CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Handreiking De nazorg voor jeugdigen november 2022

Commissie Bestuur 26 januari 2026, gemeente GoudaBij agendapunt: Beeldvorming Agenderingsverzoek Preventieve aanpak jeugdcriminaliteit en re-integratie van jongeren na detentie6.484 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nazorg voor jeugdigen na verblijf in een Justitiële Jeugdinrichting Landelijke handreiking ten behoeve van regionale werkafspraken tussen jeugdstrafrechtpartners en gemeenten Opgesteld door de Beleidsgroep nazorg jeugd Vastgesteld in het Coördinerend Beraad Jeugd 12 december 2022

1

Inhoudsopgave 1 Inleiding................................................................................................................................................ 3 1.1 Definities ....................................................................................................................................... 3 1.2 Doelstelling ................................................................................................................................... 4 1.3 Leeswijzer...................................................................................................................................... 4 2 Kader nazorg ....................................................................................................................................... 5 2.1 Juridisch kader .............................................................................................................................. 5 2.2 Methodiek ..................................................................................................................................... 6 2.3 Verschillende vormen van nazorg................................................................................................. 6 3 Werkproces nazorg jeugd op hoofdlijnen............................................................................................

9 3.1 Betrokken organisaties en hun rollen ........................................................................................... 9 3.2 Het werkproces ............................................................................................................................. 9 4 Adolescentenstrafrecht ..................................................................................................................... 13 4.1 Grondslag .................................................................................................................................... 13 4.2 Uitvoering van het nazorgoverleg............................................................................................... 14 5 Informatieuitwisseling bij nazorg ...................................................................................................... 16 5.1 Grondslag .................................................................................................................................... 16 5.2 Bescherming persoonsgegevens................................................................................................. 16 5.3 Beslisboom om tot regionale afspraken te komen ..................................................................... 17 5.4 Ondersteuning door een informatiesysteem: GCOS en Injus .....................................................

18 6 Financiële aspecten............................................................................................................................ 20

2

1 Inleiding Goede nazorg draagt bij aan recidivevermindering en aan een beter perspectief voor jeugdigen. Ketenpartners binnen het jeugdstrafrecht zoals de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK), de Gecertificeerde Instelling (hierna: jeugdreclassering), de drie reclasseringsorganisaties (te weten Reclassering Nederland, Stichting Verslavingsreclassering, Leger des Heils Jeugdbescherming en reclassering (hierna: 3RO), de Justitiële Jeugdinrichtingen1 (hierna: JJI’s) en gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om die nazorg zo goed mogelijk vorm te geven. De afgelopen jaren zijn verschillende wetswijzigingen en samenwerkingsstructuren doorgevoerd die invloed hebben op de uitvoering van de nazorg voor jeugdigen. Naar aanleiding van deze veranderingen ontstond behoefte aan een vernieuwde handreiking om te kunnen komen tot goede regionale en lokale werkafspraken rondom de nazorg van jeugdigen, waarin tevens de taken en verantwoordelijkheden van de verschillende betrokken partijen zijn te raadplegen.

1.1 Definities Onder ‘nazorg’ wordt in deze handreiking verstaan: de begeleiding die een jeugdige krijgt, tijdens2 en aansluitend op zijn verblijf in een JJI op alle voor hem relevante leefgebieden, totdat er op die leefgebieden een gewenste stabiele situatie is ontstaan.3 Dit betreft dus verplichte en vrijwillige en nazorg. In deze handreiking wordt onder ‘jeugdigen’ verstaan minderjarigen tussen 12 en 18 jaar en jongvolwassenen (18- tot 23-jarigen) op wie het jeugdstrafrecht is toegepast en die in dat kader in een JJI verblijven of hebben verbleven. Het gaat hier om de leeftijd ten tijde van het plegen van het delict: in de fase van nazorg kan een jeugdige daardoor ouder zijn dan 22 jaar. In theorie kan in het geval waarin een PIJ-maatregel4 is opgelegd naar aanleiding van een delict dat is gepleegd op 22jarige leeftijd een jeugdige aan het eind van die maatregel zelfs 29 jaar oud zijn en ook een jeugdige zoals bedoeld in deze handreiking. We spreken in deze handreiking verder over ‘nazorgoverleg’. Dit is het overleg waarin gezamenlijk met de jeugdigen, ouders/verzorgers en ketenpartners een plan wordt gemaakt voor de nazorg. Andere termen die door ketenpartners gebruikt worden, en waarmee hoofdzakelijk hetzelfde wordt bedoeld, zijn: nazorgtafel, trajectberaad, netwerkberaad, uitvoeringstafel, Pij-beraad.

Het is belangrijk om één gezamenlijke term te hanteren, waarbij gekozen is voor ‘nazorgoverleg’.

1 Dan wel voorzieningen waar vrijheidsbeneming plaatsvindt in het kader van het traject Vrijheidsbeneming op Maat voor

justitiële jeugdigen (VOM ) waarbij wordt toegewerkt naar Landelijke Specialistische Voorzieningen en Kleinschalige Voorzieningen justitiële jeugd (KVJJ). Met het Wetsvoorstel herziening tenuitvoerlegging jeugdsancties zal in 2024 de term Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI) veranderen in Forensische Centra Jeugd (FCJ). 2 Het vormgeven van de nazorg start al vanaf de eerste dag in detentie. 3 Deze definitie is gebaseerd op de Memorie van Toelichting bij Wetsvoorstel tot wijziging van de BJJ, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties (2009). 4 PIJ = Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen.

3

1.2 Doelstelling Het doel van het organiseren van nazorg is het perspectief van de jeugdige te vergroten door het bieden van begeleiding en (jeugd)hulp tijdens en na verblijf in een JJI, en (daarmee) het risico op recidive te verkleinen. Deze gezamenlijke doelstelling is te herleiden tot de individuele doestellingen voor elke ketenpartner en is ook een gezamenlijke publieke taak. Deze gezamenlijke publieke taak staat beschreven in art. 2:7 van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen van 18 december 2019.5 De gezamenlijke afspraken die door de betrokken organisaties worden opgesteld over de zorg tijdens en na detentie voldoen aan de volgende uitgangspunten:  Zijn op de persoon afgestemd: gericht op het bereiken van een stabiele situatie op de voor hem of haar relevante leefgebieden (in elk geval huisvesting, ID-bewijs, werk/school, sociaal netwerk, financiën en zorg); waarbij aandacht is voor de risicofactoren en de bijzondere voorwaarden vauit het vonnis.  Zijn sluitend: de begeleiding en/of zorg vóór, tijdens en na verblijf in de JJI, alsmede na het vervallen van de strafrechtelijke titel, gaat naadloos in elkaar over;  Zijn integraal: op basis van een zo compleet mogelijk beeld, door de inzet, samenhang en afstemming tussen de verschillende betrokken partijen. De afspraken worden gemaakt in gezamenlijkheid met de jeugdige en diens ouder/verzorger.

