Bijlage 13 2021-06-15 CCV beheer en onderhoud
Tekst van het document
Technisch Bulletin 80 – 2021 Datum
15 juni 2021
Beheer en onderhoud van watervoerende blussystemen
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
1
INHOUD Inleiding
4
1
Onderwerp en toepassingsgebied
5
2
Normatieve verwijzingen
6
3
Termen en definities
7
4
Prestatie-eisen Algemeen Installatiebeschikbaarheid Achtergrond Bepaling van de installatiebeschikbaarheid Bepaling installatiebeschikbaarheid
9 9 9
5
Beheer Eigenaar Huur, lease en bruikleen Collectieve bluswatervoorziening Eigenaar, Gebruiker en Beheerder Informatie ten behoeve van het beheer en onderhoud Installatie-informatie Wijzigingen en uitbreidingen van de blusinstallatie Lekkage, brand, storingen Buiten bedrijf stellen blusinstallatie Buiten bedrijf stellen van een CBV Beheer- en onderhoudsprogramma Registratie in het logboek
9 9 9 12 12
12 12 12 12
12 12 13 13 13 14 14
6
(Twee)wekelijkse test en controle Doel Uitvoering Operationele staat Rapportage
15 15 15 15 15
7
Onderhoud Het doel van het onderhoud Onderhoudscyclus Vooraf informeren Afwijkingen Operationele staat Rapportage Rapport van Onderhoud Logboek
16 16 16 16 16 16 16
16 16
8
Beheer- en onderhoudsprogramma
17
9
Gedetaileerde omschrijving van de taken
26
BIJLAGE 1 (informatief) - MODEL Logboek
57
BIJLAGE 2 (informatief) - MODEL Kennisgeving Buitenbedrijfstelling
60
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
2
BIJLAGE 3 (normatief) - MODEL Rapport van Onderhoud
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
61
3
INLEIDING In dit Technisch Bulletin (TB) is vastgelegd hoe watervoerende blusinstallaties moeten worden beheerd en onderhouden, en wat de taakverdeling is bij het beheer en onderhoud. 2011: EN 12845 - Sprinklerinstallaties NEN-EN 12845 + NEN 1073, gaat onder andere over beheer en onderhoud van sprinklerinstallaties. De Europese Commissie: CEN TC-191, heeft vastgesteld dat de omschrijving van onvoldoende kwaliteit en inhoud zijn. 2011: Hybride installaties De sprinklersystemen in Nederland zijn veelal van het type “hybride”. Dat wil zeggen; gebouwd volgens meerdere verschillende voorschriften. Bijvoorbeeld: Voor opslag wordt FM of NFPA toegepast terwijl het leidingwerk, elektrische delen en watervoorziening moet voldoen aan de NEN. 2011: Commissie van Belanghebbenden De Commissie van Belanghebbenden (CvB), de vertegenwoordiging van belanghebbenden in Nederland, meent dat het beter zou zijn dat alle bedrijven in Nederland op dezelfde manier onderhoud plegen, zonder zich af te hoeven vragen welke norm gehanteerd moet worden. De CvB heeft besloten om een universeel beheer- en onderhoudsvoorschrift op te stellen in de vorm van een Technisch Bulletin, dus onafhankelijk van het voorschrift waarop de installatie is aangelegd. Bovendien moest dat TB dermate gedetailleerd zijn zodat dat de omvang en diepgang van het onderhoud voor alle onderhoudsbedrijven hetzelfde is.
2017: Het CCV publiceerde dit technisch bulletin om ervoor te zorgen dat er duidelijkheid en gelijkheid komt bij beheer en onderhoud van sprinklerinstallaties. Technisch Bulletin 80: 2017 geeft invulling aan bovenstaand besluit. De bepalingen over beheer- en onderhoud in diverse voorschriften voor sprinklerinstallaties komen min of meer overeen. De frequentie waarin de beheer- en onderhoudsactiviteiten moeten worden uitgevoerd verschilt echter (soms sterk) van voorschrift tot voorschrift. De frequentie van beheeractiviteiten in dit Technisch Bulletin is gebaseerd op de meest toegepaste frequentie en is vastgesteld door Werkgroep-Onderhoud van het Deskundigenpanel VBB. 2021: Watervoerende blussystemen In TB 80 is op een overzichtelijke manier samenhangende informatie toegankelijk gemaakt over doelmatig beheer en onderhoud van automatische sprinklerinstallaties. Er is echter nog een aantal andere typen blussystemen waarvoor goed beheer en onderhoud minstens zo belangrijk is: bijvoorbeeld watersproei-, zwaarschuim- & middelschuim-, lichtschuim- en watermistsystemen. Dat geldt eveneens voor onderdelen van blussystemen zoals de watervoorziening of de elektrische voorzieningen. Het Deskundigenpanel VBB-systemen heeft daarom in de vergadering van 30 november 2017 het principebesluit genomen om het toepassingsgebied van TB 80 te verbreden naar watervoerende VBB-systemen.
Alle aspecten die te maken hebben met onderhoud die momenteel in andere besluiten of andere technisch bulletins zijn vermeld onder te brengen in dit voorschrift ). Samenstelling werkgroep Dit Technisch Bulletin is opgesteld door: De Werkgroep Onderhoud van het deskundigenpanel VBB-systemen. Het deskundigenpanel werkt in opdracht van en onder verantwoordelijkheid van de Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Op het ogenblik van publicatie van het Technisch Bulletin bestond de werkgroep uit: • Armin Bouwman • Jan Braakman • Jeroen van den Bemt • Mark Heijnemans • Matthijs Vast • Richard Hoyer (voorzitter en liaison) • Sven Sterkendries • Theo Holterman
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
4
1
ONDERWERP EN TOEPASSINGSGEBIED
Dit Technisch Bulletin geeft eisen aan voor het beheer en onderhoud van watervoerende blussystemen te weten: • Watervoorzieningen voor watervoerende blusinstallaties • Sprinklerinstallaties • Schuimbijmenginstallaties • Bluswaterinstallaties (al dan niet geheel of gedeeltelijk ondergronds) • Bluswaterinstallaties met hydranten (al dan niet aangesloten op een sprinklerinstallatie). • Bluswaterinstallaties met blusmonitoren En wordt in de toekomst uitgebreid met: • Watersproeinstallaties • Lage-druk watermistinstallaties • Hoge-druk watermistinstallaties • Zwaar en middelschuim installaties • Lichtschuiminstallaties Uitsluitingen • Droge blusleidingen. Hiervoor is NEN-1594 beschikbaar. • Vuurwerkbufferbewaarplaatsen tot 10 ton. Het VAS ’96 wordt aangestuurd vanuit het vuurwerkbesluit. Dit Technisch Bulletin is van toepassing op: • Nieuwe installaties • Bestaande installaties • Installaties die zijn aangelegd op basis van andere voorschriften zoals de NFPA-voorschriften, VdSvoorschriften of de FM-datasheets; • Installaties die zijn aangelegd op basis van andere voorschriften zoals de NFPA-voorschriften, VdSvoorschriften of de FM-datasheets uit het verleden.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
5
2
NORMATIEVE VERWIJZINGEN
De volgende documenten waarnaar is verwezen zijn onmisbaar voor de toepassing van dit document. • Bij gedateerde verwijzingen is alleen de aangehaalde versie van toepassing. • Bij ongedateerde verwijzingen is de laatste versie van het document (met inbegrip van wijzigingsbladen) waarnaar is verwezen van toepassing. • Als er publiekrechtelijk een andere versie is omschreven, dan is die versie van kracht. NEN-EN 12845+NEN 1073 Vaste brandblusinstallaties - Automatische sprinklerinstallaties - Ontwerp, installatie en onderhoud NEN-EN 590
Automotive fuels - Diesel - Requirements and test methods
NEN-EN 1568-serie
Blusmiddelen - Schuimconcentraten
NEN-2654-1
Beheer, controle en onderhoud van Brandbeveiligingsinstallaties - Deel 1: Brandmeldinstallaties.
