Bijlage 1 1318-0303-000_21_KR01_20190220.pdf
Tekst van het document
Geotechnisch onderzoek Grondonderzoek Afvalbrengstation Goudkade 23 te Gouda Document Nr.: 1318-0303-000 Versie: 1.0 Datum: 20 februari 2019
GEOTECHNISCH ONDERZOEK
Opdrachtgever
Gemeente Gouda Projecten Openbare Ruimte Postbus 1086 2800 BB Gouda
Opdrachtnemer
Fugro NL Land B.V. Prismastraat 2 2631 RT Nootdorp T 070 31 11333
Projectleider
G. de Bruin
Versiebeheer
1.0
Initiële versie
Rev
Omschrijving
LMU
Opgesteld
BB
GB
Gecontroleerd
Goedgekeurd
20-02-2019
Datum
GEOTECHNISCH ONDERZOEK
INHOUDSOPGAVE
1.
RAPPORTAGE OVERZICHT
2.
SITUATIETEKENING
3.
ONDERZOEKSDATA
4.
TOELICHTING GEOTECHNISCH ONDERZOEK
5.
CONTINU ELEKTRISCH SONDEREN
6.
LEGENDA TERREINPROEVEN EN GRONDSOORTEN
Onze ref.: 1318-0303-000
RAPPORTAGE OVERZICHT
Projectomschrijving: Projectnummer:
Naam
Grondonderzoek Afvalbrengstation Goudkade 23 te Gouda 1318-0303-000
RD Coördinaten (m) X
Y
Hoogte (m) t.o.v. NAP
DKM1 DKM2 DKM3 DKM4 DKM5 DKM6 DKM7 DKM8
106827,0 106912,7 106859,0 106840,4 106952,8 106917,5 106844,8 106849,7
447539,0 447544,0 447525,0 447485,5 447562,6 447518,4 447464,0 447516,7
-0.52 -0.74 -0.97 -0.60 -1.27 -2.11 -1.80 -0.96
DKM8A DKM8B
106850,3 447521,2 106850,1 447515,1 0,0 0,0 106925,8 447574,4 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
-0.87 -0.97
0 Waterpeil d.d. 14-02-2019 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
Grondwaterstand (m) t.o.v. NAP
Opmerking
Gestaakt, obstakel(s) Gestaakt, max. toelaatbare helling Gestaakt, boorbuis meegedrukt; onjuiste meetgegevens Gestaakt, obstakel(s)
-0.63 Geen grondwaterstand gepeild
GOUWE
GOUWE
C_OWT
Waterpeil d.d. 14-02-2019 = NAP -0.63 m
Goudkade
DKM5
70
23
a
19
DKM2
17
DKM1
DKM3 DKM8A DKM8B
Q26
23
DKM6
DKM8
C_OWT
PWTI
DKM4 Z45
CYCLUS KRINGLOOPSTATION
Revisie Datum :
DKM7
OWT
LMU
dd:
15-02-2019
Versie :
Z41
Get. :
\\fgsbv-fs01.fugro-nl.local\FGSBV-data\Projecten\13\1318-0303-000\21_Uitvoering_terreinonderzoek\10_Basisgegevens\1318-0303-000.dwg
20
0
10.0
20.0
30.0
40.0
50.0 m
Schaal 1 : 1000 SITUATIE GRONDONDERZOEK AFVALBRENGSTATION GOUDKADE 23 TE GOUDA
Opdr. : 1318-0303-000 Bijl. : 1
0
0 2 4 6 Conusweerstand,qc [MPa]
.2 8
.3 10
12
-0.52 -1
.4 14
16
.5 18
20
22
10
8
6
24
26
28
Indicatieve bodembeschrijving
Wrijvingsgetal,Rf [%] 4 2 0 30
Hellingshoek α
Automatisch gegenereerd uit data van de sondering, geldig onder grondwaterpeil (Robertson 1990, NL corr.)
Sonic drill
-10.52
-2 Diepte t.o.v. NAP [m]
UNIPLOT 05.36.nl / QcFsClass-R3.ucf / 2019-02-20 11:12:34
Wrijvingsweerstand,fs [MPa] .0 .1
-3
-4
-5 10.00 m voorgeboord -6
-7
-8
-9
-10 2
-11
VEEN -12 3
KLEI, zwak siltig tot siltig
-13 ZAND, zwak siltig tot siltig -14
-15
-16
-17 1318-0303-000
3 -18
-19 ZAND, zwak siltig tot siltig 4 -20 3 4
-21
-22
-23
-24
-25 4
-26
-27 ZAND, zwak siltig tot siltig
35 34
-28
-29
5
-30 5 -31 -32 DKM1 - 1
Opg. : SC Get. : Gommer-Reniers
d.d. 14-feb-2019 d.d. 20-feb-2019
Coord.: X= 106827.0 m MV = NAP -0.52 m
Y= 447539.0 m Conus: CP15-CF75SN2
Systeem: RD Sondering volgens norm NEN-EN-ISO 22476-1 Toepassingsklasse 2. Test type TE1 1701-2010 Conustype: A = 1510 mm2 ; A = 19895mm2 c s
SONDERING MET PLAATSELIJKE KLEEFMETING GRONDONDERZOEK AFVALBRENGSTATION GOUDKADE 23 TE GOUDA
Opdr. Sond.
1318-0303-000 DKM1
0
0 2 4 6 Conusweerstand,qc [MPa]
.2 8
.3 10
12
-0.74
-1
.4 14
16
.5 18
20
22
10
8
6
24
26
28
Indicatieve bodembeschrijving
Wrijvingsgetal,Rf [%] 4 2 0 30
Hellingshoek α
Automatisch gegenereerd uit data van de sondering, geldig onder grondwaterpeil (Robertson 1990, NL corr.)
