B- 02a. Bijlage 2 - protocol overlast - def.docx
Tekst van het document
Bijlage 2 Protocol ‘Diervriendelijke aanpak bij overlast situaties’
Inhoud Inleiding........................................................................................................................................2 Stadsduiven .................................................................................................................................3 Ratten en muizen .........................................................................................................................3 Meeuwen......................................................................................................................................4 Mollen...........................................................................................................................................4 Konijnen .......................................................................................................................................5 Ganzen.........................................................................................................................................6 Muskusratten................................................................................................................................6
1
Inleiding
Veel dieren hebben zich gedurende duizenden jaren aangepast aan de aanwezigheid van mensen. Dat is te zien aan bijvoorbeeld de huismuis en de bruine rat, maar ook aan de tamme stadsduif. Zij kunnen eten dat is achtergelaten door de mens goed opsporen en zullen steeds terugkomen naar plekken die kansen bieden op het vinden van eten, terwijl het hier vaak om eten gaat dat niet geschikt is voor deze dieren. Sommige mensen ervaren overlast van bepaalde diersoorten. Dit is vooral het geval wanneer een bepaalde diersoort op één plek in groten getale aanwezig is. In Gouda valt te denken aan stadsduiven, eenden, ganzen, ratten en muizen. Ook mollen en konijnen kunnen op sommige plekken ongewenst zijn. In de wet Natuurbescherming zijn bepalingen opgenomen die bestrijding van schade door dieren mogelijk maken. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen dieren die door het hele land vaak en veel schade aanrichten, en dieren die op beperkte schaal schade aanrichten. Bij algemene maatregel van bestuur zijn een aantal beschermde diersoorten die in het gehele land veelvuldig schade aanrichten door de Minister van Economische Zaken aangemerkt, de zogenaamde landelijke schadesoorten. Bestrijding van deze soorten is onder voorwaarden toegestaan zonder ontheffing. Op dit moment zijn mol, konijn, houtduif, zwarte kraai en kauw aangemerkt.
Behalve de landelijke schadesoorten zijn bij algemene maatregel van bestuur een aantal diersoorten aangemerkt die slechts in delen van het land veelvuldig belangrijke schade aan kunnen richten, de zogenaamde provinciale schadesoorten. Daarnaast kan de provincie individuele ontheffingen verlenen. Tot slot kan de provincie (categorieën van) personen aanwijzen om de populatiestand van bepaalde diersoorten te beperken, eventueel ook zonder toestemming van de grondgebruiker. Dit geldt bijvoorbeeld voor de bestrijding van muskusratten. Bestrijding door middel van doding moet in Gouda gaan behoren tot de uiterste middelen. Wanneer een goed preventief beleid wordt gevoerd, is bestrijding meestal niet nodig. En als bestrijding wel nodig is, dient dit op de meest diervriendelijke manier te gebeuren. Methoden die dieronvriendelijk zijn en die nodeloos lichamelijk en psychisch lijden bij dieren veroorzaken, dienen te worden vermeden. Hierbij valt te denken aan verdrinkingsvallen, klemmen en chemische bestrijding. Deze methoden zijn een kwelling voor het dier. Bovendien zijn ze niet selectief. Onder dieronvriendelijke bestrijdingsmethoden valt ook het gebruik van dieren om andere dieren te vangen of doden. De inzet van lokvogels, aardhonden, fretten en jachtvogels moet worden gestopt.
