Bijlage 1 - Uitvoeringsplan Onderwijshuisvesting 2026-2030 2e tranche IHP
Tekst van het document
De hogere onderhouds- en exploitatielasten waar schoolbesturen mee kampen door de achterstanden in de onderwijshuisvestingsopgave, maken de budgettaire ruimte voor de beoogde 10% eigen bijdrage ook beperkter volgens de schoolbesturen.
26
5.4. Alternatief financieren De raad heeft op 19 februari 2020 de Motie ‘Alternatieve Financiering Onderwijs’ aangenomen, waarin de raad ook in het vervolg, bij de definitieve (financiële) besluitvorming over de 2e en 3e tranche van het IHP geïnformeerd dient te worden over onderliggende financiële consequenties en de (on)mogelijkheden tot alternatieve financiering. Bij de totstandkoming van het Uitvoeringsplan 2 IHP zijn er diverse varianten van alternatief financieren onderzocht, allen vormen van off-balance financiering. Deze vormen zijn: •
Schoolbestuur gaat lening aan met gemeentelijke garantstelling. Een primair of voortgezet onderwijsinstelling kan een lening aanvragen voor (ver)nieuwbouw van een schoolgebouw. Hiervoor is een garantstelling van de gemeente nodig. Deze lening kunnen ze bij het Rijk aanvragen (“schatkistbankieren”) of bij een reguliere bank. Voor de financiële balans is deze vorm van alternatief financiering voordelig: er wordt geen lening door de gemeente aangegaan, die anders een negatieve invloed zou hebben op balanspositie (schuldquote en solvabiliteit). Nadelen van deze vorm van alternatieve financiering zijn de risico's en de beheersmatige en administratieve aandacht dit vraagt. Wel heeft het effect op de exploitatie en weerstandsratio van gemeenten. De kapitaallasten bestaande uit rente en aflossing van de lening worden immers door de gemeente vergoed.
•
Een externe partij investeert. Bij deze variant ontwikkelt, financiert en exploiteert een externe partij (bijvoorbeeld Stichting Maatschappelijk Vastgoed) de integrale huisvesting voor onderwijs, kindcentra en/of zorg. Deze variant is bij de totstandkoming van het Uitvoeringsplan 1 IHP ook al onderzocht middels een uitgebreide marktconsultatie. Voordeel is ook hier dat het schoolgebouw niet op de balans staat van de gemeente. Nadeel is dat er minder zeggenschap is door gemeente en schoolbestuur over het ontwerp en de exploitatie van het pand en eigenaarschap van het perceel. Nadeel is ook dat er diverse managementfees zijn opgenomen voor het ontwikkelen en onderhouden van het schoolgebouw. Bovendien betalen schoolbesturen hun lumpsumvergoeding aan een externe partij en moet de gemeente nog steeds de kapitaallasten betalen. Schoolbesturen staan hier negatief tegenover omdat ze zeggenschap kwijt zijn over onderhoud aan hun panden en in de inzet van hun lumpsumvergoeding. Ook is er in Nederland beperkte ervaring opgedaan voor scholen.
•
Volledige doordecentralisatie van de verantwoordelijkheden van de gemeente naar de schoolbesturen. Dit is een wettelijke toegestane vorm van bekostiging waarbij de geldstromen voor de huisvesting via gemeente en het Rijk samenkomen bij het schoolbestuur. In gemeenten als Nijmegen en Breda is doordecentralisatie doorgevoerd. Ook hiervoor geldt dat de middelen die schoolbesturen en gemeenten krijgen voor onderhoud en (ver)nieuwbouw van scholen ontoereikend zijn om de opgaven te financieren. Daarnaast is de ervaring dat doordecentralisatie jaren duurt om dit te organiseren en schoolbesturen niet verplicht zijn/kunnen worden om aan doordecentralisatie mee te doen. 27
Alle voor- en nadelen afwegend is voor het Uitvoeringsplan 2 IHP de eerste variant, waarbij de school en lening aangaat en de gemeente garant staat, de meest aantrekkelijke vorm van alternatief financieren. Deze variant is relatief snel door te voeren, de regie blijft in handen van gemeente en schoolbestuur, er is landelijk ervaring opgedaan met dergelijke constructies en er zijn enkele schoolbesturen in Gouda die er positieve ervaring mee hebben bij andere gemeentes. Het voordeel is dat in principe ieder schoolbestuur met garantstelling een dergelijke lening kan aanvragen. In het concrete geval van alternatieve financiering zal nog moeten worden bepaald of in dit geval aan alle vereisten voor de garantie kan worden voldaan. Ook moet dan duidelijk worden of het schoolbestuur daadwerkelijk kan lenen tegen een (vrijwel) gelijk tarief als de gemeente dat kan. Waarom is alternatief financieren voor Gouda interessant? Het grote voordeel van alternatief financieren is dat er een versnelling gebracht kan worden in de planvorming en uitvoering van het uitvoeringsplan. Met deze versnelling kan ingelopen worden op de achterstanden op onderwijshuisvesting. Daarnaast bevordert het een gezond leerklimaat.
Dit biedt schoolbesturen een aanzienlijke verlichting gezien de grote uitdagingen die ze hebben rondom het onderhoud van hun panden en het slechte binnenklimaat voor leerlingen en personeel. Voordeliger lijkt het vooralsnog niet: de gemeente moet ook bij alternatief financieren de kapitaallasten dragen immers. Er zijn diverse projecten doorgerekend met deze vorm van alternatief financieren om het financiële effect in kaart te brengen. Alternatief financieren in deze vorm heeft de grootste impact op het versnellen van het uitvoeringsplan op het moment dat deze wordt toegepast op een of meerdere VO-scholen. Deze schoolgebouwen kennen immers een hoog investeringsbudget die gemakkelijk twee of meerdere investeringsjaarbudgetten opsoupeert. Alternatief financieren biedt voor het Uitvoeringsplan 2 IHP de mogelijkheid om de eerste stap in de VO-puzzel te versnellen door de vernieuwbouw van Driestar Alfa gebouw eerder te realiseren dan wanneer dit uitgevoerd wordt zonder alternatief financieren. Daarnaast biedt alternatieve financiering in de vervolgfase dé oplossing om het voorkeursscenario van de VO-scholenhuisvesting van het Carmelcollege en De Goudse Waarden te realiseren. Concreet maakt alternatief financieren in deze situatie de nieuwbouw gelijktijdig mogelijk voor het Antoniuscollege en de MavoXL.
Dit zorgt voor een versnelling van 5 jaar voor drie grote VO-scholen (zie paragraaf 4.3).