NEN 3140
Bedrijfsvoering van elektrische installaties - Laagspanning
NEN-EN 12259-serie
Vaste brandblusinstallaties - Onderdelen voor sprinkler- en watersproeisystemen
VdS 2091
Erhaltung der Betriebsbereitschaft van Wasserlöschanlagen – Sprinkleranlagen
Technisch Bulletin: • 64* : Schuimbijmengsystemen • 67* : Controle- en onderhoudsregime voor waterreservoirs • (*: meest recente versie) In de toekomst zullen deze TB-'s verwerkt worden in TB-80. Dit wordt gerealiseerd nadat TB 64 en/of TB 67 geactualiseerd zijn.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
6
3
TERMEN EN DEFINITIES
Voor de toepassing van dit technisch bulletin gelden de definities als vermeld in NEN-EN 12845+NEN 1073 met toevoeging van onderstaande. aanpassingen Alle werkzaamheden aan de blusinstallatie die leiden tot een gewijzigde configuratie ten opzichte van de originele installatie. Voorbeelden van aanpassingen zijn; uitbreidingen van de installatie, permanente demontage van installatiedelen, vervangen van installatieonderdelen door andere fabricaten of typen, modificaties in software. beheer- en onderhoudsprogramma Programma opgesteld door de leverancier en/of deskundige en/of onderhouder van de blusinstallatie waarin de componenten in de blusinstallatie, met frequentie van controle en testen en het benodigde onderhoud is vastgelegd. beheerder De beheerder is een rol in dit TB. Het kan één of meerdere bedrijven en/of personen zijn die door de gebouweigenaar de zorg en verantwoordelijkheid heeft/ hebben voor de installatie. De beheerder is geïnstrueerd om de installatie te kunnen beheren en het functioneren van de blusinstallatie te testen. buitenbedrijfstelling Tijdelijke onderbreking van de operationele staat van de blusinstallatie of essentieel onderdeel daarvan. bijvulinrichting Voorziening die binnen bepaalde tijd voor voldoende watervoorraad zorgt indien de watervoorraad ontoereikend is.
Collectieve Bluswater Voorziening (CBV) Samenstelling van bluswatervoorraad, pompsets, leidingen en apparatuur die bluswater levert aan meerdere gebruikers of meerdere gebouwen. controle Controle is een begrip met meerdere betekenissen, afhankelijk van de context. Het is bijvoorbeeld toezicht op de juiste werking van een onderdeel, op het naleven van de voorschriften, op het al of niet aanwezig zijn van een fout. Controle is ook de mate van beheersing. Een beoordeling van de installatie om vast te stellen of de installatie zich in operationele toestand bevindt zodat het aannemelijk is dat de installatie bij een brand de functie kan vervullen waarvoor hij gebouwd is. Nagaan of wordt voldaan aan de eisen. Controle kan worden uitgevoerd door bijvoorbeeld administratieve, visuele controle, test en functionele beproeving. functioneel beproeven Het uitvoeren van handelingen bij samengestelde componenten, om te achterhalen of deze voldoen aan vooraf gedefinieerde prestatie-eisen (hoofdstuk 5). gebruiker De rechtspersoon die het bouwwerk gebruikt. De gebruiker kan ook eigenaar van het bouwwerk zijn (gebruiker-eigenaar), maar eigendom en gebruik zijn soms gescheiden, bijvoorbeeld bij verhuur. huurder Iemand (vertegenwoordiger van een bedrijf of een persoon) die iets in dienst, in gebruik neemt tegen betaling.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
7
installatiebeschikbaarheid Deel van de tijd binnen een jaar waarin de installatie beschikbaar is, uitgedrukt in een percentage: (1 – (duur buitenbedrijfstellingen + duur ongeplande onbeschikbaarheid)/jaar) x 100 = % leverancier De organisatie(s) die de blusinstallatie heeft (hebben) ontworpen en aangelegd. logboek Een registratie waarin gebeurtenissen gerelateerd met de brandveiligheidsinstallatie worden bijgehouden zodat later teruggelezen kan worden wat er precies gebeurd is op een bepaald moment. nominale staat De in grenswaarden uitgedrukte functionaliteit (fysieke instellingen en software-instellingen) van enig onderdeel van de installatie. De nominale staat wordt bepaald aan de hand van de uitgangspunten die golden – en de normen die gehanteerd zijn bij het ontwerp van de installatie (bron: CCV-certificatieschema). De functievervulling van installatiedelen komt niet in gevaar (bron NEN 2767 conditie 3). onderhoud De combinatie van technische handelingen om de onderdelen van de blusinstallatie in nominale staat te houden of te brengen met reparatie(s). onderhouder De personen en/of bedrijven die het onderhoud uitvoert/uitvoeren. operationele staat Alle vereiste componenten van de installatie verkeren in werkbare toestand. Het geeft aan dat de installatie paraat of in bedrijf is. Wordt ook werkvaardige toestand genoemd.
sectie Deel van de sprinklerinstallatie bestaande uit een alarmklepopstelling met bijbehorende leidingen en sprinklers aangesloten achter de alarmklep suppletie Voorziening voor het op peil houden van de watervoorraad. testen Het uitvoeren van handelingen aan componenten om te achterhalen of deze voldoet aan vooraf gedefinieerde prestatie-eisen (hoofdstuk 5). UPD Uitgangspuntendocument. Vroeger heette dit PvE; Programma van Eisen. Het is een document waarin de eisen omschreven staan waaraan de installatie moet voldoen.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
8
4
PRESTATIE-EISEN ALGEMEEN
De blusinstallatie moet direct de prestatie leveren waarvoor hij is aangelegd; het onder controle brengen, houden en/of blussen van de brand; het signaleren en het melden van de brand. De prestatie-eisen aan het beheer en onderhoud zijn erop gericht de kans op het falen van de blusinstallatie tot een minimum terug te brengen, door: 1. Het in nominale staat houden of brengen van alle installatiecomponenten. 2. Het bewerkstelligen dat de installatiebeschikbaarheid zoveel mogelijk kan worden gehandhaafd.
INSTALLATIEBESCHIKBAARHEID ACHTERGROND Een blusinstallatie moet gedurende een vooraf gedefinieerde tijd, uitgedrukt in een percentage beschikbaarheid, operationeel zijn. Onderhoud, aanpassingen en reparatiewerkzaamheden aan blusinstallaties behoren zo te worden uitgevoerd dat de tijd en omvang van de buitenbedrijfstelling zo kort mogelijk wordt gehouden. BEPALING VAN DE INSTALLATIEBESCHIKBAARHEID De beschikbaarheid van de installatie moet groter zijn dan de vooraf vastgestelde installatiebeschikbaarheid, uitgedrukt in een percentage van de tijd over een jaar. Indien de systeembeschikbaarheid niet bekend is moet dit vermeld worden. Bij de bepaling moeten buitenbedrijfstellingen voor het onderhoud zijn meegenomen. De reden van een buitenbedrijfstelling, de omvang en de tijdsduur moet worden vastgelegd in het logboek (zie hoofdstuk; “Beheer”). Bijlage 1; “model logboek” kan hiervoor gebruikt worden. Jaarlijks moet de beheerder bepalen hoeveel tijd de blusinstallatie geheel en of gedeeltelijk buiten bedrijf is geweest. De berekening wordt uitgevoerd door de beheerder, omdat: • de beheerder is namens de eigenaar/gebruiker verantwoordelijk voor de installatie; • de beheerder heeft invloed op de corrigerende acties.