1.3 Leeswijzer In deze handreiking is niet alleen aandacht voor de doelstellingen en verschillende vormen van nazorg. Ook wordt het werkproces nazorg op hoofdlijnen geschetst. Dit is alleen op hoofdlijnen om ruimte te bieden voor lokaal en/of regionaal maatwerk. Daarbij is het noodzakelijk dat zorgvuldig wordt omgegaan met de persoonsgegevens van de jeugdigen waar het om gaat. Daarom wordt er in hoofdstuk 3 niet alleen aandacht besteed aan het werkproces, maar ook aan het belang van die zorgvuldige omgang. In hoofdstuk 4 wordt specifiek ingezoomd op het adolescentenstrafrecht. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 verder ingegaan op de informatie-uitwisseling. Daarbij worden niet alleen uitgangspunten meegegeven, maar wordt ook de zogenaamde beslisboom toegelicht. De handreiking wordt afgesloten met een hoofdstuk (6) over financiële aspecten rondom de nazorg van jeugdigen.

5

https://wetten.overheid.nl/BWBR0042962/2021-07-01

4

2 Kader nazorg 2.1 Juridisch kader Met de invoering van de Jeugdwet (1 januari 2015) is de bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheid voor jeugdhulp, inclusief hulp die vanwege jeugdstrafrechtelijke titel moet worden geboden, bij de gemeente belegd. Ook is de gemeente met ingang van 1 januari 2015 financieel en bestuurlijk verantwoordelijk geworden voor de inzet van jeugdreclassering. Woonplaatsbeginsel Op 1 januari 2022 is het nieuwe woonplaatsbeginsel in werking getreden: De gemeente waar de jeugdige voorafgaand aan de plaatsing in een JJI zijn woonadres had in de zin van de Wet basisregistratie personen, is verantwoordelijk voor de jeugdhulp aan de jeugdige. Het nieuwe beginsel moet leiden tot meer duidelijkheid en lagere uitvoeringslasten. Daarnaast sluit het nieuwe woonplaatsbeginsel beter aan bij de uitgangspunten van de Jeugdwet. De oorspronkelijke gemeente blijft verantwoordelijk voor een jeugdige waardoor die gemeente gestimuleerd wordt om te investeren in preventie. De verantwoordelijke gemeente heeft ook de beschikking over het dossier van de jeugdige. Ook na deze wetswijziging is er per jeugdige maar één gemeente verantwoordelijk voor de financiering van jeugdzorg (jeugdhulp, (jeugd)reclassering en jeugdbeschermingsmaatregel).

Als er sprake is van een combinatie van jeugdzorg met verblijf en ambulante jeugdzorg, dan is de gemeente die verantwoordelijk is voor de verblijfszorg ook verantwoordelijk voor de ambulante zorg. Dit wordt niet anders wanneer er verschillende zorgaanbieders betrokken zijn bij een jeugdige. Voor meer informatie over het woonplaatsbeginsel wordt verwezen naar de website van het VNG.6 De feitelijke gemeente van uitstroom moet, ook als zij niet financieel verantwoordelijk is of wordt, wel betrokken worden bij het organiseren van de nazorg. Dit is nodig om zicht te houden of te krijgen op beschikbare plekken, aanvullend zorgaanbod en eventuele veiligheidsrisico’s. Regionale samenwerkingsafspraken De partners in de jeugdstrafrechtketen hebben, gezien de gezamenlijke publieke taak voor het organiseren van nazorg (zoals geformuleerd in het Besluit tenuitvoerlegging Jeugdstrafrecht) regionale samenwerkingsafspraken gemaakt en dit vastgelegd in een convenant. Het is belangrijk dat deze samenwerkingsafspraken ondertekend worden door alle partijen die betrokken zijn bij nazorg van jeugdigen in de gemeente. Hiermee spreken de partijen commitment uit voor een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het organiseren van nazorg voor jeugdigen. Deze samenwerkingsafspraken kunnen zowel op ambtelijk als bestuurlijk niveau ondertekend worden.

Dit hangt juridisch gezien vooral af van hoe organisaties intern de bevoegdheidsverlening hebben geregeld. Als een directeur bevoegd is dit soort overeenkomsten aan te gaan namens een organisatie, dan hoeft het niet via een bestuurder of burgemeester. Tot slot is het belangrijk om de regionale samenwerkingsafspraken jaarlijks met elkaar te evalueren zodat deze up-to-date blijven.

6 https://vng.nl/artikelen/woonplaatsbeginsel-jeugdhulp

5

2.2 Methodiek Uitgangspunt is dat er door de betrokken organisaties gezamenlijk integrale nazorgafspraken worden gemaakt met de jeugdige en zijn ouders/verzorgers (en evt. anderen uit zijn netwerk). Dit betekent dat organisaties steeds meer samen met de jeugdige en diens ouders/verzorgers, bij het nazorgtraject betrokken, informatie duiden en gezamenlijk komen tot een plan van aanpak met heldere nazorgafspraken. Deelnemers, betrokken bij het maken van gezamenlijke nazorgafspraken, zijn zoveel mogelijk de direct bij de jeugdige betrokkenen, zoals bijv. de (jeugd)reclasseerder, jeugdhulpverlener, medewerker wijkteam, wijkagent etc. Digitale mogelijkheden vanuit JJI Als een jeugdige in een JJI verblijft, is het uitgangspunt dat het nazorgoverleg in de JJI zelf gehouden wordt, zodat de jeugdige kan aansluiten. Mocht dit door omstandigheden lastig te realiseren zijn, bijvoorbeeld in het geval van een buiten regionale plaatsing, dan zijn er binnen iedere JJI faciliteiten gecreëerd om digitaal aan te kunnen sluiten. Op deze wijze kan een jeugdige altijd participeren in het nazorgoverleg. Overlap met ketenoverleggen Het nazorgoverleg kent in sommige gevallen overlap met andere ketenoverleggen binnen de regio over de desbetreffende jeugdige, bijv. in de zorg- en veiligheidshuizen waar het veiligheidsaspect centraal staat of de perspectiefplanbespreking in de JJI.