28
6. Organisatie Uitvoeringsplannen zijn complexe en omvangrijke programma’s met veel ambities, verschillende type projecten, partners en financiële uitdagingen. De uitvoering van dit Uitvoeringsplan vraagt om een goede projectorganisatie per project én goed programmamanagement van het gehele Uitvoeringsplan. Wat hiervoor nodig is, is in dit hoofdstuk beschreven. Uit de tussentijdse evaluatie van het Uitvoeringsplan 1 IHP is gebleken dat het scheiden van programma (uitvoeringsplan) en projectmanagement en van opdrachtgeverschap en opdrachtnemerschap, belangrijk is om in control te zijn en te blijven. 6.1. Projectorganisatie per project 6.1.1. Bouwheerschap Het bouwheerschap ligt op basis van de wet in principe bij het schoolbestuur. Het schoolbestuur kan de gemeente verzoeken het bouwheerschap op zich te nemen. Bij een clustering, onvoldoende ervaring of onvoldoende capaciteit overweegt de gemeente het bouwheerschap naar zich toe te trekken op moment dat het schoolbestuur (of –besturen) dit verzoek doet. 6.1.2. Beschikkingen en afsprakenbrieven De kaders voor de afzonderlijke projecten worden juridisch vastgelegd in een voorlopige beschikking (inclusief afsprakenbrief als bijlage) en een definitieve beschikking aan het schoolbestuur. Deze methodiek is vastgelegd in de Verordening.
In de beschikking staat het budget dat voor de bouw of vernieuwbouw van het schoolgebouw beschikbaar wordt gesteld. Via de afsprakenbrief die door beide partijen wordt ondertekend, zijn de rollen en verantwoordelijkheden van gemeente en schoolbesturen vastgelegd alsmede de benodigde ‘checks and balances’ tijdens het project. Door gemeente en schoolbestuur worden in een afsprakenbrief per project in ieder geval de volgende elementen vastgelegd: • Wie bouwheer is. • We rollen, taken en bevoegdheden die verband houden met het bouwheerschap. • De fasen in het project; Iedere fase wordt afgesloten met een fasedocument waarop het schoolbestuur en de gemeente akkoord moet geven voordat begonnen wordt aan de volgende fase. • De projectorganisatie en de werkwijze van projectgroep en stuurgroep. In de stuurgroep zitten vertegenwoordigers vanuit gemeente en schoolbestuur (of –besturen) die het mandaat hebben om fasedocumenten te accorderen. • De wijze en de momenten waarop de bouwheer verantwoording aflegt over de besteding van de beschikbaar gestelde middelen. • De risico’s, de eventuele maatregelen om die risico’s te voorkomen danwel te beheersen. • De te realiseren voorziening, het aantal te realiseren vierkante meters, het budget en de planning op basis van de uitgangspunten in het Uitvoeringsplan.
• De randvoorwaarden op het vlak van stedenbouw, verkeer, planning en plantoetsing en bestemmingsplanvoorschriften. • Afspraken over medegebruik van het schoolgebouw en het schoolplein. 29
• •
• •
De eigen bijdrage van het schoolbestuur in de stichtingskosten en bij het PO de werkwijze van de businesscase om de eigen bijdrage te bepalen. De wijze en organisatie van plantoetsing en betalingsritme, inclusief verrekening eigen bijdrage. Betaling vindt plaats na afronding van iedere projectfase in de stuurgroep op basis van volledige fasedocument en stukken en vastgelegd in de notulen. Partijen spreken nader af wat het betalingsregime is tijdens de realisatiefase, aansluitend op de werkzaamheden van de aannemer. In het geval van alternatieve financiering: afspraken over de financiering en garantstelling. De wijze van oplevering en verantwoording van de gerealiseerde voorziening. Het project wordt afgerond, niet alleen met een proces verbaal van oplevering, maar ook met een accountantsverklaring van het schoolbestuur (in geval school bouwheer is).
6.1.3. Werkwijze bij budgetoverschrijding Budgetoverschrijding moeten in eerste instantie worden opgevangen binnen het project zelf, met andere woorden door versoberingen en optimalisaties van het plan. Op moment dat realisatie van een project niet mogelijk is binnen het taakstellend budget, ondanks maatregelen die genomen zijn voor versobering of optimalisatie moet worden gekeken of er financiële ruimte is in het taakstellend jaarbudget van Uitvoeringsplan 2 IHP. Voor deze situatie wordt een werkwijze nog nader uitgewerkt om binnen het jaarlijks taakstellend investeringsbudget te blijven. Hierbij wordt gestuurd op twee onderdelen, namelijk: verschuivingen in projectplanningen en mee-/tegenvallers in projectbudgetten. 6.1.4. Onafhankelijk bouwkundig adviseur Als gevolg van evaluatie van eerdere projecten van onderwijshuisvesting, is er ook voor dit uitvoeringsplan gekozen (conform werkwijze Uitvoeringsplan 1 IHP) om een onafhankelijk bouwkundig adviseur te betrekken bij de afronding van de projectfases. Deze adviseur kan zowel door de gemeente als door het schoolbestuur tijdens projecten worden ingeschakeld ten behoeve van het project, onafhankelijk van wie er bouwheer is. In de praktijk handelt de extern bouwkundig adviseur vooral op verzoek van de gemeente en incidenteel van het schoolbestuur.
De second opinion van de extern bouwkundig adviseur op ontwerpstukken en fasedocumenten (risicobeheersing, stichtingskosten) zijn van toegevoegde waarde gebleken tijdens het Uitvoeringsplan 1 IHP. De adviseur brengt de gemeente en ook het schoolbestuur beter in positie. De adviseur maakt gemeente en schoolbestuur bewust van de investeringskeuzes en de consequenties voor de exploitatie van het gebouw. Zijn onafhankelijke rol draagt bij aan de samenwerking en de besluitvorming in de stuurgroep. 6.1.5. Rol van de gemeentelijk inkoopadviseur De gemeentelijk inkoopadviseur heeft tijdens het Uitvoeringsplan 1 IHP een belangrijke rol gespeeld in met name rondom de aanbestedingsstrategieën en de uitvoer van de aanbestedingen. Het uitgangspunt is (ook beschreven in de afsprakenbrief) dat het aanbestedingsbeleid van de bouwheer leidend is en aansluiting wordt gezocht bij het gemeentelijk aanbestedingsbeleid. In de praktijk is discussie geweest of het advies van inkoopadviseur bindend was of alleen adviserend. Op moment dat de gemeente zelf geen bouwheer is, dan zijn de adviezen niet bindend. De inkoopadviseur heeft schoolbesturen als 30
bouwheer geholpen om een goede strategie te volgen ten aanzien van de aanbesteding. Het is van belang om inkoopadviseurs vroegtijdig (bij start definitiefase) in het proces te betrekken om vertraging, risico’s en onduidelijkheid in het proces te voorkomen. 6.2. Programmamanagement Om regie te voeren op de voortgang van het gehele Uitvoeringsplan 2 IHP, de periodieke voortgang te monitoren en hierover te rapporteren en te verantwoorden, is een actief programmamanagement nodig. Vanuit het programmamanagement is het bovendien nodig om aanvullende onderzoeken en analyses te verrichten. Daarnaast is programmamanagement nodig om tijdig kennis en capaciteit van binnen en mogelijk van buiten de organisatie te organiseren die nodig zijn om tot succesvolle uitvoering van de projecten te komen. Te denken valt juridisch advies, financieel advies of het inschakelen van een bouwkundig adviseur. Voor de inzet van aanvullend advies en onderzoek van derden is reeds met het Uitvoeringsplan 1 IHP een structurele post opgenomen in de exploitatiebegroting van onderwijshuisvesting, het zogenoemde programmabudget. Het programmamanagement houdt toezicht op het gehele uitvoeringsplan dus het Uitvoeringsplan 1 IHP, 2 IHP en verdere ontwikkeling. Financieel dashboard Om als gemeente financieel in control te zijn, zijn er afspraken gemaakt over de finance en control rondom de projectbudgetten.
