Beantwoording GBG aanvullende vragen over vaststellingsovereenkomst Turfmarktkerk.pdf
Tekst van het document
Aanvullende vragen over vaststellingsovereenkomst Turfmarktkerk. 1. Bij vraag/antwoord 1b,1g en wordt de vraag voorgelegd of de adviezen zoals die zijn gegeven tijdens de besloten vergadering van het presidium overeenkomen met het uiteindelijke resultaat van de vaststellingsovereenkomst en de hoogte van 735.000 euro. Het College geeft daarop antwoord dat dit geen zaak is van het College maar van het presidium en dat in het kader van de mediationovereenkomst artikel 7 (geheimhouding) het College geen antwoord wenst te geven op deze vraag. Dat kan allemaal wel staan in een mediationovereenkomst maar ontslaat mij niet van mijn controlerende vraag aan het College of het kader, zoals aangegeven in het presidium, door het College niet is overschreden met de uitkomsten van de vaststellingsovereenkomst en het bedrag van 735.000 euro? Hieraan gekoppeld de vraag aan mij collega’s van het presidium of het advies dat zij hebben gegeven over de afwikkeling van de Turfmarktkerk overeen komt met de uitkomsten zoals verwoord in de vaststellingsovereenkomst inclusie het bedrag van 735.000 euro? 2. Bij vraag/antwoord 1e wordt gevraagd of het College kan aangeven of het College nog schadeclaims en/of claims op de planschade van de omwonenden verwacht. Het College antwoordt met verwijzing naar de Wet ruimtelijke ordening artikel 6.1 en 5.3.
maar ook naar de geheime rapporten die voor de gemeenteraad vertrouwelijk ter inzage zijn gelegd. Op basis van deze geheime rapporten mogen wij aannemen dat het de gemeente Gouda nog extra geld gaat kosten vanwege deze onterecht sloop van de Kerk. Kan indicatief worden aangeven waar de gemeenteraad rekening mee moet houden voor wat betreft deze extra kosten? Binnen het kader van de genoemde artikelen moet daar toch een proforma prognose van kunnen worden opgesteld? 3. Bij vraag/antwoord 1h wordt gevraagd waarom het College het uiteindelijk resultaat van de mediation voor wat betreft de inhoud en de kosten niet eerst in vertrouwelijkheid of openbaar heeft voorgelegd aan de gemeenteraad. Het College geeft daarop geen antwoord en verwijst naar de geheimhouding. Met andere woorden de geheimhouding zoals verwoord in artikel 7 van de mediationovereenkomst is voor het College aanleiding om zonder nader overleg met de gemeenteraad te handelen, een overeenkomst te onderteken zonder enig mandaat van de gemeenteraad binnen twee weken over te gaan tot betaling van 735.000 euro gemeenschapsgeld Kan het College uitleggen waarom bij de afwikkeling van de vaststellingsovereenkomst en het uitkeren van 735.000 euro gemeenschapsgeld de gemeenteraad buitenspel is gezet?
4. Bij vraag/antwoord 1i verwijst het College naar haar bevoegdheid conform het gestelde in de gemeentewet artikel 160, eerste lid, aanhef en onder d., n.l. dat het College namens de gemeente bevoegd was om deze privaatrechtelijke rechtshandeling n.l. het aangaan van de vaststellingsovereenkomst, aan te gaan. En het College verwijst daarbij naar het vertrouwelijke presidium van 8 november waar het College de raad vertrouwelijk heeft meegenomen in de stand van zaken rond de mediation. Los van het feit dat het College op 8 november 2021 advies heeft gevraagd aan het presidium en naar mijn mening afgeweken is van dit advies ontslaat deze bepaling in de gemeente wet het College niet van haar verplichting om verantwoording af te leggen aan de gemeenteraad. Als het College van mening is dat de raad vertrouwelijk is meegenomen in het traject van het opstellen van de vaststellingsovereenkomst waarom heeft het College dan niet vertrouwelijk de raad geïnformeerd over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst en het overeengekomen bedrag van 735.000 euro?