Sonic drill
-10.74 -2 Diepte t.o.v. NAP [m]
UNIPLOT 05.36.nl / QcFsClass-R3.ucf / 2019-02-20 11:12:44
Wrijvingsweerstand,fs [MPa] .0 .1
-3
-4
-5 10.00 m voorgeboord -6
-7
-8
-9
-10
-11
4 3 VEEN
-12
KLEI, zwak siltig tot siltig -13
KLEI, zwak siltig tot siltig ZAND, zwak siltig tot siltig
-14
-15
-16
3
-17 1318-0303-000
-18
-19
-20
-21 3 ZAND, zwak siltig tot siltig -22
-23
-24 2
-25
-26
-27
-28
-29 2
-30 33
-31 -32 DKM2 - 1
Opg. : SC Get. : Murenaite
d.d. 14-feb-2019 d.d. 18-feb-2019
Coord.: X= 106912.7 m MV = NAP -0.74 m
Y= 447544.0 m Conus: CP15-CF75SN2
Systeem: RD Sondering volgens norm NEN-EN-ISO 22476-1 Toepassingsklasse 2. Test type TE1 1701-2010 Conustype: A = 1510 mm2 ; A = 19895mm2 c s
SONDERING MET PLAATSELIJKE KLEEFMETING GRONDONDERZOEK AFVALBRENGSTATION GOUDKADE 23 TE GOUDA
Opdr. Sond.
1318-0303-000 DKM2
2
ZAND, zwak siltig tot siltig ZAND, zwak siltig tot siltig
0
0 2 4 6 Conusweerstand,qc [MPa]
.2 8
-1
.3 10
12
-0.97
.4 14
16
.5 18
20
22
10
8
6
24
26
28
Indicatieve bodembeschrijving
Wrijvingsgetal,Rf [%] 4 2 0 30
Hellingshoek α
Automatisch gegenereerd uit data van de sondering, geldig onder grondwaterpeil (Robertson 1990, NL corr.)
Sonic drll
-10.97 -2 Diepte t.o.v. NAP [m]
UNIPLOT 05.36.nl / QcFsClass-R3.ucf / 2019-02-20 11:12:24
Wrijvingsweerstand,fs [MPa] .0 .1
-3
-4
-5
-6
10.00 m voorgeboord
-7
-8
-9
-10
-11 0 VEEN -12 KLEI, zwak siltig tot siltig 1
-13
ZAND, zwak siltig tot siltig
-14
-15
ZAND, zwak siltig tot siltig
-16 2 -17 1318-0303-000
-18
-19
-20
3
ZAND, zwak siltig tot siltig
-21
-22
-23 4
-24
-25
-26 ZAND, zwak siltig tot siltig -27 35 36 34 31
-28
5
-29
-30
ZAND, zwak siltig tot siltig 5
-31 -32 DKM3 - 1
Opg. : SC Get. : Murenaite
d.d. 14-feb-2019 d.d. 18-feb-2019
Coord.: X= 106859.0 m MV = NAP -0.97 m
Y= 447525.0 m Conus: CP15-CF75SN2
Systeem: RD Sondering volgens norm NEN-EN-ISO 22476-1 Toepassingsklasse 2. Test type TE1 1701-2010 Conustype: A = 1510 mm2 ; A = 19895mm2 c s
SONDERING MET PLAATSELIJKE KLEEFMETING GRONDONDERZOEK AFVALBRENGSTATION GOUDKADE 23 TE GOUDA
Opdr. Sond.
1318-0303-000 DKM3
0
0 2 4 6 Conusweerstand,qc [MPa]
.2 8
.3 10
12
-0.60 -1
.4 14
16
.5 18
20
22
10
8
6
24
26
28
Indicatieve bodembeschrijving
Wrijvingsgetal,Rf [%] 4 2 0 30
Hellingshoek α
Automatisch gegenereerd uit data van de sondering, geldig onder grondwaterpeil (Robertson 1990, NL corr.)
Sonic drill
-10.60 -2 Diepte t.o.v. NAP [m]
UNIPLOT 05.36.nl / QcFsClass-R3.ucf / 2019-02-20 11:12:38
Wrijvingsweerstand,fs [MPa] .0 .1
-3
-4
-5 10.00 m voorgeboord -6
-7
-8
-9
-10 1
-11
KLEI, zwak siltig tot siltig VEEN
-12 KLEI, zwak siltig tot siltig -13 ZAND, zwak siltig tot siltig
-14
-15 1 -16
0
-17 1318-0303-000
-18
-19
-20 1 -21
-22 ZAND, zwak siltig tot siltig -23
-24
-25 1 -26
2
-27
-28
-29
-30 2 -31 -32 DKM4 - 1
Opg. : SC Get. : Murenaite
d.d. 14-feb-2019 d.d. 18-feb-2019
Coord.: X= 106840.4 m MV = NAP -0.60 m
Y= 447485.5 m Conus: CP15-CF75SN2
Systeem: RD Sondering volgens norm NEN-EN-ISO 22476-1 Toepassingsklasse 2. Test type TE1 1701-2010 Conustype: A = 1510 mm2 ; A = 19895mm2 c s
SONDERING MET PLAATSELIJKE KLEEFMETING GRONDONDERZOEK AFVALBRENGSTATION GOUDKADE 23 TE GOUDA
Opdr. Sond.
1318-0303-000 DKM4
0
0 2 4 6 Conusweerstand,qc [MPa]
.2 8
.3 10
12
.4 14
16
.5 18
20
22
10
8
6
24
26
28
Indicatieve bodembeschrijving
Wrijvingsgetal,Rf [%] 4 2 0 30
Hellingshoek α
Automatisch gegenereerd uit data van de sondering, geldig onder grondwaterpeil (Robertson 1990, NL corr.)