Om het nut van corrigerende acties te kunnen bepalen heeft hij inzicht nodig in de wijze waarop de installatiebeschikbaarheid tot stand is gekomen; • de beheerder is het best op de hoogte van de omgevingsomstandigheden; • de beheerder is het best op de hoogte van de risico’s en preventieve maatregelen. Omvang van de berekening strekt zich uit tot storingen aan: • watervoorziening: waterreservoir, pompen, appendages etc.; • alarmkleppen met toebehoren; • leidingnetten; • blusmeldcentrale en de centrale met apparatuur voor aansturing van pre-action en deluge systemen; • de uitvoering van planmatige werkzaamheden zoals onderhoud-, testwerkzaamheden en installatieaanpassingen. Het is voor de berekeningsmethodiek van de installatiebeschikbaarheid belangrijk dat er rekening wordt gehouden met de soort storing respectievelijk handelingen aan de blusinstallatie en de impact die deze hebben op de functionaliteit. De totale uitval van een watervoorziening heeft een andere impact dan de uitval van een sectie (alarmklep). BEPALING INSTALLATIEBESCHIKBAARHEID Bij de bepaling van de installatiebeschikbaarheid moet rekening houden met het geheel of gedeeltelijk niet beschikbaar zijn van een blusinstallatie. Hiertoe moeten per gebeurtenis twee waarden met elkaar worden vermenigvuldigd: Tnb = De tijd (uren) waarin de gehele of een deel van de blusinstallatie niet beschikbaar was.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
9
Rnb = Het gedeelte (verhoudingsgetal van de blusinstallatie) dat Relatief niet beschikbaar was. RTnb = Rnb x Tnb. Dit geeft de Relatieve Tijd dat de blusinstallatie niet beschikbaar was. De waarden (RTnb) per gebeurtenis worden per jaar opgeteld. Met behulp van onderstaande formule wordt de installatiebeschikbaarheid op jaarbasis berekend. Installatiebeschikbaarheid = 8760 – (RTnb1 + RTnb2 + RTnb3 + …RTnbx) x 100% 8760 OPMERKING: 8760 is het aantal uren in een jaar. Bij een schrikkeljaar is dit 8784. Voorbeeldberekening RTnb Bij een reparatie aan een alarmklep valt een gebied bestaande uit 200 sprinklers uit. Het totale aantal sprinklers van deze blusinstallatie is 1000. De storing wordt na 6 uur verholpen. Tnb = 6 h. Rnb-waarde Het gedeelte van de blusinstallatie dat niet beschikbaar is, bedraagt: Rnb = de 200 uitgevallen sprinklers gedeeld door het totale aantal sprinklers van 1000: 200/1000 = 0,2. RTnb-waarde Vermenigvuldigd met het aantal uren (6) dat de 200 sprinklers buiten bedrijf zijn, bedraagt bij deze gebeurtenis de relatieve tijd dat de sprinklerinstallatie niet beschikbaar was: RTnb = Rnb × Tnb = 0,2 × 6 h = 1,2 h.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
10
Voorbeeld rapportage Het betreft een blusinstallatie met 1200 sprinklers waarvan de volgende zaken zijn geregistreerd: • 12-01-06: Er is eenmaal een lekkage opgetreden bij een van de pompsets van een tweevoudige watervoorziening, waardoor tijdens de reparatie deze pompset buiten bedrijf was. De reparatie was na 12 h gereed. • 14-01-06: Eenmaal is een lekkage in een van de blussecties bestaande uit 300 sprinklers opgetreden waardoor tijdens de reparatie de desbetreffende blussectie buiten bedrijf was. De reparatie was na 6 h gereed.
Installatiebeschikbaarheid
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
11
5
BEHEER EIGENAAR
De eigenaar is eindverantwoordelijk voor het beheer en onderhoud. Indien er sprake is van een huurder kan de eigenaar de verantwoordelijkheid delegeren aan de huurder. De eigenaar en huurder kunnen gebruiker zijn. HUUR, LEASE EN BRUIKLEEN Ingeval van huur, lease of bruikleen moet de gebruiker op de hoogte worden gesteld door de eigenaar over alle aspecten die betrekking hebben op het beheer en onderhoud. De eigenaar en de gebruiker moeten de onderlinge verdeling van verantwoordelijkheden aangaande het beheer en onderhoud vastleggen. COLLECTIEVE BLUSWATERVOORZIENING Bij een collectieve bluswatervoorziening (CBV) moeten de voorwaarden en procedures voor het opvolgen van storingen, het uitvoeren van periodieke tests en het buiten bedrijfstellen vooraf worden vastgelegd. Indien de hoofdleiding (deels) op terrein van de gemeente of derden is gelegd moet de eigenaar van de collectieve blusvoorziening vooraf met de eigenaar van de grond vastleggen dat; • indien nodig, er werkzaamheden aan de hoofdleiding kunnen worden verricht; • partijen gehouden zijn om een ongestoorde waterlevering mogelijk te maken.
EIGENAAR, GEBRUIKER EN BEHEERDER De eigenaar is ervoor verantwoordelijk dat het beheer en onderhoud wordt uitgevoerd, zoals omschreven in dit Technisch Bulletin. De eigenaar moet één of meer, personen en of bedrijven aanwijzen die zijn opgeleid en geïnstrueerd om te fungeren als beheerder. Belangrijk is dat er minimaal één beheerder is.
INFORMATIE TEN BEHOEVE VAN HET BEHEER EN ONDERHOUD INSTALLATIE-INFORMATIE De beheerder en de onderhouder moeten kunnen beschikken over de volgende informatie: • De omvang van de installatie. • De omvang van het uit te voeren onderhoud. • Een overzicht van alle componenten. • Per component de frequentie van de onderhoudsactiviteiten. • Informatie over de nominale staat en instelwaarden (bijvoorbeeld jongste rapport van onderhoud of rapport van oplevering). • Tekeningen en berekeningen. • Testrapport van de (twee)wekelijkse test. • Instructies en aanwijzingen voor het dagelijks beheer, testen en controles. • Informatie over sturingen vanuit de sprinklermeldinstallatie. • Eventueel een uitgangspuntendocument op basis waarvan de installatie gebouwd is. • De beheerder is ervoor verantwoordelijk dat de basisinformatie aanwezig is bij de installatie en actueel is. WIJZIGINGEN EN UITBREIDINGEN VAN DE BLUSINSTALLATIE Het brandrisico kan veranderen door bijvoorbeeld: wijzigingen in de opslag (configuratie, categorie goederen), ander gebruik van het gebouw, bouwkundige wijzigingen, nieuwe gebouwen enz. Deze wijzigingen kunnen een negatief effect hebben op de werking van de aanwezige blusinstallatie. De beheerder moet (laten) vaststellen of aanpassing en uitbreiding van de blusinstallatie noodzakelijk is.
Indien de wijziging of uitbreiding niet binnen de bestaande uitgangspunten past, dan moeten eerst de uitgangspunten herzien worden. Uitbreiding en aanpassing van de blusinstallatie en opstelling van het nieuwe rapport van interne eindcontrole voor het desbetreffende deel van de installatie moeten worden uitgevoerd door een installatiebedrijf. Bij Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
12
aanpassing van de installatie moeten ook de bedieningsvoorschriften, installatieplattegronden, hydraulische berekeningen, blokschema's, functiematrices en dergelijke voor zover nodig worden aangepast. Tevens moet het installatiebedrijf de beheerder wijzen op een eventueel noodzakelijke aanpassing van het gebruik en/of beheer. Het installatiebedrijf moet zeker stellen dat de door hem verrichte aanpassingen geen negatieve invloed hebben op de hydraulische eigenschappen van de installatie. Met andere woorden; dat de watervoorziening in staat blijft om de benodigde capaciteit te leveren. In het onderhoudsprogramma moet de omvang van de blusinstallatie en de tijdsintervallen voor de onderhouden beheerwerkzaamheden worden aangepast aan de nieuwe situatie. LEKKAGE, BRAND, STORINGEN De beheerder moet de onderhouder informeren over lekkages, brand of andere storingen. Storingen die niet door de beheerder verholpen kunnen worden moeten direct aan de onderhouder worden gemeld.
BUITEN BEDRIJF STELLEN BLUSINSTALLATIE Indien een blussectie of groep op de sprinklermeldinstallatie geheel of gedeeltelijk buiten bedrijf wordt gesteld, moet de beheerder passende maatregelen treffen. Voorbeelden van maatregelen: • De instanties, bijvoorbeeld de brandweer, verzekering, en elke doormeldcentrale (bijvoorbeeld particuliere alarmcentrales, regionale alarmcentrales, etc.) op de hoogte brengen. • Leidinggevend personeel in het desbetreffende gebied op de hoogte stellen en veiligheidsrondes maken om een brand vroegtijdig te ontdekken. • Geen werkzaamheden uitvoeren waarbij de kans aanwezig is dat brand ontstaat. Roken en open vuur moeten verboden zijn in de gebieden die buiten bedrijf zijn. • Indien een sectie na de normale werktijden buiten bedrijf blijft, behoren alle branddeuren en brandkleppen gesloten te blijven. • Alle aanwezige brandblusmiddelen behoren gereed te worden gehouden en opgeleid personeel behoort beschikbaar te zijn om de middelen te bedienen. • Het deel van de blusinstallatie dat buiten bedrijf is moet zo klein mogelijk zijn door het deel of de delen af te koppelen waar de werkzaamheden plaatsvinden. • Bij productiegebouwen waarbij meer dan 11 sprinklers uit bedrijf genomen worden, moet al het mogelijke gedaan worden om de werkzaamheden uit te voeren terwijl de machines zijn gestopt.