Hoewel er overlap is, dient het nazorgoverleg een ander doel: namelijk met de jeugdige en betrokkenen samen een plan te maken met heldere nazorgafspraken (conform de doelstelling zoals beschreven in paragraaf 1.2). De verbinding tussen diverse overleggen over de jeugdige en de nazorgtafel is heel belangrijk, maar integratie kent risico’s. Wanneer er sprake is van overlap tussen diverse overleggen, is het goed om altijd bewust te zijn van de doelstelling van het overleg en de positie/rechten van de jeugdige. De uitgangspunten van het nazorgoverleg moeten hierbij in acht genomen worden.

Rol van de gemeente Iedere gemeente heeft zijn eigen zorgstructuur. Er zijn lokaal verschillen ontstaan, onder meer door verschillen in aantallen jeugdigen, complexiteit en diversiteit in bestaande persoonsgebonden aanpakken, hoeveelheid aan zorgaanbod en visie op de rol van de gemeente in de zorgstructuur. Het is belangrijk om hier in de regionale afspraken scherp op te zijn. Tot slot, is het ook belangrijk dat vanuit de gemeente bij de nazorgoverleggen een contactpersoon betrokken is vanuit de ‘zorgkant’ die een bepaald mandaat heeft om binnen de gemeente overstijgend te werken, wat ten goede komt aan informatiedeling en het clusteren van leefgebieden.

2.3 Verschillende vormen van nazorg Er zijn twee vormen van nazorg: verplichte en vrijwillige nazorg. Bij verplichte nazorg is per definitie sprake van een strafrechtelijke titel voor de inzet die wordt gepleegd. Inzet in het kader van vrijwillige nazorg kan een strafrechtelijke of een andere grondslag hebben.

6

Verplichte nazorg De verplichte nazorg geldt voor jeugdigen die een delict hebben gepleegd na 1 juli 2011, de datum dat de herziene Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) van kracht ging. De verplichte nazorg krijgt in de eerste plaats vorm door een verplicht Scholings en Trainings Programma (STP) voor jeugdigen met een strafrestant van minimaal drie maanden. Ook is de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ ingevoerd: alle PIJ-maatregelen duren minimaal 3 jaar7, waarbij het laatste jaar altijd voorwaardelijk is. Er worden voorwaarden vastgesteld (door de rechter) waaraan de jeugdige zich moet houden gedurende het laatste ‘voorwaardelijk’ jaar van de PIJ. Onder die voorwaarden kan de jeugdige buiten de PIJ-instelling verblijven en re-integreren. Er bestaan drie varianten van verplichte nazorg: - Verplichte nazorg in geval van verwachte verblijfsduur of strafrestant < 3 maanden: Dit betreft nazorg in het geval van een verwachte verblijfsduur (bij voorlopige hechtenis) of strafrestant (na vonnis) die korter is dan drie maanden. De invulling van de verplichte nazorg staat in de algemene of bijzondere voorwaarden bij: 1) schorsing van de voorlopige hechtenis of 2) een (deels) voorwaardelijke veroordeling8 of 3) bij een maatregel betreffende het gedrag (GBM)9.

De verplichte nazorg eindigt in deze gevallen wanneer door het vonnis een einde komt aan 1) de (geschorste) voorlopige hechtenis of 2) zodra de proeftijd voorbij is of 3) zodra de einddatum van de opgelegde GBM is bereikt. - Nazorg bij strafrestant > 3 maanden: Hier krijgt de verplichte nazorg vorm in een verplicht scholing- en trainingsprogramma (STP) als onderdeel van jeugddetentie.10 Het STP vindt buiten de JJI plaats. Vereist is dat de jeugdige tenminste twee derde van de onherroepelijke vrijheidsstraf heeft uitgezeten.11 Het STP bij jeugddetentie duurt maximaal drie maanden.12 De verplichte nazorg in de vorm van een STP eindigt op de einddatum van de onvoorwaardelijke jeugddetentie. Indien daarnaast een voorwaardelijke detentie is opgelegd, kunnen in dat kader voorwaarden worden opgelegd ten behoeve van verdere hulp en begeleiding. - Nazorg in geval van een PIJ-maatregel: Dit is voorzien door een stelsel van voorwaardelijke beëindiging.13 Wanneer de PIJ-maatregel voorwaardelijk eindigt, begint de periode (1 jaar14) van verplichte nazorg aansluitend op het verblijf in de JJI of verblijf buiten JJI in het kader van het STP.

7 De termijn van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ kan met een jaar verlerngd worden, dus totaal maximaal twee

jaar duren. Indien (jeugd)reclassering en OM verlenging van de voorwaardelijke beëindiging (vwb PIJ) geïndiceerd achten. 8 Art 77z Sr. 9 GBM = gedragsbeïnvloedende maatregel , Art 77w Sr. 10 art. 4 Rjj 11 art. 4 lid 1 onder a Rjj 12 art. 4 lid 2 Rjj 13 Art 77s lid 7 Sr. Ingevoerd per 1 juli 2011. Bij PIJ-maatregelen die zijn opgelegd naar aanleiding van een delict dat is

gepleegd vóór deze datum bestaat deze vorm van verplichte nazorg niet. Dan is alleen de STP beschikbaar als vorm van verplichte nazorg. 14 Met de mogelijkheid tot verlenging tot maximaal 2 jaar.

