Beantwoording vragen commissie Stad d.d. 210915 5-5.docx
Tekst van het document
Schriftelijke beantwoording aan dossiernummer onderwerp
de gemeenteraad 5414 Beantwoording vragen commissie Stad d.d. 15 september 5/5 Vleermuizenfoerageergebied
van datum
portefeuillehouder R.A. Tetteroo 6 oktober 2021
Schriftelijke beantwoording vragen commissie Stad d.d. 15 september In de commissie Stad van woensdag 15 september jongstleden zijn verschillende vragen gesteld over of naar aanleiding van het project De Blaauwe Haan waarvoor een bestemmingsplan ter behandeling voor ligt. 1. Vleermuizenfoerageergebied Gevraagd wordt naar informatie over het vleermuizenfoerageergebied nabij De Blaauwe Haan. Voor dit project wordt geconcludeerd dat er genoeg ruimte in de directe omgeving van het projectgebied waar de vleermuizen naar kunnen uitwijken. Deze conclusie wordt heel vaak getrokken en de vraag is hoe die conclusies zich tot elkaar verhouden. Want op een gegeven moment lijkt die uitwijkruimte wel op. Hoe wordt dat afgewogen om te concluderen dat foerageergebied elders gevonden kan worden? In de ‘Toetsing in het kader van de natuurwetgeving’ van 27 maart 2020, die als bijlage 4 ‘Quickscan flora en fauna’ bij de toelichting van het bestemmingsplan is gevoegd, wordt in § 4.2 ingegaan op de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen binnen en in de directe omgeving van het projectgebied. Daarin is aangegeven dat geen negatief effect van de ingreep wordt verwacht voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied, omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is.
De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Ná realisatie van de plannen zal vanwege de ontwikkelde begroeiing en gerealiseerde bebouwing de beschutting toenemen en zal het terrein geschikt blijven voor foeragerende vleermuizen. De vermindering van de kwaliteit van het foerageergebied is daardoor tijdelijk. In de ‘Inventarisatie Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen in het kader van de natuurwetgeving’ van 19 oktober 2020, die als bijlage 5 ‘Nader ecologisch onderzoek’ bij de toelichting van het bestemmingsplan is gevoegd, komt in § 5.3 naar voren dat geen verblijfplaatsen zijn vastgesteld in het plangebied. Er worden dan ook geen negatieve gevolgen verwacht van de ingreep op verblijfplaatsen van vleermuizen. Ook zijn er geen vliegroutes of essentieel foerageergebieden die in betekenende mate worden aangetast. Het is dan ook niet nodig ontheffing aan te vragen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Overigens zijn vleermuizen in staat grote afstanden af te leggen om te foerageren. Ook hebben ze een netwerk van verschillende foerageergebieden die ze ’s nachts bezoeken. Zo bevinden de foerageergebieden van de Gewone dwergvleermuis zich overwegend in besloten tot halfopen landschap binnen enkele kilometers van de (zomer)verblijven. De omliggende begroeiing in en net buiten het plangebied van De Blaauwe Haan werd gedurende de onderzoeksperiode regelmatig gebruikt door foeragerende vleermuizen. In Kattensingel 62 werd de Ruige dwergvleermuis enkele malen aangetroffen in het gebied. De soort werd alleen langsvliegend en foeragerend gezien, zonder dat aanwijzingen werden verkregen dat de vleermuizen binding hadden met bebouwing in het plangebied. In Kattensingel 62 werden slechts foeragerende en langsvliegende Laatvliegers opgemerkt. Laatvliegers foerageren na het uitvliegen eerst kort in sociale groepen nabij de kolonieplaats. Daarna zoeken ze afzonderlijk de open jachtgebieden op. Deze liggen veelal in kleinschalig agrarisch gebied dat rijk is aan vochtige graslanden. Hierbij kunnen relatief grote afstanden worden afgelegd. In Kattensingel 62 werd de Meervleermuis slechts tweemaal overvliegend waargenomen. De Meervleermuis jaagt bij voorkeur vlak boven grote open wateren. Brede weteringen, vaarten en kanalen zijn vaak onderdeel van de vaste, soms lange (> 10 km), vliegroutes.
De provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming binnen onze provincie. Zij is verantwoordelijk voor het behouden van een goede staat van instandhouding van de vleermuizenpopulaties. Waar nodig kan hiervoor specifiek beleid opgesteld worden. Op dit moment volgt de provincie de door BIJ12 opgestelde (landelijke) richtlijnen voor vleermuizen. Hierin is onder andere aangegeven dat een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig is wanneer sprake is van het verdwijnen van essentieel leefgebied. Essentieel leefgebied is gedefinieerd als een foerageergebied dat van essentieel belang voor het functioneren van een verblijfplaats van een vleermuis, waarvoor geen alternatieve foerageergebieden zijn om de eventuele aantasting ervan op te vangen. Bebouwde percelen die geen hoofdlocatie zijn om te foerageren, vallen daar niet onder.
pagina 2