• Elke buiten bedrijf gestelde pomp behoort via de aanwezige afsluiters te worden geïsoleerd. • Indien mogelijk, behoren delen van de secties weer in bedrijf te worden gesteld om enige beveiliging te leveren door het toepassen van blindkappen en flenzen in het leidingnet; de blindkappen en flenzen behoren te worden gemonteerd met duidelijk zichtbare genummerde en geregistreerde aanduidingen om een tijdige verwijdering te bewerkstelligen. • Als installaties of delen daarvan langer dan een werkdag buiten bedrijf zijn moet dit van tevoren, schriftelijk worden gemeld aan belanghebbenden.
BUITEN BEDRIJF STELLEN VAN EEN CBV De buitenbedrijfstelling van de CBV moet ten minste tien werkdagen van tevoren schriftelijk worden gemeld aan de beheerders van de op de CBV aangesloten brandblusvoorzieningen. De beheerders van de op de CBV aangesloten brandblusvoorzieningen moeten eventuele bezwaren tegen de buitenbedrijfstelling van de CBV binnen vijf werkdagen na ontvangst van de melding aan de eigenaar van de CBV kenbaar maken. Indien een reparatie aan de CBV direct noodzakelijk is omdat anders de beveiliging niet geborgd is, kan geen bezwaar worden aangetekend. Onvoorziene buitenbedrijfstellingen moeten onmiddellijk schriftelijk worden gemeld aan elke aangesloten gebruiker.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
13
BEHEER- EN ONDERHOUDSPROGRAMMA Het beheer- en onderhoudsprogramma moet in eerste instantie door de leverancier van de installatie worden opgesteld en daarna door de onderhouder of ter zake kundige, actueel worden gehouden. In het programma moet de vereiste frequentie van controle en testen van de componenten in de blusinstallatie staan, alsmede het benodigde onderhoud wordt uitgevoerd. De omvang en frequentie zijn afhankelijk van de toegepaste installatie, de gebruiksomstandigheden en de voorschriften van de leverancier. Het beheer- en onderhoudsprogramma is onderverdeeld in twee hoofdactiviteiten: • Wekelijkse test. • Onderhoud. De beheerder moet de (twee)wekelijkse test uitvoeren of laten uitvoeren. De beheerder moet de test en controlewerkzaamheden volgens de betreffende kolom van hoofdstuk 8 uitvoeren. De beheerder moet ervoor zorgen dat het onderhoudsprogramma ten aanzien van componenten en deelsystemen wordt uitgevoerd door een onderhouder. Bij onderhoud van een deel van een installatie moet uit de opdracht duidelijk blijken welk deel het betreft en wat de afbakening daarvan is. De onderhouder maakt in het Rapport van Onderhoud aantoonbaar/inzichtelijk aan welk deel of welke delen van de installatie onderhoud is uitgevoerd. Bij afronding van het deelonderhoud moeten de functionele beproevingen worden gedaan om vast te stellen dat de installatie bedrijfsvaardig is.
Mocht het als gevolg van de eisen niet mogelijk zijn een werkend geheel te krijgen dan moet dit besproken worden met de beheerder. De onderhouder heeft hierin de adviserende rol en de beheerder de beslissende rol. Voor de metingen of beproevingen die verricht moeten worden in de elektrische circuits geeft de beheerder/installatieverantwoordelijke automatisch toestemming; door de instemming van de onderhoudsafspraak.
REGISTRATIE IN HET LOGBOEK Alle gebeurtenissen die te maken hebben met het functioneren van de blusinstallatie moeten op chronologische volgorde worden vermeld in het logboek. Het bijhouden van een logboek is nodig voor het verkrijgen van een doorlopende documentatie betreffende de werkelijke staat en de bedrijfstoestanden van een blusinstallatie. Het logboek moet chronologisch worden bijgehouden, vanaf de interne eindcontrole (bij levering) van de blusinstallatie tot aan de gebruiksbeëindiging ervan. Bijlage 1; “model logboek” kan hiervoor gebruikt worden. De beheerder is ervoor verantwoordelijk dat het logboek aanwezig en actueel is. Het logboek moet toegankelijk zijn voor de onderhouder en in de nabijheid van de installatie. Bij voorkeur dient het logboek aanwezig te zijn in de pompkamer. Het logboek mag elektronisch worden uitgevoerd mits aan alle voorgenoemde eisen wordt voldaan en van het digitale logboek moet een actuele back-up aanwezig zijn. Het is van groot belang dat alle details in het logboek terecht komen, zodat men later niets mist. Ook is het van belang dat de vastleggingen in een logboek waarheidsgetrouw zijn. De gegevens mogen niet verwijderd of ongecontroleerd gemuteerd worden.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
14
6
(TWEE)WEKELIJKSE TEST EN CONTROLE DOEL
Periodieke test en controlewerkzaamheden om de staat te controleren en mogelijke defecten in een vroeg stadium te signaleren.
UITVOERING Controle- en testwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd door personen met de training, instructies en ervaring passend bij de installatie. De beheerder kan deze werkzaamheden door een onderhoudsbedrijf laten uitvoeren. De werkzaamheden moeten wekelijks worden uitgevoerd. Indien wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarde is een tweewekelijkse controle voldoende: • de voorgeschreven procedures contractueel worden uitgevoerd door een onderhoudsbedrijf dat is geregistreerd voor het uitvoeren van gecertificeerd onderhoud (zie paragraaf 7.2); of • de installaties zijn voorzien van een bewakingsinstallatie (afsluiterbewaking met doormelding naar een 24/7 bezette post). Afwijkingen Afwijkingen ten opzichte van de nominale staat, die worden geconstateerd tijdens controles en testen, moeten worden onderzocht en hersteld.
OPERATIONELE STAAT Nadat een controle of test is uitgevoerd moet de installatie worden teruggebracht in de operationele staat.
RAPPORTAGE De (twee)wekelijkse test moet in het logboek genoteerd worden. De testresultaten moeten gedetailleerd worden vastgelegd in een testrapport. De testrapporten moeten om de startwaarden en de gedurende de test gemeten waarden te noteren. De startwaarden moeten worden overgenomen uit het Rapport van Interne Eindcontrole. De testrapporten moeten waar nodig de toleranties (grenswaarden voor functioneren van enig onderdeel van de installatie) bevatten. Ook details over eventuele correcties die zijn uitgevoerd of die noodzakelijk zijn moeten in het rapport geregistreerd worden. Het testrapport moet door de uitvoerder ondertekend worden. De testresultaten moeten worden vergeleken met de waarden uit het rapport van interne eindcontrole ten tijde van de oplevering van de installatie (indien beschikbaar) en met de vorige testresultaten. Indien de onderhouder de test uitvoert moet een ondertekend rapport aan de beheerder worden overhandigd. De beheerder archiveert het rapport in het logboek.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
15
7
ONDERHOUD HET DOEL VAN HET ONDERHOUD
De onderdelen van de blusinstallatie moeten in nominale staat worden gehouden of door reparaties gebracht. Onderhoud moet worden uitgevoerd door een persoon die beschikt over de hiervoor noodzakelijke productkennis, vakbekwaamheid, kennis en opleiding. De kwalificatie zoals omschreven in het CCVcertificatieschema; Onderhoud VBB-installaties, is maatgevend.
ONDERHOUDSCYCLUS Voor elke installatie moet bij oplevering een ijkdatum worden vastgelegd waarop elke 12 maanden het voorgeschreven onderhoud moet zijn uitgevoerd. De laatste dag van interne eindcontrole is de ijkdatum. Indien de dag van interne eindcontrole niet bekend is, is de datum van het laatst uitgevoerde onderhoud de ijkdatum. De ijkdatum verandert niet als het onderhoud eerder of later wordt uitgevoerd. Het onderhoud moet binnen een bandbreedte van plus of min 2 maanden van de ijkdatum zijn afgerond.
VOORAF INFORMEREN Indien een blussectie of groep op de sprinklermeldinstallatie geheel of gedeeltelijk buiten bedrijf wordt gesteld, moet de onderhouder de beheerder vooraf op de hoogte stellen, zodat de beheerder passende maatregelen kan treffen. Bijlage 2; “model kennisgeving buiten bedrijfstelling”, kan hiervoor worden gebruikt.
AFWIJKINGEN Afwijkingen, ten opzichte van de nominale staat, die worden geconstateerd tijdens controles en testen moeten worden onderzocht en acties voor herstel moeten worden uitgevoerd. Functionele beproeving Na voltooiing van het onderhoudswerk moet op de component, waarvan de werking tijdens het onderhoud is onderbroken, een functionele beproeving worden uitgevoerd. Is het functioneren van de component afhankelijk van samenwerking met andere componenten, dan moet deze samenwerking in de beproeving worden betrokken.