-1 -1.27
Voorgeboord door derden
-3.27
-2 Diepte t.o.v. NAP [m]
UNIPLOT 05.36.nl / QcFsClass-R3.ucf / 2019-02-20 10:55:04
Wrijvingsweerstand,fs [MPa] .0 .1
2.00 m voorgeboord -3 2 -4
KLEI, zwak siltig tot siltig
-5 1 -6
KLEI, zwak siltig tot siltig
2 1
-7
-8
VEEN KLEI, zwak siltig tot siltig VEEN
-9
KLEI, zwak siltig tot siltig -10
KLEI, zwak siltig tot siltig
-11
KLEI, zwak siltig tot siltig 1 VEEN
-12
KLEI, zwak siltig tot siltig -13 ZAND, zwak siltig tot siltig -14
-15
-16 1 -17 1318-0303-000
-18
-19
-20
-21 1
ZAND, zwak siltig tot siltig
-22
-23 2 -24
-25
-26
-27
-28 2 -29 KLEI, siltig / LEEM -30 32 -31
ZAND, zwak siltig tot siltig 2
-32 DKM5 - 1
Opg. : SC Get. : Gommer-Reniers
d.d. 14-feb-2019 d.d. 20-feb-2019
Coord.: X= 106952.8 m MV = NAP -1.27 m
Y= 447562.6 m Conus: CP15-CF75SN2
Systeem: RD Sondering volgens norm NEN-EN-ISO 22476-1 Toepassingsklasse 2. Test type TE1 1701-2010 Conustype: A = 1510 mm2 ; A = 19895mm2 c s
SONDERING MET PLAATSELIJKE KLEEFMETING GRONDONDERZOEK AFVALBRENGSTATION GOUDKADE 23 TE GOUDA
Opdr. Sond.
1318-0303-000 DKM5
0
0 2 4 6 Conusweerstand,qc [MPa]
.2 8
.3 10
12
.4 14
16
.5 18
20
22
10
8
6
24
26
28
Indicatieve bodembeschrijving
Wrijvingsgetal,Rf [%] 4 2 0 30
Hellingshoek α
Automatisch gegenereerd uit data van de sondering, geldig onder grondwaterpeil (Robertson 1990, NL corr.)
-1
-2 Diepte t.o.v. NAP [m]
UNIPLOT 05.36.nl / QcFsClass-R3.ucf / 2019-02-20 11:00:34
Wrijvingsweerstand,fs [MPa] .0 .1
-3
-2.11
Voorgeboord door derden
-4.11 2.00 m voorgeboord
-4 0 -5
ZAND, zwak siltig tot siltig ZAND tot ZAND, grindig
52 52 -6
-7
-8
-9
-10
-11
-12
-13
-14
-15
-16
-17 1318-0303-000
-18
-19
-20
-21
-22
-23
-24
-25
-26
-27
-28
-29
-30
-31 -32 DKM6 - 1
Opg. : SC Get. : Gommer-Reniers
d.d. 14-feb-2019 d.d. 20-feb-2019
Coord.: X= 106917.5 m MV = NAP -2.11 m
Y= 447518.4 m Conus: CP15-CF75SN2
Systeem: RD Sondering volgens norm NEN-EN-ISO 22476-1 Toepassingsklasse 2. Test type TE1 1701-2010 Conustype: A = 1510 mm2 ; A = 19895mm2 c s
SONDERING MET PLAATSELIJKE KLEEFMETING GRONDONDERZOEK AFVALBRENGSTATION GOUDKADE 23 TE GOUDA
Opdr. Sond.
1318-0303-000 DKM6
0
0
0 2 4 6 Conusweerstand,qc [MPa]
.2 8
.3 10
12
.4 14
16
.5 18
20
22
10
8
6
24
26
28
Indicatieve bodembeschrijving
Wrijvingsgetal,Rf [%] 4 2 0 30
Hellingshoek α
Automatisch gegenereerd uit data van de sondering, geldig onder grondwaterpeil (Robertson 1990, NL corr.)
-1 -1.80
-2 Diepte t.o.v. NAP [m]
UNIPLOT 05.36.nl / QcFsClass-R3.ucf / 2019-02-20 11:08:45
Wrijvingsweerstand,fs [MPa] .0 .1
Voorgeboord door derden
-3.80 -3
2.00 m voorgeboord
-4
2 4 4
-5
-6
-7
-8
-9
-10
-11
-12
-13
-14
-15
-16
-17 1318-0303-000
-18
-19
-20
-21
-22
-23
-24
-25
-26
-27
-28
-29
-30
-31 -32 DKM7 - 1
Opg. : SC Get. : Gommer-Reniers
d.d. 14-feb-2019 d.d. 20-feb-2019
Coord.: X= 106844.8 m MV = NAP -1.80 m
Y= 447464.0 m Conus: CP15-CF75SN2
Systeem: RD Sondering volgens norm NEN-EN-ISO 22476-1 Toepassingsklasse 2. Test type TE1 1701-2010 Conustype: A = 1510 mm2 ; A = 19895mm2 c s
SONDERING MET PLAATSELIJKE KLEEFMETING GRONDONDERZOEK AFVALBRENGSTATION GOUDKADE 23 TE GOUDA
Opdr. Sond.
1318-0303-000 DKM7
ZAND, vast / ZAND, kleiig
0
0 2 4 6 Conusweerstand,qc [MPa]
.2 8
-1
.3 10
12
-0.96
.4 14
16
.5 18
20
22
10
8
6
24
26
28
Indicatieve bodembeschrijving
Wrijvingsgetal,Rf [%] 4 2 0 30
Hellingshoek α
Automatisch gegenereerd uit data van de sondering, geldig onder grondwaterpeil (Robertson 1990, NL corr.)
Sonic drill
-4.56 -2 Diepte t.o.v. NAP [m]
UNIPLOT 05.36.nl / QcFsClass-R3.ucf / 2019-02-20 11:12:27
Wrijvingsweerstand,fs [MPa] .0 .1
-3
3.60 m voorgeboord
-4
-5
2 3
ZAND, vast / ZAND, kleiig
-6
2
ZAND, vast / ZAND, kleiig
3
-7
Boorbuis meegedrukt; onjuiste meetgegevens
-8
2
-9 ZAND, vast / ZAND, kleiig -10
-11
-12 2 -13
-14
-15
-16
-17 1318-0303-000
-18
-19
-20
-21
-22
-23
-24
-25
-26
-27
-28
-29
-30
-31 -32 DKM8 - 1
Opg. : SC Get. : Murenaite
d.d. 14-feb-2019 d.d. 18-feb-2019
Coord.: X= 106849.7 m MV = NAP -0.96 m
Y= 447516.7 m Conus: CP15-CF75SN2
Systeem: RD Sondering volgens norm NEN-EN-ISO 22476-1 Toepassingsklasse 2. Test type TE1 1701-2010 Conustype: A = 1510 mm2 ; A = 19895mm2 c s
SONDERING MET PLAATSELIJKE KLEEFMETING GRONDONDERZOEK AFVALBRENGSTATION GOUDKADE 23 TE GOUDA
Opdr. Sond.