7

Vrijwillige nazorg Er bestaan twee varianten van vrijwillige nazorg: - Vrijwillige nazorg met strafrechtelijke grondslag:15 Deze vorm van vrijwillige nazorg kan worden ingezet wanneer (nog) geen verplichte nazorg is, en zowel de jeugdige zelf als de RvdK vinden dat begeleiding door de jeugdreclassering nodig is. Uitgangspunt is dat iedere minderjarige, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, vrijwillige begeleiding door de jeugdreclassering kan krijgen. Deze vrijwillige begeleiding wordt afgegeven door de RvdK en zal dus al opgestart gedurende het verblijf in de JJI. Deze mogelijkheden voor vrijwillige begeleiding vinden hun grondslag in de Regeling vrijwillige begeleiding jeugdreclassering16. In die regeling staat tevens beschreven in welke situaties dat kan en de mogelijke duur van de begeleiding. - Vrijwillige nazorg met andere dan strafrechtelijke grondslag: De gemeente heeft een zorgtaak jegens de jeugdigen en hun gezinnen in haar gemeente17. De gemeente kan deze hulp in combinatie met de hulp die in het kader van verplichte nazorg (of vrijwillige nazorg met strafrechtelijke grondslag) wordt geboden, of na afloop daarvan inzetten. Het is hierbij van belang dat (via het nazorgoverleg) de betrokken jeugdreclassering of 3RO de verbinding legt met de gemeente.

Wanneer er geen sprake is van begeleiding door de jeugdreclassering of 3RO kan de JJI na afstemming in het nazorgoverleg contact leggen met de betreffende gemeente (gemandateerd persoon) om de hulpvraag vanuit de jeugdige neer te leggen.

15 Met ‘vrijwillige’ begeleiding worden ook de vormen van begeleiding bedoeld die weliswaar geen verplichtend karakter

hebben richting de jeugdige, maar wel een strafrechtelijke grondslag hebben. 16 gelet op art.77 hh lid 2 Wetboek van Strafrecht. Besluit van de Minister van Justitie van 12 januari 2005. 17 Op grond van onder andere de Jeugdwet (jeugdhulp: ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders/verzorgers bij opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen en stoornissen) en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (participatie en zelfredzaamheid).

8

3 Werkproces nazorg jeugd op hoofdlijnen 3.1 Betrokken organisaties en hun rollen De verschillende (wettelijke) taken en verantwoordelijkheden van de betrokken ketenpartners en gemeenten staat samengevat in onderstaande tabel. Betrokken partij JJI

RvdK

Jeugdreclassering

3RO

Gemeente

Rol nazorg jeugdigen  Begeleiding en behandeling van de jeugdige tijdens verblijf  Dagprogramma en scholing aanbieden aan de jeugdige tijdens verblijf  Opstellen en uitvoeren perspectiefplan  Voorzitter en organisator nazorgoverleg  Uitvoeren raadsonderzoek/advies bij 18- t.b.v. rechter-commissaris, raadkamer en rechtszitting  Wettelijke casusregietaak in het nazorgproces (strafrechtelijke titel) en overdracht naar vrijwillig kader  Opdrachtgever vrijwillige toezicht en begeleiding  Toezichthoudende taak op de uitvoering van de jeugdreclassering, en 3RO bij 18-minners  Vrijwillige toezicht en begeleiding  Verplichte toezicht en begeleiding  Opstellen Plan van Aanpak  Uitvoeren Plan van Aanpak  Advies bij 18+ t.b.v. rechter-commissaris, raadkamer en rechtszitting  Verplichte toezicht en begeleiding  Opstellen Plan van Aanpak  Uitvoeren Plan van Aanpak  Advies t.a.v. mogelijkheden STP  Toetsing toepassing ASR  Bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheid voor de (jeugd)hulp en jeugdreclassering aan jeugdige en diens gezin  Inzetten gemeentelijke voorzieningen bij uitvoering nazorg verplicht en vrijwillig  Begeleiding voor en na het justitiële traject

3.2 Het werkproces De voorbereiding van de nazorg begint vanaf de eerste dag dat een jeugdige instroomt in een JJI. De RvdK, jeugdreclassering of 3RO en JJI gaan vanaf dat moment gezamenlijk aan de slag om informatie, waaronder persoonsgegevens, te verzamelen over de jeugdige. Hieronder is het proces op hoofdlijnen schematisch weergegeven. In dat schema wordt uitgegaan van een vereenvoudigd weergegeven ‘werkproces’, waarbij de voorbereiding van de nazorg geheel plaatsvindt tijdens het verblijf van de jeugdige in de JJI. In werkelijkheid wordt gedurende het verblijf 9

zo mogelijk al gestart met de uitvoering van (sommige onderdelen van) de gezamenlijk gemaakte afspraken, bijvoorbeeld door het aanbieden van training en/of behandeling in de JJI of continuering van zorg, als ook de vrijwillige begeleiding door de jeugdreclassering. Het kan ook voorkomen dat voorbereidende werkzaamheden nog verricht worden terwijl de jeugdige de JJI al heeft verlaten.

Figuur 4.4.Schematische – organisatiesrond en hun in de doorstroom jeugdigen Figuur Hoofdlijnenweergave van het werkproces derolvoorbereiding en van uitvoering van nazorg voor jeugdigen na verblijf in een JJI

De JJI informeert op de dag van instroom de RvdK en de gemeente over de instroom (via Injus, zie par. 5.4). De RvdK zorgt, als voorzitter van het nazorgoverleg, dat relevante partijen zo spoedig mogelijk worden betrokken bij het overleg. Ter voorbereiding daarvan wordt door de deelnemende partijen informatie verzameld ten aanzien van de Advies STP leefgebieden. Ook wordt de gemeentelijke informatie (betrokkenheid wijkteam, lopende hulpverlening, informatie over het sociaal netwerk, e.d.) betrokken. Afspraken omtrent contactpersoon en uitzonderingen hierop worden beschreven in de regionale samenwerkingsafspraken. Afspraken Vervolgens worden er gezamenlijk afspraken gemaakt over wat er tijdens verblijf en vanaf het moment dat de jeugdige de JJI verlaat, in het kader van de nazorg moet gebeuren op de verschillende leefgebieden ten behoeve van het voorkomen van recidive. Daarbij wordt geput uit de voorzieningen van de gemeente of regio waar de jeugdige naartoe gaat. De tijdens het overleg gemaakte afspraken en gegevens met betrekking tot de leefgebieden worden vastgelegd door de RvdK, waarbij vermeld wordt wie nog aanvullende informatie moet aanleveren en welke actiepunten zijn afgesproken. In het nazorgoverleg kunnen bijvoorbeeld de volgende actiepunten aan de orde komen: 10