OPERATIONELE STAAT Nadat een functionele beproeving is uitgevoerd moet de installatie worden teruggebracht in de operationele staat.
RAPPORTAGE RAPPORT VAN ONDERHOUD Alle activiteiten moeten worden vastgelegd in een rapport van onderhoud volgens bijlage 3, inclusief gemeten waarden waar van toepassing en eventuele correcties die zijn uitgevoerd. De resultaten moeten worden vergeleken met de waarden uit het rapport van interne eindcontrole ten tijde van de oplevering van de installatie en met het vorige rapport van onderhoud. Indien er verschillen aangetroffen worden dan moet de onderhouder onderzoeken waardoor de verschillen veroorzaakt worden en eventueel maatregelen treffen. Nadat de rapportage door een onderhoudsdeskundige is geverifieerd wordt een getekend rapport, inclusief, indien van toepassing, de onderhoudsrapportages van onderaannemers, aan de beheerder overhandigd. LOGBOEK Het onderhoud of delen van het onderhoud moeten door de onderhouder worden genoteerd in het logboek. De beheerder archiveert het rapport van onderhoud in het logboek.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
16
8
BEHEER- EN ONDERHOUDSPROGRAMMA
Dit is een overzicht van alle controles, testen en onderhoudstaken. Het beheer- en onderhouds-programma is onderverdeeld in 2 hoofdactiviteiten: • (twee)wekelijkse test (voor algemene informatie zie hoofdstuk 6). Met name 6.2. • Onderhoud (voor algemene informatie zie hoofdstuk 7). De volgende tabel geeft een omschrijving van alle taken met de bijbehorende frequentie. De kolom verwijzing verwijst naar: • de paragraaf in hoofdstuk 9 met een uitgebreide omschrijving van het onderhoud; • naar het modelrapport van onderhoud volgens bijlage 3 (B3); • naar een ander Technisch Bulletin. De invulling van de (twee)wekelijkse test staat in de bedieningsinstructie. Alle (twee)wekelijkse taken moeten ook tijdens het jaarlijks onderhoud door een onderhouder uitgevoerd worden. Alle jaarlijkse taken moeten ook tijdens het meer-jaarlijkse onderhoud worden uitgevoerd.
VERWIJZING
MEER JAARLIJKS
TAAKOMSCHRIJVING: CONTROLE, TEST EN ONDERHOUD
ONDERHOUD
1 JAARLIJKS
COMPONENT
(TWEE) WEKELIJKS
TEST
WATERVOORZIENING Capaciteitstest. Registratie volgens rapport van onderhoud.
DWL
B3
Capaciteitstest bij aansluiting op drukverhogingspomp.
x
x
1.1
Controle lagedruksignalering.
x
x
B3
Filter reinigen.
x
Onderdrukbeveiliging (type -drukschakelaar); werking testen.
x
1.2
x
1.3
x
1.4
Onderdrukbeveiliging (type automatische afsluiter); werking testen. Onderdrukbeveiliging (type automatische afsluiter); controleren. Beheer en onderhoud van terugstroom-beveiliging (bacteriologische klep) door drinkwaterbedrijf. Leidingen en appendages; controle op uitwendige corrosie. Zo nodig conserveren.
Reservoir
x
10
1.15
x
Controle van de omgeving.
x
1.8
Controles volgens het rapport van onderhoud
x
B3
x
1.9
x
1.10
x
1.11
Controle op juiste waterniveau.
x
Controle op instelling en werking van niveauschakelaars. Controle van de instelling en werking van temperatuursignaalgevers. Tijdens een periode van bevriezingsgevaar
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
x
17
x
x
x
x
x
1.5
Controle en test bijvulinrichting.
x
1.5
Controleren op zichtbare vervuiling van het water.
x
Controle op uitwendige corrosie en beschadigingen.
x
Apparatuur om een wak te garanderen; controle op werking en instelling Tijdens een periode van bevriezingsgevaar. Controle van de tracing en isolatie van de leidingen. Tijdens een periode van bevriezingsgevaar. Controle en test van de suppletie.
Voetklep; testen
x
Voetklep; Inwendig controleren en eventueel reviseren.
Open water en Bassin
x x
TB67 1.13
2, 3 of 5
1.14
Controle op juiste waterniveau.
x
x
1.9
Controle instelling en werking van niveauschakelaars zuigput.
x
x
1.10
Controle instelling en werking van temperatuursignaalgevers.
x
x
1.11
Controle op werking en instelling van apparatuur om tijdens een periode van bevriezingsgevaar, een wak te garanderen in de zuigput.
x
x
Controle en test van de suppletie.
x
x
1.5
x
1.5
x
1.12
x
1.12
Controle en test bijvulinrichting Controle en zo nodig reinigen van grof-filter(s) alsmede zuigen/of bezinkput. Controle en zo nodig reinigen van fijn-filter(s) en controle op de gangbaarheid ervan. Controleren op zichtbare vervuiling van het water.
x
Bassin/Vijver met liner cq folie: inwendige inspectie. Voetklep; testen.
3 x
Voetklep; Inwendig controleren en eventueel reviseren.
Druktank
TB67 1.7 3, 5 of 10
Controle, binnenzijde.
VERWIJZING
x
TAAKOMSCHRIJVING: CONTROLE, TEST EN ONDERHOUD
MEER JAARLIJKS
1 JAARLIJKS
COMPONENT
ONDERHOUD
(TWEE) WEKELIJKS
TEST
Controle op instelling en werking van niveauschakelaars vulinrichting met vermelding vereiste waarden. Controle op instelling drukschakelaar lagedruk DWL druktank met vermelding vereiste waarde.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
x x
x
x
x
x
1.16 1.13
2, 3 of 5
1.14
18
x
x
Controle van het peilglas (aftappen en afsluiten).
x
x
Controle van de kathodische bescherming. Controle op inwendige en uitwendige corrosie. Zo nodig stralen en coaten. Controle op corrosie en lekkage van leidingen en verbindingen (lucht en water).
VERWIJZING
Controle op operationele toestand vulpomp en compressor.
MEER JAARLIJKS
TAAKOMSCHRIJVING: CONTROLE, TEST EN ONDERHOUD
1 JAARLIJKS
COMPONENT
ONDERHOUD
(TWEE) WEKELIJKS
TEST
x 3 x
x
Controle op temperatuur van de ruimte tijdens vorstperiode.
x
x
Controle temperatuurregeling en temperatuursignalering tijdens vorstperiode
x
x
Testdraaien.
x
x
Registreren draaiuren.
x
x
WATERVOORZIENING POMPEN & POMPKAMER
Pompkamer
Dieselmotor aangedreven pompset
Electromotor aangedreven pompset
2.1
Capaciteitstest, metingen en registraties volgens bijlage 3.
x
B3
Controleren en eventuele correcties volgens bijlage 3.
x
B3
Vervanging smeerolie en oliefilters.
x
B3
Onderhoud / Vervangen lood-zuur accu’s.
x
2
2.4
Onderhoud / Vervangen nikkel-cadmium accu’s.
x
10/15
2.4
Digitaal geregeld; testen en controleren.
x
2.3
Voorzien van drukregeling; testen en controleren.
x
2.5
x
2.1
x
B3
x
2.6
x
2.7
Testdraaien.
x
Capaciteitstest, metingen en registraties volgens bijlage 3. Testen op afsluitende werking.
x
Overstort-klep Filter reinigen. Revisie volgens opgave leverancier. Slijtbare onderdelen vervangen. Testdraaien.
3 x
2.8
x
NSA Rechtstreekse schakeling; Controle en onderhoud.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
x
2.2
19
x
2.1
Capaciteitstest. Metingen volgens bijlage 3.
x
B3
Meten inschakeldruk
x
B3
Testdraaien.
Onderwater pomp
Registreren draaiuren.
x
Controles volgens bijlage 3.
x x
Visuele controle van de buitenzijde van de onderwaterpomp. Bronpomp
Controle, test en onderhoud volgens bijlage 3.
B3 3
x
Controle en onderhoud volgens bijlage 3.