Over het algemeen kan worden gesteld dat dieren zoals duiven, muizen, ratten, ganzen en meeuwen, afkomen op voedsel dat makkelijk te bemachtigen is. In de stad moet hierbij worden gedacht aan rondslingerend afval, etensresten op straat in open afvalbakken en voedsel dat opzettelijk aan dieren wordt aangeboden. Hierop hebben de stad en bewoners zelf invloed. In de aanpak van overlast moet dit probleem daarom het eerst worden aangepakt. Verschillende maatregelen kunnen de beschikbaarheid van voedsel in de openbare ruimte aanzienlijk terugdringen. 1. In de APV kan een voederverbod worden opgenomen voor bepaalde diersoorten en in bepaalde gebieden. Het verbod moet onder de aandacht worden gebracht bij burgers via de ODMH en dit dient dan ook gehandhaafd te worden. 2. In de Afvalstoffenverordening is een verbod opgenomen op het achterlaten van straatafval. Rondslingerende patatbakjes met restjes mayonaise of frieten, zakjes met brood(korsten) en ijshoorntjes zijn regelmatig op straat te vinden. Dit verbod moet beter worden gehandhaafd. 3. Het achterlaten van vuilnis op andere tijdstippen en plekken dan aangegeven, is eveneens verboden volgens de Afvalstoffenverordening. Ook dit verbod moet beter worden gehandhaafd. Op sommige plaatsen is wellicht een herziening nodig van de frequentie van 2
inzamelmomenten of de capaciteit van de afvalcontainers. Het komt nu vaak voor dat afval naast de containers wordt geplaatst. Handhaving is noodzakelijk. De aanpak van overlast door dieren vraagt specialistische kennis van de situatie en van het gedrag van dieren. Hieronder worden diersoorten besproken waarvan de aanwezigheid regelmatig als overlast wordt ervaren.
Stadsduiven
1. Probleem Stadsduiven vormen op sommige plaatsen een probleem doordat zij, met name wanneer zij in groepen aanwezig zijn, lawaai, nestafval en uitwerpselen verspreiden. Gebouwen en andere objecten in de openbare ruimte kunnen hier hinder van ondervinden. Wat echter vaak wordt vergeten bij stadsduiven is dat deze populatie afstammelingen vormen van duiven die door de duivenmelkerij terecht komen in de stad en daar voor nakomelingen zorgen. Zolang de duivenmelkerij bestaat, zullen de populaties stadsduiven steeds aangevuld worden met nieuwe duiven. Dit gebeurt ook door het ‘loslaten van (sier)duiven bij bijvoorbeeld trouwerijen. Ook deze dieren komen, als zij dit al overleven, in de stad terecht. 2. Preventieve maatregelen Voor de volksgezondheid vormt de duif geen risico. Een belangrijke preventieve maatregel om duiven te weren is beperking van het voedselaanbod. In een stad kan dit soms een moeilijke opgave zijn. Aanpak van het voedselaanbod kan een groot verschil maken: - Het plaatsen van een tweede duiventil waar voedsel wordt aangeboden, op plaatsen waar van overlast geen sprake kan zijn. - Het wegnemen of vervangen van eieren in bovengenoemde duiventillen om voortplanting te remmen. - Het ontmoedigen van het op straat gooien van eten(sresten) en het goed schoonhouden van de openbare ruimte. - Een campagne voeren die communiceert dat men duiven niet moet voeren.
Hierbij worden Gouwenaars gewezen op de gevolgen van voeren voor de gezondheid van duiven en hun aanwezigheid. - Het via de APV handhaven van het verbod op het voeren van tamme stadsduiven. Dit verbod wordt uitgebreid voor andere dieren zoals ganzen en eenden. - Het ontmoedigen van de duivenmelkerij. - Het verbieden van het gebruiken en loslaten van (sier)duiven bij trouwerijen of andere gelegenheden.
Ratten en muizen
1. Probleem. De aanwezigheid van ratten en muizen in en om woningen, op parkeerplaatsen en bij afvalcontainers. De overlast van beide diersoorten is meestal knaagschade en verspreiding van uitwerpselen. Bij de bruine rat is een bijkomend risico dat ziektes zoals de Ziekte van Weil kunnen worden overgebracht. 2. Preventieve maatregelen Het doden van deze dieren zonder preventieve maatregelen te treffen is niet effectief. Ratten en muizen passen hun voortplantingsgedrag aan aan de hoeveelheid soortgenoten in een bepaalde omgeving, gestuurd door het voedselaanbod.