inschatting maken hoe lang de jeugdige mogelijk vast zal blijven zitten; op basis hiervan de urgentie van het handelen bepalen en afspraken maken die vooral procedureel van aard zijn (wie doet wat, wanneer);  afspraken maken over de informatie die via de deelnemende partijen wordt teruggekoppeld naar zowel de eigen organisatie als andere relevante partijen;  inhoudelijke afstemming met betrekking tot de gezamenlijk gemaakte nazorgafspraken: beantwoorden van de vraag waaraan bij de betrokken jeugdige gewerkt moet worden (In elk geval moet er aandacht zijn voor de leefgebieden huisvesting, sociaal netwerk, ID-bewijs, werk/school, financiën en zorg);  procesmatige afstemming met betrekking tot de gemaakte actiepunten: wie gaat wat doen en binnen welk termijn. De feitelijke uitvoering van de nazorg gebeurt in strafrechtelijk kader veelal door de (jeugd)reclassering. Zij voert toezicht en begeleiding in het kader van de nazorg uit, waarbij de gezamenlijk gemaakte afspraken leidend zijn. Frequentie Binnen één week na instroom wordt in een JJI gestart met het maken van nazorgafspraken. In het eerste nazorgoverleg wordt een inschatting gemaakt over hoe vaak en op welke momenten vervolgoverleg nodig is. De RvdK kan, indien omstandigheden daartoe aanleiding geven, tevens het initiatief nemen de jeugdige tussentijds te agenderen in een nazorgoverleg.

Andere deelnemers aan het overleg kunnen ook aan de RvdK voorstellen een jeugdige te agenderen. Bij langdurige detentie en de PIJ-maatregel wordt minimaal één keer per jaar een nazorgoverleg gehouden om het traject van de jeugdige te monitoren. Schematische weergave PIJ-Maatregel Hieronder is het proces op hoofdlijnen schematisch weergegeven voor specifiek de PIJ-maatregel. Bij de voorwaardelijke beëindiging is altijd een titel van toezicht en begeleiding door de (jeugd)reclassering verbonden.18

18 Art 77ta Sr.

11

Voortzetting na beëindiging strafrechtelijke titel Nadat de strafrechtelijke titel is beëindigd kan het nodig zijn, wanneer nog niet alle gestelde doelen behaald zijn, dat de gemeente de koers van de gezamenlijk gemaakte nazorgafspraken voortzet. Uiteindelijk valt de nazorg voor de jeugdige volledig onder de algemene verantwoordelijkheid van de gemeente. Eventueel kan de RvdK ondersteunend hieraan de jeugdreclassering (na beoordeling) de opdracht geven tot vrijwillige toezicht en begeleiding. Bij meerderjarigen die zijn veroordeeld onder het jeugdstrafrecht zal de jeugdige wettelijk beschouwd worden als volwassene wanneer de strafrechtelijke maatregel of bemoeienis afloopt (zie hoofdstuk 4). Zorg en begeleiding vallen daardoor onder een andere financiële verantwoordelijkheid binnen de gemeente dan wel via de zorgverzekeraar (zie hoofdstuk 5). Een goede overgang naar niet-justitiële zorg verdient in deze casussen daardoor extra aandacht en samenwerking tussen betrokken partijen.

12

4 Adolescentenstrafrecht De invoering van het Adolescentenstrafrecht (1 januari 2014), in combinatie met de Jeugdwet, heeft de situatie rond 18-plussers in het jeugdstrafrecht op een aantal punten gewijzigd, waardoor deze groep jeugdigen onder de doelgroep van deze handreiking vallen. Voor een uitgebreide beschrijving van de ketenafspraken rondom Adolescentenstrafrecht (hierna: ASR) wordt verwezen naar het Kader ASR uit 2014.19

4.1 Grondslag De rechter kan adolescenten die een strafbaar feit plegen op het moment dat ze tussen de 16 en 23 jaar oud zijn, zowel volgens het jeugdstrafrecht als volgens het volwassenenstrafrecht berechten. Zodra er bij 18- tot 23-jarigen het jeugdstrafrecht door de Officier van Justitie wordt overwogen, wordt de jongvolwassene in een JJI geplaatst. Bij schorsing/vonnis kan begeleiding door óf de jeugdreclassering óf de 3RO worden opgelegd aan 16- tot 23-jarigen, welke vervolgens doorloopt voor de duur van de maatregel. Gemeenten zijn in dit geval bestuurlijk en financieel verantwoordelijk voor jeugdhulp voor 18-plussers die volgens het jeugdstrafrecht zijn of worden berecht. In de praktijk betekent dit wanneer een jeugdige op zijn tweeëntwintigste veroordeeld wordt tot een PIJ-maatregel deze jeugdige tot z’n dertigste onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid, conform de jeugdwet, valt. Begeleiding door jeugdreclassering De RvdK kan binnen de uitvoering van het ASR de jeugdreclassering opdracht geven tot een vrijwillige toezicht en begeleiding (T&B) in de volgende gevallen:  

bij jongeren die op de pleegdatum ouder dan 16 en jonger dan 18 zijn; bij 18- tot 23-jarigen20 mits sprake is van of een voornemen tot art. 493 Sv of 77c WvSr.

Bij 18- tot 23-jarigen brengt de 3RO het advies uit ten behoeve van de voorgeleiding bij de rechtercommissaris. Indien de voorlopige hechtenis wordt verlengd en het voornemen bestaat om Jeugdstrafrecht met Jeugdreclassering te adviseren, kan de 3RO gemotiveerd aan de RvdK verzoeken om een opdracht te verstrekken aan de jeugdreclassering tot het uitvoeren van een vrijwillige T&B tot aan de inhoudelijke zitting. Dit kan ook een overweging zijn die gemaakt wordt door de partners in het nazorgoverleg, waarna de RvdK de opdracht kan geven voor een vrijwillige T&B aan de jeugdreclassering. De jeugdreclassering stuurt in dat geval hun plan van aanpak en de eventuele aanvullende informatie naar de 3RO en naar de RvdK. De RvdK heeft gedurende het proces ASR de casusregie in het kader van nazorg en (na de inwerkingtreding van het vonnis startende) toezichthoudende taak. De 3RO stemt tijdens het opstellen van het advies ten behoeve van de

19https://wegwijzerjeugdenveiligheid.nl/fileadmin/user_upload/Bestanden/Onderwerpen/Adolescentenstrafrecht/Kader_

ASR_v_2_1_online_versie.pdf 20 Artikel 6:1:25 lid 2 Wetboek van Strafvordering: “In door Onze Minister aan te wijzen gevallen kan de raad voor de kinderbescherming de gecertificeerde instelling inschakelen voor vrijwillige begeleiding van een jeugdige of de jongvolwassene die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit waar hij van verdacht wordt, de leeftijd van achttien jaren maar nog niet die van drieëntwintig jaren heeft bereikt”.