VERWIJZING
x
TAAKOMSCHRIJVING: CONTROLE, TEST EN ONDERHOUD
MEER JAARLIJKS
1 JAARLIJKS
COMPONENT
ONDERHOUD
(TWEE) WEKELIJKS
TEST
2.18
x
B3
x
B3
Jockeypomp
Vuilwaterafvoer in de pompkamer
Vulinrichting
Testen op drukdaling, start en stop.
x
x
Pomp: functionele beproeving en controles volgens bijlage 3.
x
x
Controle op functioneren van de keerklep (indien aanwezig).
x
Leidingwerk: controle op uitwendige corrosie en lekkage van leidingen en verbindingen (gebreken moeten verholpen worden).
x
Opvangbak: controle op vervuiling en corrosie.
x
Functionele beproeving vlotterschakelaar inclusief start van de pomp.
x
x
Controle suppletie tank.
x
x
B3
c.q. Priming/ break tank
Flowmeter (water)
Controle priming-leiding met keerklep
x
Controle op uitwendige corrosie en lekkage van leidingen en verbindingen (gebreken moeten verholpen worden).
x
Controle op inwendige vervuiling tank en zo nodig reinigen.
x
Controleren op juiste werking.
x
Kalibratie (bij schuimbijmengsystemen)
2
Controle op beschadigingen, vervuiling. Hoofd Afsluiters
Controle afsluiter zonder standbewaking, slot of zegel. Controle van afsluiter met standbewaking.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
TB 64
x x
x
2.12
x
2.11
20
Testen en onderhouden. Gestuurde afsluiter/ actuator Hoofdkeerkleppen en systemriser E-Lint verwarming
VERWIJZING
MEER JAARLIJKS
TAAKOMSCHRIJVING: CONTROLE, TEST EN ONDERHOUD
ONDERHOUD
1 JAARLIJKS
COMPONENT
(TWEE) WEKELIJKS
TEST
x
2.10
x
2.14
Onderhoud.
x
2.13
Testen.
x
Functioneel testen op volledig openen en sluiten.
x
Inwendig onderhoud.
3
2.9
Blussectie - keerkleppen: inwendig onderhoud.
5
2.9
Controle en testen
x
2.15
Controle en aflezen.
x
x
2.16
Test en onderhoud.
x
x
2.17
Manometers
GRONDLEIDINGNET Leidingen
Doorspoelen grondleidingen.
5
3.1
Leidingen
Capaciteitstest.
2
3.1
Afsluiters
Afsluiters in de grond en hydranten (inclusief de hierbij behorende blusmonitoren); controleren, test en onderhoud.
Hydranten/ blusmonitoren Meting capaciteit (druk en opbrengst) hydranten (aangesloten Meting worplengte blusmonitoren op de blusinstallatie)
x
3.2
x
3.2
ALARMKLEPPEN Alarmklep opstellingsruimte
Alarmklep, alle typen
Alarmklep, Nat
Controle op temperatuur van de ruimte tijdens vorstperiode.
x
x
4.2
Controle temperatuurregeling en temperatuur signalering.
x
x
4.2
Controle van de installatiedrukken boven en onder de alarmkleppen.
x
x
2.16
Afsluiters onder en eventueel boven de klep controleren.
x
x
2.12
x
2.11
Standbewaking van de afsluiters onder en eventueel boven de klep testen. Testen brand en storingsmelding.
x
x
7.5
Controle.
x
x
4.4
x
4.4
Onderhoud klep met bijbehorende appendages.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
21
Alarmklep, Droog
Controle.
x
x
Testen van de lagedruk signalering.
x
x
4.5 4.6
x
4.10
Test, trippen klep.
x
4.12
Full flow test.
3 x
Revisie.
4.14 + 4.3 4.6
3
Test, luchttoevoer.
x
4.7 4.9
Test, luchtdichtheid blussectie.
3
4.11
Versneller reviseren.
3
4.1
Controle.
x
x
4.8
Test, trippen klep.
x
4.12
Onderhoud klep met bijbehorende appendages.
x
4.13
Revisie.
3
4.13
Full flow test.
3
4.14
Sproeipatronen en drukken tijdens de “full flow test” controleren.
3
4.15
Controle
x
x
Testen van de lagedruk signalering.
x
x
Test, trippen klep. Alarmklep, pre-action
3
Test niveau “priming water”.
Onderhoud klep met bijbehorende appendages.
Alarmklep, Deluge
VERWIJZING
Revisie.
MEER JAARLIJKS
TAAKOMSCHRIJVING: CONTROLE, TEST EN ONDERHOUD
ONDERHOUD
1 JAARLIJKS
COMPONENT
(TWEE) WEKELIJKS
TEST
x
Full flow test. Onderhoud klep met bijbehorende appendages.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
4.12 3
x
Revisie. Test, luchttoevoer.
4.8
4.13 3
x
4.14
4.13 4.9
22
Perslucht Functionele test en controle v/d in- en uitschakeldruk. voorziening/ Drogers/ Condens en vocht aftappen. Stikstofgenera Controles en onderhoud. toren
x
VERWIJZING
Test, luchtdichtheid blussectie.
MEER JAARLIJKS
TAAKOMSCHRIJVING: CONTROLE, TEST EN ONDERHOUD
ONDERHOUD
1 JAARLIJKS
COMPONENT
(TWEE) WEKELIJKS
TEST
3
4.11
x
4.9
x
4.9
x
LEIDINGNET MET APPENDAGES Gebouw
Afsluiter
Gestuurde afsluiter Sectie Keerklep
Controle van de ruimtetemperatuur bij natte systemen tijdens de vorstperiode.
x
x
5.1
Controle afsluiter zonder standbewaking, slot of zegel.
x
x
2.12
Controle afsluiter met standbewaking.
x
2.11
Testen en onderhoud.
x
2.10
x
2.14
x
2.13
Functioneel testen op volledig openen en sluiten.
x
Onderhoud. Keerklep t.b.v. ongewenste signalering; inwendig onderhoud.
5
Test de signalering. Stromingsschakelaar
Indien toegepast bij ontruimingsinstallaties (bij gefaseerde ontruiming) en toegepast als system riser Test de signalering.
x
Visuele controle van leidingen en verbindingen.
x
5.2
x
5.3
x
5.4
Inwendige controle. Leidingen
Beugels
Sprinkler
Controle en test elektrische lintverwarming (tracing).
15
5.5
x
2.15
Controle aftapvoorziening deluge systemen, pre-action en droog systemen.
x
4.16
Controle testwater.
x
5.6
Visuele controle.
x
5.7
Visuele controle op beschadiging, vervuiling.
x
5.8
Sprinklers in corrosieve of vuile omgevingen zoals zuurkasten, spuitcabines; controle van de bescherming.
x
5.10
Controle van aantal reserve sprinklers.
x
5.9
Opslagsituatie van reservesprinklers; plaats en omgevingstemperatuur controleren.
x
5.9
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
x
2.9
23
Sprinklers; “droge-, moeder- of pre-action-sprinkler” vervangen of testen. Sprinklers; vervangen of testen.
Antivries
De beschermingsgraad van de anti-vriesoplossing testen.
x
Vriesruimten: de beschermingsgraad v/d anti-vriesoplossing testen.
x
VERWIJZING
Sprinklers; “extra high temperature”, vervangen of testen.
MEER JAARLIJKS
TAAKOMSCHRIJVING: CONTROLE, TEST EN ONDERHOUD
ONDERHOUD
1 JAARLIJKS
COMPONENT
(TWEE) WEKELIJKS
TEST
5
5.11
10/15
5.14
50
5.13 5.16
per kwartaal
5.15
SCHUIMBIJMENGINSTALLATIE
Schuimconcentraat
Schuimconcentraat voorraad tank, atmosferisch.
x
6.1
Schuimconcentraat voorraadtank, bladdertype.
x
6.2
Schuimconcentraat (svm = schuimvormend middel).
x
6.3
x
6.4
Schuimpomp controleren en testen, incl. aansturing Schuimpomp
Schuim bijmenginstallatie
x
Schuimpomp onderhouden volgens de specificaties van de fabrikant.
5
Filters reinigen.
x
Testen schuim bijmeng installatie.
x
Controle.
x
3
6.6 6.2
Bladder tank Testen op maximale werkdruk.