1318-0303-000 DKM8
0
0 2 4 6 Conusweerstand,qc [MPa]
.2 8
.3 10
12
.4 14
16
.5 18
20
22
10
8
6
24
26
28
-1
30
Hellingshoek α
65 53
-3
-4
-5
-6
-7
-8
-9
-10
-11
-12
-13
-14
-15
-16
-17 1318-0303-000
-18
-19
-20
-21
-22
-23
-24
-25
-26
-27
-28
-29
-30
-31
DKM8A - 1
-32 Opg. : SC Get. : Murenaite
d.d. 14-feb-2019 d.d. 18-feb-2019
Coord.: X= 106850.3 m MV = NAP -0.87 m
Y= 447521.2 m Conus: CP15-CF75SN2
Systeem: RD Sondering volgens norm NEN-EN-ISO 22476-1 Toepassingsklasse 2. Test type TE1 1701-2010 Conustype: A = 1510 mm2 ; A = 19895mm2 c s
SONDERING MET PLAATSELIJKE KLEEFMETING GRONDONDERZOEK AFVALBRENGSTATION GOUDKADE 23 TE GOUDA
Opdr. Sond.
Indicatieve bodembeschrijving
Wrijvingsgetal,Rf [%] 4 2 0
-2 Diepte t.o.v. NAP [m]
UNIPLOT 05.36.nl / QcFsClass-R3.ucf / 2019-02-20 11:12:41
Wrijvingsweerstand,fs [MPa] .0 .1
1318-0303-000 DKM8A
3 0
Automatisch gegenereerd uit data van de sondering, geldig onder grondwaterpeil (Robertson 1990, NL corr.)
0
0 2 4 6 Conusweerstand,qc [MPa]
.2 8
-1
.3 10
12
-0.97
.4 14
16
.5 18
20
22
10
8
6
24
26
28
Indicatieve bodembeschrijving
Wrijvingsgetal,Rf [%] 4 2 0 30
Hellingshoek α
Automatisch gegenereerd uit data van de sondering, geldig onder grondwaterpeil (Robertson 1990, NL corr.)
sonic drill
-5.47 -2 Diepte t.o.v. NAP [m]
UNIPLOT 05.36.nl / QcFsClass-R3.ucf / 2019-02-20 11:12:30
Wrijvingsweerstand,fs [MPa] .0 .1
-3
4.50 m voorgeboord
-4
-5 3 4
-6
VEEN
-7 VEEN
-8
-9
-10 4
-11
VEEN KLEI, zwak siltig tot siltig VEEN VEEN VEEN
-12 KLEI, zwak siltig tot siltig -13
ZAND, zwak siltig tot siltig 3
-14 4 -15
3
-16
3
-17 1318-0303-000
-18
-19
-20
-21
-22
-23
-24
-25
-26
-27
-28
-29
-30
-31
DKM8B - 1
-32 Opg. : SC Get. : Gommer-Reniers
d.d. 14-feb-2019 d.d. 20-feb-2019
Coord.: X= 106850.1 m MV = NAP -0.97 m
Y= 447515.1 m Conus: CP15-CF75SN2
Systeem: RD Sondering volgens norm NEN-EN-ISO 22476-1 Toepassingsklasse 2. Test type TE1 1701-2010 Conustype: A = 1510 mm2 ; A = 19895mm2 c s
SONDERING MET PLAATSELIJKE KLEEFMETING GRONDONDERZOEK AFVALBRENGSTATION GOUDKADE 23 TE GOUDA
Opdr. Sond.
1318-0303-000 DKM8B
ZAND, zwak siltig tot siltig
TOELICHTING GEOTECHNISCH ONDERZOEK
Coördinaten en hoogte van de onderzoekspunten Indien de hoogte en coördinaten van de onderzoekslocaties zijn bepaald in NAP en RD bedragen de maximale afwijking van de meting van de coördinaten ca. 10 cm en de maximale afwijking van de meting van de hoogte ca. 5 cm. Bij projecten waarbij de sonderingen zijn gerefereerd aan een lokaal vast punt bedraagt de maximale afwijking in de hoogte ca 5 cm. De maximale afwijking in de maatvoering doormiddel van traditioneel uitzetten met een meetband bedraagt ca. 25 cm. Indien de onderzoekslocaties niet zijn gerefereerd aan een vaste referentiehoogte wijkt het onderzoek af van de gestelde eisen in de NEN-EN-ISO 22476-1. De hoogtebepaling van de onderzoekslocaties is uitgevoerd met als doel de bodemopbouw te refereren aan een vaste referentiehoogte. Deze gegevens zijn niet geschikt voor andere doeleinden dan dit onderzoek.
Sonderen Een beschrijving van de gevolgde meet- en registratiemethode is gegeven in de bijlage "Continu Elektrisch Sonderen".
Boren Mechanisch boorwerk wordt verbuisd uitgevoerd, waarbij de grond uit de buis wordt verwijderd met behulp van een puls (niet-cohesieve gronden) en/of een avegaarboor (cohesieve gronden). Bij handboren wordt gebruik gemaakt van een edelmanboor (cohesieve gronden) en een handpuls (nietcohesieve gronden). De werkzaamheden worden uitgevoerd conform de NEN-EN-ISO 22475-1. Peilbuizen worden gepresenteerd op de betreffende boorstaten. De boringen met peilbuis zijn met bijbehorend symbool aangegeven op de situatietekening. Ongeroerde monstername bij het mechanisch boren kan plaatsvinden door: - een Ackermann steekbus te slaan of te drukken - een Pistonbus te drukken - een Gelpush monster te drukken Bij handboren worden ongeroerde monsters genomen met een Van der Horst steekapparaat. De tijdens het boren genomen geroerde monsters worden in het veld globaal geclassificeerd. Als er laboratoriumonderzoek volgt na het veldwerk, worden in het laboratorium de monsters gedetailleerd geclassificeerd. Bij eventuele verschillen tussen de veld- en laboratorium-classificatie, is de laboratoriumclassificatie bepalend. Op de classificatie van grond is de NEN 5104 van toepassing.