Binnen elk project wordt een projectadministratie bijgehouden in een financieel dashboard dat is ontwikkeld in het Uitvoeringsplan 1 IHP. In dit dashboard is per project te zien de actuele uitgaven, de planning van investeringen, taakstellend budget, wat de actuele stichtingskosten zijn (op basis van VO-, DO-ontwerp of aanbesteding) en welke bedragen er voorlopig en definitief beschikt zijn. Voortgangsrapportages Via het college zal de raad middels de P&C-cyclus en jaarlijkse voortgangsrapportages worden geïnformeerd over de inhoudelijke en financiële voortgang van de projecten. Momenteel loopt met de raad ook het gesprek over risicovolle projecten. De uitvoeringsplannen lopen daar ook in mee.
31
Bijlagen Bijlage I: Doorkijk projecten in periode 2031 – 2040 In deze bijlage is de doorkijk opgenomen van de projecten in de periode 2031 – 2040. De reden dat deze formeel niet in het hoofddocument staat maar in de bijlage, is omdat de doorkijk niet officieel met dit Uitvoeringsplan wordt vastgesteld. Conform de Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs (de ‘Huisvestingsverordening’) stelt de gemeente een Uitvoeringsplan vast voor vijf jaar. Schoolbesturen hebben aangegeven een doorkijk te willen hebben van de planning voor de periode op een termijn van 10 – 15 jaar. Dit heeft te maken met de duidelijkheid die besturen willen hebben ten aanzien van hun meerjarenonderhoudsplanning en het managen van verwachtingen van personeel en (ouders van) leerlingen. De gemeente Gouda heeft zelf ook behoefte aan een doorkijk gezien de totaalopgave die er in de onderwijshuisvesting in Gouda ligt. Met het vaststellen van het Uitvoeringsplan 2 IHP wordt formeel de uitvoering van de projecten in de periode 2026 – 2030 vastgesteld. Met het kennisnemen van de projecten in de doorkijk voor de periode 2031-2040 en het uitspreken van de intentie om deze doorkijk concreet uit te werken in een Uitvoeringsplan onderwijshuisvesting 3e tranche IHP 20312035. De doorkijk ziet er met, met de kennis van nu, als volgt uit: 2031-2035 • St. Aloysius, locatie Spieringstraat: vernieuwbouw huidige pand.
Met de vernieuwbouw van de Spieringstraat blijft er keuzevrijheid met twee scholen in de binnenstad. Tijdelijke huisvesting is voorzien in de Graaf Jan van Nassauschool. • De Boomgaard (voortzetting van de Samuelschool en Beversluisschool): clustering en nieuwbouw op de locatie Vindingrijk. De Boomgaard verzorgt speciaal basis- en voortgezet onderwijs; op dit moment op drie locaties verspreid over Gouda. Naast de matige tot slechte staat van de gebouwen vormt het hebben van drie locaties voor deze school een enorme uitdaging voor de personele bezetting en het onderhoud van de scholen. Clustering op 1 locatie biedt de mogelijkheid voor het oplossen van deze problemen en de mogelijkheid voor herontwikkeling van 3 locaties. Een locatie die goed bereikbaar is met taxivervoer is een vereiste. Voor nu is de locatie Vindingrijk in de wijk Achterwillens voorzien als toekomstige locatie. Hiervoor is geen tijdelijke huisvesting nodig • Plaswijckschool en de Cirkel (locaties Rijnlust en Brittenburg): clustering en nieuwbouw op locatie Plaswijckschool. Deze twee scholen zijn momenteel op drie locaties gehuisvest in de wijk Plaswijck. Clustering op 1 locatie biedt diverse voordelen en levert potentiële herontwikkelinglocaties op. Voor nu is de locatie van de Plaswijckschool voorzien als beoogde clusterlocatie. Tijdelijke huisvesting van de Plaswijckschool is voorzien in de Calslaan 100.
• Julianaschool: vooralsnog wordt uitgegaan van vernieuwbouw van het huidige gebouw. Tijdelijke huisvesting is voorzien in de Graaf Jan van Nassauschool. • Project clustering VO: Antoniuscollege en Antonius MavoXL en ruilen van locatie met De Goudse Waarden (Kanaalstraat). Zie de beschrijving in hoofdstuk 4.
32
2036-2040 Voor de periode 2036-2040 zijn de volgende projecten voorzien. Hierbij is nog niet duidelijk hoe de logistieke planning, volgorde en tijdelijke huisvesting eruit gaat zien. Ook worden de mogelijkheden voor clusteringskansen komende tijd nog verder onderzocht. Met de kennis van nu zijn dit de projecten: • St. Aloysius A.G. de Vrijestraat: vernieuwbouw huidige gebouw. • De Carrousel: vernieuwbouw huidige gebouw of nieuwbouw op huidige locatie. • Casimirschool locatie Groeneweg: vernieuwbouw huidige gebouw. • Driestar Bèta: vernieuwbouw huidige gebouw. • De Bijenkorf en Wilhelminaschool: clustering en nieuwbouw of vernieuwbouw met uitbreiding huidige gebouw de Bijenkorf. • De Kas: vernieuwbouw of nieuwbouw met uitbreiding gebouw E.J. Potgieterstraat. • De Ridderslag: vernieuwbouw of nieuwbouw op huidige locatie. • ’t Palet: vernieuwbouw of nieuwbouw op huidige locatie.
