bijlage 2. adviesbrief van de GASD
Tekst van het document
Aan: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Gouda Betreft: Adviesaanvraag Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2026 Gouda, 9 december 2025 Geacht college, U heeft de GASD om advies gevraagd over Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2026 (hierna: Verordening). U heeft in de adviesaanvraag toegelicht dat de Verordening is aangepast om de gemeentelijke regelgeving te laten aansluiten op landelijke verplichtingen, passend bij de actuele juridische kaders. U heeft zich daarbij gebaseerd op de modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. U hebt in uw adviesaanvraag zes elementen opgenomen waarvan u ons vraagt daar aandacht aan te besteden. Wij richten ons op de elementen waarover wij in gesprek zijn geweest met de maatschappelijke organisaties. In deze gesprekken stond eigen kracht centraal. Daarnaast hebben wij ons gericht op de veranderingen in de voorliggende verordening ten opzichte van de voorgaande. Deze veranderingen betreffen met name de jeugdhulp. Wij tekenen aan dat het niet aan ons is om te beoordelen of de jurisprudentie juist en volledig is verwerkt. Wij hebben dit advies in nauwe samenwerking met de GCR opgesteld. Wij hebben diverse gesprekken gevoerd met de betreffende ambtenaren en organisaties die een belangrijke rol hebben in het Sociaal Domein.
We kijken terug op hele mooie en inhoudelijke gesprekken, waaruit de grote betrokkenheid bij de inwoners van Gouda blijkt. Algemeen Er is een breed gedeeld besef dat het goed is dat er meer focus op eigen kracht komt te liggen. Zowel om gezinnen te versterken als om het stelsel houdbaar te houden en te kunnen blijven zorgen voor de meest kwetsbare inwoners. Daarbij wordt ook het afstemmen gewaardeerd op
het aanbod op basis van andere domeinen en wetgeving zoals in artikel 5. Dat helpt om verkokering tegen te gaan. Vaak zijn signalen bij jeugdigen een aanwijzing dat er in gezinnen op andere terreinen dan (alleen) bij de jeugdige mogelijk sprake is van problematiek en waar dus mogelijk inzet nodig is. Overigens zal altijd moeten worden gekeken of de jeugdige daarnaast ook ondersteuning nodig heeft. Dat geeft ook het belang aan van een samenhangend plan, waarin de volgordelijkheid en het al dan niet gewenst samenvallen van de inzet van ondersteuning beschreven staat. Wat echter gemist wordt is hoe bijvoorbeeld ouders geholpen worden om de eigen kracht te versterken of in te zetten. Het risico wordt daarmee breed gedeeld en gevoeld dat de mensen die het meest kwetsbaar zijn nog meer in de knel komen. Daarbij valt bijvoorbeeld concreet te denken aan het familiegroepsplan. Er wordt nu gewezen op de mogelijkheid om een familiegroepsplan in te leveren. De gemeente zou dit actiever kunnen stimuleren, faciliteren en bekostigen, zoals ook beschreven in deze factsheet van het Nederlands Jeugdinstituut. Met een goed familiegroepsplan wordt een fundament gelegd dat gezinnen zelf dragen en waar ze energie in willen steken. Het biedt ook ruimte om in gesprek te gaan over ondersteuning op de hulpvraag in plaats van focus op het specifiek aangevraagde "product".
In het familiegroepsplan zou bijvoorbeeld ook gezamenlijkheid met de zorg vanuit andere wetten, zoals in artikel 5 beschreven, en onderdelen van de gemeente (wonen, werk, inkomen) betrokken kunnen worden. Een onafhankelijk cliëntondersteuner of andere professional zou een gezin hierbij kunnen begeleiden. Advies 1: Besteed in de Verordening, en als dat niet kan in de uitwerking van de Verordening, meer aandacht aan hoe eigen kracht gestimuleerd kan worden. Wat doet de gemeente om ouders te ondersteunen om op een duurzame manier meer vanuit eigen kracht te kunnen werken? Advies 2: Voeg bij artikel 7 lid 4 toe: Het college wijst de jeugdige of diens ouders actief op de waarde van het familiegroepsplan en ondersteunt de totstandkoming door faciliteiten en professionele ondersteuning te bieden. Advies 3: Bied de mogelijkheid om een aanvraag, indien deze wordt afgewezen op grond van artikel 20, lid 3, om te zetten in een aanvraag voor en door een volwassene die een beroep doet op een andere wet of regeling zodat hiermee ook integraal wordt gehandeld vanuit de gemeente. Suggestie voor alternatieve tekst in de Verordening: “Indien de hulpvraag ligt op het domein van andere door de gemeente uitgevoerde regelingen wordt de aanvraag door de gemeente in behandeling genomen.