10
6.8
Overdrukventiel/ klep
Testen op werking
x
Menger
Controle werking door testen schuimbijmenging, onderhoud conform specificaties fabrikant
x
3
TB 64
x
x
TB 64
Elektronisch Testen en onderhouden volgens de specificaties van de bijmengfabrikant. installatie Terugslagklep Inwendige controle en reinigen. schuimzijde Controleren op juiste werking. Flowmeter
x
3 x
Kalibratie. Controle op beschadigingen, vervuiling.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
6.9
2
TB 64
x
24
x
2.12
Controle afsluiter met standbewaking.
x
2.11
Testen en onderhoud.
x
2.10
x
2.14
Onderhoud.
x
2.13
Leidingwerk
Leidingwerk; controleren.
x
6.5
Schuimsprinklers
Onderhoud.
x
6.7
x
7.1
x
7.2
Afsluiters
Gestuurde afsluiters
TAAKOMSCHRIJVING: CONTROLE, TEST EN ONDERHOUD
Controle afsluiter zonder standbewaking; slot of zegel.
Functioneel testen op volledig openen en sluiten.
x
VERWIJZING
x
COMPONENT
MEER JAARLIJKS
1 JAARLIJKS
ONDERHOUD
(TWEE) WEKELIJKS
TEST
SIGNALERING EN STURING Alarmbel
Controle en test.
Sprinklermeld Controle en test. -installatie AanwijsControle. borden en tekstplaten Controle.
x
Doormelding
x
Testen doormelding van brand en storing.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
7.3 x
7.4
x
7.5
25
9
GEDETAILEERDE OMSCHRIJVING VAN DE TAKEN
H* = Benodigde handeling: C = controle; T = Test; O = Onderhoud
Nr. 1.1
H T
Component DWL Capaciteitstest bij aansluiting op drukverhogings pomp
Omschrijving van de taken Testen pompsets aangesloten op DWL (Drinkwaterleiding). De testen moeten met dezelfde frequentie worden uitgevoerd als pompsets die niet op de DWL zijn aangesloten. Ten aanzien van het testen van de op de DWL aangesloten pompen gelden de onder A en B aangeven minimale verplichtingen. A. (Twee)wekelijks testen Testen uitgevoerd door de beheerder waarbij eventueel, in overleg met de pompleverancier, bij een lager debiet wordt getest. Alternatieven ten aanzien van de 2-wekelijkse testen Het uitvoeren van de (twee) wekelijkse test kan op een alternatieve wijze plaatsvinden: Het uitvoeren van de test bij een lager debiet Indien er moet worden getest met een lager debiet dan het 100% punt van de pomp moet in overleg met de pompleverancier worden vastgesteld welke capaciteit er minimaal vereist is voor deze periodieke testen zodat de pomp aan zo weinig mogellijk slijtage is onderheven. Veelal geldt hierbij een capaciteit van 25-30% van de “rated capacity”. Aandachtspunt hierbij is wel dat het krachtenspel (en dus slijtage) in een pomphuis veelal het laagst is rond het 100% punt. Opmerking is wel dat tijdens het testen met een lager debiet er niet kan worden gecontroleerd of dat de 100% vereiste capaciteit (benodigde druk en opbrengst ongunstigste sproeivlak) door de watervoorziening wordt geleverd.
Het uitvoeren van de test door het rondpompen van water uit een beperkte watervoorraad Indien beschikbare capaciteit voor het testen (met een lager debiet) onvoldoende is kan er een beperkte watervoorraad, waaruit water wordt rondgepompt, worden aangebracht. Aandachtspunten hierbij zijn de zuigcondities en het opwarmen van het water (deze aandachtspunten zal een met een pompleverancier moeten worden besproken). Indien de voorraad water te klein is zal de koelcapaciteit van het water afnemen en loopt de koeling van de pomp en eventueel aanwezige dieselmotor gevaar. B. Jaarlijks testen Jaarlijks moet een capaciteitsmeting worden uitgevoerd waarbij de volledige pompcurve wordt beproefd (m.u.v. tabelinstallaties waarvoor de daarbij beschreven capaciteiten getest moeten te worden). Toelichting op het (jaarlijks) testen: Bij een blusinstallatie gebaseerd op volledige hydraulische berekeningen moet ten minste de op de pomp aangegeven capaciteit worden gemeten.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
26
Nr.
H
Component
Omschrijving van de taken Als uit hydraulische berekeningen blijkt dat er een hogere capaciteit vereist is dan moet deze worden gemeten. In geval van een tabelleninstallatie (dat geldt voor alle op tabellen gebaseerde installaties) moet onderstaande tabel worden aangehouden
1.2
T
Onderdrukbeveiliging Type: drukschakelaar Werking testen
Testen van de drukschakelaar (is alleen van toepassing bij een Electropomp) van de onderdrukbeveiliging geschiedt door de pomp ten minste 2 x uit- en in te schakelen middels het testsetje van de drukschakelaar.
1.3
T
Onderdrukbeveiliging
De onderdrukbeveiliging moet getest worden door de maximale ontwerp volumestroom erdoor te laten stromen. Als er een pomp aanwezig is dan kan volstaan worden met de jaarlijkse capaciteitstest van de pomp.
1.4
1.5
C
T C
Type: automatische afsluiter Werking testen Onderdrukbeveiliging Type: automatische afsluiter Controle Reservoir Bassin Suppletie Controle en test
Bij het toepassen van een onderbreker moet worden gecontroleerd of er water uit de ontlastkamer stroomt. Als er water uitstroomt dan werkt één van de twee keerkleppen niet naar behoren en moet dit worden hersteld.
Periodiek moet de automatische suppletieafsluiter getest worden: De afsluiter moet door het verlagen van het waterniveau (of het simuleren hiervan) automatisch openen. De afsluiter mag geen drukstoten of waterslag veroorzaken. Controle op suppletie van de tank met water uit drinkwaterleiding (dan geen aanvullende controle op kwaliteit noodzakelijk) dan wel van drinkwaterkwaliteit (ijzergehalte < 200 μg/l). De bron van het suppletiewater moet worden achterhaald.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
27
Nr.
H
Component
Omschrijving van de taken Het moet uitgesloten zijn, dat water uit de voorraadbak terugstroomt in de toevoerleiding van het drinkwaternet. Behalve dat de overloop hierop berekend moet zijn, moet tevens het hoogteverschil tussen het laagste punt van de uitstroomopening in de toevoerleiding en de bovenzijde van de overloopleiding een afmeting hebben van tweemaal de inwendige middellijn van de toevoerleiding met een minimum van 20 mm. Suppletie als bijvulinrichting bij toepassing van “verkleinde” watervoorraad De volumestroom van de suppletie moet gemeten en geregistreerd worden.
1.6
1.7
1.8
C
Reservoir
C
Uitwendige controle Reservoir
C
Expansiedelen/ verbindingen Reservoir Directe omgeving
REF.: TB-67 – A controle Visuele controle bij gevuld reservoir van de buiten- en binnenzijde (voor zover mogelijk). Expansie delen/verbindingen moeten op lekkage en scheuren gecontroleerd worden.
De directe omgeving van het reservoir met eventuele ondersteuningconstructies moet worden gecontroleerd op de volgende punten: De directe omgeving is vrij van opgeslagen brandbare goederen, (zwerf)afval en/of losse materialen die een snelle uitbreiding van een brand veroorzaken. De directe omgeving is vrij van opeengehoopt materiaal dat op of bij (constructie)delen van het reservoir kan leiden tot snelle aantasting en corrosie. Het reservoir met eventuele ondersteuningsconstructies zijn vrij van ijsafzetting. Als er sprake is van verkeer langs het reservoir moet er een aanrijdbeveiliging te zijn.
1.9
C
Reservoir Open water Bassin Waterniveau controleren
1.10
CT
Reservoir Open water Bassin
Bij reservoirs/ watervoorraden die niet voorzien zijn van een signalering bij laag waterniveau moet het waterniveau frequenter gecontroleerd worden. Voorwaarden aan onbeperkte watervoorraden (b.v. open water, vijver, kanaal etc). De diepte ten opzichte van het laagste waterpeil, zoals deze door de beheerder van het water wordt aangehouden, is ten minste 1,25 m. De vereiste diepte moet bij rivieren, kanalen, vaarten en hoofdwatergangen over een minimale breedte van 3 m worden aangehouden. De hoog- en laagwaterniveau signaleringen/bewakingen moeten worden getest door bediening van de vlotters en controle of de signaleringen op de Sprinkler Meld Centrale (SMC) geregistreerd worden. Controle van de hoogtepositie (in centimeters) van de hoog- en laag watersignalering en deze vergelijken met de vereiste waarden. Indien de
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
28
Nr.