33
Bijlage II: Strategische uitvoeringskaders onderwijshuisvesting De raad heeft in haar besluit van april 2019 strategische uitvoeringskaders voor onderwijshuisvesting vastgesteld. De raad heeft het college verzocht om op basis van deze strategische uitvoeringskaders vijfjarige uitvoeringskaders op te stellen, te beginnen het met eerste uitvoeringsplan 2019 – 2023, met als richtinggevend kader het Integraal Huisvestingsplan 2017-2032. De vastgestelde strategische uitvoeringskaders bestaan uit de volgende bouwstenen en aanvullende (inhoudelijke) kaders. De acht bouwstenen uit het IHP 2017 – 2032, te weten: 1. Samenwerking tussen schoolbesturen en gemeente. Uitgangspunt is dat er bij realisatie van onderwijshuisvesting rekening gehouden wordt met samenwerkingscombinaties (BO, SBO, (V)SO, kinderopvang, BSO en/of overige maatschappelijke partners). 2. Ruimte voor diversiteit en identiteit. Uitgangspunt is dat wanneer identiteit, denominatie en/of onderwijsconcept onderscheidend is, dit erkend mag worden in de huisvestingsoplossing. 3. Huisvesting op wijkenniveau. Uitgangspunt is dat er bij realisatie van onderwijshuisvesting rekening wordt gehouden met het onderwijsaanbod op wijkniveau. Voor BO betekent dit kansen benutten en bepalen op wijkniveau, handhaving BO op wijkniveau en aanwezigheid van een gymvoorziening op wijkniveau. 4.
Eigen bijdrage van scholen (binnen juridische kaders) van ongeveer 10%. Uitgangspunt is dat schoolbesturen een deel van de stichtingskosten van de nieuwbouw of renovatieopgave financieren, waarbij de investering het onderhoud en exploitatie van het gebouw ten goede komt. 5. Meer renovatie in plaats van nieuwbouw, met de nieuwe optie voor renovatie voor veertig jaar. Uitgangspunt is dat er bij realisatie van onderwijshuisvesting rekening wordt gehouden met renovatiemogelijkheden. Concreet: de mogelijkheid van renovatie wordt onderzocht. 6. Herbestembaarheid en flexibiliteit van gebouwen, middels onder meer clustering ten behoeve van efficiency en kostenvoordeel. Uitgangspunt is dat bij realisatie van onderhuisvesting rekening wort gehouden met herbestembaarheid (locatiegebonden mogelijkheden, andere school, schooltype of woningbouw) en flexibiliteit (binnenwanden verplaatsbaar, kolommenstructuur bij nieuwbouw, modulaire inrichting, mogelijkheid in beperkte mate van uitbreidbaarheid). 7. Milieu en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat rekening wordt gehouden met duurzaamheidseisen die gesteld worden per 1 januari 2021. 8. Leegstand beperken en benutten. Uitgangspunt is binnen bestaande schoolgebouwen passende oplossing te vinden voor leegstand, schoolgebouwen af te stoten waar mogelijk, medegebruik stimuleren en vorming van IKC’s te bevorderen.
34
Drie aanvullende kaders, gericht op de werkwijze bij uitvoering, te weten: 9. Oog voor het buurteffect binnen wijkgerichte aanpak. Uitgangspunt is dat er gekeken wordt naar de effecten op de schaal van buurten. Specifiek voor de clusteringlocaties wordt een analyse gedaan op buurteffect. 10. Aandacht voor verkeerskundige inpassing. Uitgangspunt is dat het uitvoeringsplan omvat een verkeerskundige analyse van de bouwlocaties. 11. Uitvoering in participatief overleg met de omgeving. Uitgangspunt is dat in de uitvoering en gemeente op locatieniveau aanvullend overleg zullen plegen met de directe omgeving, met als focus inpassingsvraagstukken. Zes aanvullende inhoudelijke kaders, bovenop de afspraken uit het IHP: 12. Nul-op-de-Meter (inclusief gasloos) gebouwen als gezamenlijk doel schoolbesturen en gemeente. Uitgangspunt is het streven om Nul-op-de-Meter schoolgebouwen te realiseren en dit betekent dat nieuwbouw en renovatie gasloze schoolgebouwen opleveren. 13. 15% groennorm toepassen (conform Structuurvisie groen). Uitgangspunt is dat wordt voorzien in 15% openbaar groen in of rond het projectgebied. 14. Benutten van vrijvallende locaties. Uitgangspunt is dat panden/locatie die terugvallen aan de gemeente worden herontwikkeld, mogelijk na verkoop. 15. Gerichte inzet op combinatiegebruik (wonen en werken bij scholen) en benutten rendement.
Uitgangspunt is dat er wordt gekeken naar de kansen van wonen of werken bij en/of boven scholen, of naar de financiële voordelen ten behoeve van dekking van kosten gemaakt vanuit het IHP. 16. Toegankelijkheid. Uitgangspunt is in samenspraak met scholen te handelen conform de principes en uitgangspunten van het ‘VN-verdrag inzake de rechten van personen met een beperking’. 17. Nabijheid. Uitgangspunt is dat als er sprake is van een kleinschalige aanvullende ruimtebehoefte van een school voor primair onderwijs en er binnen de verwijsafstand geen medegebruik mogelijk is van een bestaand schoolgebouw, waardoor (gedeeltelijke) nieuwbouw noodzakelijk is, vindt deze zoveel mogelijk in de directe nabijheid van (het) bestaande schoolgebouw(en) plaats.