3
-
-
-
Inzetten op preventie onder bewoners via een campagne gericht op hygiëne, goede afdichting van de woning, beperking van het voedselaanbod door levensmiddelen goed op te bergen, en het correct opruimen van vuilnis, zowel op balkons als bij openbare vuilniscontainers. Er wordt beter gehandhaafd op het verbod om straatafval te creëren of afval op onjuiste tijdstippen of plekken aan te bieden. Er komt één centraal beleid voor het aanbieden van huisvuil (waar dit niet in containers gedeponeerd kan worden) en grofvuil. Gouda neemt een verbod op in de APV om bepaalde vrij levende dieren te voeren. Gouda neemt afstand van dieronvriendelijke bestrijdingsmethoden zoals hierboven genoemd. Er wordt ingezet op preventie. Gouda doodt overlastgevende dieren niet, maar zoekt naar diervriendelijke oplossingen die op de lange termijn effectief zijn en blijven. De ODMH maakt beleid voor alle preventie en aanpak van overlast door dieren. De ODMH ontvangt hiervoor een passende vergoeding. Gouda onderzoekt de mogelijkheden voor het verder uitrollen van de ondergrondse vuilcontainer in de stad.
Meeuwen
1. Probleem Meeuwen zijn aaseters, predators en kleptoparasieten. Dat houdt in dat ze zowel zelf prooien bejagen als voedsel eten dat door een ander dier is verzameld. Ook eten ze resten van dode dieren. Een stad is voor meeuwen, net als voor veel andere diersoorten, een bron van gemakkelijke maaltijden, zeker omdat hun natuurlijke habitat op veel plekken onder druk staat. Ze komen af op vuilnis en etensresten op straat, zoals bij prullenbakken of patatzaken. Dit gaat vaak gepaard met veel geluid en rommel. De rommel trekt vervolgens weer andere dieren aan, zoals muizen en ratten. 2. Preventieve maatregelen De preventieve maatregelen die overlast door meeuwen zullen doen afnemen sluiten aan bij de maatregelen zoals genoemd bij de duif. Daarnaast zijn de volgende maatregelen mogelijk: - Meeuwen broeden niet op groene daken. Zij broeden wel graag op grinddaken. Mede om deze reden stelde de gemeente Den Haag een subsidie beschikbaar voor groene daken. In die stad broeden zo’n 800 meeuwenparen. Gezien de vele andere voordelen die groene daken daarnaast nog hebben voor de stad (zoals waterberging, biodiversiteit en afvang van fijnstof) is het wenselijk dat de aanleg van groene daken in de stad verder wordt gestimuleerd. - Vuilcontainers. Naast rommel op straat, is de aanwezigheid van volle vuilniszaken een belangrijke lokfactor voor de meeuw.
Met hun handige snavels worden de vuilniszakken snel geopend. Ondergrondse vuilcontainers zijn een oplossing voor deze factor, mits er goed op wordt gehandhaafd dat vuil niet naast de containerluiken staat. Op plaatsen waar te weinig ruimte is voor ondergrondse containers kunnen extra dikke vuilniszakken worden gebruikt en moet worden afgestemd met bewoners dat het vuil zo kort mogelijk voor het ophaalmoment aan de weg wordt gezet. - Het bieden van alternatieve nestgelegenheid kan een optie zijn om meeuwen naar minder overlastgevoelige locaties te verplaatsen.
Mollen
De mol is een echte grondbewoner. Hij komt voor in weiden, tuinen, wegbermen en bossen. Eigenlijk overal waar de grond niet te drassig is. Zijn voedsel bestaat uit insectenlarven en wormen. Deze vangt hij in de door hem gegraven gangenstelsels. Dit maakt de mol een onmisbare schakel in de
4
gezondheid van onze bodemgesteldheid. De mol leeft solitair. Zijn ogen zijn minder goed ontwikkeld maar zijn gehoor en tastzin zijn daarentegen uitstekend. De typische molshopen ontstaan doordat de vrijgekomen grond van de gangen door de mol omhoog gewerkt wordt. De schade van de mol beperkt zich dan ook tot de molshopen en de verzakkingen door het gangenstelsel. Molshopen zijn hinderlijk voor een gazon en een sportveld. Ook bij het maaien leveren molshopen problemen op. Om deze redenen wordt de mol bestreden. 1. Probleem Mollen geven soms hinder door hun gegraaf in gazons op plekken waar ook een recreatiebelang speelt en de bezoekersdruk hoog is. Spelende kinderen kunnen hun enkel verzwikken in een gat en picknickende bezoekers ervaren hinder door de modder bij veel molshopen. Het risico op letsel is over het algemeen klein omdat molshopen goed zichtbaar zijn. Zwaarwegende overlast is op de meeste gazons niet aanwezig. 2. Preventieve maatregelen Op plaatsen waar de mol een ongewenste gast is, kunnen voor de mol onwelriekende planten worden geplant. Op plaatsen waar overlast met letsel verwacht kan worden, bijvoorbeeld bij (de aanleg van) sportvelden, kan worden overwogen om een met plastic matjes versterkte gazonbodem neer te leggen. Zinvolle maatregelen zijn: - Bestrijding mag vanuit dierenwelzijnsoogpunt niet chemisch of met dodingsvallen plaatsvinden.