(Grond)waterstand De gemeten (grond)waterstand(en) betreffen een eenmalige opname en zijn bedoeld als een oriënterend gegeven. De grondwaterstand kan in de tijd fluctueren onder invloed van de weersgesteldheid en de seizoenen.
Kwaliteitsborging
Alle werkzaamheden zijn verricht in overeenstemming met het managementsysteem van Fugro NL Land B.V. dat voldoet aan de NEN-ISO 9001:2008 en VCA ** 2008/05. De kalibratiesheet(s) van de gebruikte conus(sen) kunnen op verzoek worden toegestuurd.
Page 1 of 1
CONTINU ELEKTRISCH SONDEREN MEETTECHNIEK De standaard bij Fugro toegepaste conus is de “elektrische kleefmantelconus”, waarmee de conusweerstand, de plaatselijke wrijvingsweerstand en de helling gelijktijdig worden gemeten. Sinds februari 2013 is de norm NEN-EN-ISO 22476-1:2012/C1:2013 Geotechnisch onderzoek en beproeving – Veldproeven – Deel 1: Elektrische sondering met en zonder waterspanningsmeting van toepassing als vervanging van NEN 5140, die is terug getrokken. In NEN 9997-1 wordt echter nog wel verwezen naar NEN 5140. Bij het uitvoeren van een sondering conform NEN-EN-ISO 22476-1:2012/C1:2013 wordt de puntweerstand gemeten, die moet worden overwonnen om een conus met een tophoek van 60º en een basisoppervlak van 1000 mm2 met een constante snelheid van ca 20 mm/s in de bodem te drukken. Voor de meting van de wrijvingsweerstand is een mantel met een oppervlak van 15000 mm 2 boven de punt aangebracht. De druk op de conuspunt (conusweerstand in MPa) en de wrijving langs de kleefmantel (plaatselijke wrijvingsweerstand in MPa) worden door rekstroken in de conus continu digitaal gemeten. Het basisoppervlak van de conus mag tussen 500 en 2000 mm2 variëren zonder dat correctiefactoren op de meetresultaten moeten worden toegepast. Fugro sonderingen worden standaard uitgevoerd met een sondeerconus met een basisoppervlak van 1500 mm 2 en een manteloppervlak van 20000 mm 2.
Veelal wordt gebruik gemaakt van een conus met een korter cilindrisch deel boven de conuspunt dan in NEN-EN-ISO 22476-1 vermelde 400 mm voor een standaard conus. Het cilindrische deel vanaf de conuspunt van de standaard door Fugro gebruikte conussen heeft een lengte van 230 mm in plaats van de genormeerde lengte. Onderzoek 1 heeft aangetoond, dat de invloed van de lengte van deze conus op het sondeerresultaat verwaarloosbaar is, terwijl met een kortere conus met minder risico een grotere sondeerdiepte kan worden bereikt. De meetsignalen worden digitaal naar een elektrische meeteenheid gestuurd en samen met de diepte en de tijd opgeslagen. Definitieve verwerking vindt daarna op kantoor plaats, waarbij de gemeten parameters tegen de diepte in grafiekvorm worden uitgewerkt. Door continue registratie van de gemeten conus- en wrijvingsweerstand wordt een nauwkeurig beeld van de gelaagdheid en de vastheid van de bodem verkregen. Afwijking van de conus met de verticaal worden continu geregistreerd, waarmee bij de uitwerking de diepte wordt gecorrigeerd en zo een onjuiste diepteaanduiding als gevolg van “scheef sonderen” wordt voorkomen. INTERPRETATIE VAN DE SONDERINGEN MET PLAATSELIJKE WRIJVINGSWEERSTAND Meting van zowel de conusweerstand qc als de plaatselijke wrijvingsweerstand fs maakt het mogelijk het wrijvingsgetal Rf te berekenen.
Het wrijvingsgetal wordt gedefinieerd als het quotiënt van de plaatselijke wrijving en de op gelijke diepte gemeten conusweerstand in procenten. Hierbij wordt rekening gehouden met laagscheidingen ter hoogte van de mantel.
1
Lunne and Powell, A comparison of different sized piezocones in UK clays.