35
Bijlage III: Bouwkundig afwegingskader IHP Gouda (ICS)
36
37
Bijlage IV: Visie IKC Ontwikkeling Gouda
Visie op IKC-ontwikkeling in Gouda Inhoud 1 2
3
4
5
6 7
Aanleiding en Inleiding Begripsbepaling Integraal Kind Centrum 2.1 Wat is een IKC 2.2 Verwante begrippen 2.2.1 Verlengde schooldag 2.2.2 De Brede School 2.2.3 De Brede School Gouda 2.2.4 De Familie School Wettelijk kader 3.1 Samenwerking kinderopvang en onderwijs 3.2 Knelpunten 3.3 Een nieuw financieringsstelsel Belang van IKC’s voor de gemeente 4.1 Gemeentelijke verantwoordelijkheden 4.2 Mogelijke rollen van de gemeente bij IKC-vorming 4.3 Belangrijke aandachtspunten bij IKC-vorming 4.3.1 Intentie 4.3.2 Huisvesting 4.3.3 Partnerschap met kinderopvang 4.3.4 Gezamenlijke pedagogische visie en organisatie 4.3.5 Draagvlak 4.3.6 Wettelijke knelpunten 4.3.7 Zwakke wijken/scholen met risico op onderwijsachterstanden 4.3.8 Clustering, schaalgrootte en keuzevrijheid 4.3.9 Brede sociale basis Visie op IKC ontwikkelingen in Gouda 5.1 Kaderstelling Uitvoeringsplan IHP 2e tranche 5.2 Vormen van ondersteuning 5.2.1 Voorfinanciering met kostendekkende huur. 5.2.2 Gemeentelijke garantstelling 5.2.3 Fysieke ruimte 5.3 Van IKC naar Familieschool 5.3.1 IKC-vorming in Gouda 5.3.2 Een Goudse Familieschool Vervolgstappen en planning Bronnen en meer lezen
38
Aanleiding en Inleiding Met het oog op het opstellen van het uitvoeringsplan onderwijshuisvesting tweede tranche (IHP 2) heeft de raad gevraagd antwoord te geven op de vraag of ontwikkelingen tot de vorming van Integrale Kindcentra (IKC’s) in Gouda wenselijk zijn vanuit het maatschappelijke perspectief. Er is behoefte aan een principe uitspraak over IKContwikkelingen en de rol die de gemeente daarbij zou kunnen hebben. Ten behoeve van een antwoord op die vraag wordt in het eerste deel van deze notitie toegelicht wat onder een IKC moet worden verstaan, op welke wijze IKC’s kunnen bijdragen aan de doelstellingen van de gemeente en hoe een IKC-ontwikkeling in zijn algemeenheid succesvol kan zijn. Vervolgens wordt ingegaan op de mogelijkheden die er momenteel vanuit de gemeente zijn om de IKC-ontwikkelingen te ondersteunen. Dit advies maakt integraal deel uit van het tweede uitvoeringplan onderwijshuisvesting van het Integraal Huisvestingsplan (IHP).
2. Begripsbepaling Integraal Kind Centrum 2.1 Wat is een IKC Een IKC is voorziening waarin een school (of meerdere scholen) en een partner uit de kinderopvang (dagopvang en eventueel buitenschoolse opvang) samenwerken aan een ononderbroken ontwikkelingslijn voor kinderen tussen 0-13 jaar. De samenwerking is sterk op inhoud. Er is een vastgestelde gezamenlijke pedagogische visie op ontwikkeling en educatie. Ook is de samenwerking goed vastgelegd in formele afspraken. Er is idealiter sprake van één gebouw waarbinnen het onderwijs- en kinderopvangaanbod wordt gedaan maar dat hoeft niet. Een IKC heeft lange openingstijden en biedt naschoolse activiteiten bijvoorbeeld in samenwerking met sportverenigingen en culturele organisaties. Er zijn IKC’s die ook een wijkfunctie op zich nemen: een rol in het bieden van gelijke kansen voor alle kinderen in de vestigingswijk ongeacht of zij in het IKC naar school gaan. Ook voorzieningen voor jeugdzorg kunnen aansluiten bij de samenwerking binnen IKC’s. De kern van een IKC is altijd de samenwerking tussen onderwijs en een organisatie voor kinderopvang.
2.2 Verwante begrippen Rond IKC-vorming ontstaat soms begripsverwarring, omdat verschillende termen naast en door elkaar gebruikt worden. Hieronder worden de meest relevante besproken met daarbij aandacht voor het verschil met een IKC: 2.2.1 Verlengde schooldag Bij een verlengde schooldag worden er op de basisschool extra activiteiten georganiseerd na school. Dit kan bijvoorbeeld een BSO zijn, die ruimte huurt bij een basisschool. Een IKC gaat dus verder dan een school met een verlengde schooldag die in veel gevallen niet meer is dan een accommodatie met meerdere aanbieders die wel dingen samen doen (activiteiten, ruimte delen) maar vrijblijvend en ieder vanuit een eigen perspectief en visie. 2.2.2 De Brede School De Brede School is een samenwerkingsverband tussen partijen die zich bezighouden met opgroeiende kinderen. Doel van het samenwerkingsverband is de ontwikkelingskansen van de kinderen te vergroten. Een ander doel kan zijn een doorlopende, en op elkaar aansluitende opvang te bieden. Onderwijs is in elk geval participant. Kinderopvang, welzijn, peuterspeelzaal, sport, fysiotherapie, cultuur, bibliotheek en andere instellingen kunnen ook een onderdeel van de Brede School zijn. Het begrip Brede School kent dus hele verschillende invullingen en verschilt per gemeente en zelfs per school. In Gouda heeft de Brede School een geheel eigen invulling gekregen.
39
2.2.3 De Brede School Gouda De Brede School Gouda (BSG) is anders georganiseerd, omdat ze niet aan één school verbonden is, maar voor het hele basisonderwijs actief is. Daarnaast heeft de BSG ook een regionale functie. De BSG is een netwerk van scholen en andere voorzieningen op het gebied van welzijn, cultuur, sport, natuur & techniek en educatie met als doel de ontwikkelingskansen van kinderen en hun ouders te vergroten en een actieve deelname van kinderen aan de samenleving te bevorderen, kinderen een goede 'dagindeling' te bieden, mogelijke achterstanden van kinderen weg te nemen en hun sociale competentie te vergroten. 2.2.4 De Familie School In Amsterdam is de zogenaamde Familie School in opkomst. In feite lijkt de Amsterdamse Familie School op een IKC. De invulling kent dezelfde diversiteit als bijvoorbeeld de Brede School. De Amsterdamse Familie School werkt vanuit de gedachte dat kinderen zich optimaal kunnen ontwikkelen in een brede en rijke context, waarin de drie leefwerelden (school, thuis en de buurt) met elkaar samenwerken en elkaar versterken. De idee is dat wanneer een school samenwerkt met ouders en partners in de wijk, er een soepele overgang ontstaat tussen de leefwerelden van kinderen.
Alle inspanningen vanuit school, ouders of buurtorganisaties die bijdragen aan de ontwikkeling van het kind, hebben meer impact wanneer ze in een andere leefwereld navolging krijgen.
