bij werkzaamheden rondom groenvoorzieningen een zo smal mogelijke werkbreedte aan. ♣ Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zoveel mogelijk van bestaande paden gebruik gemaakt worden, of kunnen nieuw gecreëerde paden herhaaldelijk worden gebruikt om insporing en potentiele verstoring te beperken. ♣ Om schade aan vissen en amfibieën te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de perioden van voortplanting en overwintering. ♣ Uit de te dempen wateren kunnen amfibieën (alle stadia) of vissen verdreven worden door van ‘dicht’ naar ‘open’ te werken en geen dieren in te sluiten. Als dit niet mogelijk is kunnen de dieren weggevangen worden door de wateren af te dammen en het waterniveau te verlagen.
Deze dieren kunnen vervolgens worden overgebracht naar een geschikt water in de nabije omgeving. ♣ Bij de sloop- en bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.
6.4
Aanbevelingen ter bevordering van natuur Met behulp van enkele eenvoudige maatregelen kan de natuur in het plangebied versterkt worden en krijgen planten en dieren ook in nieuwe ontwikkelingslocaties de ruimte. Hiervoor worden voor dit plan de volgende aanbevelingen gedaan: ♣ Het verbreden van wateren rondom planpercelen en de aanleg van natuurvriendelijke oevers; ♣ Het plaatsen van vleermuiskasten of geschikt maken of open houden van spouwmuren van nieuwbouw voor vleermuizen; ♣ Plaatsen van voorzieningen voor Huismussen, Spreeuwen en Gierzwaluwen d.m.v. speciale dakpannen, vogelvides of inmetselstenen; ♣ Het plaatsen van zogenaamde ‘insectenhotels’ aan de muren van de bebouwing, in tuinen of in bestaande of aan te planten groenstructuren; ♣ Beplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten zoals meidoorn, Wilde liguster, Klimop en Sleedoorn die
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
29
insecten, vogels en vlinders kunnen aantrekken. Beplanting kan het beste aaneengesloten worden aangelegd omdat daarmee routes ontstaan voor soorten als Egel, muizen en vleermuizen; ♣ Indien bij de inrichting van het plangebied ook gemetselde muren gerealiseerd worden kunnen hierbij speciale materialen toegepast worden die veel sneller dan gebruikelijk een groeiplaats bieden voor muurplanten.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
30
7
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BIJLSMA, ROB.G., 1993 Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., O VON HELVERSEN & D. NILL, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD (NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING VZZ EN GEGEVENSAUTORITEIT NATUUR).
Vleermuisprotocol 2020, 28 oktober 2020.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
8
Bijlagen
Bijlage 1
Huidige natuurwetgeving
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
31
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
Bijlage 1 Huidige natuurwetgeving Bijlage 1.1 Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 1.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”
Bijlage 1.2 Soortbescherming Bijlage 1.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de HRL en soorten genoemd in de VRL. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 2.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.
Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld.
DR
FL
FR
GL
GR
L
NB
NH
OV
UT
ZH
ZL
+ + + + +
+ +
+ + + + +
+ +
+ + + + +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ + + + +
+ +
+ +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + +
+ + + + + + + + +
+ + +
+ + +
+ + +
+ +
+ + + + +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + + +
+ + +
+ + + +
+ + +
+ + + +
+ + + + + +1 + + + + + + + + + +2 + + + +
+ + +
+ + +
+ + +
+ + + +
+ + + +
+ + + +
+
+
+
+
+
+
+ +
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ + +3 + +4 + +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
Zoogdieren Aardmuis Bosmuis* Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis* Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Wild zwijn Woelrat Amfibieën en reptielen Bruine Kikker Gewone pad Hazelworm Kleine watersalamander Levendbarende hagedis Meerkikker Bastaardkikker
Van der Goes en Groot
+ +
+ + + + +
+ +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
+ +
+
+ +
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
Bijlage 1.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bijlage 1.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 1.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de
¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet. Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 1.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig: ♣ in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. ♣ in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. ♣ ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig: ♣ ter bescherming van flora en fauna. ♣ in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig: ♣ ter bescherming van flora en fauna. ♣ in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. ♣ in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan.
♣ ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen. Bijlage 1.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘broedvogels met jaarrond beschermde nesten’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-148
Stavorenweg 4 en 6 te Gouda
Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie. *Geldt alleen in provincie Limburg en Overijssel Categorieën waarbinnen de soorten in deze provincies vallen zijn aangegeven voor Limburg, Overijssel.
**Geldt alleen in provincie Limburg.
***Geldt alleen in provincie Overijssel
Soort Bijeneter** Blauwe reiger** Boerenzwaluw* Boomvalk Bosuil* Buizerd Draaihals** Gierzwaluw Grauwe klauwier** Grote gele kwikstaart Grutto** Havik Huismus Huiszwaluw* IJsvogel** Kerkuil Kramsvogel** Kwartelkoning** Oehoe Ooievaar Paapje** Raaf* Ransuil Ringmus** Roek Roerdomp** Rode Wouw** Slechtvalk Sperwer Spotvogel** Steenuil Torenvalk* Visdief** Wespendief Wulp** Zeearend*** Zomertortel** Zwarte specht* Zwarte wouw