MB01 Continu elektrisch sonderen
Versie 19-10-2017
Pagina 1 van 9
Het wrijvingsgetal Rf geeft samen met de conusweerstand qc een goed beeld van de bodemopbouw beneden de grondwaterspiegel. In de onderstaande tabel zijn enige kenmerkende waarden van het wrijvingsgetal aangegeven. Met nadruk dient te worden gesteld dat deze waarden slechts indicatief zijn en getoetst dienen te worden aan boringen of lokale ervaring en uitsluitend gelden voor de cilindrische elektrische conus. Grondsoort
Wrijvingsgetal in %
Grondsoort
Wrijvingsgetal in %
Grind, grof zand
0,2 – 0,6
Klei
3,0 – 5,0
Zand
0,6 – 1,2
Potklei
5,0 – 7,0
Silt, leem, löss
1,2 – 4,0
Veen
5,0 – 10,0
In geroerde grond en in grond boven de grondwaterspiegel kunnen grote afwijkingen ten opzichte van de genoemde waarden voorkomen en gelden deze waarden niet. PRESENTATIE SONDEERGEGEVENS Sonderingen kunnen worden uitgewerkt met interpretatie van het wrijvingsgetal voor identificatie van de bodemlagen. De identificatie van de bodemlagen is dan uitgevoerd volgens Robertson [1990] 2, die door Fugro is aangepast aan de Nederlandse omstandigheden. Bij deze interpretatie wordt uitgegaan van de genormaliseerde waarden van de conusweerstand nQ c en wrijvingsgetal nRf als ingangsparameters. De genormaliseerde waarden van de conusweerstand nQ c en wrijvingsgetal nRf worden berekend, uit de gemeten wrijvingsweerstand fs en conusweerstand qc, indien mogelijk gecorrigeerd voor de waterspanning en de verticale effectieve - en totale grondspanning volgens de onderstaande formules. Genormaliseerde conusweerstand:
nQc
qt v 0 'v 0 Vergelijking 1
Genormaliseerd wrijvingsgetal:
nR f
100 f s qt vo Vergelijking 2
In geval er geen waterspanning is gemeten, wordt voor qt de waarde van qc gebruikt. Voor de grondsoorten, die specifiek zijn voor de Nederlandse ondergrond condities, zijn in de Bodem Classificatiegrafiek van Robertson [1990] twee aanpassingen gedaan om de Nederlandse situatie beter te beschrijven: ■
gebieden 4 en 5 zijn anders ingedeeld, zodat losgepakte zanden en ondiepe kleilagen beter worden geïnterpreteerd. Deze aanpassingen zijn in onderstaande figuur weergegeven;
2
Robertson, P.K. [1990] “Soil Classification using the cone penetration test”. Canadian Geotechnical Journal, 27(1), 151-82
MB01 Continu elektrisch sonderen
Versie 19-10-2017
Pagina 2 van 9
■
er is een extra voorwaarde ingebracht om Holocene veenlagen goed te kunnen classificeren. Voor q c < 1,5 MPa en Rf > 5 % wordt de grond als veen geclassificeerd.
Figuur 1
Voor een aantal specifieke grondtypen, zoals bijvoorbeeld Potklei, Boomse klei, overgeconsolideerd veen en glauconiethoudend zand is tevens het classificatie gebied aangegeven. Deze stemmen niet direct overeen met de benamingen van gebieden 1 tot en met 9. De identificatie is indicatief en alleen geldig voor lagen onder de grondwaterstand. De resultaten dienen te worden geverifieerd met boringen of geologische informatie. Uitgedroogde cohesieve toplagen geven een te hoge waarde worden voor het wrijvingsgetal, waardoor bijvoorbeeld uitgedroogde kleilagen mogelijk onterecht worden geïnterpreteerd als veenlagen. Ook is de correlatie voor de toplagen minder betrouwbaar vanwege het lage effectieve spanningsniveau in deze lagen. ANDERE CONUSTYPEN Naast de meting van conusweerstand en plaatselijke wrijving is het mogelijk extra (combinaties van) metingen uit te voeren. In onderstaand schema zijn enkele mogelijkheden aangegeven. Indien gewenst kan nadere informatie over metingen en toepassingsmogelijkheden worden verschaft.
MB01 Continu elektrisch sonderen
Versie 19-10-2017
Pagina 3 van 9
Type meting
Meetresultaten
Toepassingsmogelijkheden
Waterspanning
Waterspanning ter plaatse van de punt
■ registreren waterremmende lagen; ■ indicatie stijghoogte grondwater; ■ classificatie / gelaagdheid bodem.
Magnetometer
Magnetische veldsterkte in 3 orthogonale richtingen (X,Y,Z)
■ blindganger onderzoek; ■ onderzoek ligging obstakels (stalen leidingen, grondankers); ■ onderzoek paalpunt niveau / schoorstand funderingspalen; ■ onderzoek ligging onderzijde stalen damwanden.
Geleidbaarheid
Elektrische geleiding grond en grondwater
■ indicatie waterkwaliteit / zoet - zout water grens; ■ onderzoek verspreiding verontreiniging.
Temperatuur
Temperatuurmeting op verschillende diepten
■ warmteoverdracht in de bodem; ■ bepaling temperatuurgradiënt.
Schuifgolfsnelheid (seismisch)
Dynamische bodemparameters op verschillende diepten
■ machinefunderingen; ■ windturbinefunderingen.
Versnelling
Versnellingen op verschillende diepten
■ heitrillingen; ■ verkeerstrillingen
MIP (Membrane Interface Probe)
Verticale verspreiding van vluchtige (gechloreerde) koolwaterstoffen
■ bestudering zak/drijflagen en/of verontreinigingen met (gechloreerde) koolwaterstoffen
ROST (Rapid Optical Screening Tool)
Verticale verspreiding van (aromatische) koolwaterstoffen
■ bestudering zak/drijflagen en/of verontreinigingen met (aromatische) koolwaterstoffen
WATERSPANNINGSSONDERINGEN Naast registratie van conusweerstand en plaatselijke wrijvingsweerstand wordt bij een groot deel van de sonderingen waterspanning geregistreerd. Een waterspanningsconus (piëzo-conus) is voorzien van een ingebouwde druksensor, waarmee de waterdruk tijdens het sonderen wordt gemeten. Een filter voorkomt het contact van grond met de druksensor. De waterdruk kan op drie locaties in de conus worden gemeten waarbij de posities u1 en u2 veelvuldig voorkomen (zie figuur 2). Positie u3 wordt zelden toegepast. Slechts een kleine hoeveelheid water (0,2 mm3) is nodig om een nauwkeurige waterdruk te meten. Het meetbereik kan worden gekozen afhankelijk van de te verwachten wateroverspanning. In stijve kleien kan deze oplopen tot meer dan 3 MPa.