3. Wettelijk kader 3.1 Samenwerking kinderopvang en onderwijs Volgend op een in de Tweede Kamer aangenomen motie hebben de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs in april 2023 een brief aan de kamer gestuurd waarin ze knelpunten in de samenwerking tussen de kinderopvang en het primair onderwijs benoemen samen met de oplossingen die ze hier met het veld al voor inzetten. Zij zien samenwerking niet als doel op zich, maar als een middel om de ontwikkeling van jonge kinderen te bevorderen en ouders en professionals daarbij beter te ondersteunen. De genoemde oplossingen maken ook samenwerking in de vorm van een IKC eenvoudiger. De gesignaleerde knelpunten waarvoor deels al oplossingen zijn gevonden en ten uitvoer worden gebracht, hebben te maken met cultuurverschillen, Europese btw-regelgeving, VOGeisen, verschillende schooltijden en verschillende kwalificatie-eisen in de opleidingen. Meer hierover is te lezen in de genoemde kamerbrief.* *https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2023/04/26/kamerbrief-invulling-motieoplossingen-geidentificeerde-knelpunten-samenwerking-tussen-de-kinderopvang-en-het-onderwijs
3.2 Knelpunten Vanuit de betrokken ministeries zijn er nog geen oplossingen gevonden voor meer complexe knelpunten bij het realiseren van gezamenlijke huisvesting. Die knelpunten leiden er toe dat onderwijs en kinderopvang in de praktijk geen gelijk speelveld hebben. Kinderopvangorganisaties hebben bijvoorbeeld binnen de gangbare onderwijshuisvesting geen huurbescherming. Een ander voorbeeld is dat scholen vrije partnerkeuze hebben bij de samenwerking met een aanbieder van kinderopvang en zelf ook kinderopvang kunnen starten. Dit kan andere kinderopvangorganisaties benadelen en brengt gemeenten die een IKC-ontwikkeling willen stimuleren in botsing met de Wet Markt en Overheid vanwege het ontstaan van oneerlijke concurrentie.
40
3.3 Een nieuw financieringsstelsel Momenteel wordt door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gewerkt aan een nieuw financieringsstelsel voor de kinderopvang. Het streven is dat dit nieuwe stelsel per 1 januari 2027 ingaat. Belangrijkste wijzigingsvoornemen is dat kinderopvang voor de ouders bijna gratis wordt. De gevolgen van zo’n stelselwijziging voor de ontwikkeling van IKC’s zijn vooralsnog onduidelijk, daarnaast is er nog geen politieke zekerheid dat deze wijziging er ook daadwerkelijk gaat komen.
4. Belang van IKC’s voor de gemeente 4.1 Gemeentelijke verantwoordelijkheden Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het bieden van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning en voor het stimuleren van de arbeidsparticipatie van hun inwoners. Ook het tegengaan van onderwijsachterstanden is een gemeentelijke taak evenals het bevorderen van kansengelijkheid. Steeds meer wordt benadrukt dat bij die taken ook een component preventie aan de orde is: voorkómen dat burgers een beroep moeten doen op ondersteuning van de gemeente door de aanwezigheid van een sterke sociale en pedagogische basisinfrastructuur. Onderdeel van die basis zijn de onderwijs- en kinderopvangvoorzieningen. Deze faciliteiten dragen immers bij aan de ontwikkeling van kinderen tot zelfstandige en zelfredzame burgers en als arbeidsmarktvoorziening ook aan het welbevinden en de economische zelfredzaamheid van hun ouders. Gemeenten doen er dan ook goed aan om ontwikkelingen die de basisinfrastructuur versterken te volgen en daar waar mogelijk aan bij te dragen. Bijvoorbeeld door vorming van IKC’s in de plaats van traditionele gescheiden locaties voor onderwijs en kinderopvang.
4.2 Mogelijke rollen van de gemeente bij IKC-vorming De gemeente kan op verschillende manieren bijdragen aan de ontwikkeling van IKC’s. Sommige gemeenten kiezen ervoor alleen faciliterend op te treden op het moment dat initiatiefnemers uit het onderwijs of de kinderopvang een beroep op ondersteuning doen. In sommige gemeenten wordt door schoolbesturen en kinderopvangorganisaties gevraagd om een gemeentelijke visie op IKC-ontwikkelingen. Er zijn ook gemeenten die van de ontwikkeling van IKC’s een speerpunt maken en een actieve regierol nemen bij het verbinden van onderwijs en kinderopvangvoorzieningen. Ze brengen partijen met elkaar in gesprek om hun inzet onderling af te stemmen en grijpen ontwikkelingen op het gebied van huisvesting aan om een IKC-ontwikkeling te stimuleren. De gemeente faciliteert in die gevallen bijvoorbeeld een onafhankelijke projectleider. Een ander voorbeeld van ondersteuning door de gemeente is het hanteren van een hogere berekeningsgrondslag voor onderwijshuisvesting wanneer bij de bouw of aanpassing van een onderwijs gebouw rekening moeten worden gehouden met extra m2, materialen en indeling ten behoeve van een IKC.
Andere vormen van ondersteuning zijn vooral praktisch van aard, zoals voorfinanciering van het kinderopvanggedeelte, het beschikbaar stellen van bouwgrond al dan niet in erfpacht, het meenemen van de overheadkosten bij gecombineerde bouw van onderwijs en kinderopvang zoals ontwerpkosten en projectkosten en garantstelling als er voor de ontwikkeling van kinderopvang extra middelen aangetrokken moeten worden.. In ieder geval zullen bij aanvang van een project voor de bouw van een IKC duidelijke afspraken moeten worden gemaakt over het bouwheerschap, het juridisch eigendom van het gebouw na oplevering en de wijze waarop, met name, het deel van het gebouw dat voor de commerciële activiteiten wordt gebruikt aan die betreffende organisatie juridisch in gebruik wordt gegeven. Daarvoor zijn verschillende opties denkbaar, maar in ieder geval moeten de investeringskosten worden verhaald op de commerciële partij. Dit gebeurt vaak in de vorm van kostendekkende huur.
41
4.3 Belangrijke aandachtspunten bij IKC-vorming Een evaluatie van een aantal IKC-ontwikkelingen in de gemeente Utrecht geeft een goed beeld van de do’s en dont’s waar rekening mee gehouden moet worden. Nummer één en twee van onderstaande lijst zijn een absolute voorwaarde voor bemoeienis van de gemeente. 4.3.1 Intentie Er sprake is van een positieve grondhouding, met name bij de beoogde onderwijspartner. Er is een schoolbestuur of schoolleider die stuwende kracht achter de IKC-ontwikkeling kan en wil zijn. Men is zich er van bewust dat het proces vraagt om een lange adem. Het realiseren van de juiste huisvesting is door financiering en eigendomsverhoudingen vaak lastig. Er moet bij alle partijen bereidheid zijn om veel tijd te steken in inhoudelijke voorbereiding. Als er sprake is van meerdere wensen tot een IKC-ontwikkeling en de gemeente een keuze moet maken kan dit criterium als doorslaggevend worden betiteld. Het moet voor onderwijspartners dan wel duidelijk zijn welke objectieve kaders en uitgangspunten door de gemeente worden gehanteerd. 4.3.2 Huisvesting Een IKC is gebaat bij een gebouw waarin goed is nagedacht over het samengaan van verschillende functies en mogelijkheden tot samenwerking door de ruimtelijke voorzieningen worden ondersteund. Kinderopvang en BSO voorzieningen vragen om een andere omgeving dan schoolse voorzieningen.