13

rechtszitting af met de begeleider van de jeugdreclassering. Indien de 3RO aan een GBM denkt, dient via de RvdK het haalbaarheidsonderzoek uitgezet te worden bij de jeugdreclassering. Vroegtijdig betrekken volwassenreclassering De contactfunctionarissen PIJ, die verbonden zijn aan JJI’s namens 3RO, worden voortijdig uitgenodigd voor het bijwonen van perspectiefplannen ten behoeve van het tijdig onderzoeken van de mogelijkheden in het kader van resocialisatie. Met voortijdig bedoelen we, dat er nog geen sprake is van onbegeleide verloven. Dit geldt overigens alleen voor de jongeren, bij wie volwassenreclassering is geïndiceerd. Indien pas bij opdracht advies STP/voorwaardelijke PIJ een plan van aanpak wordt opgesteld, is er veel tijd verloren gegaan. Terwijl een realistisch en uitvoerbaar plan van aanpak veel tijd nodig heeft, mede omdat bij dergelijke voorzieningen de doorstroom beperkt is. Opleggen hulp/interventies Onder het jeugdstrafrecht kan hulp uit het gehele hulpaanbod worden geadviseerd. Indien de interventies of hulp in een strafrechtelijke uitspraak zijn opgenomen wordt dit in alle gevallen, ongeacht leeftijd, gefinancierd door de gemeente in het kader van haar wettelijke taak vanuit de jeugdwet.

Indien er nog geen jeugdstrafrechtelijke titel is, vindt hulptoewijzing plaats middels verwijzing huisarts en financiering door Zorgverzekering of vanuit een beschikking Wet Maatschappelijke ondersteuning (WMO) / Wet Langdurige zorg (WLZ). In al deze situaties, m.u.v. de Jeugdwet, komt het financieel eigen risico/eigen bijdrage (voor de geleverde zorg) voor rekening van de cliënt indien deze meerderjarig is. Wanneer jeugdzorg is opgenomen in het strafrechtelijk vonnis wordt ook de niet–ingekochte jeugdzorg gefinancierd (Zie verder ook Hoofdstuk 6). Informatiepositie van de RvdK In het samenwerkingsreglement tenuitvoerlegging (2021) is opgenomen dat de RvdK, in het kader van zijn wettelijke taak casusregie, alle strafrechtelijke beslissingen die volgen uit het jeugdstrafrecht ontvangt. Om de casusregie (art 6:1:25, lid 1 Sv) tijdens het nazorgoverleg adequaat vorm te kunnen geven in het belang van de jeugdigen dient de casusregie zonder belemmeringen inzage te hebben in alle documentatie voor de ASR-doelgroep. Hieronder vallen het proces-verbaal, de strafadvisering, (tussentijdse) beschikkingen, definitieve vonnis, informatie/rapportage ten tijde van de executie en/of de uitvoering van het toezicht door de reclassering.

Hiervoor dient de 3RO bij een 16- tot 23-jarige, in het kader van ASR, in JD-online de RvdK te selecteren als belanghebbende, inclusief de voortgangsrapportages. Op deze wijze wordt een goede informatie uitwisseling met de casusregisseur geborgd en kan de casusregisseur goed voorbereid de nazorgoverleggen uitvoeren en de levensloop van de jeugdige centraal stellen.

4.2 Uitvoering van het nazorgoverleg Wanneer een 16- tot 23-jarige geplaatst wordt in een JJI, in het kader van ASR, gelden dezelfde uitganspunten als bij een reguliere plaatsing JJI. De 3RO sluit aan bij het nazorgoverleg voor 18 tot 23-jarigen wanneer de adolescent geplaatst is in een JJI (ongeacht het kader) ter voorbereiding op de uitstroom (Scholings- en trainingsprogramma (STP)/ voorwaardelijke beëindiging PIJ/ vrijwillige nazorg).

14

Wanneer er sprake is van een vrijwillige T&B door de jeugdreclassering neemt de 3RO-adviseur in dit geval geen deel aan het nazorgoverleg, maar draagt dit over aan de jeugdreclassering. Leeftijd datum delict 16-18 jaar 18+

Soort strafrecht Jeugdstrafrecht Volwassenenstrafrecht Jeugdstrafrecht

Plek van hechtenis JJI/KVJJ PI JJI/KVJJ

Nazorgoverleg Ja nee Ja, 3RO sluit aan tenzij JR vanuit een eerdere uitspraak betrokken is21.

21 Wanneer gedacht wordt aan overdracht is het wel wenselijk 3RO aan te laten sluiten

.

15

5 Informatie uitwisseling bij nazorg 5.1 Grondslag Gegevensuitwisseling bij nazorg jeugd vindt op dit moment plaats op basis van artikel 51c, tweede lid van de Wjsg. Daarin staat dat, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, de minister aan personen of instanties tenuitvoerleggingsgegevens kan verstrekken onder andere voor het doel van de schuldhulpverlening of resocialisatie van betrokkene. Het betreft hier een grondslag voor het eenzijdig (door de Minister aan gemeenten) verstrekken van een beperkte set justitiële gegevens. Gegevens over de vijf basisvoorwaarden of leefgebieden (werk, school en inkomen, identiteitsbewijs, zorg, schuldhulpverlening en onderdak) kunnen niet op grond van Wjsg worden uitgewisseld, omdat dit geen justitiële gegevens of tenuitvoerleggingsgegevens in de zin van de wet zijn. Op basis van de beslisboom (zie paragraaf 5.3) uit de handreiking moet vervolgens worden afgewogen of uitwisseling van persoonsgegevens m.b.t. de leefgebieden van de jongere noodzakelijk is met het oog op het maken van afspraken met de jongere op die leefgebieden in de fase van verplichte nazorg/nazorgplan.