Indien de vraag ligt op het gebied van andere uitvoeringsorganen attendeert de gemeente de aanvrager waar hij terecht kan.” Transitie naar volwassenheid Artikel 5 lid 6 benoemt het tijdige onderzoek naar benodigde voorzieningen vanaf de achttiende verjaardag. Tijdig is in veel gevallen al rond het 16 levensjaar van de jeugdige. Als dan jeugdhulp wordt ingezet is in bepaalde gevallen al duidelijk dat de jeugdige op 18 jarige leeftijd niet zelfstandig kan wonen en wat de mogelijkheden van het netwerk zullen zijn. De tijdige afstemming van zorg vanuit de verschillende domeinen is essentieel. Advies 4a: Voeg tussen ‘tijdig’ en ‘welke’ in artikel 5 lid 6 toe: ,dat wil zeggen twee jaar voor de achttiende verjaardag (of voeg dit toe in de toelichting);
Advies 4b: Voeg in hetzelfde artikel na ‘wordt ingezet’ toe: en zoekt tijdig afstemming met de betreffende indicatiesteller (of voeg dit toe in de toelichting). Enkelvoudige en meervoudige zorgvragen De Verordening maakt geen onderscheid tussen mate van complexiteit van benodigde zorg. Grofweg is er een uitsplitsing te maken tussen enkelvoudige en meervoudige zorgvragen. Voor enkelvoudige jeugdhulp zou deelname aan groepsvoorzieningen een oplossing kunnen bieden, waarbij we in de Verordening zien dat er alleen van algemene of individuele voorzieningen gebruik gemaakt kan worden. Hierbij is het ook passend om in te zetten op de eigen kracht van de jeugdige en diens gezin. Advies 5: Verken de mogelijkheid om laagdrempelig een groepsvoorziening te kunnen inzetten in plaats van individuele voorzieningen door bijvoorbeeld het volgende artikel toe te voegen: ‘Artikel 17A. Het college onderzoekt of toegekende voorzieningen collectief kunnen worden aangeboden.’ Organisaties hebben aangegeven hier grote behoefte aan te hebben. Genoemd is bijvoorbeeld het inzetten van een vaste medewerker op scholen, zowel bij regulier als speciaal onderwijs, om te voorzien in de behoefte van verschillende leerlingen aan laagdrempelige en preventieve jeugdhulp.
Hiermee zou een deel van de individuele toekenningen op school kunnen vervallen, zijn er minder administratieve lasten en is er efficiënte inzet van begeleiding. De school zou een rol kunnen spelen bij het aangeven wat er nodig is. In dit kader is ook genoemd dat het schoolgebouw ruimte biedt voor centrale voorzieningen gezien dat hier de meeste Goudse kinderen aanwezig zijn (en gelet op de eisen voor inclusief onderwijs in 2035). Voor meervoudige zorgvragen is er juist maatwerk nodig. Door de huidige formulering van eigen kracht voelt een aantal ouders zich nog meer in de klem zitten. Er wordt al veel opgegeven qua werk, sociaal leven en zelfzorg door de intensieve zorg voor hun kind. Dit duidt ons inziens ook op de complexiteit rondom het begrip eigen kracht. Waar dit voor het ene gezin op een goede manier begeleid leidt tot een betere kwaliteit van leven, zal dit voor een ander gezin het juist nog zwaarder maken in een situatie die al niet eenvoudig is. In de beoordeling van de aanvraag zal het daarom nog steeds maatwerk van de consulent vragen om dit onderscheid te kunnen maken en om gezinnen op een goede manier te begeleiden naar het inzetten van (meer) eigen kracht. Specifiek artikel 13 We zien in artikel 13 de zoektocht naar de balans tussen inzetten op eigen kracht en het niet willen overvragen van ouders en jeugdigen.