Als de huisvestingsituatie van één of meerdere scholen in een wijk dusdanig is dat nieuwbouw of vergaande renovatie aan de orde is, is dat een kans die kan worden aangegrepen om een IKContwikkeling in te zetten. Naast inhoudelijke argumenten speelt ook de fysieke ruimte op een potentiële bouwlocatie een grote rol. 4.3.3 Partnerschap met kinderopvang De keuze voor partnerschap met de kinderopvang is opgelost doordat aanbieders van kinderopvang gelijke kansen krijgen om mee te doen of de condities zijn geschapen om met een specifieke commerciële partij aan de slag te kunnen gaan. Aandachtspunt hierbij is de positie van kleinere kinderopvangorganisaties die mogelijk minder financiële armslag hebben om in een IKC-ontwikkeling mee te kunnen doen. 4.3.4 Gezamenlijke pedagogische visie en organisatie In de wetenschap dat schoolleiding en leiding van een kinderopvangorganisaties verschillende disciplines zijn met ieder eigen specialisaties, moet er tussen beoogde samenwerkingspartners de serieuze intentie zijn om te komen tot een gezamenlijke pedagogische visie op ontwikkeling en educatie en een eenduidige aansturing van het gezamenlijke team. 4.3.5 Draagvlak Het draagvlak voor de ontwikkelingen komt uit alle geledingen van de onderwijs- en kinderopvangorganisatie. Samenwerking start vaak op directieniveau maar er moet op alle niveaus volop ondersteuning voor zijn of komen.
Er is dus bereidheid nodig om er ook op uitvoeringsniveau en bestuurlijk aan mee te werken. Als plannen voor een IKC-ontwikkeling concrete vormen aan gaan nemen is er bereidheid nodig om te bepalen wat de behoefte is van derde partijen en ouders. 4.3.6 Wettelijke knelpunten Er zijn momenteel (nog) knelpunten in het wettelijk kader waar oplossingen voor gevonden moeten worden in de vorm van heldere afspraken ten aanzien van de eigendomsverhoudingen, financiering, cao’s etc. Scholen en kinderopvangorganisaties kunnen zich hierbij verlaten op kennis die bij andere IKContwikkelingen is opgedaan zoals bijvoorbeeld verwoord in de praktische handreiking over gezamenlijke huisvesting kinderopvang en onderwijs samengesteld door de VNG, de Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang, de Brancheorganisatie Kinderopvang, de PO-Raad, het Waarborgfonds & Kenniscentrum Kinderopvang, en
42
het Kenniscentrum Ruimte-OK, OCW en SZW.1 Nu moet een kinderopvangorganisatie bijvoorbeeld vaak plaatsmaken als de school waarvan zij huren de ruimte zelf nodig heeft. Binnen een IKC moeten afspraken over een vorm van huurbescherming kunnen worden gemaakt. 4.3.7 Zwakke wijken/scholen met risico op onderwijsachterstanden De voordelen van een IKC voor de ontwikkeling van kinderen wegen het zwaarst bij kinderen die van huis uit minder “bagage” meekrijgen bijvoorbeeld doordat thuis sprake is van laaggeletterdheid of een andere voertaal. Dat kan een extra reden zijn om de ontwikkeling van een IKC te stimuleren in sociaaleconomisch zwakkere wijken of met scholen waar kinderen meer risico lopen op onderwijsachterstanden dan elders. Het moet dat wel de intentie van de initiatiefnemers zijn om aan het inlopen van die achterstanden bij te dragen door het bieden van vroegschoolse educatie en bijvoorbeeld wijkgerichte activiteiten. 4.3.8 Clustering, schaalgrootte en keuzevrijheid IKC-vorming mag er niet toe leiden dat kinderen geen vrije toegang meer hebben tot een school van hun keuze omdat alleen leerlingen vanuit de aangesloten kinderopvang zich kunnen inschrijven. Om segregatie te voorkomen gaat de voorkeur uit naar clustering (of samengaan) van meerdere scholen in een IKC. Het IKC moet wel een minimale leerlingenomvang hebben om nieuwbouw financieel haalbaar te maken.
4.3.9 Brede sociale basis Initiatiefnemers uit onderwijs en kinderopvang tonen bereidheid om onderzoek te doen naar samenwerking in het IKC met andere partners binnen de sociale basis. Daarbij moet wel de kanttekening worden gemaakt dat het betrekken van meer partijen het proces niet nog ingewikkelder moet maken dan het al is. Inmiddels wordt er in Westergouwe (Stichting Federatief) ervaring opgedaan met IKC-vorming en ook bij de recent opgeleverde clusterlocatie van Auris-Taalplein en De Triangel wordt de verbinding gezocht met de kinderopvangorganisatie in hetzelfde gebouw.
5. Visie op IKC ontwikkelingen in Gouda IKC-vorming kan een belangrijke bijdrage leveren aan het verbeteren van de sociale cohesie in een wijk en de pedagogische en didactische ondersteuning van kinderen. (zie ook hoofdstuk 4.1) Ten aanzien van de huisvesting, is er een aantal factoren van belang. (zie ook hoofdstuk 4.3) Rendabele kinderopvang vraagt een bepaalde schaalgrootte. Rendabele onderwijshuisvesting ook. Clustering is een kans om voor zowel het onderwijs als de kinderopvang rendabele huisvesting te creëren. Risico van clustering is echter wel dat door efficiënter grondgebruik er juist geen ruimte meer overblijft voor kinderopvang. Kinderopvang vraagt om rendabel te zijn namelijk minimaal 3 extra klaslokalen.
5.1 Kaderstelling Uitvoeringsplan IHP 2e tranche In het raadsbesluit van 12 december 2023 is bij het onderwerp clustering het volgende vastgelegd: Scholen werken samen in één gebouw (clustering), bij voorkeur in combinatie met kinderopvang en gymzalen. Clustering zorgt er voor dat er met hetzelfde aantal projecten meer scholen vernieuwd kunnen worden. Consequentie van het onderbrengen van kinderopvang in een IKC is, dat de gemeente in deze situatie de bouw van deze ruimte zal moeten meenemen de planvorming.
1 https://open.overheid.nl/documenten/ronl-095be1e56b96ff7dd02ea2f45d76f19d1c89bfff/pdf
43
Eventueel voorfinancieren is expliciet voorbehouden aan situaties waarin sprake is van clustering. Inzet is daarnaast om te komen tot een vastgestelde gezamenlijke pedagogische visie op ontwikkelen en educatie. Overigens is voorfinanciering alleen mogelijk als er vanuit de gemeente voldoende investeringsruimte is en als de fysieke ruimte het toelaat dat er kinderopvang toegevoegd wordt aan het onderwijsgebouw. Deze investeringskosten keren overigens op termijn terug in de vorm van kostendekkende huur.