5. Bij vraag/antwoord 2b wordt gevraagd wie aansprakelijk kan worden gesteld voor de kosten vanwege het niet tot de grond toe slopen van de kerk. Het antwoord van het College is “niet meer en niet minder dan” Dit is niet van toepassing! Bij de last onder bestuursdwang (de regie is aan de gemeente om de kerk te slopen) is aangegeven dat sloop tot de grond zou plaatsvinden. Wanneer dat, om welke reden dan ook niet gebeurt, wie is dan aansprakelijk voor de verdere sloop en waarom is dit niet meegenomen in de vaststellingsovereenkomst? 6. Bij vraag/antwoord 3b wordt gewezen op de passage “de nog te lijden schade” (punt 1 in de overeenkomst). De vraag was; wat hieronder te verstaan. Het College antwoord: Hierover kan, gelet op de geheimhoudingsplicht, geen informatie over worden gegeven. Dat roept de vraag op wat wij als gemeente nog te verwachten hebben van de nog te lijden schade en waarom kan het College daar geen duidelijkheid over geven aangezien bij schade er weer een beroep zal worden gedaan op gemeenschapsgeld? 7. Bij vraag/antwoord 3d gaat het over de vraag over de omzetbelasting (21%) die nog niet is meegenomen in het bedrag van 735.000 euro. Het College geeft aan als antwoord dat over schade-onkostenvergoeding geen btw-belaste prestatie tegenover staat e.e.a. te bepalen door de inspectie.
Graag leg ik de vraag voor om na te gaan bij de inspectie over welk bedrag nog wel 21% berekend moet worden aangezien dit een kostenverhogend aspect is op het bedrag en de totale kosten van 1.9 miljoen euro die dit dossier tot nu toe de gemeente heeft gekost.? 8. Vraag/antwoord 3f. De vraag was of, wanneer het vertrouwelijk concept BMC-rapport op enig moment wel openbaar wordt gemaakt dit nog gevolgen kan hebben voor de gemeente Gouda mede gelet op de inhoud (waar ik niets over mag zeggen) en in vergelijk met het openbaar gemaakte definitieve rapport. Het antwoord van het College was dat het Openbaar Ministerie dan gaat over de strafvervolging en dat dit daarmee niet volledig kan worden uitgesloten. Kan het College deze cryptisch beantwoording nader toelichten en kan waarom kan dit concept BMC-rapport nu er een vaststellingsovereenkomst niet openbaar worden gemaakt? 9. Vraag/antwoord 3g. Richtte zich op de zinsnede dat “Partijen zullen elkaar met respect bejegenen en met respect over elkaar spreken”. Deze passage riekt naar een zwijgplicht op grond waarvan de suggestie wordt gewekt dat sprake is van “735.000 euro Zwijggeld”. Het antwoord van het College is veelzeggend en raakt de bestuurscultuur waarmee het College dit dossier heeft behandeld n.l. “dat volgens het College een dergelijke afspraak TE WETEN ZWIJGPLICHT in het kader van mediation niet ongebruikelijk is”.
Kan het College bevestigen dat deze zwijgplicht mede de reden is dat het College bij de behandeling van dit dossier te veel heeft gezwegen en te veel in vertrouwelijkheid dit dossier heeft afgewikkeld?
Antwoorden 1.
Het college blijft met betrekking tot deze vraag bij haar eerdere beantwoording. Dit is aan het presidium zelf om te beoordelen. Overigens wenst het college deze vraag niet zozeer nader te beantwoorden, maar is dat door de in de overeenkomst gemaakte geheimhoudingsafspraken niet mogelijk. Het is niet ongebruikelijk om mediationtrajecten onder geheimhouding te voeren, dit vergroot ook in de regel de slagingskansen.
2.
In de programmabegroting 2022-2025 is in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing is bij het kwantificeren van onze gemeentelijke risico’s ook het risico Turfmarkkerk benoemd. Daarbij is bij het beoordelen van ons weerstandsvermogen rekening gehouden met het planschaderisico a.g.v. de bestemmingsplanwijziging voor dit gebied. De rapporten t.b.v. het planschaderisico in het Turfmarktdossier bevatten informatie met betrekking tot economische en financiële belangen van de gemeente. Openbaarmaking zou de economische en/of financiële belangen van de gemeente zodanig schaden en zou een zodanig onevenredige bevoordeling van de bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen en een onevenredig nadeel voor de gemeente opleveren dat het belang van openbaarmaking daarvoor moet wijken. Openbaarmaking van de rapporten t.b.v. het planschaderisico in het Turfmarktdossier ook ingevolge artikel 10 lid 2 onder b. en g. Wob achterwege te blijven.