Wanneer acceptatie van de aanwezigheid van de mol geen optie is, of wanneer ernstige schade wordt toegebracht door de mol, kan de mol in het uiterste geval op diervriendelijke wijze, dus levend, worden gevangen en elders worden uitgezet. Konijnen Konijnen hebben door hun dieet een grote invloed op de vegetatie. Ze eten vooral scheuten en wortels van grassen en kruiden, en twijgjes van jonge struiken en bomen. Als ze in de buurt van landbouwgewassen leven, eten ze ook graag van de sla, kool, wortelen en andere groenten. Omdat konijnen schade kunnen veroorzaken aan land- en tuinbouwgewassen, mogen ze het hele jaar bejaagd worden. Konijnen zijn op sommige plaatsen talrijk, en in andere regio’s bijna uitgestorven. Dit houdt verband met het wel of niet aanwezig zijn van virusziekten en predatoren. Nu is er vaak geen balans, omdat er ook gejaagd wordt op de roofdieren die hazen en konijnen als prooidieren hebben, bijvoorbeeld de vos. 1. Probleem Het eet- en graafgedrag van het konijn wordt niet altijd gewaardeerd door de mens. Soms eten konijnen de bloemen en de eetbare planten weg uit tuinen. Ook graven zij uit plezier, of om een hol te maken. Met name het graafgedrag kan als overlast worden ervaren. Hierbij moet worden gedacht aan gegraaf en vraat in schooltuinen, sportvelden, begraafplaatsen, volkstuintjes en spoordijken. 2.
Preventieve maatregelen Ook bij konijnen is het van belang om preventieve maatregelen te treffen om overlast te voorkomen. - Afscherming is een eenvoudige oplossing voor konijnenoverlast op terreinen die kunnen worden afgesloten. Een deugdelijk hek, dat zowel boven- als ondergronds het terrein afsluit, houdt konijnen buiten de deur. Ook schrikdraad kan worden ingezet. - Ook het aanbrengen van beplanting met kruiden en planten die konijnen onaantrekkelijk vinden, kan soelaas bieden. Eventueel kan men op andere plekken, waar konijnen geen
5
-
overlast teweeg kunnen brengen, juist beplanting aanbrengen die aantrekkelijk is voor konijnen. Verder kan gedacht worden aan verjaging.
3. Geen bestrijding via de jacht of afvangen In deze nota wordt voorgesteld om de jacht in Gouda te verbieden. Dit heeft als effect dat een goede ecologische balans kan ontstaan tussen prooi- en roofdieren (vaak worden roofdieren van konijnen intensief bestreden, zoals de vos). Wanneer de vos zijn gang kan gaan, is de kans dat overlast door konijnen afneemt, groter. Het afvangen van konijnen met behulp van fretten is een zeer dieronvriendelijke methode die veel angst en paniek veroorzaakt bij konijnen. Deze methode wordt in Gouda verboden.