1.11
H
T
Component Waterniveau signaleringen
Omschrijving van de taken gemeten waarde afwijkt van de vereiste waarde moet de instelling aangepast worden.
Reservoir
De lage temperatuur signalering/bewaking moet worden getest door de thermostaat te verhogen totdat de melding op de Sprinklermeldcentrale (SMC) geregistreerd wordt. Daarna moet de waarde ingesteld worden op de vereiste waarde.
Open water Bassin Water temperatuur signaleringen 1.12
C O
1.13
T
Zuigput, Filters Controle en onderhoud Voetklep Testen
1.14
O
Voetklep Inwendig controleren en eventueel reviseren
Bij reservoirs die niet voorzien zijn van een lage temperatuur signalering moet de temperatuur van het water in reservoirs dagelijks worden gecontroleerd tijdens een vorstperiode (de gemiddelde temperatuur is minder dan 4˚C). Na de jaarlijkse capaciteitstest van de pomp moeten de filters in de zuigput gecontroleerd worden. Eventuele verontreinigingen en verstoppingen moeten worden verwijderd. Een voetklep moet volledig openen om aangroei en vervuiling van de klepsteel te voorkomen. Derhalve moet op de volledige pompcapaciteit (140%) getest worden. Voetkleppen zijn terugslagkleppen die moeten worden onderzocht en indien nodig vervangen of gereviseerd. Voetkleppen zijn echter onder water gemonteerd, waardoor het controleren, reviseren of vervangen van voetkleppen relatief veel tijd in beslag neemt. In die tijd is de betreffende watervoorziening buiten bedrijf. Visuele controle kan vooralsnog alleen op goede wijze plaatsvinden na demontage. Het benodigde onderhoud van voetkleppen is afhankelijk van de omgevingsinvloeden volgens de tabel hieronder. Bovendien zijn aandachtspunten aangegeven die onnodige vervuiling van voetkleppen voorkomen waardoor de onderhoudsfrequentie zoveel mogelijk kan worden toegespitst op de situatie. Van groot belang is het schoon opleveren van de watervoorraad.
Bij een beperkte watervoorraad die met schoon drinkwater is gevuld en schoon is opgeleverd (met uitzondering van een bassin) kan een lagere frequentie worden aangehouden dan de basis-onderhoudsfrequentie. Als basis geldt dat de onderhoudsinstructies van de fabrikant moeten worden aangehouden, voor zover die beschikbaar zijn. Indien deze lichter zijn, moet de hieronder aangegeven frequentie worden aangehouden. Een eerste visuele controle moet worden uitgevoerd binnen de tijd die in de onderstaande tabel is aangegeven. Basis-onderhoudsfrequentie Visuele controle en eventueel reinigen/reviseren A
B
Drinkwater
5 jaar
Zoet oppervlaktewater Brak of zout water
C
3 jaar 2 jaar
Op grond van de resultaten van de visuele controle en eventuele storingshistorie kan de basis-onderhoudsfrequentie worden aangepast. Bij een gebleken slechte staat van de voetklep moet de basisGoedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
29
Nr.
H
1.15
Component
Omschrijving van de taken onderhoudsfrequentie worden verhoogd (b.v. van C naar B). Indien de visuele controle uitwijst dat de voetklep nauwelijks is vervuild of aangetast, kan de basis-onderhoudsfrequentie worden verlaagd (b.v. van B naar C). Een wijziging in de basis-onderhoudsfrequentie moet in overleg met de beheerder worden bepaald. Overgangsregeling voor bestaande installaties: de in de tabel aangegeven basis-onderhoudsfrequenties moeten worden aangehouden vanaf de laatste visuele controle van de voetklep.
DWL –
Omdat de blusinstallatie begint vanaf de bacteriologische klep, maakt deze klep geen onderdeel uit van de blusinstallatie en valt het onderhoud van deze klep buiten de leveringsomvang van de onderhouder.
Bacteriologische klep
De beheerder moet het beheer en onderhoud (laten) uitvoeren en daarbij voldoen aan de NEN 1006 en de Waterwerkbladen. De beheer en onderhoudstaken zijn vermeld in waterwerkblad 1-4-G almede de registratieplicht. Informatief: Relevantie met onderhoud aan de blusinstallatie: Verbreking van een verzegeling moet via de beheerder binnen 24 uur aan het drinkwaterbedrijf gemeld worden. 1.16
2.1
T
Bassin / Vijver
Inwendige controle: • Controleer kwaliteit water op vervuiling en troebelheid. Zichtbaarheid in het water moet minimaal 1m zijn. • Inventariseer of er bezinksel op de bodem ligt. Met name wat ligt er en hoeveel. • Beoordeel of het aangetroffen bezinksel verwijderd moet worden en stel de bron van het bezinksel vast. • Controleer op beschadigingen van de liner.
Sprinklerpomp
Dieselmotor gedreven sprinklerpomp: De totale test duurt 30 min, waarvan 1. 5 min opwarmen 2. 20 min 100% belast draaien 3. 5 min afkoelen.
Testen
Druk, hoeveelheid en toerental, zoals vermeld in de bedieningsinstructies, moeten zijn gebaseerd op 100% van de vereiste capaciteit en druk benodigd voor het ongunstigste sproeivlak. Indien meerdere pompen tezamen nodig zijn om 100% van de vereiste capaciteit en druk voor het ongunstigste sproeivlak te behalen moet per pomp 100% van de capaciteit van de pomp worden getest. Controles voor de test: • Controle pompset, uitlaat en filters. • Controle elektrische aansluitingen (schakelkast, batterijen). • Controle verwarming (instelling en beschikbaarheid) en ventilatie (o.a. of de roosters vrij van obstakels zijn en functioneren) pompruimte. • Controle niveau vloeistoffen (koelvloeistof, olie, accu, brandstof en watervoorraad). Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
30
Nr.
H
Component
Omschrijving van de taken • Testen automatische start op drukval en controle inschakeldrukken.
Testdraaien Testen handstart (niet de noodstart), na opwarmen van de motor. Belast laten draaien van de pomp gedurende minimaal 20 minuten. Controleren opvoerhoogte bij: • Dooddruk (niet mogelijk bij een overstort of toerendruk geregelde pomp). • 100% van de vereiste capaciteit benodigd voor het ongunstigste sproeivlak. • Pomprating Controle • Controle pompset. • Controleren werking eventuele overdrukvoorzieningen. Dit betreft niet de veiligheidsvoorzieningen die zijn ingesteld boven de normaal voorkomende drukken en derhalve niet functioneel beproefd kunnen worden. • Controle koelwaterverschiltemperatuur van het primaire koelsysteem. • Controle koelwaterdruk in het secundaire koelsysteem • Controleren werking koelinstallatie pomp d.m.v. controle van de elektrische of mechanische klep en het stromen van water. • Controle acculaadinstallatie. • Beducht zijn op abnormale zaken (slecht lopende motor, slecht uitgelijnde pomp).
Elektromotor gedreven sprinklerpomp: Gedurende 10 min belast draaien. Dat wil zeggen druk, hoeveelheid en toerental, zoals vermeld in de bedieningsinstructies, op 100% van de vereiste capaciteit en druk benodigd voor het ongunstigste sproeivlak. Indien meerdere pompen tezamen nodig zijn om 100% van de vereiste capaciteit en druk voor het ongunstigste sproeivlak te behalen moet per pomp 100% van de capaciteit van de pomp worden getest. Controles voor de test: • Controle pompset. • Controle elektrische aansluitingen (schakelkast, voedingskabel, zekeringen). • Controle verwarming pompruimte. • Testen automatische start op drukval en controle inschakeldrukken.
Testdraaien Testen handstartdrukknop. Belast laten draaien van de pomp gedurende minimaal 10 minuten. Controleren opvoerhoogte en opgenomen stroom bij: • Dooddruk (niet mogelijk bij een overstort of toerendruk geregelde pomp). • 100% van de vereiste capaciteit en druk benodigd voor het ongunstigste sproeivlak.
Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV
31
Nr.
2.2
H
T
Component
Omschrijving van de taken • Pomprating Controleren werking eventuele overdrukvoorzieningen. Dit betreft niet de veiligheidsvoorzieningen die zijn ingesteld boven de normaal voorkomende drukken en derhalve niet functioneel beproefd kunnen worden. Controleren werking koelinstallatie pomp d.m.v. controle van de elektrische of mechanische klep en het stromen van water. Beducht zijn op abnormale zaken (slecht lopende motor, slecht uitgelijnde pomp).