3.
Het college verwijst hiertoe nogmaals naar de eerdere beantwoording van de vragen 1i en 3c t.b.v. de beeldvormende commissie Bestuur d.d. 17 januari 2022.
4.
Zoals ook in de beeldvormende commissie Bestuur d.d. 17 januari 2022 is toegelicht is in de mediationovereenkomst - onder doorgifte van de geheimhoudingsplicht - alleen een uitzondering gemaakt voor het Presidium inzake het tussentijds informeren over de processuele voortgang, en later is door de mediationpartners ruimte gegeven om het presidium te sonderen over de financieel-inhoudelijke richting.
5.
Artikel 9 van de vaststellingsovereenkomst is van toepassing. Hier staat het volgende: ‘Partijen verklaren dat hun geschil ter zake de toegepaste spoedeisende bestuursdwang met deze vaststellingsovereenkomst is beëindigd. Behoudens vorderingen tot nakoming van deze overeenkomst verlenen partijen elkaar hierbij over en weer onherroepelijk finale kwijting en doen zij onherroepelijk afstand van bestaande en/of toekomstige vorderingen die op enige wijze verband houden met voornoemde besluiten, de feitelijke uitvoering daarvan en bovengenoemde uitspraak van de rechtbank Den Haag. Zij doen afstand van het recht vernietiging of ontbinding van deze overeenkomst te vorderen’. De eigenaar van het opstal is dus verantwoordelijk voor de resterende sloop(kosten).
6.
Het college verwijst hiertoe nogmaals naar de eerdere beantwoording van de vraag 3b t.b.v. de beeldvormende commissie Bestuur d.d. 17 januari 2022.
7.
Het college verwijst hiertoe nogmaals naar de eerdere beantwoording van de vraag 3d t.b.v. de beeldvormende commissie Bestuur d.d. 17 januari 2022.
8.
Partijen binden zich jegens elkaar aan een vaststelling dit ter beëindiging of voorkoming van onzekerheid of geschil. Ingevolge art. 153 Rechtsvordering kunnen zij een dergelijke bewijsovereenkomst echter niet sluiten m.b.t. het bewijs van feiten waaraan het recht gevolgen verbindt, die niet ter vrije bepaling van partijen staat. Het Openbaar Ministerie kan naar aanleiding van gebleken feiten altijd besluiten tot het overgaan tot strafvervolging.
Overigens is tijdens de beeldvormende commissie Bestuur d.d. 17 januari 2022 door wethouder Van Vugt toegelicht dat het college in deze geen enkele aanleiding ziet voor strafvervolging. Geheime stukken worden bij de griffie in de kluis gelegd zodat raadsleden ze kunnen inzien. Als de geheimhouding van een stuk wordt opgeheven dan gaat het uit de kluis. Dit betekent niet automatisch dat het daarmee openbaar wordt. Als er een Wob-verzoek komt zal dat aan de Wob-criteria worden getoetst. In dit geval is artikel 11, eerste lid, van de Wob relevant. Hierin is bepaald dat in het geval van een verzoek om informatie uit documenten opgesteld ten behoeve van intern beraad geen informatie wordt verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat onder het begrip “documenten opgesteld ten behoeve van intern beraad” onder meer moet worden begrepen: nota’s van ambtenaren en hun politieke en ambtelijk leidinggevenden, correspondentie tussen bestuursorganen, concepten van stukken, agenda’s, notulen, samenvattingen en conclusies van interne besprekingen en rapporten. 9.
Mede op verzoek van uw raad is een mediationtraject opgestart. Aan een dergelijk traject zijn spelregels verbonden die met uw raad zijn gedeeld. Net als de inhoud van de door partijen afgesloten vaststellingsovereenkomst en bijbehorende verklaring van de gezamenlijke partijen.