Ganzen
In Gouda leven verschillende tamme ganzen, ook wel boerenganzen genoemd. Van oorsprong zijn dit gedomesticeerde dieren. Rust, water en voedsel zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving voor ganzen. 1. Probleem Ganzen die in groepen leven maken geluiden die als overlast ervaren kunnen worden. Daarnaast laten zij uitwerpselen achter die door velen hinderlijk worden gevonden. Uitwerpselen nemen in hoeveelheid toe wanneer de ganzen worden gevoerd. De kans om ziek te worden door ganzen is klein. Vervuiling van zwemwater is mogelijk het grootste risico met daarbij risico op microbiële darminfecties. Wel zou als effect van eutrofiëring (voedselrijk worden) van het water door ganzenpoep de groei van blauwalg gestimuleerd kunnen worden. Een groep ganzen in de buurt van rijwegen kan tot ongelukken leiden. 2. Preventie - Net als bij de hiervoor genoemde diersoorten kan een groot deel van de overlast worden voorkomen door de dieren niet te voeren. - De gemeente kan de dieren voeren op plekken waar ze geen overlast kunnen veroorzaken, wanneer de ganzen op plekken leven die gevaarlijke verkeerssituaties opleveren. 3. Populatiebeheer - Nestbeheer is een mogelijkheid om de groei van ganzenpopulaties te remmen. Wanneer het nest is opgespoord kunnen de eieren worden vervangen door nepeieren of worden ondergedompeld in olie.
Het onderdompelen moet gebeuren binnen de eerste twee weken nadat het legsel compleet is en de gans begint met broeden. In dat stadium is er nog geen sprake van de ontwikkeling van een kuiken in het ei. - Voor het uitvoeren van sommige maatregelen is een ontheffing nodig, bijvoorbeeld het verjagen van vogels. Daarbij worden eisen gesteld aan de deskundigheid van diegene die de maatregel uitvoert en toegestane middelen.
Muskusratten
De muskusrat is een waterdier dat graag vertoeft in een gebied met sterkte begroeiing van water- en oeverplanten. Dit dier, dat anders dan de naam doet vermoeden geen rat is maar een grote woelmuis die meer weg heeft van een bever, wordt in Nederland al decennia lang intensief bejaagd, omdat hij graag graaft in oevers en dijken. Volgens sommigen kunnen deze gangen resulteren in verzakkingen waardoor landbouwmachines en koeien wegzakken. Muskusratten worden om die reden vaak gevangen in vallen die onder water staan, waarin ze verdrinken na een doodstrijd van minstens vier minuten. Deze gruwelijke wijze van doden, maar ook twijfel over de effectiviteit van de 6
muskusrattenbestrijding heeft geleid tot een maatschappelijke en politieke discussie over nut en noodzaak van het huidige beleid. De provincies, die voorheen verantwoordelijk waren voor de muskusrattenbestrijding, wilden door het doden de stand van deze dieren rigoureus laten dalen. Dat is niet gelukt - ondanks de bestrijding die sinds de jaren 1950 door de overheid wordt georganiseerd, heeft de muskusrat kans gezien zijn leefgebied uit te breiden en zich in alle provincies van Nederland te vestigen. Het doden van muskusratten is dieronvriendelijk. De soort heeft zich inmiddels dusdanig goed gevestigd dat bestrijding niet zal leiden tot uitroeiing of het verdwijnen van de soort. De bestrijding van muskusratten schaadt andere, inheemse en vaak beschermde fauna doordat er veel bijvangst is in de vallen. Inmiddels is het beleid rond muskusratten in handen van de waterschappen. Het beleid is gericht op het vangen van muskusratten met als doel de populatie zo klein mogelijk te houden. Onlangs werd een veldproef uitgevoerd waarbij wetenschappelijk werd onderzocht welke vormen van bestrijding effectief kunnen zijn. Deze proef liep tot 2016. Uitkomsten? Gouda kan als gemeente een rol spelen in het stimuleren van een diervriendelijke benadering van het hier geschetste probleem en door uit te dragen dat het doden van muskusratten dieronvriendelijk en overbodig is.
Doding van muskusratten op Gouds grondgebied moet snel tot het verleden gaan behoren. Ook kan de gemeente een rol spelen in het verspreiden van kennis rondom het nut en de noodzaak van muskusrattenbestrijding op relevante momenten. Maatregelen - Gouda heeft als standpunt en draagt uit dat doding van muskusratten dieronvriendelijk en overbodig is. - Doding van muskusratten op Gouds grondgebied moet snel tot het verleden gaan behoren. De gemeente promoot een diervriendelijke benadering en verspreidt kennis rondom nut en noodzaak van muskusrattenbestrijding op relevante momenten.
7