Figuur 2
MB01 Continu elektrisch sonderen
Versie 19-10-2017
Pagina 4 van 9
UITVOERINGSWIJZE Om een juiste meting van de waterspanning te verkrijgen, dient het gehele meetsysteem volledig ontlucht en gevuld te zijn met een weinig samendrukbare vloeistof. Om te voorkomen dat de vloeistof tijdens het sonderen in de onverzadigde lagen boven de grondwaterstand wegvloeit zijn een juiste keuze van vloeistof, het gebruik van een rubber membraam, een goede uitvoering en de poriëngrootte van het filter belangrijk. Indien het grondwater relatief ondiep aanwezig is, wordt bij voorkeur voorgeboord tot het niveau van de grondwaterspiegel teneinde luchttoetreding te voorkomen. Hiermee wordt ook de kans op beschadiging en in de grond achterblijven van het rubber membraan verkleind. INTERPRETATIE De resultaten van de piëzo-sonderingen bestaan uit de gemeten conusweerstand (qc), de plaatselijke wrijvingsweerstand (fs), het wrijvingsgetal (Rf), de gemeten waterspanning (u1 of u2 respectievelijk in de punt en achter de punt) en de wateroverspanningsindex Bq. De resultaten van de waterspanningsmeting tijdens het sonderen vormen uit grondmechanisch en geohydrologisch oogpunt een belangrijke extra informatiebron voor de interpretatie van de bodemopbouw.
Door combinatie van de meting van de conusweerstand en de waterspanning, bij voorkeur samen met de plaatselijke wrijvingsweerstand, wordt optimaal gebruik gemaakt van de sondeertechniek en kan het benodigde aanvullend grondonderzoek efficiënter worden gepland. Bij de interpretatie speelt met name de wateroverspanning een rol, dat wil zeggen de verhoging van de waterspanning die door het indrukken van de conus ontstaan is. Dunne cohesieve laagjes in een zandpakket en dunne zandlaagjes in een kleipakket, die in de conusweerstand en de plaatselijke wrijvingsweerstand door uitmiddeling niet of slecht zichtbaar zijn, kunnen goed worden gedetecteerd aan de hand van de water(over)spanningen, die door het sonderen ontstaan. Deze laagjes kunnen van groot belang zijn voor het zettingsgedrag van funderingen en voor de verticale (on)doorlatendheid van de grond. Verder kunnen met de piëzo-conus, met name via de u1-meting, sterk gelaagde structuren van zand en klei onderscheiden worden van homogene lagen hetgeen op basis van conusweerstand en plaatselijke wrijving in de meeste gevallen niet lukt. Aangetoond is dat het detectievermogen van de u 1-meting veel hoger is dan van de u2-meting. WATEROVERSPANNINGINDEX BQ Met de wateroverspanningindex Bq kan een meer nauwkeurige classificatie van de grondsoort worden verkregen.
Deze index is de verhouding van de wateroverspanning en de netto conusweerstand qnet, zijnde de gemeten conusweerstand qc gecorrigeerd voor de waterspanning op het netto oppervlak van de sondeerconus, rekeninghoudend met de heersende effectieve verticale spanning op het betreffende niveau. De wateroverspanningindex Bq wordt als volgt berekend: 𝐵𝑞 =
MB01 Continu elektrisch sonderen
(𝑢1 − 𝑢𝑜 ) 𝑞𝑛𝑒𝑡
Versie 19-10-2017
Pagina 5 van 9
Vergelijking 3 𝐵𝑞 =
(𝑢2 − 𝑢𝑜 ) 𝑞𝑛𝑒𝑡 Vergelijking 4
waarin:
=
factor voor de verschillende grondsoorten voor omrekening van u1 naar u2. Standaard wordt hiervoor aangehouden 0,8, zijnde normaal geconsolideerde kleien (zie hierna volgende tabel);
qnet
=
qt - v0 = netto conusweerstand;
qt
=
qc + (1-a) { (u1 - u0) + u0}
voor een filter in de conuspunt;
=
qc + (1-a) u2
voor een filter direct achter de conuspunt;
=
de verticale grondspanning; standaard wordt hierbij uitgegaan van een gemiddeld volumiek
v0
gewicht van de bodemlagen van 14 kN/m 3 en een grondwaterstand op 1 m beneden maaiveld; a
=
netto oppervlakteverhoudingscoëfficiënt van de conus i.v.m. de spleet achter de conuspunt;
u1
=
de gemeten waterdruk bij een filterplaatsing in de punt;
u2
=
de gemeten waterdruk bij een filterplaatsing achter de punt;
u0
=
de hydrostatische stijghoogte; standaard wordt hiervoor in de berekening een niveau uitgegaan van 1 m beneden maaiveld.
Voor andere grondsoorten zijn de -factoren in onderstaande tabel gegeven. Grond gedrag
-factor
Normaal geconsolideerde klei
0,6 – 0,8
Licht over geconsolideerde klei
0,5 – 0,7
Sterk over geconsolideerde klei
0,01 – 0,3
Leem samendrukbaar
0,5 – 0,6
Leem, vast en dillatant gedrag
0,01 – 0,2
Zand, siltig, los gepakt
0,2 – 0,4
1
Bij meting van de waterspanning achter de conuspunt worden in bepaalde gevallen negatieve waterspanningen gemeten. Deze waarden geven nauwelijks een indicatie van de doorlatendheid, doch alleen over het materiaalgedrag.
DISSIPATIETEST Het is ook mogelijk het sondeerproces op een bepaalde diepte tijdelijk te stoppen en de afname van de wateroverspanning (dissipatie) als functie van de tijd te registreren. Daarna kan het sondeerproces worden voortgezet. In doorlatende gronden geeft de dissipatietest een goed beeld van de heersende hydrostatische waterspanning en daarmee van de stijghoogte. Het betreft slechts een indicatie aangezien de meetnauwkeurigheid beperkt is. Door het uitvoeren van meerdere metingen in een grondlaag en de gemiddelde waarde van de stijghoogte te bepalen kan een beduidend hogere nauwkeurigheid worden behaald. Ervaring leert dat de onnauwkeurigheid circa 0,5 m bedraagt. Voor een meer nauwkeurige bepaling en de optredende fluctuaties zijn peilbuismetingen over een langere waarnemingsperiode nodig, afhankelijk van het doel.