5.2 Vormen van ondersteuning Eerder in deze notitie is geconstateerd dat wanneer de gemeente een actieve rol als regisseur op zich neemt, dit positief bijdraagt aan het samenwerkingsproces tussen de diverse potentiële partners van een IKC. In relatie tot huisvesting zijn er globaal gezien drie opties waarin de gemeente kan bijdragen aan de vorming van een IKC.: 5.2.1 Voorfinanciering met kostendekkende huur. De voorkeur gaat uit naar het zelf laten voorfinancieren door de deelnemende partijen. De gemeente staat echter positief tegenover IKC-vorming en wil voorfinanciering met kostendekkende huur niet uitsluiten. Deze vorm is voorbehouden aan clustervorming waarbij de inzet tevens is te komen tot een vastgestelde gezamenlijke pedagogische visie op ontwikkeling en educatie. Om tot voorfinanciering te komen moet er voldoende financiële en fysieke ruimte beschikbaar zijn. 5.2.2 Gemeentelijke garantstelling Garantstelling waarbij de kinderopvang (of de school) de lening aangaat. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van garantstellingen is ‘nee, tenzij’. Garantstellingen moeten zover mogelijk overgelaten worden aan professionele waarborgfondsen en worden alleen toegepast als het publieke belang in het geding is en er geen wezenlijke alternatieven zijn. Een gemeentelijke garantstelling voor kinderopvang past daarmee niet binnen het beleid van de gemeente Gouda.
Kinderopvang is namelijk geen wettelijke verplichting. 5.2.3 Fysieke ruimte De gemeente faciliteert de fysieke mogelijkheid. Kinderopvang in de planvorming meenemen betekent dat de gemeente fysieke ruimte beschikbaar stelt aan een kinderopvangorganisatie. Door deze grond in erfpacht beschikbaar te stellen geeft de gemeente aan de kinderopvangorganisatie de fysieke ruimte om bij een school kinderopvang te realiseren. De kinderopvangorganisatie financiert dit uiteindelijk in de vorm van een kostendekkende huur.
5.3 Van IKC naar Familieschool Momenteel wordt onderzocht of het inzetten op de familieschool in Gouda meer mogelijkheden biedt ten opzichten van de IKC-vorming. Het ligt in de lijn van dit onderzoek om hiertoe op korte termijn een pilot te starten in Goverwelle. Daarvoor is inmiddels een subsidievraag ingediend bij de Gelijke Kansen Alliantie. De koppeling van IKC-vorming aan clustering van scholen zou daarmee mogelijk opnieuw ter discussie gesteld moeten worden. 5.3.1 IKC-vorming in Gouda De gemeente gaat de komende periode steviger inzetten op doorontwikkeling van het concept van de IKC’s. De ondersteuning van de gemeente is afhankelijk van de huisvestingssituatie van de betrokken scholen en de concrete behoeften en belangen van onderwijs- en kinderopvangorganisaties, derde partijen, kinderen en hun ouders. Hoe dan ook moet er sprake zijn van constructieve inzet om te komen tot een vastgestelde gezamenlijke pedagogische visie op ontwikkeling en educatie, een bepaalde schaalgrootte en ruimtelijke inpasbaarheid die investeringen in kinderopvang bij scholen legitimeert. Essentieel is om te kijken waar de energie zit.
44
Als de huisvestingsituatie van één of meerdere scholen in een wijk dusdanig is dat nieuwbouw of vergaande renovatie aan de orde is, is dat een kans die kan worden aangegrepen om een IKC ontwikkeling in te zetten. Naast inhoudelijke argumenten speelt ook de fysieke ruimte op een potentiële bouwlocatie een grote rol. Het onderwijslandschap in Gouda is sterk versnipperd en dat is ook zichtbaar in het grote aantal, relatief kleine locaties. Het is hierbij belangrijk om de praktische haalbaarheid van extra ruimte voor kinderopvang al in een vroeg stadium mee te nemen. Evenals de m2 voor andere functies en functionaliteiten als organisaties in de (jeugd)zorg, welzijn, cultuur, sport. 5.3.2 Een Goudse Familie School Welke mogelijke actoren hebben de drive, de kracht en de lange termijn adem om het concept van de Familie School tot een duurzaam succes in de praktijk te maken. Lokaliseer potentiële initiatiefnemers uit onderwijs en kinderopvang die bereid zijn om onderzoek te doen naar samenwerking in het IKC met andere partners binnen de sociale basis. Daar waar schoolbesturen de intentie hebben om samenwerking te zoeken met kinderopvangorganisaties en eventuele andere maatschappelijke partners om tot de vorming van een inhoudelijk en organisatorisch sterk IKC te komen, vinden de initiatiefnemers de gemeente aan hun zijde.
Dit doen wij door middelen vrij te maken om een projectleider Familie School aan te stellen in afstemming met de Brede School Gouda. Het ziet ernaar uit dat financiering van deze projectleider voor de komende twee jaar kan plaatsvinden middels eerder genoemde subsidie vanuit de Gelijke Kansen Alliantie. In die periode moet ook helder worden of deze functie in de verdere toekomst noodzakelijk is en op welke wijze duurzame financiering hiervoor kan worden georganiseerd.
6. Vervolgstappen en planning • • •
Zomer 2025: besluitvorming IHP 2 inclusief definitieve IKC visie Communicatie met organisaties en onderwijsveld Uitwerken van een notitie Familieschool waarin concrete stappen ten aanzien van IKC-vorming en ontwikkeling tot familieschool verder worden uitgewerkt.
7. Bronnen en meer lezen
https://www.nji.nl/kinderopvang/kwaliteit-van-kinderopvang-voor-een-sterkepedagogische-basis https://www.utrecht.nl/fileadmin/uploads/documenten/bestuur-enorganisatie/publicaties/onderzoek-en-cijfers/rapportage-evaluatie-integrale-kindcentra2020-05.pdf https://www.raadbergen-nh.nl/Vergaderingen/Gemeenteraad/2018/11december/19:30/bij-2018-12-11-beleidsnotitie-visie-integrale-kindcentra.pdf https://research.hanze.nl/ws/portalfiles/portal/7740658/19.doornenbal.Een_IKC_dat_sta at_als_een_huis_boek_1_2_.pdf https://pactvoorkindcentra.nl/toolkit/wetenschap https://raad.ridderkerk.nl/documenten/Presentaties/2020-02-06-Presentatie-IKC-visie.pdf https://bouwstenen.nl/sites/bouwstenen.nl/files/uploads/IHP%20Gouda%20inclusief%20 bijlagen.pdf https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR674495/1 https://www.poraad.nl/system/files/202201/Brochure%20Op%20weg%20naar%20een%20ikc.pdf https://open.overheid.nl/documenten/ronl095be1e56b96ff7dd02ea2f45d76f19d1c89bfff/pdf
45