Met name in lid 4 en 6 wordt veel van ouders gevraagd, wij vragen ons af of dit realistisch is en niet teveel druk op de schouders van ouders legt. We hebben specifiek gekeken naar die onderdelen die ons inziens een negatieve impact op die balans kunnen hebben. Hier volgt een aantal specifieke adviezen uit. Advies 6: - Voeg na ’16 jaar’ aan artikel 13, lid 4b, gedachtestreepje 3 toe ‘en een normaal slaapritme’.
- Specificeer met betrekking tot artikel 13, lid 4g in de toelichting over welke medische handelingen dit gaat. Als deze impactvol zijn qua tijdsbesteding of handeling, is dit niet wat binnen het probleemoplossend vermogen van ouders zou moeten vallen; - Voeg aan artikel 13, lid 6a, toe ‘in zoverre deze activiteiten niet bijdragen aan het vergroten van de veerkracht en het in stand houden van het netwerk.’ - Verwijder in artikel 13, lid 6b ‘verminderen van betaalde arbeid’. We kunnen ons voorstellen dat anders organiseren van betaalde arbeid tot een bepaalde mate en wanneer mogelijk behulpzaam kan zijn. We kunnen ons echter niet goed voorstellen dat het voor de zelfredzaamheid van ouders helpend is om betaalde arbeid te verminderen. Betaalde arbeid is zo’n wezenlijke onderdeel van het leven van elke individu, dat de drempel om te vragen hierop te verminderen heel hoog moet zijn. Veelal hebben ouders hier al op ingeboet en zo niet, dan is het gelet op financiële onafhankelijkheid, inclusie en participeren in de maatschappij niet wenselijk om te vragen hierop te verminderen. Dit gaat ook in tegen overheidsbeleid gericht op bevordering van de arbeidsparticipatie. Communicatie van belang voor vertrouwen Wat wij ook hoorden was dat communicatie vanuit de gemeente gemist wordt. Veel organisaties gaven het belang van goede communicatie aan.
De wijzigingen in de Verordening voelt voor veel organisaties als het juridisch indekken van de gemeente. Het gaat vooral over de plichten van ouders en jeugdigen. Er wordt gemist hoe de ouders en jeugdigen geholpen worden en wat hun rechten zijn. Tegelijk onderkennen wij dat de gemeente door de uitspraken van de bestuursrechter wel gedwongen is om meer concreet te maken wat onder eigen kracht wordt verstaan. Wij gaan er overigens van uit dat in geen enkel geval lopende toekenningen van voorzieningen vervallen. Het zou helpend zijn om een publieksversie van de Verordening te maken. En mogelijk nog belangrijker om duidelijke procedures te communiceren over wat de gemeente verwacht van aanvragers, maar ook wat aanvragers van de gemeente mag verwachten. Daarbij kunnen we ons voorstellen dat er onderscheid is in procedure bij een eerste aanvraag of bij herhaalde aanvragen waarbij de situatie ongewijzigd is en daarmee de informatiebehoefte van de gemeente mogelijk lager. Advies 7: Maak een publieksversie van de Verordening en communiceer duidelijke procedures over wat de gemeente verwacht van aanvragers en wat aanvragers van de gemeente mogen verwachten, waar aanvragers hulp kunnen vragen en wat de mogelijkheden tot eventueel bezwaar zijn. Maak waar mogelijk onderscheid tussen eerste aanvragen en herhaalde aanvragen, waarbij de situatie mogelijk onveranderd is.
Wij zijn uiteraard bereid tot een nadere toelichting op dit advies en zijn benieuwd naar uw reactie. Met vriendelijke groet, Ton de Korte Voorzitter GASD & GCR