MB01 Continu elektrisch sonderen
Versie 19-10-2017
Pagina 6 van 9
In slecht doorlatende, cohesieve lagen kan met behulp van de dissipatietest een indicatie van de consolidatiecoëfficiënt en daarmee van de verticale (on)doorlatendheid worden verkregen. Hierbij dient de dissipatietest te worden voortgezet totdat de wateroverspanning tenminste met 50 % is afgenomen. In de praktijk komt dat in klei overeen met circa 1/2 uur.Uit berekeningen en kwalitatieve vergelijking van de metingen wordt inzicht verkregen in het consolidatiegedrag van de grond. Voor het vaststellen van de heersende hydrostatische waterspanning in kleilagen is de dissipatietest in de meeste gevallen weinig geschikt, vanwege de benodigde lange aanpassingstijd en de onnauwkeurigheid. KLASSENINDELING EN-ISO 22476-1 Voorafgaand aan de uitvoering diende een keuze te worden gemaakt binnen welke kwaliteitsklasse met bijbehorende toelaatbare meetonzekerheid het werk minimaal uitgevoerd moet worden. De klassenindeling heeft voornamelijk betrekking op de nauwkeurigheid van de gemeten parameters. Door invoering van de Eurocode is op Europees niveau de internationale sondeernorm EN-ISO 22476-1 “Electrical cone and piezocone testing” ontwikkeldIn de norm EN-ISO 22476-1 is de nauwkeurigheid van de meetresultaten gekoppeld aan het toepassingsgebied met bijbehorend bodemkenmerken / geschiktheid voor interpretatie en afleiding van bodemparameters.
Verder is de meting van de waterspanning genormeerd. In de Europese tabel van sondeerklassen worden de sondeerklassen ingedeeld naar de toepassing van de sondering, zie volgende tabel.
MB01 Continu elektrisch sonderen
Versie 19-10-2017
Pagina 7 van 9
Toepassing Klasse
1
2
3
4
Test type
Gemeten parameter
Maximum lengte tussen metingen
Grondsoort b
Interpretatie c
20 mm
A
G,H
20 mm
A B C D
G, H* G, H G, H G, H
50 mm
A B C D
G G, H* G, H G, H
50 mm
A B C D
G* G* G* G*
TE2
■ ■ ■ ■ ■
Conus weerstand Mantel wrijving Waterspanning Helling Sondeerlengte
35 kPa of 5 % 5 kPa of 10 % 10kPa of 2 % 2° 0,1 m of 1%
TE1 TE2
■ ■ ■ ■ ■
Conus weerstand Mantel wrijving Waterspanning Helling Sondeerlengte
100 kPa of 5 % 15 kPa of 15 % 25 kPa of 3 % 2° 0,1 m of 1 %
TE1 TE2
■ ■ ■ ■ ■
Conus weerstand Mantel wrijving Waterspanning d Helling Sondeerlengte
200 kPa of 5 % 25 kPa of 15 % 50 kPa of 5 % 5° 0,2 m of 2 %
TE1
■ Conus weerstand ■ Mantel wrijving ■ Sondeerlengte
500 kPa of 5 % 50 kPa of 20 % 0,2 m of 1 %
MB01_Continu_elektrisch_sonderen_20171019
Gebruik
Toegestane minimum nauwkeurigheid a
Versie 19-10-2017
Pagina 8 van 9
Noot 1: Richtlijnen voor gebruik van Tabel 2 zijn gegeven in bijlage F. Noot 2: Uiterst slappen gronden maken soms nog hogere nauwkeurigheden noodzakelijk. a
b
c
d
De toegestane minimum nauwkeurigheid van de gemeten parameters is de grootste van de twee genoemde. De relatieve nauwkeurigheid geldt voor de gemeten waarde en niet voor het meetbereik. Volgens ISO 14688-2: A homogene gronden bestaande uit zeer slappe tot stijve kleien (en silt) (typische gronden met qc < 3 MPa); B gemengde bodemprofielen met slappe tot stijve kleien (qc ≤ 3 MPa) en matig vaste tot vaste zanden (conusweerstand 5 MPa qc < 10 MPa); C gemengde bodemprofielen met stijve kleien (conusweerstand 1,5 MPa qc < 3 MPa) en zeer dichte zanden (qc > 20 MPa); D zeer stijve tot harde kleien (qc ≥ 3 MPa) en zeer vaste grove gronden (qc ≥ 20 MPa). G Vaststelling bodemprofiel en bepaling van grondsoort met een laag niveau van onzekerheid. G* Indicatieve vaststelling bodemprofiel en bepaling van grondsoort met een hoog niveau van onzekerheid. H Interpretatie met betrekking tot ontwerp met een laag niveau van onzekerheid. H* Interpretatie met betrekking tot ontwerp met een hoog niveau van onzekerheid. Waterspanning kan alleen worden gemeten als TE2 wordt toegepast.
Voor projecten, waarbij parameters op basis van Tabel 2.b NEN 9997-1 worden afgeleid, is een hoge nauwkeurigheidsklasse gewenst. Het is echter in een bodemgesteldheid met zowel zeer slappe grondlagen als zeer vaste zandlagen met hoge conusweerstanden niet realistisch om aan de eisen van toepassing klasse 1 voldoen zoals ook blijkt uit de bovenstaande tabel. Het bij Fugro gehanteerde meetsysteem voor sonderen is bijzonder nauwkeurig door toepassing van digitale conussen, strikte kwaliteitscontroles en calibraties. In de praktijk is gebleken dat standaard Fugro sonderingen in de nieuwe norm voor het overgrote deel (>95%) in toepassingsklasse 2 vallen. Voor sondering in toepassingklasse 1 worden speciale gevoelige conussen met een beperkt meetbereik toegepast. De enige praktische indicatie over de bereikte sondeerklasse is controle van recente kalibraties en 0-puntsverlopen tussen het begin en eind van de sondering. In de praktijk komt het af en toe voor dat sonderingen worden uitgevoerd, waarbij door de opdrachtgever is aangegeven dat de maaiveldhoogte niet ten opzichte van een vast referentiepeil (NAP) behoeft te worden vastgelegd. Deze sonderingen voldoen derhalve op dit punt niet aan EN-ISO 22476-1.
MB01 Continue elektrisch sonderen
Versie 19-10-2017
Pagina 9 van 9