Aankomende Wetsvoorstellen Inmiddels is voor volwassen justitiabelen in de penitentiaire beginselenwet (artikel 18a) opgenomen dat voor het vaststellen of het aanpassen van het detentie- en re-integratieplan tussen de betrokken instanties gegevens over basisvoorwaarden of leefgebieden kunnen worden uitgewisseld. Ook is daar vermeld dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over welke gegevens, in welke gevallen en onder welke voorwaarden, kunnen worden uitgewisseld tussen de betrokken instanties. Dit is inmiddels opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Wet straffen en beschermen, artikel 20d (zie Staatsblad 2021 251 4). In het aankomend wetsvoorstel tot aanpassing van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt een vergelijkbaar artikel als in de penitentiaire beginselenwet opgenomen ten behoeve van de gegevensuitwisseling over basisvoorwaarden of leefgebieden voor het verblijfs- en nazorgplan voor jeugdige justitiabelen. Het betreft dan de gegevensuitwisseling tussen JJI of KVJJ, de raad voor de kinderbescherming, jeugdreclassering of 3RO en de gemeenten. Bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) zullen vervolgens nadere regels worden gesteld over welke gegevens, in welke gevallen en onder welke voorwaarden, kunnen worden uitgewisseld tussen deze betrokken instanties.

5.2 Bescherming persoonsgegevens De uitgangspunten van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) bieden een kader voor de zorgvuldige omgang met persoonsgegevens. Een belangrijk aandachtspunt bij nazorg is dat vaak sprake is van de verwerking van persoonsgegevens van minderjarigen, waaronder ook bijzondere persoonsgegevens (strafrechtelijke en gezondheidsgegevens). Het verwerken van strafrechtelijke gegevens is aan strenge bepalingen gebonden. Daarnaast is er bij de eerste uitwisseling van informatie meestal 16

geen sprake van een veroordeelde, maar nog slechts van een verdachte in voorlopige hechtenis. Dit zijn redenen om in beginsel uiterst terughoudend te zijn met het uitwisselen van persoonsgegevens. De uitgangspunten voor zorgvuldige omgang met persoonsgegevens van de AVG zijn niet wezenlijk anders dan bij de Wbp. De AVG stelt wel zwaardere eisen in de vorm van verantwoording en transparantie. In de AVG (artikel 26) wordt nl. naast genoemde uitgangspunten van de Wbp onder meer een nieuwe verplichting geïntroduceerd om samenwerkingsafspraken en afspraken over de verwerking en uitwisseling van persoonsgegevens schriftelijk vast te leggen. Ook dienen partijen aantoonbaar de verplichtingen uit de AVG na te leven.

5.3 Beslisboom om tot regionale afspraken te komen Om te borgen dat lokale en regionale samenwerkingsafspraken worden gebaseerd op zowel de Wbp, AVG als op de Uitvoeringswet, is de beslisboom ontwikkeld. Namelijk:  Ook bij een wettelijke grondslag voor informatie uitwisseling moet worden voldaan aan de eisen die volgen uit de privacywetgeving.  Op basis van artikel 2 Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen is het een gezamenlijke publieke taak voor organisaties om nazorg vorm te geven.  Na de decentralisatie van de regie op de jeugdzorg kan de lokale context verschillend zijn.  Het is van belang dat de organisaties en de professionals zich ervan bewust zijn dat zorgvuldig met persoonsgegevens moet worden omgegaan. De beslisboom is een instrument waarmee de lokale of regionale organisatie van nazorg jeugd vormgegeven wordt. Het lokale of regionale ketenwerkproces voor nazorg dient ertoe te leiden dat de benodigde informatie voor goede, gezamenlijke nazorgafspraken tijdig ontsloten kan worden, en de integrale afstemming op basis van de lokale noodzakelijkheid passend vorm kan krijgen. De samenwerkingsafspraken dienen te worden vastgelegd in het model samenwerkingsafspraken. Daarnaast dienen de afspraken die betrekking hebben op het uitwisselen van persoonsgegevens vervolgens te worden vastgelegd in een lokaal/ jeugdzorgregionaal privacy protocol.

Bij het toepassen van de beslisboom komen de volgende 4 vragen aan de orde: Stap 1 Wat verstaan de regionale ketenpartners onder goede nazorg? In deze stap bespreken de ketenpartners wanneer de afspraken die gemaakt worden in een casus voldoen. Wat is de gezamenlijke visie op “goede” nazorg, welke uitgangspunten worden daarbij gehanteerd? Welke overeenkomsten zijn er? En welke verschillen zijn er, bijvoorbeeld ook door verschillende wettelijke bevoegdheden, en wat is nodig om tot eenduidige regionale afspraken te komen?

Stap 2

Is afstemming tussen ketenpartners via de reguliere werkwijze afdoende? In deze stap wordt de vraag beantwoord of er goede nazorgafspraken gemaakt kunnen worden in een casus indien de justitiële ketenpartners hun eigen wettelijke taak en opdracht uitvoeren zonder 17

dat er een gezamenlijke, multidisciplinaire casuïstiekbespreking plaatsvindt. Dit is dezelfde werkwijze die men in de regio hanteert als er sprake is van begeleiding door de (jeugd)reclassering zonder verblijf in een JJI. Als deze reguliere werkwijze voldoende waarborgen biedt voor goede nazorgafspraken, dan wordt deze werkwijze gekozen. Stap 3

Is afstemming met de jeugdigen, de ouders/verzorgers en direct betrokken professionals mogelijk? Indien in stap 2 de conclusie is dat het volgen van het reguliere proces onvoldoende waarborgen biedt voor het komen tot goede nazorgafspraken, wordt aan de hand van een aantal subvragen (zie de bijlage over de beslisboom) onderzocht of het mogelijk en voldoende is dat de afstemming tussen ketenpartners met de direct betrokken professionals plaatsvindt, samen met de jeugdige en ouders/verzorgers. De betrokken professionals kennen de jeugdige persoonlijk, hebben inzicht in zijn situatie en zij hebben de informatie die gedeeld wordt tussen ketenpartners nodig voor hun taak of begeleiding. Daarnaast hebben zij een opdracht richting en een ingang bij de jeugdige en/of het gezin. Deze werkwijze sluit goed aan bij de algehele strekking van de Jeugdwet die bepaalt dat ouders/verzorgers en jeugdige zelf meer regie moeten krijgen op hun eigen hulpverleningsplan (art 2.1 en 4.1.3 Jeugdwet). Stap 4

Kan afstemming en informatie -uitwisseling met vertegenwoordigers van organisaties Indien de vragen in stap 2 en 3 met “nee” worden beantwoord, is het in de betreffende lokale context blijkbaar noodzakelijk voor het realiseren van de nazorgdoelstellingen, om jeugdigen te bespreken in een overleg met één of meerdere vertegenwoordigers van de betreffende organisaties, die daarvoor mandaat hebben. Vanuit het oogpunt van privacy is dit de minst gewenste werkwijze. Door het zorgvuldig doorlopen van bovenstaande stappen kan echter wel de noodzaak van deze werkwijze worden onderbouwd. Deze hoofdstappen worden beantwoord per detentievorm / fase in het straftraject: de fase tot aan de eerste raadkamer, de fase tot aan de strafzitting, PIJ en langgestraften en zij-instroom i.v.m. TUL.22

5.4 Ondersteuning door een informatiesysteem: GCOS en Injus Het Generiek Casusoverleg Ondersteunend Systeem (GCOS)23 is in gebruik bij de zorg- en veiligheidshuizen en binnen de Justitiële Jeugdketen. Dit informatiesysteem wordt echter per 1 januari 2024 uitgefaseerd. Door de uitfasering van GCOS zijn de RvdK en de gemeenten aangesloten op Injus. Via de berichtenbox Re-integratie van het Informatieportal Justitiabelen (Injus) van de Justitiële Informatiedienst wordt informatie verstrekt over begin en einde detentie van jeugdigen. De informatie in Injus is zeer actueel, omdat de informatie voortdurend (elke 15 minuten) wordt

22 TUL: ten uitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling 23 Voor meer informatie over GCOS wordt verwezen naar het instructiefilmpjeHttps://vimeo.com/195552140/e3a1a70a63

18

ververst vanuit de basisregistratie van DJI. Als de RvdK en de gemeente een melding ontvangen, start het werkproces van nazorg. Gemeenten moeten bij Injus wel aan kunnen tonen wat zij met deze gegevens doen, voordat zij een autorisatie hiervoor ontvangen. De eerdergenoemde regionaal opgestelde samenwerkingsafspraken (via de beslisboom) zijn hiervoor toereikend. Daarnaast is het van belang dat gemeenten het werkproces nazorg jeugd zodanig inregelen dat deze meldingen bij de juiste (gemandateerde) persoon terecht komen, met als doel dat zij met de justitiële ketenpartners samenwerken conform het vastgestelde regionale werkproces.

19

6 Financiële aspecten Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is financieel verantwoordelijk voor de hulp die intramuraal wordt ingezet door de JJI en uitvoering van een taakstraf onder begeleiding van de RvdK. Voor jeugdzorg (jeugdreclassering en jeugdhulp) die in strafrechtelijk kader wordt ingezet is de gemeente financieel verantwoordelijk. Dit gaat dus over de algemene en bijzondere voorwaarden bij schorsing of vonnis, de jeugdhulp die door de jeugdreclasseerder wordt ingezet en de jeugdhulp die door de JJI nodig wordt geacht bij de invulling van het STP. Ook de jeugdhulp in het kader van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ valt onder de financiële verantwoordelijkheid van de gemeente in het kader van de jeugdwet. Wanneer in het kader van het ASR een 18- tot 23-jarige wordt veroordeeld conform het jeugdstrafrecht, valt alle ondersteuning en begeleiding onder de jeugdwet. Dit houdt in dat de gemeente gedurende de strafrechtelijke financieel verantwoordelijk is. Als bij 16- tot 23-jarigen de (volwassen)reclassering verantwoordelijk is voor de toezicht en begeleiding van de jeugdige ligt de bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheid voor deze inzet bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid en dus niet, zoals bij de begeleiding door de jeugdreclassering, bij de gemeente. Zie onderstaande schematische weergave.

Wanneer een jeugdige veroordeeld wordt tot een PIJ-maatregel, geldt deze financiële verantwoordelijkheid van de gemeente gedurende de gehele fasering binnen de PIJ maatregel, te weten de invulling van de STP en de voorwaardelijke beëindiging. De leeftijd van de jeugdige speelt hierbij geen rol. In al deze gevallen is de gemeente verantwoordelijk voor de inzet van de benodigde 20

jeugdhulp; ongeacht of die jeugdhulp door de betreffende gemeente is ingekocht en/of er een beroep kan worden gedaan op een andere wettelijke voorziening voor de in te zetten hulp. Voorbeeld: Lenny heeft vanwege meerdere zedendelicten een PIJ-maatregel opgelegd gekregen toen hij 21 was. Hij is inmiddels 26. Hij heeft 5 jaar behandeling gehad binnen de JJI. Hij zou volgens de JJI en de reclassering klaar zijn voor de volgende fase, zijn terugkeer naar de maatschappij. Gezamenlijk adviseren de JJI en de 3RO om de PIJ voorwaardelijk te beëindigen. Naast verplichte begeleiding door de volwassenreclassering, adviseren zij dat aan deze voorwaardelijke beëindiging de volgende voorwaarden verbonden moeten worden: Lenny moet ambulante behandeling volgen bij De Waag en hij moet gaan wonen bij woonvoorziening “Leer het Zelf”. De gemeente is verplicht zowel de behandeling bij de Waag als de plaatsing in woonvoorziening “Leer het Zelf” te financieren. Ook als de behandeling en/of de plek in de woonvoorziening niet door de gemeente is ingekocht en zonder indicatieconstructie. Het vonnis van de rechtbank waar deze bijzondere voorwaarden in zijn opgenomen is de basis voor de financiering en de leveringsplicht. Mede hierom is het van groot belang dat de gemeente (tijdig) betrokken wordt om de zorgvraag en het aanbod goed met de ketenpartners af te stemmen.

De begeleiding door de 3RO wordt gefinancierd door het rijk.

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=c01065a8-fc1b-46c3-853c-563ea43c6b89